Het spel dat opeens menens werd

Het tv-beeld heeft een lage intensiteit of concentratie en geeft daarom, on tegenstelling tot film, geen gedetailleerde informatie over voorwerpen. Dit verschil lijkt op dat tussen oude manuscripten en het gedrukte woord. Het gedrukte woord had intensiteit en uniforme nauwkeurigheid, waar voorheen een vage structuur had bestaan. Het gedrukte woord gaf ons de smaak voor nauwkeurig meten en voor reproduceerbaarheid, die wij nu verbinden met natuurwetenschappen en wiskunde.‘

Dat schreef McLuhan in zijn profetische boek Understanding Media (1964). Het tijdperk van Gutenberg was voorbij en de eeuw van Einstein leek zestig jaar na dato eindelijk te kunnen beginnen. Het werd een tijd voor een nieuwe generatie. My Generation zong later The Who. ‘De generatie Einstein’ moest nog komen, maar eigenlijk heeft die zich al in de jaren zestig aangediend. De transformaties in de ervaring van ruimte en tijd die zich in dat stormachtige tijdvak hebben voorgedaan, vielen samen met een botsing van twee heel verschillende generaties. Enerzijds, de ouderen die de oorlog hadden beleefd, getekend waren door het morele bankroet, geen antwoord hadden op de dreiging van een atoomoorlog en voor veel problemen van de wederopbouw – o.a. de woningnood – geen oplossing wisten te vinden. En anderzijds de babyboomers die de oorlog niet hadden meegemaakt, zich ook niet moreel belemmerd voelden, maar integendeel verlangden naar een nieuw begin dat onbelast was door het als verstikkend ervaren verleden van hun ouders en het valse optimisme van de wederopbouwperiode.

Zo ontstond een tijd van grote maatschappelijke onrust, protestdemonstraties en studentopstanden. Maar tegelijk waren het de hoogtijdagen van de hippie-idealen die gericht waren op bewustzijnsverruiming en vrije liefde. Er kwamen andere tijden, zo had Bob Dylan al voorspeld. In Vietnam werd met napalmbommen gegooid en demonstranten staken bloemen in de loop van een geweer. Eind jaren zestig keerde de tijdgeest zich om. Op de barricaden van Parijs was de droom vervlogen van een gezamenlijke revolutie van studenten en arbeiders. De bloemenkinderen hadden terreur gezaaid. Kortom, het was een hectische tijd die de grote breukvlakken in de geschiedenis van de westerse cultuur in herinnering riep.

Gutenberg en de homo ludens

McLuhanForDummies   McLuhan wees op een wonderlijke parallel tussen de tijd rond 1500 en de tijd van de elektronische nieuwe media. In feite was de Beeldenstorm van 1566 een uitbarsting van iconoclasme. Zoals vijf eeuwen geleden de uitvinding van Gutenberg ingrijpende gevolgen had voor de cultuur, zo heeft ook de televisie de moderne wereld veranderd. Het begin van het Gutenberg-tijdperk ging gepaard met een grote behoefte aan zuivering. Men wilde terug naar de bron, naar de oertekst van de Bijbel, naar de bronnen van de Oudheid ook. Men had genoeg van de woekering van het beeld die had geleid tot volksverlakkerij en grootscheepse manipulaties. De Reformatie was een reactie op een collectief ervaren beeld-indigestie. Een teveel aan beelden werd als storend ervaren. Het woord moest weer centraal komen te staan. Dat heeft het Gutenbergtijdperk inderdaad bewerkstelligd met alle positieve en negatieve gevolgen van dien. Het heeft geleid tot een geletterde, Europese cultuur, waarin het beeld beladen werd met geleerde betekenislagen, symbolen, emblemata en allegorieën.

De boekdrukkunst had de wereld uiteindelijk seculier gemaakt. Het woord werd ontheiligd door het eindeloos te drukken in oplage. Tegelijk werd het beeld steeds meer van een esthetische lading voorzien en nam de kunst stilaan de plaats in van de religie. Die omslag voltrok zich rond 1800 en markeert de tijd van de Romantiek. ‘Synesthesie, eenheid van zintuiglijk leven en verbeelding is lang een onbereikbare droom van westerse dichters en kunstenaars geweest,’ zo stelde McLuhan. Die droom leek bij het scheiden van de markt in vervulling te gaan door toedoen van de elektronische media. Zo werd religie esthetica in de tijd van de Romantiek, en het beeld religie aan het eind van het modernisme.

Beeldreligie’ zo heette ook de spraakmakende uitzending van het programma Zo is het toevallig ook nog eens een keer, waardoor in 1964 in religieus Nederland een schokgolf ontstond. De televisie werd de nieuwe ‘beeldreligie’ in de ogen van de intelligentsia. Maar ook bij de rebellerende jongere generatie riep de televisie weerstanden op, en dat leidde soms zelfs tot gewelddadig verzet, zoals bij de provo’s die aanslagen op zendmasten beraamden. De televisie was het toonbeeld van de consumptiemaatschappij met zijn overdosis aan zinloze vrije tijd. Nederland maakte in de jaren zestig een versnelde transitie door van een op werk en ascese gerichte samenleving naar een maatschappij die steeds meer op vrije tijd en een – al dan niet verholen – vorm van hedonisme was gericht. In zijn boek Leven in meervoud (1963) had Jan Hendrik van den Berg de vinger al op de zere plek gelegd:

‘Wat moet de arbeider doen? De hele dag scrabbelen is uitgesloten. De hele dag voor tv zitten is, dat leerde de ervaring, stellig aantrekkelijk. Maar toch niet uitvoerbaar. De tv is trouwens nog niet de hele dag voorzien van beelden. Doch dat zal komen met de vrije zaterdag, onvermijdelijk en even onverbiddelijk. De hele dag tv? Het lijkt weinig waarschijnlijk, men zal zich willen vertreden. Waarheen moet men dan treden? En om daar wat te doen? Ziedaar de klemmende vraag. Wat zal men de vrijgewordenen raden? That’s quite a problem, een wetenschappelijk probleem, in alle ernst: “Leisure time time period seems to be the social riddle on which extensive reading and studying has to be done. ‘”

Vrije tijd werd ook het centrale thema voor de provo’s. De homo ludens was in feite het antwoord op een samenleving, waarin het werk steeds meer door machines en computers zou worden overgenomen. De mens stond aan de vooravond van het tijdperk van de cybernetica. De toekomst perspectieven waren rooskleuriger dan ooit. In het jaar 2000, zo werd gedacht, zou niemand meer werken. De tijd van het spel zou dan voorgoed zijn aangebroken als een nieuw Duizendjarig Rijk.

Dergelijke problemen waren ook door de cultuurpessimistische filosofen van het interbellum zoals Johan Huizinga en Ortega y Gasset gesignaleerd. De jaren zestig vormden in zekere zin een reprise van die vooroorlogse beschavingscrisis. ‘Er heerscht in de huidige wereld een georganiseerd puerilisme van mateloozen omvang,’ beweerde Huizinga in 1934. Het was de lege mens die zich mee laat voeren in de stroom van de tijd, een tijd die geen volheid meer kende. Zijn ervaringen werden belevingen, zijn plichten werden verworven rechten. Zijn oordeelsvermogen zwakte af, zijn moreel besef verkommerde. Deze gemiddelde mens werd kinderachtig, puberaal en adoreerde de jeugd. Zowel Ortega y Gasset als Huizinga wezen op het puerilisme van deze moderne massamens die zich al te graag overgaf aan het vluchtig vermaak en sportverdwazing.

Dat puerilisme als reactie op de stroomversnelling van de moderniteit leek in de jaren zestig opeens uit te groeien tot een sociopathisch ziektebeeld, als we de psychiater Van Ree mogen geloven die een boek aan wijdde: Botsende generaties, een studie over sociopathie en ambivalentie (1968). Door de intensivering van de communicatie en ten gevolge van de massificatie ontstond vooral in de urbanisatie kernen een toenemend aantal contact en relatiemoeilijkheden. De sociale en geografische mobiliteit nam plotseling snel toe. De invloed van het nieuwe massamedium televisie leidde ertoe dat de problematiek van de  ‘macro-societas’ direct binnen de levenssfeer van het individu binnendrong. Dat leidde tot een versterkte ambivalentie in het gevoelsleven, dat wil zeggen tegenstrijdige gevoelens tegenover traditie en vernieuwing, gezag en rebellie.

Het Gutenberg tijdperk had het gedrukte woord heilig verklaard waardoor het uiteindelijk zijn heiligheid totaal zou verliezen en er in de wereld niets heilig meer over was. De religie verdween door de heiligverklaring van het woord. Het tegendeel was in de jaren zestig het geval. De religie keerde terug in een oude, heidense gedaante in de verafgoding van het beeld. Dit was de tijd van het ‘verval van het woord’ zoals George Steiner dat in 1964 heeft genoemd. Ontlezing en beeldverslaving zijn twee processen die sindsdien hand in hand gaan. De gedachte dat het boek een verdwijnend fenomeen zou zijn, is overigens niet van vandaag. Binnen het modernisme van de twintigste-eeuwse avant-garde was vaak een zekere afkeer tegen de geletterde cultuur van het boek te bespeuren. Zo werd het boek in de twintigste eeuw stilaan het symbool van het Gutenbergtijdperk dat op zijn eind ging lopen.

In de zestiger jaren dacht McLuhan dit tijdperk voor het eerst definitief af te kunnen sluiten. De uitvinding van de boekdrukkunst werd door hem beschouwd als een bron van vele kwalen, die in het nabije ‘elektronische werelddorp’ weldra tot het verleden zouden behoren. Uniformiteit, desintegratie van de zintuigen, de ontkoppeling van gevoelen verstand, de breuk tussen instinct en intelligentie en de handeling zonder geïnvolveerdheid, dat alles zou in meerdere of in mindere mate de schuld zijn van het boek. De tijd van het boek bracht de aandacht voor het getal, de wiskunde, de scherpe onderscheidingen van de exact wetenschap. He Gutenbergtijdperk was formalistisch, wettisch, calvinistisch…. Je zou bijna zeggen: het was Fries. Zo bezien was het nieuwe tijdperk van het beeld eerder anti-Fries. Het had oog voor de allegorie, de gelaagdheid van het beeld. Het televisiebeeld stond haaks op alles wat te maken had met letterlijkheid.

‘Ik gun de Friezen alle goeds, maar ik kan niet tegen die nuchterheid, die het demonische, het verscheurde, de nachtzijde & de schaduwzijde van de mens & van het menselijk bestaan ontkent. Het zal wel van de openheid van het land, & van de melk komen. De Fries kan alles slechts letterlijk opvatten, & is mens uit één stuk. Zakelijk en maatschappelijk is dat een deugd, & bedrogen of oneerlijk behandeld worden ben ik in dit land dan ook zelden of nooit. Maar ik kan niet met Friezen omgaan, & en helemaal niet als ze zich met kunst bemoeien.‘

Dat schreef Reve op 3 oktober 1969 in een brief aan Miedema Pers. Het is het geijkte, oeroude beeld van de Friezen: nuchter, eerlijk, uit één stuk, maar ook behept met een blinde vlek voor alles wat niet letterlijk moet worden opgevat: het ironische, het sarcastische, het impliciete, het onuitgesprokene, de humor, de stille hint voor de goede verstaander. Friezen zouden symboolblind zijn en gefocust op alles wat expliciet is en geen dubbele bodem heeft. Vandaar wellicht ook de fascinatie voor hun eigen taal ten koste van alles wat in taal wordt medegedeeld. Hoe komt het toch dat er zo vaak iets grondig mis gaat als een Fries lollig probeert te zijn? In zijn boek Volg het spoor terug heeft de schrijver J.B. Charles deze netelige kwestie als eens proberen te doorgronden. Hij kwam tot de volgende slotsom:

‘Veel Friezen zijn intellectualistisch en daardoor relativisten. Velen hebben geen beschaving, bijna geen enkele geeft manieren. Al ontroeren zij zichzelf makkelijk, zij hebben geen hart. Zij gaan voor niemand dan zichzelf door het vuur. Zij zijn sentimenteel en missen echt gevoel. Daarom hebben zij ook geen gevoel voor humor. Als een Fries een goed verhaal wil vertellen, gaat dat verhaal gewoonlijk kapot. Het is of de Fries dit plotseling weet, terwijl het verhaal zijn mond nog verlaat. Wat moet hij doen? Hij blijft moedig tegen zichzelf vechten. Hij houdt vol en het verhaal raakt uit. Nu moet er geweld gebruikt worden, hij slaat zich daverend op zijn knie en de godverdommes zijn niet van de lucht, gelijk wij zo net nog zagen. Probeer nu vooral te lachen. Als je niet lacht heeft men in de Fries op slag een gekrenkte, verbitterde man voor zich: wij hebben niet gelachen omdat wij anti-Fries zijn.’

Hoe komt dat toch dat Friezen zo weinig gevoel hebben voor de dubbele bodem, het symbolische en metaforische? In zijn boek The Master and his Emissary beweert Iain McGilchrist, dat  de rechter hersenhelft van cruciaal belang is voor het verstaan van alles wat niet-letterlijk bedoeld is, vooral als het gaat om ironie, sarcasme, humor of het indirecte. Patiënten met schade aan de rechter hersenhelft hebben vaak grote moeite om niet-letterlijke betekenis in de communicatie te decoderen en te begrijpen. Dat uit zich vooral in een blinde vlek voor humor en het metaforische. Symboolblindheid komt voort uit een disfunctioneren van de rechter hersenhelft.

Leafdedea en het groteske

Leafdedea01-640x426  Volgens Babs Gazelle Meerburg, die een proefschrift schreef over de vernieuwing in de Friese literatuur in de jaren zestig, is één van de factoren die bijdroegen aan het onbegrip voor romans als Leafdedea van Homme Eernstma, De smearlappen van Anne Wadman en Fabryk van Trinus Riemersma, dat het Friese publiek pas later gewend raakte aan stijlmiddelen als ironie en groteske. Volgens Josse de Haan heeft Leafdedea meer nog dan Fabryk en De smearlappen bijgedragen aan de vernieuwing van de Friese literatuur. In zijn nawoord in de heruitgave van de roman uit 1994 schrijft hij: ‘De ‘boartsjende mins’ fan Huizinga krijt op in tige eigen wize stâl yn ‘leafdedea’. Ironysk en humoristysk, soms theatraal en byldzjend.’

Als je het zo leest was Leafdedea voor de Friezen van 1963 een tegendraadse roman, waarin de draak werd gestoken met alles wat letterlijk was. Dit boek was een frontale aanval op het disfunctioneren van hun rechter hersenhelft. De Friezen lazen het als ernst, maar het was een en al spot en humor, ironie en spielerei met woorden. Het was de levende mens die in zijn spel met de ‘liefdesdood’ (hoe verzin je zo’n woord!) de dodelijke ernst van de Friezen te grazen nam. Ze werden gepakt op hun zwakste punt, hun onvermogen om de dubbele bodem van de taal te herkennen, hun blindheid voor het groteske, het zwaar overdrevene. Leafdedea was ‘over the top’, maar sloeg juist daarom in alsof het een bom was.

Er is een wonderlijk verband tussen de roman Leafdedea van Homme Eernstma en Johan Huizinga’s Homo Ludens. Wonderlijk ook dat Homme Eernstma het boek Homo Ludens een ‘roman’ noemt. Terwijl het toch zijn ‘uxor carissima’ is, anders gezegd: ‘zijn meest dierbare vrouw’. Is dat ironie? Of heeft hij het boek misschien niet eens gelezen? Heeft hij er alleen maar naar gekeken, zoals je naar een mooie vrouw kijkt? Bouke de Jong, die het boek in 1964 recenseerde in het tijdschrift Asyl, noemde Leafdedea een grotendeels mislukte roman. Volgens hem was ook niet duidelijk waar het boek nu eigenlijk een parodie op was, terwijl de oproep aan de lezers in het begin toch geen ruimte laat voor misverstand. Zelfs de naam ‘Homme Eernstma’ is als pseudoniem waarschijnlijk ontleend aan de woorden ‘Homo Ludens’.

Niet ‘de spelende mens’ maar ‘de ernstige mens’ schreef dit wonderlijke boek, waarin het ludieke in een dialectische volte getransformeerd wordt in het ernstige en omgekeerd. Er gaat iets tollen in de taal zelf. Het is literatuur die zijn eigen wetten en regels opzoekt in het spel van schijn en werkelijkheid, maar ook andersom: in een spel van werkelijkheid, droom en toeval. Het groteske wordt hier ingezet als een subversief stijlmiddel, een effectieve manier om de wereld op zijn kop te zetten, de Friese wereld wel te verstaan. In Leafdedea is de Friese hemel naar beneden gekomen. Het is carnaval in de hel. Er wordt gevloekt in de kerk van Friesland.

Waar komt die hang naar het groteske vandaan? In zijn boek Het groteske van de taal, over het werk van Michail Bachtin (1990) laat Anton Simons dat in het werk van de van oorsprong Russische filosoof Michail Bachtin (1895-1977) het begrip carnaval een centrale rol speelt. Bachtin zag in de onderlaag van de cultuur – evenals in de onderlaag van het lichaam – de plaats van waaruit de cultuur zich vernieuwt. Lang geleden viel de onderbuik samen met de zogeheten ‘volkscultuur’ met zijn feesten en folklore, zijn carnaval en zijn volksgeloof. Niet alleen het carnaval, maar ook het obscene en het scabreuze komt vanuit deze optiek in een ander licht te staan.

Bachtin’s boek over Rabelais, dat in 1970 in het Frans werd vertaald, lag in Frankrijk aan de basis voor de hernieuwde belangstelling voor de volkskunst en is van grote invloed geweest op het post-structuralistische denken. De studie van Bachtin L’oeuvre de Francois Rabelais et la culture populaire au Moyen Age et sous la Renaissance’ verscheen al in 1940 in het Roemeens. Het hele werk van Bachtin draagt volgens Simons ‘de sporen van zijn ambitie om de moderniteit te her-evalueren in het licht van de religieuze tradities’. Bachtin kwam tot de conclusie dat het laat-middeleeuwse carnaval een beslissende factor is geweest bij het ontstaan van de Europese moderniteit. Dat wil zeggen: een cultuur van relativisme, tolerantie, polyfonie en vermenging van de meest uiteenlopende ‘taalspelen’.

De komst van de moderniteit had alles te maken met een basale verandering in het bewustzijn. Onder invloed van de ideeën van Bachtin zijn historici uit de school van de mentaliteitsgeschiedenis de veranderingen in dat soort basale structuren gaan onderzoeken. De Franse historicus Michel Vovelle spreekt in dit verband over het ‘collectief imaginaire’, dat wil zeggen de totaliteit een pre-verbaal en pre-reflexief voorstellingsuniversum dat zich ontwikkelt in de tijd. Dat collectief imaginaire heeft ook een verticale as die hoge en lage cultuur verbindt in de verschillende niveaus van de menselijke lotgevallen. Dit fenomeen heeft volgens Vovelle niets van doen met het ‘collectief onbewuste’ uit de dieptepsychologie van Jung, noch met de structuralistische patronen van antropologie van Levi-Strauss. Het is een historisch geaard begrip ‘op de grens van het biologische en het culturele.’

Vanuit dat perspectief bezien zijn de transformaties, die zich in de jaren zestig voltrokken in de ervaring van ruimte en tijd, wellicht een seculiere voortzetting geweest van een ruimte-tijd-ervaring die voorheen nog religieus verankerd was. De verdubbeling van de tijd in het eeuwige dat zich cyclisch herhaalt het tijdelijke – het kenmerk van de in de premoderne tijd –  keerde onder invloed van de elektronische media terug in de ‘post-religeuze sluimer van het spektakel’ ( zoals Guy Debord het later zou noemen). Soms zet de traditie zich voort in de totale omkering van waarden. Dan breekt het nieuwe plotseling door op een zodanige wijze dat het oude alleen voor de goede verstaander behouden blijft. Dat is de paradox van het groteske. De elektronische media creëerden een ijle bovenlaag van de realiteit waarin soms vreemde patronen zichtbaar worden die tegelijk ook vertrouwde trekken vertonen. Het is een soort hyperrealiteit, een tweede door de media gecreëerde werkelijkheid, die eigenlijk niet meer in termen van echt en onecht te beschrijven is.

Wat heeft dit alles met het boek Leafdedea van Homme Eernstma van doen? Niets en tegelijk ook alles. De ernst keerde zich om in een surrealistisch spel met de werkelijkheid. De baron werd boer en daarmee een provo. De wereld werd op zijn kop gezet en draaide gewoon door. Vanuit de optiek van het groteske is een omgekeerde wereld tegelijk ook realiteit. Beide maken deel uit van een zich spiegelend universum, waar het profane weerkaatst in het heilige en het spirituele zich omkeert in het scabreuze. Zo werd ook het premoderne Friesland in de sixties plotseling binnenstebuiten gekeerd, maar net premoderne besef van ruimte en tijd kreeg wonderlijk genoeg ook een doorstart in de boertige satire van de spelende mens. Het boek Homo Ludens was in het begin van de jaren zestig heel populair. Deze hernieuwde belangstelling voor deze klassieker van Huizinga vormde de opmaat voor een omslag in de cultuur, de vernieuwing van the sixties. Het woord ‘ludiek’, dat door Huizinga in de Nederlandse taal is geïntroduceerd, zou door de provo’s tot een cultwoord worden verheven. De sixties zouden het decennium worden van het spel dat opeens menens werd.

Kortom, Huizinga is met zijn Homo Ludens een van de wegbereiders geweest van de culturele omwenteling van de jaren zestig. Dat een doemdenker als hij dat op zijn naam heeft staan is achteraf op zijn minst opmerkelijk te noemen. Zijn ‘spelende mens’ had zelfs Friesland bereikt, het land waar de ernst van oudsher hoog in het vaandel wordt gehesen. Ernst gaat er bij de Friezen in als Gods woord in een ouderling. De linker hersenhelft weet er alles van, en de rechter zwijgt in alle talen.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)