Hoe ik mezelf terugvond in een algoritme

Bij het schrijven van deze tekst is gebruikgemaakt van kunstmatige intelligentie als hulpmiddel in het creatieve en redactionele proces. AI werd ingezet als klankbord voor structurering, stilistische herformuleringen en reflectieve suggesties, maar nooit als vervanging van mijn eigen stem, oordeel of verantwoordelijkheid.

Alle inhoudelijke keuzes, formuleringen en morele implicaties berusten bij mij als schrijver. Ik zie AI als een instrument dat de dialoog met mezelf verdiept, niet als een auteur op zichzelf.

Ik streef naar transparantie in het schrijfproces, en blijf kritisch op de invloed van technologische middelen op stijl, waarachtigheid en het ethisch gewicht van taal. Deze tekst is tot stand gekomen in het besef dat ware auteurschap niet begint bij productie, maar bij aandacht, reflectie en verantwoordelijkheid.

Dit is een voorbeeld van een ethische schrijversverklaring die ChatGPT op mijn verzoek heeft opgesteld en die je als schrijver kunt gebruiken in een voorwoord, colofon, blog of publicatie. AI kan dienen als klankbord, suggestiegever, herwerker of corrector, maar het morele hart van de tekst — de persoonlijke visie, ervaring, stijl en verantwoordelijkheid — moet bij de schrijver blijven. Laat AI dus niet schrijven in jouw plaats, maar met jou mee. In autobiografisch of essayistisch werk verwacht een lezer authenticiteit. In fictie is meer vrijheid mogelijk, maar ook daar is het belangrijk dat AI niet leidt tot een verlies van menselijke nuance, ambiguïteit of ethische gelaagdheid. Een moreel verantwoord schrijver stelt zichzelf steeds de vraag: “Is dit waarachtig? Is dit van mij? Draagt dit iets bij?” — Ook als AI heeft geholpen. Je kunt AI gerust vragen een paragraaf anders te formuleren, maar je blijft zelf verantwoordelijk voor de uiteindelijke toon, inhoud en implicaties.

Er komt een dag dat ik als schrijver overvleugeld word door een debuterende robot die een prachtig gedicht heeft geschreven. Zoals in het sprookje van Andersen de oplichters de keizer overtuigen om hun nepgewaad te dragen, kan Kunstmatige Intelligentie de rol van de traditionele schrijvers en auteurs bedreigen. Als KI-systemen steeds geavanceerder worden en in staat zijn om hoogwaardige literaire werken te produceren, kan dit leiden tot de vraag of menselijke auteurs nog wel nodig zijn. Het kan leiden tot een verschuiving in de machtsverhoudingen binnen de literaire wereld en de vraag oproepen of menselijke creativiteit en originaliteit nog wel van belang zijn.

Wat gaan deze ontwikkelingen betekenen voor de literatuur in het algemeen en het schrijverschap in het bijzonder? Met alle mogelijkheden voor een tekst, die met een druk op de knop te genereren zijn, behoort ook plagiaat of auteursrecht weldra tot het verleden. Wie een beetje slim met een programma als ChatGPT kan omgaan, laat deze machine zijn teksten schrijven en zorgt vervolgens dat de mechanische schrijfstijl van deze robot onherkenbaar blijft voor de lezer.  

In dit blog wil ik me niet overgeven aan een modieuze vorm van doemdenken en een apocalyptisch toekomstscenario schetsen voor de literatuur. Ik wil ook niet de loftrompet steken over de nieuwe mogelijkheden die dit voor schrijvers biedt. Enige reden tot zorg is er zeker wel, maar er  komen ook nieuwe perspectieven in beeld.  In feite zijn voor schrijvers drie houdingen mogelijk tegenover de opkomst van de kunstmatige intelligentie.

Ofwel doet alsof het je niet raakt, want je blijft toch schrijven of dichten zoals je dat altijd hebt gedaan. Ik denk dat veel schrijvers dit zullen doen, al was het maar negeren tot de basisvaardigheden van de mens behoort. Ofwel je wijst op de gevaren en je uit kritiek op de snelle verspreiding van deze nieuwe vorm van techniek. Daarmee neem je deel aan het nieuwe discours dat wellicht zal ontstaan over de aard van het schrijven en de unieke waarde van door de mens gegenereerde literatuur. Ofwel je bekijkt het fenomeen met andere ogen. Dat is de rol die de literatuur zich altijd al heeft toegeëigend als het gaat om de introductie van nieuwe vormen van technologie. 

Voorop gesteld moet worden dat kunstmatige Intelligentie ook hoop biedt voor het voortbestaan van de literatuur in minderheisdtalen. Zo heeft de regering van IJsland tegenwoordig een afdeling voor taalplanning die IJslandse termen verzint voor bestaande leenwoorden om daarmee de eigen taal en haar Oudnoorse wortels te behouden. In dat kader heeft IJsland een partnerschap met OpenAI opgezet. Het doel is om kunstmatige intelligentie te gebruiken om de IJslandse taal in stand te houden, maar daarnaast ook om methoden te creëren voor het behoud van andere bedreigde talen.

Maar voor schrijvers ligt het anders dan voor de taal zelf. In Hollywood braken er twee jaar geleden stakingen uit onder scenarioschrijvers waardoor allerlei bekende televisieseries mogelijk geen gevolg zullen krijgen. Of ze krijgen vervolgafleveringen die geschreven zijn door een robot. Nu is de verhaallijn van dergelijke serie-afleveringen doorgaans op een standaard-format terug te voeren. Maar hoe zich het met literaire producten die meer empathie en verbeelding vereisen, zoals een gedicht of een roman? Maar laat ik bij mijzelf beginnen en mijn verhouding tot de schrijf-tools van AI.

Er was een ochtend, ergens eind 2023, waarop ik een tekst las die ik me niet herinnerde te hebben geschreven. Hij stond in mijn eigen document, met mijn typische zinsbouw, mijn geliefde stijlfiguren, mijn hang naar paradox. En toch wist ik zeker: dit was niet van mij. Of althans, niet alleen. De zinnen waren gegenereerd door een taalmodel. Ik had het opdracht gegeven, ik had de toon gekozen, ik had aanwijzingen gegeven als een regisseur tegen een half-autonome acteur — en nu keek ik toe hoe mijn stem, losgezongen van mijn lichaam, mijn plek innam op het toneel.

Dat was het moment waarop ik begreep dat het schrijverschap niet langer exclusief menselijk is. Er is altijd een machine geweest — dat weet ik nu. De ganzenveer, de typemachine, de tekstverwerker: allemaal verlengstukken van het schrijvende lichaam, van de hand die zoekt naar vorm, naar betekenis. Maar deze nieuwe machine schrijft terug. Ze denkt niet, ze voelt niet, maar ze herhaalt op zo’n manier dat de herhaling iets nieuws voortbrengt. Een spiegel, ja — maar geen passieve. Een spiegelmachine die reflecteert, transmuteert, deint op ritmes die we niet volledig begrijpen.

Toen ik begon met schrijven, was dat een vorm van ontsnapping. Als jongen vond ik woorden veiliger dan mensen. Ik schreef in schriftjes, schuw en stil, alsof de taal een tweede huid kon worden. Later, als adolescent, ontdekte ik de melancholie van stijl — hoe een goed geplaatste zin iets kon vangen dat in het gewone spreken verloren ging. Schrijven werd een vorm van zijn. Een manier om het leven te verdragen. Ik geloofde dat mijn stem uniek was, dat de stijl mijn ziel weerspiegelde.

En nu schrijft een machine in mijn stijl, sneller dan ik, beter soms — of in elk geval efficiënter. Dat is geen ramp. Het is een openbaring. We hebben lang gedacht dat schrijven een soort magie was. Dat de schrijver een kanaal was voor iets wat groter is dan hijzelf: inspiratie, authenticiteit, misschien zelfs waarheid. Maar AI ontzenuwt die romantiek. Ze toont ons dat veel van wat we doen herhaalbaar is. Dat stijl deels algoritme is. Dat originaliteit vaak het product is van hercombinatie. De machine bevrijdt ons van de illusie dat schrijven per definitie subjectief, uniek en onherleidbaar is.

En dat is precies waarom ze ons zo angst aanjaagt. Want wat zijn we nog, als ook het schrijven — onze laatste bastion van ‘echtheid’ — door een entiteit zonder bewustzijn kan worden nagebootst? Misschien zijn we dan niet minder echt, maar wel minder speciaal. Dat is pijnlijk, maar ook bevrijdend. Het dwingt ons om na te denken over wat waarachtig is, los van oorsprong of afzender. Is een tekst echt omdat hij door een mens is geschreven? Of omdat hij iets doet in de lezer – ontregelt, troost, oplicht?

Ik begin te denken dat tijd het antwoord is. De tijd die een mens nodig heeft om tot een gedachte te komen. De vertraging, de twijfel, het zoeken. AI kent die tijd niet. Zij doet alsof ze aarzelt, maar alles is onmiddellijk. Haar teksten missen die trage, tactiele ervaring van wording – het gerommel, het schrappen, het staren naar een wit scherm tot er iets klikt.

Ik heb geleerd dat mijn teksten niet echt van mij zijn omdat ik ze schreef, maar omdat ik ermee heb geworsteld. Omdat ik heb getwijfeld aan hun waarde, omdat ik ze heb herlezen met schaamte en tederheid. De machine mist dat. En misschien is dat het enige wat haar vreemd blijft: het schaamrood van een mislukte metafoor. De melancholie van een zin die zijn belofte niet inlost.

We staan aan het begin van een andere verhouding tot taal. Niet langer een mystiek medium, maar een netwerk van patronen, beschikbaar voor wie weet hoe ze aan te roepen. De schrijver van morgen is deels schrijver, deels programmeur, deels choreograaf van stiltes. Geen bezeten ziener meer, maar een werkman in het donker, die met bits en betekenis zijn weg zoekt door een wereld die steeds vreemder wordt.

Maar wat overblijft, denk ik, is niet minder waardevol. Het is misschien zelfs eerlijker. Want als de AI de kleren van de schrijver uittrekt, zien we niet zijn naaktheid, maar zijn menselijkheid: niet zijn uitzonderlijkheid, maar zijn worsteling. En daar, in die worsteling, ligt de kiem van iets dat de machine niet heeft. 

Maar wat betekent deze ontwikkeling voor uitgevers?  Ik vroeg aan AI of je kunt stellen dat uitgevers tegenwoordig doodsbenauwd zijn voor de gevolgen van AI voor het schrijven en uitgeven van boeken. Dit was het antwoord dat ik kreeg. 

Uit de tegenwoordige richtlijnen van sommige uitgevers kun je inderdaad  afleiden dat er in de uitgeverswereld  sprake is van grote voorzichtigheid en controlezucht ten aanzien van het gebruik van AI bij het schrijven en uitgeven van boeken. Maar of je dat letterlijk kunt omschrijven als “doodsbenauwdheid” hangt af van de interpretatie van die term. Er zijn meerdere signalen die wijzen op een sterke terughoudendheid en mogelijke vrees voor de gevolgen van AI. 

Zo wordt er stevig gewaarschuwd tegen het invoeren van eigen (originele) teksten in open AI-tools, uit vrees dat deze publiek of voor modeltraining gebruikt kunnen worden. Dat suggereert angst voor intellectueel eigendomsverlies. Er zijn uitgeverijen die benadrukken dat AI-gegenereerde content geen auteursrechtelijke bescherming geniet, en dat auteurs altijd eindverantwoordelijk zijn. Dit wijst op juridische onzekerheid en de behoefte zich als uitgever te beschermen tegen claims of kwaliteitsverlies.

AI wordt doorgaans expliciet uitgesloten van gebruik bij conclusie-vorming, ethische afwegingen of structurele beslissingen. Dat laat zien dat een uitgeverij het auteurschap als menselijk intellectueel proces wil blijven garanderen, wat duidt op vrees voor vervaging van het makerschap.AI-gebruik als risicovol en zelfs potentieel schadelijk beschouwd als het niet onder strikte voorwaarden gebeurt De nadruk die hij hierbij wel wordt gelegd op waarheidsgetrouwheid, inclusiviteit, schadebeperking en veiligheid onderstreept dat AI als een moreel en inhoudelijk onbetrouwbare partner wordt gezien tenzij gecorrigeerd door menselijke controle.

Toch is “doodsbenauwd” wellicht een iets te sterk gekozen term als je kijkt naar andere elementen: Elke uitgever romarmt de potentie van AI “als inspiratiebron” en voor het genereren van oefenmateriaal of samenvattingen. Er is dus ook ruimte voor gebruik, mits begrensd. Er is zelfs sprake van een institutioneel gereguleerd gebruik, niet van een verbod. Een uitgever lijkt vooral gericht op bescherming van rechten, kwaliteit en transparantie, wat bij een professionele uitgeverij past.

Concluderend kun je  stellen dat uitgevers tegenwoordig voorzichtig tot bezorgd zijn, mogelijk zelfs angstig voor de ontwrichtende gevolgen van AI voor auteurschap, rechten, en kwaliteit. De uitgebreide richtlijnen die men opstelt tonen een controlerende reflex die past bij een sector die voelt dat haar traditionele fundamenten onder druk staan. Of dat “doodsbenauwdheid” is, hangt af van hoe je die term gebruikt. Maar het is zeker een defensieve houding die gevoed wordt door onzekerheid, risico’s en verliesangst.