Terug naar het keerpunt

Ieder mens heeft vermoedelijk zo’n keerpunt in zijn leven, het nachtelijke contractie-punt van zijn wezen; hij wordt door de nauwheid ervan heen geperst, en hervindt zich dan in de zekerheid van zichzelf, in de zekerheid van het gewone dagelijkse leven; en wanneer hij zichzelf ondertussen ongeschikt heeft gemaakt om daarin nog vervulling te vinden, hervindt hij zich in de zekerheid van een edeler innerlijk bestaan. – Gaat u rustig verder; alleen de wetenschap, die U in dit labyrint heeft geleid kan u er weer uithalen en genezen. 

Deze woorden van Wilhelm Reich worden geciteerd door Harry Mulisch in zijn boek Het seksuele bolwerk (1973). Mulisch citeerde deze passage omdat wat Reich beschrijft juist niet met hem gebeurde. Het keerpunt naar inzicht bleef uit. In plaats daarvan nam zijn psychotische waan steeds vreemdere vormen aan. Toch herken ik veel in deze woorden over een keerpunt in het leven. Tien jaar geleden verscheen Tegen de tijdgeest, terugzien op een psychose. Naast mijn bijdrage bevatte dit boek twee andere beschouwingen: van Egbert Tellegen en Daan Muntjewerf. Telllegen werd in 1960 getroffen door een psychose, Muntjewerf in 1992. Ik was 18 toen het gebeurde. Ook mijn medeauteurs raakten psychotisch in de jaren van hun adolescentie.

Vorige week was het 55 jaar geleden dat ik werd opgenomen in de Sint Willbrordus-stichting in Heiloo. Die gebeurtenis was een keerpunt in mijn leven, waar ik altijd weer naar terugkeer. Telkens weer. Voor een buitenlander is dat misschien moeilijk te begrijpen. ‘Komt die jongen daar dan nooit van los?’ Ik hoor het u denken. Nee… en ik dat wil ook niet. Loskomen van een psychose is iets anders dan een rouwproces. Wie zijn leven lang blijft rouwen na het verlies van een geliefde wordt psychisch ziek. In de DSM-5 wordt zoiets Prolongated Grief Disorder genoemd. Het verdriet gaat dan niet meer weg.

Ik waag te beweren dat ik niet aan een Prolongated Psychosis Disorder lijd, al zo’n kwaal al bestaat. Misschien bestaat die kwaal wél en is hij nog niet eerder door psychiaters herkend en beschreven. Voor wie zich daaraan wil wagen zou mijn weblog wellicht een aardig studie-object kunnen zijn. Veel van de blogs, die ik in de afgelopen 15 jaar schreef, gaan over mijn psychose of over een onderwerp dat daar direct of indirect mee te maken heeft. Zelfs mijn huidige fascinatie voor het fenomeen Hitler wordt voornamelijk veroorzaakt door het feit dat ook Hitler in 2018 getroffen is door een psychose, al verschillen de deskundigen hierover van mening.

Sinds de Spaanse griep in de jaren 1918-1919 de wereld overspoelde met dood en verderf heeft de wetenschap er alles aan gedaan om meer the weten te komen over de werking van virussen in welke gedaante dan ook. Als er zoiets als een ‘psychotisch virus’, of een ‘pandemie van de psychose’ bestaat, is het van cruciaal belang om meer te weten te komen over hoe dit soort processen in zijn werk gaat, al was het maar om toekomstige rampen te voorkomen. Misschien zal de Apocalyps ooit het gevolg zijn van een wereldwijde collectieve psychose. Carl Gustav Jung heeft al eens gewaarschuwd voor een besmettelijke ziekte van de ziel. Weinig psychiaters geloven tegenwoordig nog in het bestaan van ‘de ziel’, maar dat er geestesziekten zijn die zeer besmettelijk zijn, valt in de huidige toestand in de wereld moeilijk te ontkennen.

Als ik mijn bijdrage in het boek Tegen de tijdgeest nu herlees, realiseer ik mij hoe mijn woorden inmiddels de plaats van mijn herinneringen hebben ingenomen. Sterker nog, woorden hebben de herinnering aan die ervaring getransformeerd door ze in een context te plaatsen, in een verband met andere herinneringen aan die tijd, een verband ook met de tijdgeest, waarop mijn psychose deels een reactie zou zijn geweest. Eigenlijk was ik niet ziek, maar de wereld om me heen. Dat is wat ik eigenlijk zou willen zeggen.

Iemand die deze conclusie veel beter heeft verwoord dan ik is August Stärcke. Ik kwam zijn naam onlangs tegen in het boek Freud en Nederland (1983) van Ilse Bulhof, die een heel hoofdstuk aan hem wijdt. Al eind jaren tachtig las ik een essay, dat August Starcke in 1922 schreef, en dat gaat over de kunst. De weg terug, zo heet het. Stärcke had niet zoveel met kunst, al was hij een zwager van Pyke Koch, die wellicht ook door zijn ideeën beïnvloed is.

De weg terug is een merkwaardig geschrift, waarin de kunst vanuit een Freudiaans standpunt wordt bestempeld ‘als een uitlaatklep voor het onbewuste en het maatschappelijk ongewenste’. Een kunstwerk, zo beweert Stärcke, maakt de mens weerbaar tegen de oprukkende gelijkschakeling binnen de samenleving. Kort gezegd: kunst is elitair en dat is goed, want anders wordt alles een eenheidsworst. Dat argument heb ik nog nooit iemand in stelling horen brengen tegen bezuinigingen op het terrein van kunst en cultuur. Maar eerst: wie was August Stärcke?

August Stärcke werd 1880 geboren in Amsterdam uit een van 
oorsprong Duitse familie. Hij kreeg bekendheid toen hij in 1909 als psychiater verbonden raakte aan de Willem Arntsz Hoeve, gevestigd 
in Den Dolder. Al vanaf het begin van de vorige eeuw had hij zich verdiept in de geschriften van Freud, die zijn denken steeds meer gingen bepalen. Stärcke was evenals Oswald Spengler een groot cultuurpessimist, en de Eerste Wereldoorlog maakte hem nog somberder over de toekomst van het Avondland. Wij leven ‘in de avondschemering van de mensheidsdag’, zo stelde hij. ‘De oude synthesen zijn antisociaal geworden en verbannen naar de ziel der kunstenaars, naar de droom en de neurose.’ Stärcke verwachtte dat het socialisme de mens wezenlijk gelukkiger zou maken dat het kapitalisme, maar erg optimistisch was hij daar ook niet over.

De moderne tijd had de mens immers verziekt. De maatschappij leed aan ‘metafrenie’, zoals hij dat noemde. De grootindustrie had de verschillen tussen arm en rijk nog groter gemaakt en daarmee ook het ongeluk van de mensen vergroot. Voor de moderne mens zou er steeds meer tijd nodig zijn voor ontspanning en vrije tijd om zo nog geestelijk gezond te kunnen blijven. Geestelijke storingen waren dus een symptoom van een veel grotere ziekte, en met die opvatting liep Stärcke vooruit op de antipsychiatrie van de jaren zestig.

Psychosen, zo beweerde hij, kunnen slechts bestaan bij de gratie van een maatschappij die zichzelf als ‘gezond’ bestempelt. Bij een psychoticus is de bij de beschaving geëiste verdringing niet gelukt. In de zieke, ‘metrafrene‘ maatschappij zag hij voor de gestichten een mooie toekomst weggelegd. Sterker nog, het gesticht was voor hem een soort ‘proef-maatschappij’ die als een alternatief zou kunnen dienen voor een verziekte samenleving, Zo schreef Stärcke:

Als de maatschappij aan haar ziekte, de metrafenie, zal zijn te gronde gegaan, dan hebben wij of onze opvolgers voor haar verjonging de beschikking nodig over kiemen van ander maatschappelijke organisaties, zoals in de middeleeuwen culturele resten in de kloosters bewaard gebleven. Misdadigheid heeft een nuttige sociale functie: de misdadiger ontlast zijn wraak op de buitenwereld. Onderdrukking van de misdaad bevordert de stereotypie en dat is een ander groot gevaar voor de mensheid.’

Stärcke was vermaard om de humane en empathische manier waarop hij met zijn patiënten omging. Hij  probeerde ze op voet van gelijkheid tegemoet te treden. Zijn eigenzinnige en soms zelfs radicale ideeën over psychiatrie en samenleving maakten hem niet bij iedereen geliefd. Zo had hij wonderlijke opvattingen over het strafrecht. Misdadigers waren zo slecht nog niet, want net als de kunstenaars wisten zij ons te behoeden voor de uniformiteit. En uniformiteit was het grootse doembeeld dat de moderniteit in petto had.

Stärcke raakte gaandeweg steeds meer geïsoleerd. Dat werd nog erger toen hij in 1928 op de Willem Arntsz Hoeve een ‘Laboratorium voor experimentele sociologie’ inrichtte, waar hij onderzoek deed naar de gedragingen van mierenkolonies. Zo dacht hij beter te kunnen begrijpen hoe het systeem van de maatschappij in feite werkt. In zijn excentrieke gedragingen ging steeds meer lijken op die andere wonderlijke psychiater, Wilhelm Reich, die evenals  Stärcke – in zijn proces van radicalisering – zich steeds meer ging isoleren van de wereld die niet gek was. Maar wat is gek, als je denkt dat de maatschappij gek is en niet jij? Bovendien moet je om gekken te kunnen begrijpen zelf ook gek zijn en niet zo weinig ook. Dat is ook wat Harry Mulisch beweert in zijn boek over Wilhelm Reich: ‘Een psychiater, die niet gekker is dan zijn patiënt, begrijpt niet wat de man bezielt, en kan hem dus niet genezen.’

Tot slot een passage uit uit mijn bijdrage aan Tegen de tijdgeest, terugzien op en psychose. Tien jaar na dato, nu de woorden van destijds stilaan van gedaante veranderen omdat ze opnieuw besmet worden door de tijdgeest. Het heden kent een andere tijdgeest dan tien jaar geleden, nu de waan alom rondwaart in de vorm van massaverdwazing en komplottheorieën. Psychosen bestaan er in soorten en de meest gevaarlijke is dié vorm die niet direct als een psychose te herkennen valt omdat hij de schutkleur heeft aangenomen van een psychotische tijd. Ook bij Hitler was dat wellicht het geval.

***

Woorden zitten vastgekleefd aan dingen in de wereld. Misschien zijn ze die dingen wel. Maar zijn de taalverbindingen van het gezond verstand niet even denkbeeldig als de nieuwe relaties die het bewustzijn creëert in een psychotische toestand? Evenals taal wordt geloof gedragen door de eerste verlangens die zich hechten aan de dingen.Het geloof is deels een herbeleving ook van het vroegste beeld dat het kind zich vormt van de ouderen om zich heen. Anderzijds zijn waan en geloof aan elkaar verwant, omdat beide systemen beelden creëren die niet met het gezonde verstand te rijmen zijn. Die verwarring tussen waan en werkelijkheid, tussen geloof en ongeloof, is voor mij nooit geheel verdwenen, zeker niet als het gaat om vreemde herinneringen aan mijn pubertijd.

Zoals een psychose een revolte kan zijn van de geest tegen de ultieme ontkenning van het lichaam, zo is mystiek vaak niet meer dan een oceanisch gevoel van heimwee naar de moederschoot. En toch, juist in Heiloo heb ik een onaards geluk gekend in de ervaring dat de grenzen tussen lichaam en geest volledig kunnen verdwijnen, dat de ziel door de wil bevolen kan worden en niet slechts door de drift. Maandenlang was er geen enkele gedachte aan seks in mijn hoofd. Ik leefde in het paradijs zoals dat door Augustinus wordt beschreven. Maar mijn vroege extase was een ervaring die geen bestaansrecht had. Mijn waan kwam niet voort uit een flits van de zon, maar uit gekoesterde verlatenheid op de drempel van een afscheid.        

Is een psychose nog de enige afgrond van het bestaan, waarin God nog daadwerkelijk ervaren kan worden?  In zijn boek Over psychose, seksualiteit en religie, het debat tussen Freud en Jung (1992) steltPatrick Vandermeersch de cruciale vraag waar het in deze kwestie om draait: ‘Wat is de kern van de psychotische waan en wat is de wijze waarop een psychoticus aan zijn waansysteem is gehecht en die waarop wij de realiteit om ons heen tot “werkelijk” verklaren?’ 

Bestaan er soms verschillende typen van ‘geloof hechten aan de werkelijkheid’? Of anders geformuleerd: wat is het ‘werkelijke’ van de werkelijkheid en het waankarakter van het geloof?  De beleving van de psychoticus herinnert ons aan het vaak miskende feit, dat niet de waarneming het vermogen is, waardoor we de waan van de werkelijkheid kunnen onderscheiden, maar de zogeheten ‘libidineuze bezetting’ van de werkelijkheid.

Volgens Freud bestaat het kernproces van de psychose hierin dat die libidineuze bezetting wordt opgeheven en dat de libido als gevolg hiervan neerslaat in het ik. Kennelijk zitten wij met een soort van ‘zuignapjes van de lust’ vastgeklonken aan de voorstellingen die wij ‘werkelijkheid’ noemen. Volgens Jacques Lacan (1901-1981) bemiddelt de taal in het vasthechten van die zuignapjes. Ook de symbolische structuur van het onbewuste is volgens Lacan gestructureerd als een taal. Als de zuignapjes plotseling allemaal tegelijk losschieten, dan gaat er iets grondig mis. Dan schiet je in een psychose. De taal gaat dan met zichzelf aan de haal in een waanwereld van schijngestalten. In de psychose stort het symbolische kaartenhuis van de taal in elkaar.  

Reageren is niet mogelijk.