Leek ik maar een beetje op Camus !

‘Er komt een leeftijd’, schreef Camus, ‘waarop een mens verantwoordelijk wordt voor zijn eigen gelaatstrekken.’ Dat lijkt een boude bewering, een slagzin bijna waarin de existentialistische levenshouding van deze halfvergeten schrijver wat al te pakkend is samengevat. En toch, er zit een kern van waarheid in die woorden. Als ik ’s ochtends mijn gezicht in de spiegel bekijk, ben ik in eerste instantie geneigd de ontbrekende tand van deze tijd verantwoordelijk te houden voor mijn nog zo pijnlijk jeugdige uiterlijk. Ik had graag wat meer diepe rimpels gehad. Ook al worden op mijn voorhoofd wat aarzelende lijntjes zichtbaar, waarin ik soms vaag een schaakbord kan zien, dat patroon haalt het niet bij de diepe denkrimpels op die prachtige foto achter op De mens in opstand, mijn eerste literaire reuzenpocket die ik dertig jaar geleden als middelbaar scholier heb gekocht. Camus kijkt daar niet in de richting van de camera, maar een beetje naar beneden, alsof hij vanaf het balkon van een schouwburg een blik werpt op het podium, waar de tijdgeest kennelijk in hoogsteigen persoon ten tonele wordt gevoerd. Zijn gezicht wordt van onderen aangelicht op een manier die zich onmogelijk in de alledaagse realiteit kan afspelen, misschien niet eens in het theater. Het clair-obscur van dit geënsceneerde effect geeft dit portret een tijdloze lading, alsof het geschilderd is door Georges de la Tour met de bedoeling nog eeuwen mee te kunnen.’

***

Dit is het begin van een verhaal dat ik schreef in de jaren negentig op verzoek van Kees ’t Hart. Samen zaten wij korte tijd in de redactie van het tijdschrift Praktikabel, maar Kees was daarmee gestopt nadat hij was gevraagd om toe te treden tot de redactie van het prestigieuze literaire tijdschrift De Revisor. Het een was niet langer met het ander te verenigen. Kees was nu voorgoed opgestegen in de grote wereld van de literatuur. Hij vroeg mij of ik soms een artikel wilde schrijven voor De Revisor. Zo begon ik aan een verhaal waarin ik mij voor het eerst onderdompelde in mijn katholieke jeugd op zoek naar de kronkels die ik daarvan had overgehouden. Maar het was ook een verhaal over het heilige aureool van het schrijverschap. Al in de eerste alinea zette ik uiteen hoe een goed portret van een schrijver eruit moet zien. Het gelaat van Camus was voor mij een ideaaltype. Sindsdien ben ik altijd benieuwd hoe schijvers zichzelf laten zien op de achterflap van hun roman. Die foto is vaak bepalend voor hun imago. Gerard Reve besteedde er veel aandacht aan en huurde altijd een professionele fotograaf in. De literaire wereld kent zo zijn eigen codes en gebruiken.

Met dat verhaal van mij voor De Revisor is het nooit wat geworden. De redactie vond het maar niks. Met Kees is het uit literair oogpunt beter afgelopen. Hij publiceert nog altijd de ene roman na de andere en heeft inmiddels ook al meerdere literaire prijzen op zijn naam staan. Van de week las ik het brievenboek dat hij onlangs samen met zijn naamgenoot Maarten ’t Hart heeft gepubliceerd. Het gaat over hun gezamenlijke bewondering voor Simon Vestdijk. maar ook over schrijven en het schrijverschap. Werkelijk alles, maar dan ook alles, passeert de revue: de muziek van Vestdijk, de seksscènes van Vestdijk, het bijgeloof van Vestdijk, de magie, het occultisme, de astrologie bij Vestdijk, de depressies van Vestdijk, de eerste, de laatste, de mooiste, de langste, de lelijkste zinnen… en niet te vergeten de meanderende, ritmische en soms zelfs syncopische zinnen van Vestdijk….

Maar dat niet alleen, ook de ouderdom van Kees en Maarten wordt de lezer niet bespaard. En ouderdom komt met gebreken. Zo weten we nu dat Kees last heeft van hielspoor. Nooit geweten wat dat is; ik dacht een plantje. Maar nee, het is – zo ontdekte ik na enig googelen – een vlammende pijn onder je hiel die het ergste is als je net uit bed komt of als je een tijd gezeten hebt. Maar Maarten – houdt u vast! – heeft verzakte rugwervels, een half bruikbare linkerarm, spataders all over the place, een inoperabele liesbreuk, hoge bloeddruk en lekkage aan de mitraalklep van het hart… Dat kan niet lang meer duren, denk je dan. So what, wat moeten wij hiermee? Waarom horen wij niet dat Kees of Maarten moeite heeft met klaarkomen? Misschien krijgt Maarten hem niet meer overend. En anders Kees wel. En wat vindt Euf daarvan?

Hoe dan ook, ik was benieuwd of ze beiden ook iets te melden hadden over de portretfoto’s waarmee schrijvers zich voor hun publiek profileren. Maar nee, dat onderwerp interesseert hen kennelijk niet. De enige portretfoto die ter sprake komt is het doodsportret van Simon Vestdijk, dat Eddy Posthuma de Boer van hem heeft gemaakt en dat onlangs ook werd afgedrukt in de Vestdijkkroniek. Vestdijk ligt daar vredig met de ogen voor eeuwig gesloten. (zie: hier) Dat is het lot van de schrijver: doodgaan en beroemd worden. Sinds de indringende blik van Baudelaire op de beroemde portretfoto van Nadar wordt het uitzicht op eeuwige roem samengeperst binnen de sluitertijd van één vluchtig ogenblik. In zijn hedendaagse beeltenis heeft de schrijver zelf de dood in de ogen. Hij is voor eeuwig ver weg, maar ook altijd dichtbij. Een foto van een schrijver is een icoon met stille verwijzingen die het idool met de dood verbindt. Blik, houding en belichting worden altijd zodanig gemanipuleerd dat er een zekere afstand ontstaat tot gewone stervelingen.

Het portret van een schrijver is dus een veelzeggend teken, maar het kan ook letterlijk een afdruk van het gelaat zijn. Veel gebeeldhouwde portretten van Romeinse keizers waren gebaseerd op afdrukken van hun dode gezicht. Het waren letterlijk dodenmaskers. Een portret heeft iets magisch omdat het de afwezige persoon – en helemaal als die persoon overleden is – letterlijk aanwezig stelt. Daarmee verschijnt iets wat heilig is. Iets wat numineus is. Geheimzinnig, ongrijpbaar, fascinerend en huiveringwekkend, zoals Rudolf Otto dat heeft geschreven in zijn boek Das Heilige (1923). De distantie is eigen aan het heilige. Niet voor niets duidt het Latijnse woord ‘sacer’ (heilig) in oorsprong op een verwijdering, op datgene wat van het andere is afgescheiden. Een foto op een achterflap van een boek wil zeggen: deze mens is anders dan anders. Hij behoort tot een andere planeet.

Het portret van een levende schrijver loopt vooruit op die heilige aura van het dode gelaat. Zo’n portet neemt al in dit leven een voorschot op het eeuwige leven dat voor elke schrijver een reële mogelijkheid is. Zijn gelaat wordt stilgezet voor de eeuwige roem, de ‘fama’ van de humanisten, die elke auteur nog altijd najaagt, zeker nu het hemels baldakijn van de religie voorgoed lijkt ingestort. Nog altijd is het zo: wie schrijft die blijft. Ook Kees ’t Hart zal na zijn dood blijven voortleven in zijn boeken. Misschien wordt er zelfs nog eens een straatnaam in Den Haag naar hem vernoemd. Al moet je daar als schrijver niet al te hooggespannen verwachtingen van hebben. Gerard Reve zei altijd: “Wij weten nu ook niet meer wie Tweede van der Helst was.”

Zowel het portret van Kees als Maarten ’t Hart (ze zijn geen familie) pronkt op de achterflap van De Toetssteen. Beiden zijn ook even oud, geboren in 1944. Ook hun gelaat is in gelijke mate, voorzichtig doorgroefd met denkrimpels op het voorhoofd. De blik is naar binnen gericht of op een onbestemd punt in de verte. Lezend in dit boek van Kees en Maarten ’t Hart (straks worden dat dus De eerste en De tweede ’t Hartstraat) werd ik gaandeweg bevangen door zoveel feitjes en feiten over literatuur dat ik er zowat een literaire claustrofobie van kreeg. Alsof het hele leven alleen maar bestaat uit literatuur. Voor Vestdijk was dat misschien ook zo, maar bij deze beide heren op leeftijd krijgt die obsessieve gerichtheid op het eigen metier iets parmantigs, alsof zij zich voorgoed van het echte leven hebben afgewend en alleen nog willen leven in het universum van de literatuur. Alleen op dat universum is hun blik gericht.

Ik herinnerde opeens een avond in de Schouwburg De Harmonie in Leeuwarden, waar ik samen met Kees ’t Hart en Wieke Roorda aan een tafeltje stond te praten. Wieke Roorda liet opzichtelijk blijken dat ze alle boeken van Kees gelezen had. Het gesprek ging vanaf dat moment alleen maar over de personages uit die boeken en alle wederwaardigheden die zij in het literaire universum van Kees hadden beleefd. Kees hoorde het allemaal beleefd aan. Je mag een trouwe lezeres nooit teleurstellen, zag je hem denken. Maar misschien moet hij toen ook bevangen zijn geraakt door dat angstige gevoel van literaire claustrofobie, dat mij trof bij het lezen van het brievenboek over Vestdijk. Waar is de echte wereld! Misschien is de wereld die schrijvers oproepen, en waarin ze zelf willens en wetens ook moeten leven, wel een soort Hotel California: ‘You can check-out any time you like, but you can never leave!

Ik weet nog steeds niet of ik zelf een schrijver ben. Inmiddels heb ik acht boeken geschreven (of aan meegeschreven) die misschien wat voorstellen. Nog afgezien van de tientallen vouwbladen en catalogi over het werk van individuele kunstenaars. Anne Feddema noemde mij ooit: ‘Het vleesgeworden voorwoord’. Ook omdat ik in mijn werkzame leven honderden tentoonstellingen heb mogen openen. (De laatste jaren spreek ik alleen nog bij begrafenissen en uitvaarten en ben ik dus ‘Het vleesgeworden slotwoord’) Wanneer word je eigenlijk een schrijver? Misschien wel als je als zodanig gaat gedragen en waneer mensen je niet meer gaan aanspreken op wat je gedaan hebt of doet, maar op wat je geschreven hebt. Wanneer je dus niet langer meer in de echte wereld gaat leven, maar in de schijnwereld van de literatuur die jezelf in het leven hebt geroepen. Veel mensen verlangen ernaar om wellicht ooit in zo’n schijnwereld te mogen leven. En als ik heel eerlijk ben, moet ik toegeven dat ik ook wel eens door zo’n verlangen bevangen ben geraakt. Deze door de Muze gelegitimeerde uitlaatklep voor het menselijk narcisme is misschien wel geen mens vreemd.

Overigens heb ik er telkens weer moeite mee om een goede foto uit te kiezen voor de achterflap van mijn boek. Meestal doe ik dat ook niet en laat ik het maar zo. Mijn boeken worden toch geen bestsellers. Sterker nog, ik moet er meestal meer voor betalen dan dat ik er aan verdien. Misschien heb ik ook de verkeerde uitgever. Dat zei Eeltsje Hettinga gisteren nog tegen mij, toen ik hem tegenkwam op straat. Ik zou een andere uitgever moeten zoeken. Een échte uitgever. Een literaire uitgever. Ach wat, misschien zoek ik voortaan wel een uitgever bij de duivel in de hel. IJdelheid is immers ook mijn oorkussen. Al dat geschrijf, het schuift niks. Ik schrijf en ik schrijf… maar ik ben geen blijvertje. Dat is inmiddels wel duidelijk.

En toch, ik moet zeggen, van de week vond ik een foto van mezelf die zich best goed zou lenen voor de achterflap van mijn volgende boek, als dat er tenminste ooit nog van komt. Maar áls het nog komt, dan wordt het geheid een bestseller. Read my lips! Op die foto lijk ik sprekend op een wat oudere, maar nog altijd jeugdig ogende professor klassieke talen uit Oxford, die allang met emeritaat is en ooit een obscure variant van het Oud-Griekse lineair B heeft ontcijferd. Die foto is anderhalf jaar geleden genomen op een terras in Venetië. Wat wil je als schrijver nog meer? Dood in Venetië en in die ambiance voortleven in een fotografisch portret voor de eeuwigheid.

Maar ik vrees dat dit mij niet gegeven zal zijn. Ik kan schrijven tot ik er dood bij neerval, maar voortleven…? Nee, dat is meer iets voor echte schrijvers. Misschien is het dan toch zo dat ik er de kop niet voor heb. Ach, het is ook waar… leek ik maar een beetje op Camus!

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)


Fatal error: Uncaught Error: Call to undefined function show_subscription_checkbox() in /srv/home/huubmousnl/domains/huubmous.nl/htdocs/www/wordpress/wp-content/themes/huubmousv4/comments.php:84 Stack trace: #0 /srv/home/huubmousnl/domains/huubmous.nl/htdocs/www/wordpress/wp-includes/comment-template.php(1554): require() #1 /srv/home/huubmousnl/domains/huubmous.nl/htdocs/www/wordpress/wp-content/themes/huubmousv4/single.php(22): comments_template() #2 /srv/home/huubmousnl/domains/huubmous.nl/htdocs/www/wordpress/wp-includes/template-loader.php(106): include('/srv/home/huubm...') #3 /srv/home/huubmousnl/domains/huubmous.nl/htdocs/www/wordpress/wp-blog-header.php(19): require_once('/srv/home/huubm...') #4 /srv/home/huubmousnl/domains/huubmous.nl/htdocs/www/index.php(4): require('/srv/home/huubm...') #5 {main} thrown in /srv/home/huubmousnl/domains/huubmous.nl/htdocs/www/wordpress/wp-content/themes/huubmousv4/comments.php on line 84