Internet, om gek van te worden

(foto: Sipco Feenstra)

Bovenstaande foto verscheen gisteren op mijn I-Phone. Ik werd er door Facebook aan herinnerd dat vijf jaar geleden mijn boek De Fries die in de toekomst sprong werd gepresenteerd in Tresoar. Inmiddels ben ik zelf in de toekomst gesprongen. We leven immers vijf jaar later, maar de ruimte van internet is tijdloos. De Big Bang en het einde van de wereld komen op internet samen in hetzelfde fluïdum van ruimte en tijd. Het is elke dag weer de gelijktijdigheid van het ongelijktijdige.

Margaret Wertheim begint haar boek De hemelpoort van cyberspace, een geschiedenis van de ruimte van Dante tot Internet met een citaat uit de Apocalyps. Het is een prettig leesbaar boek dat inmiddels al weer behoorlijk gedateerd is. Toen het in 1999 verscheen waren er nog geen sociale media. Facebook kwam in 2004 en Twitter in 2006. Bovendien kun je aan alles merken dat dit boek vóór 11 september 2001 geschreven is. De sfeer van het betoog staat nog sterk in het teken van de internet-euforie van de jaren negentig. De verwachtingen waren destijds zeer hoog gespannen. Al Gore had het over ‘de elektronische snelweg die de wereld zou gaan veranderen. Internet had in die tijd een utopische dimensie. Sommigen zagen in de cyberspace (een typische jaren-tachtig-term overigens) zelfs een nieuwe spirituele ruimte ontstaan.

Wertheim gaat een heel eind in die gedachte mee. Cyberspace is volgens haar onstoffelijk en creëert daardoor nieuwe ruimte-opvatting. Het is een parallelle wereld die vergelijkbare zou zijn met de middeleeuwse parallelle wereld van ‘hemel, hel en hiernamaals’. Cyberspace is volgens Wertheim een tijdloos reservoir van beelden en herinneringen. Daardoor zou een nieuw dualisme zijn ontstaan, dat vergelijkbaar is met de middeleeuwse kosmologie.

Maar volgens Wertheim mogen we cyberspace tegelijkertijd ook beschouwen als een elektronische ‘res cogitans’, een begrip van Descartes dat allesbehalve middeleeuws is. Cyberspace is niet alleen een modulatie van de fysische ruimte die we kennen uit de alledaagse waarneming, maar ook een nog onbekende uitgestrektheid waarin het bewustzijn zich bevindt van iemand die zich manifesteert op het net. Internet zou een domein zijn, waar immateriële aspecten van de mens uitgespeeld kunnen worden, die geen plaats meer kunnen vinden in het zuiver fysicalistische wereldbeeld van tegenwoordig.

Cyberspace wordt op deze wijze een substituut voor een verdwenen transcendentie. Het heimwee naar die transcendentie van weleer kan zich in cyberspace vrijuit uitleven. Vandaar dat niet alleen de sciencefiction alle teugels van de verbeelding liet vieren, maar ook de New-Age-goeroes vaak lyrisch werden over de nieuwe spirituele ruimte van cyberspace. Voor cyberfans werd cyberspace een nieuwe thuishaven voor de innerlijke persoon. Grenzen tussen mens en machine werden vloeibaar, zelfs de grenzen tussen de seksen, althans vanuit feministisch oogpunt, zoals bleek uit The cyborg manifesto (1985) van Donna Haraway. Wertheim citeert de sociologe Sherry Turkle van het MIT’: Het internet is een sociale proeftuin geworden voor de constructies en reconstructies van de innerlijke persoon, die kenmerkend zijn voor het postmoderne bestaan.’

In dit schijnbaar nieuwe dualisme werden de poorten van ‘een nieuwe hemel en een nieuwe aarde’ opnieuw geopend, een bijna apocalyptisch gebeuren in de trant van het visioen uit het Boek van de Openbaringen. Er werd zelfs gesproken van een cyberziel en de mogelijkheid dat het fysieke lichaam in cyberspace uit zijn as zou kunnen herrijzen. Zoals het Nieuwe Jeruzalem openstond voor iedereen die het pad van Christus
 volgde, zo stond cyberspace nu open voor iedereen die zich een computer een abonnement op internet kan veroorloven. Of zoals Wertheim het formuleert: ‘De droom van een wereldgemeenschap 
is een van de belangrijkste fantasieën van de ‘religie’ van cyberspace, een technologische versie van de wereldbroederschap 
van het Nieuwe Jeruzalem. Het probleem is echter dat toegang 
tot cyberspace, in tegenstelling tot de hemel, afhankelijk is van 
de toegang tot technologieën die voor grote delen van de wereldbevolking ver buiten bereik liggen.’

Alleen die beperking al duidt erop dat er iets grondig mis gaat in dit soort vergelijkingen. De ‘ruimte’ van internet  – als het al een ruimte genoemd kan worden – is totaal anders van aard dan de tijdloze, bovenwereldse ruimte in de middeleeuwse kosmologie. Ook de internet-ruimte is uiteindelijk binnenwerelds en niet buiten- of bovenwerelds. Om de ruimte van internet echt te begrijpen kunnen we ons niet onze toevlucht nemen tot metaforen. De filosofie van cyberspace stuit op een denkbarrière. Wat is die barrière?

Onze kennis over de wereld komt voor een aanzienlijk deel tot stand via. de media. Niet alleen feitelijke kennis, maar ook het leeuwendeel van de fictieve verhalen bereikt ons via media als televisie, internet, krant en boek. Moderne media bemiddelen tussen onze persoonlijke ervaring, de ervaring van anderen en kennis van de wereld. Eigenlijk zijn media -wanneer deze ook ‘taal’ omvatten – de middelen waarmee (en waarin) we onszelf en onze identiteit articuleren en onze verhouding tot het vormgeven. Zo algemeen gesteld lijkt de rol van de media op de rol die religie speelde in vroeger tijden. Het opheffen van het onderscheid tussen het hier en het daar correspondeert met wat in religieuze termen het opheffen heet van het verschil tussen het aardse en het bovenaardse. Wat toen veel voorkwam waren bezoekingen en visioenen van heiligen, geesten, engelen, gesprekken met God en influisteringen door de duivel. Tegenwoordig bouwen waanzinnigen hun heilige plekken, rituelen en altaren rondom de televisie en het internet. In de waanzin overbruggen media en religie niet langer de afstand of kloof tussen hier en daar, ik en de ander, maar heffen het verschil eenvoudigweg op.’

Dat schrijft Wouter Kusters laat zich in zijn boek Filosofie van de waanzin (2014). Het lijkt of internet de rol van de religie in de waanzin heeft overgenomen. Het wordt hoogtijd dat eens onderzocht gaat worden wat de invloed van internet is op het ontstaan op nieuwe vormen van waanzin. Misschien kan bij dat onderzoek dan ook meteen de invloed van de sociale media worden betrokken. Internet en sociale media staan tegenwoordig voor iedereen open. Daarmee lijken deze media een religieuze dimensie te krijgen (religie betekent in oorsprong ‘verbinden)’. Het christendom bedacht constructies als ‘hemel’ en ‘hiernamaals’ voor iedereen die kiest voor de navolging van Christus.  Het hedendaagse communicatie-walhalla van internet (en de sociale media) heeft een meer primitief-religieus of wellicht post-christelijk karakter. 

De vergelijkingen tussen de nieuwe ruimte van internet en de boven-wereldse ruimte van de christelijke kosmologie waren kenmerkend voor de utopische beginfase van het internet. Toch is er nog altijd iets voor te zeggen. Er zijn meer  parallellen tussen het ontstaan van het christelijk ruimte-concept in de eerste eeuwen van de jaartelling en de hedendaagse revolutie die internet teweegbrengt in het denken over ruimte en tijd. Dergelijk omwentelingen brengen grote veranderingen teweeg in de bestaande machtsverhoudingen. 

Augustinus scheef zijn boek De Civitate Dei na de val van Rome, dat in het jaar 410 werd ingenomen door de oprukkende horde barbaren die Europa overspoelde. De gedachte was ontstaan dat het verval van Rome veroorzaakt was door de opkomst van het christendom. Om die  bewering te weerleggen ontwierp Augustinus de kosmologie van de dubbele ruimte. De ruimte van de aardse stad en de ruimte van het eeuwige Jeruzalem: de Stad Gods. 

Het eschatologisch perspectief van die twee steden was uniek. In de Bijbel was geen enkel voorbeeld te vinden die deze theorie kon rechtvaardigen. De stad van God was op aarde vermengd geraakt de wereldse ruimte, zo beweert Augustinus. De liefde tot God is gericht op het eeuwige Jeruzalem. De liefde tot de wereld op Babylon. Het was een strijd tussen de eeuwige vrede, die in het verschiet lag, en ‘het rijk van de chaos’ dat zo kenmerkend werd getypeerd door de Babylonische spraakverwarring. Deze wereld was in ongerede geraakt en moest zich opnieuw richten op de eindtijd, het Laatste oordeel, als alle doden zouden opstaan om geoordeeld te worden. 

Ze zouden dan hun lichaam herkrijgen in de opstanding van het vlees. Dan zou ook de scheiding zich voltrekken tussen de good guys and the bad guys, niet alleen bij de mensen, maar ook bij alle geestelijke wezens boven hen, de demonen en de engelen, de Duivel en God. Dit nieuwe ruimte-concept van Augustinus zou de wereld gaan veranderen. Het Heilige Roomse Rijk, dat in de Middeleeuwen zou ontstaan, werd door de tijdgenoten gezien als een voorloper van het eeuwige Jeruzalem.

Ook internet brengt een revolutie teweeg in het denken over ruimte en tijd. Die revolutie gaat gepaard met mondiale machtsverschuiving. Zoals de opkomst van het christelijke ruimte-concept gepaard ging met de val van Rome, zo gaat de hedendaagse botsing der beschavingen gepaard met een nieuw ruimteconcept dat door internet wordt aangedragen. De media leveren ‘een geniale streek’, zoals ooit het christendom (zoals Nietzsche beweerde) ‘een geniale streek’ heeft geleverd. Door Zijn Zoon aan het kruis te laten sterven absorbeerde God de erfzonde van de mens. Niet langer was het nodig te offeren aan de goden. God had zich zelf geofferd en daarmee het menselijk bestaan gereduceerd tot een aards leven for the time being: de paulinische tussentijd in afwachting van de terugkeer van de Verlosser. 

Alleen overgave in het geloof was nodig om gezuiverd en verlost te worden. Met deze ‘geniale streek’ was de christelijke liefde veiliggesteld. De agapè zoog de menselijk liefde op naar God. Er opende zich een horizon van christelijk geluk, dat hier op aarde reeds beleefd kon worden. Dat is de kern van de christelijke allegria, een soort opgewonden vrolijkheid.  Christus leeft! Christus is onder ons! Vertaald naar onze tijd wordt dat : De media leven! De media zijn onder ons! Zo bezien heeft de de nieuwe ruimte die met het internet is ontstaan veel weg van het mystieke lichaam van Christus.

Alan Turing heeft ooit de computer bedacht, omdat hij oprecht meende dat met zo’n apparaat ooit nog eens de ziel van zijn overleden vriend opnieuw tot leven kon worden gewekt. En in Amerika bestaat al een  organisatie die er voor ijvert dat mensen zelf over hun genetisch materiaal kunnen beschikken. Dit streven werd tot voor kort gefinancierd door een  bemiddelde advocaat die ooit de gekloonde ‘kopie’ van zijn overleden zoontje wil laten kweken. In de onsterfelijkheid van de individuele ziel heeft deze jurist dus kennelijk niet zo’n vertrouwen. Maar waarin dan wel?

Krijgt hij inderdaad zijn kind terug als het nog bestaande DNA wordt ingebracht in een eicel waaruit het eigen DNA is verwijderd? Was de ziel van dat kind niet meer dan een  emergent verschijnsel, iets dat kwam bovendrijven in de gecodeerde interactie van talloze erfelijke bouwstenen binnen een open, onherhaalbaar, dynamisch systeem?  Als de individuele ziel niet zou bestaan, of mee sterft met het lichaam, lijkt er geen argument te bedenken waarom dat niet zo zou zijn. Dan heeft gelijk als hij blij is een zoon te hebben omdat hij daarin voortleeft. Zo hoefde hij immers na zijn dood toch niet helemaal dood te zijn.

Terwijl het vermoeden, dat we God niet meer nodig hebben om onsterfelijk te worden, steeds meer de trekken aanneemt van een onontkoombare waarheid, neemt bij het naderen van de limiet het verlangen alleen maar toe naar het opnieuw verschijnen van transcendentie. De nieuwe ruimte van internet is een broedplaats van dat verlangen.

Achter de ultieme ontkenning van God in de maakbaarheid van de mens, zou een nieuwe gestalte kunnen oprijzen. De gestalte van een God die uit zijn eigen as herrijst na vier eeuwen geleidelijke ontbinding. God als een epifanie van het absurde. Een God die uit het niets weer tevoorschijn komt bij de complete omslag van een systeem dat zich ver uit balans bevindt. Dit bijna onbestaanbare verlangen naar de aanwezigheid van een afwezige God, blijkt zich juist in de hedendaagse verbeelding van denkbare werelden misschien wel het meest openlijk te manifesteren.

Zo ben ik uiteindelijk op zoek gegaan naar de nieuwe vindplaatsen van transcendentie. Naar het sublieme moment van genade dat buiten het verlangen zelf zou bestaan. Naar een paradijselijke oertoestand, een soort preoedipaal nirwana, dat voor de geest toegankelijk is, niet alleen in de diepste ervaring van het lichaam zelf, maar ook buiten de grenzen van het lichamelijk bestaan. Zo raakte ik ver van huis, dromend van lichaamloze verrukkingen in de virtuele realiteit. Ik heb me verdiept in de spiritualiteit van cyberspace, maar ook in de Cyborg, de ultieme synthese van mens en machine.

Ik heb me laten verleiden door de gedachte dat een virtuele wereld alles vloeibaar kan maken wat in een wereldbeeld is gestold. Dat het verschijnsel mens een mythe is, een constructie van gestolde gedachten. Wat hij nooit wilde weten is hij altijd geweest. Iets zonder ziel. Iets zonder geest. Iets zonder God. Door een gigantische walvis werd ik bijna verzwolgen terwijl ik voortgolfde op de spirituele golven van cyberspace. Zo heb ik het nieuwe Utopia aanschouwd dat gloort aan de horizon van de technologie: de meest goddeloze van alle denkbare werelden. Maar ook daar klonk nog altijd heel in de verte een telkens weer terugkerende schaterlach.

Reageren is niet mogelijk.