Leven met een lege spiegel

Soms zeggen mensen dat ik te veel bezig ben met wat kunstmatige intelligentie doet met onze ervaring van de werkelijkheid. Dat ik er bijna van lijk te genieten, alsof ik flirt met de psychose, alsof ik heimelijk verlang naar het moment waarop de spiegel definitief breekt. Alsof ik daarin wil verdwijnen. Maar dat is niet het geval. Integendeel. Het is  juist precies daar, op dat breukvlak van schijn en werkelijkheid dat de waarheid voor mij aan het licht treedt. Niet in de veiligheid van de vaste vorm, maar in het moment waarop de vorm begint te wankelen.

Waar ik mee bezig ben is geen obsessie, maar een noodzakelijke onderneming voor mijzelf. Voor mij is dit het enige juiste standpunt: niet om het verdwijnpunt te vermijden, maar om het aan te raken, zonder erdoor opgeslokt te worden. Alsof ik, door te blijven kijken naar een lege spiegel, probeer te begrijpen wat het betekent dat we steeds meer leven in werelden die zichzelf spiegelen zonder dat er nog iemand in verschijnt. AI versnelt die beweging. Het schept beelden die zichzelf voldoende achten. Beelden die geen werkelijkheid meer nodig hebben. Simulacra zonder oorsprong. Ik vraag me af: wanneer zijn wij dat zelf ook geworden, een beeld zonder werkelijkheid? Wanneer worden we een gestalte zonder spiegelbeeld? 

Oké, het zou kunnen  dat ik te ver door ga. Misschien vindt u het als lezer ook wat ongemakkelijk dat ik durf te blijven staan waar u liever wegkijkt. Ieder mens koestert een  heimelijk verlangen naar de geruststelling van een vertrouwd spiegelbeeld. Ik weet alleen dat ik deze gedachte niet kan laten voortbestaan. Niet omdat ik in mijn eigen spiegelbeeld wil verdwijnen, maar omdat ik wil begrijpen wat er inmiddels verdwenen is zonder dat ik daar bij stil heb gestaan — en wat dat over mij zegt. Het gaat nooit om het verlies van de spiegel, maar om het verlies van de wederzijdse blik. Om het verlies van een wereld waarin we elkaar nog werkelijk konden zien.

Vanochtend was het dan eindelijk zover, in de badkamer, merkte ik opeens dat mijn spiegelbeeld verdwenen was. Ik keek in de spiegel, maar zag niet mezelf — ik zag de muur achter mij. Even kneep ik in mijn wang. Alles functioneerde nog, ik was er nog. Ik kon nu in paniek raken, dacht ik, maar wat zou dat helpen? Alsof paniek iets herstelt. Dus deed ik alsof er niets aan de hand was. Misschien is er ook niets aan de hand. De dag verloopt verder zoals elke andere. Ik moet alleen vermijden om in spiegels te kijken. Niemand hoeft het te merken, zolang ik maar niet samen met iemand anders voor een spiegel ga staan. Dat zal ik dus niet doen. Ik heb mijn verlies genomen. Ik heb afscheid genomen van mijn spiegelbeeld.

Maar later drong het pas tot me door: mijn spiegelbeeld is meer dan die gestalte achter glas. Mijn spiegelbeeld leeft ook in mijn hoofd — sterker nog, het leeft in de hoofden van de mensen om mij heen. Wanneer ik met iemand spreek, vertrouw ik erop dat die ander een beeld van mij heeft. Dat is óók een spiegel. Ik spiegel mij voortdurend in de ander. Misschien spreek ik zelfs met anderen om mijzelf te zien — om te controleren of het beeld dat ik van mijzelf heb, nog klopt met het beeld in hun ogen. Het sociale leven is een voortdurende check van het eigen spiegelbeeld.

Maar wat als dat spiegelbeeld ook daar verdwenen is? Wat als niemand een beeld meer van mij heeft? Wat als ik in een lege spiegel kijk, wanneer ik met iemand spreek? Die gedachte benauwde me. Zonder spiegelbeeld in de badkamer kan ik leven. Maar zonder spiegelbeeld in de ander… dat is een leegte waar ik niet doorheen kom. Ik durf zelfs te beweren dat de diepste motor is van al mijn handelen: het verlangen om weerspiegeld te worden, om te bestaan in het oog van de ander. Als dat verdwijnt, valt de bodem onder mijn bestaan weg. Dan rest mij alleen nog mezelf. Mijn geest als laatste spiegel.

Maar wat als ook die spiegel is verdwenen? Als er nergens meer een beeld van mij bestaat — niet in de spiegel, niet in de ander, niet in mezelf? Wat als ik ben opgesloten in een ontspiegeld universum? Volledig alleen. Een afwezigheid zonder contouren. Dat is de nachtmerrie van de psychose: dat de samenhang uit de werkelijkheid verdwijnt, dat representaties zich niet meer spiegelen, dat betekenissen uiteenvallen.

En vreemd genoeg: juist dat is ook de ultieme horizon van kunstmatige intelligentie. Een wereld waarin spiegelbeelden losgezongen zijn van hun oorsprong, waarin representaties autonoom worden, waarin beelden circuleren zonder een werkelijke aanwezigheid. Ik houd het niet voor onmogelijk dat ik nu al leef in zo’n algoritmische universum. Dat ik al vervangen ben door een simulacrum waarvan zelfs de spiegel niets meer weet. 

Ik keek uit het raam. In de voortuin maakt het voorjaar zich op voor de zomer.  Er zijn minder vlinders dit jaar. Dat las ik vanochtend in de krant. Het wordt een hete zomer, zeggen ze. Alles keert terug. Hoe vaak heb ik dit al eerder gezien? De natuur beweegt zich in cirkels. Wie weet keert ook mijn spiegelbeeld ooit weer terug en is het verdwijnen slechts een beweging binnen een groter ritme van verschijnen en verdwijnen.

Maar deze gedachte kon mij niet echt geruststellen. Ik hou er serieus rekening mee dat mijn spiegelbeeld voorgoed verdwenen is. Ik vrees dat ik die harde waarheid onder ogen moet zien. Ik weet nog niet echt goed wat dit betekent. Het zou kunnen dat ik binnenkort besluit om te stoppen met dit weblog. Waarom zou ik doorgaan als ik niet meer weerspiegeld word? In dat geval trek ik mij terug, voorgoed opgesloten aan deze kant van de spiegel — in een ruimte waar het leven geen einde heeft, maar ook geen tegenbeeld. Zelfs mijn dood is dan geen einde. Eindigen, dat doen dan alleen anderen.