Mooie vrede op de Apollolaan

Apollolaan gezien vanaf de Amstelkade, tekening van Hendrik IJkelenstam, 1946. (foto: Beeldbank Stadsarchief Amsterdam) 

‘Als Hitler de oorlog wint, betekent dit dat de normen van democratie en christendom worden weggevaagd door een systeem waarin het geoorloofd en nobel is grote massa’s mensen die als nutteloze mee-eters worden beschouwd, op te ruimen als wrak vee.(..) Zoals godsdienst en levenswaarden van het oude Egypte uitgevlakt zijn door christendom en islam, zoals de beschaving van de Azteken verpletterd is door de Spanjaarden, zo worden straks onze heilige goederen opgeblazen door Hitler.’

Aldus schrijft Willem Frederik Hermans in zijn bundel Van Wittgenstein tot Weinreb (1970) over hoe hij in 1942 dacht over de kansen dat Hitler de oorlog zou winnen. Ton Anbeek verwijst naar deze uitspraak in zijn boek Na de oorlog, de Nederlandse roman 1945-1960 (1986). Dit citaat van Hermans vormt de sleutel, waarmee je zijn vroege romans als Conserve (1947) en De tranen der acacia’s (1949) beter kunt begrijpen. Hermans heeft in het begin van de oorlog daadwerkelijk getwijfeld over de vraag of het allemaal wel goed zou aflopen. Tot eind 1942 was hij overigens niet de enige die die mening was toegedaan. Pas bij de slag om Stalingrad gingen de kansen van Hitler keren. Menigeen, die daarvoor met de Duitsers collaboreerde of sympathiseerde, veranderde nadien zijn houding. Zelfs menig verzetsstrijder is aanvankelijk fout geweest.

De grenzen tussen goed en fout zijn na de oorlog vaak heel goed te trekken, maar het veranderend perspectief van de oorlogsjaren zelf is dan ook al lang uit zicht. Tijdens de oorlog bestond er heel wat opportunisme en pure drang om te overleven. De kernboodschap van de roman De tranen der acacia’s is dat de grens tussen goed en fout in feite niet bestaat. De motieven van het gedrag blijven doorgaans onzichtbaar om over dubbele motieven maar te zwijgen. En dat niet alleen, er waren heel wat jonge mensen die zich tijdens de oorlog vooral een buitenstaander voelden. De oorlog gebeurde, het overkwam je gewoon, zonder dat je er verder veel aan kon doen. De keuze voor het verzet was niet in de laatste plaats ook een egoïstische manier om te overleven. Heldendom ontstaat vooral achteraf in de ogen van de overwinnaars die net zo goed verliezers hadden kunnen zijn.

Vooral die laatste gedachte is verontrustend. Ik ken de oorlog alleen maar uit verhalen achteraf die vaak ook zeer gekleurd waren. Er hing een schaduw over de wereld in die tijd, maar als kind wisten wij niet waar die schaduw vandaan kwam, laat staan waar de zon aan de hemel stond. Er was een weldadige leegte en die ruimte leende zich goed voor een gelukkige jeugd. Onlangs las ik het boek uit 1966 van Michel van der Plas Mooie vrede, een documentaire over Nederland in de jaren 1945-1950. Het was bijna niet om door te komen, omdat op elke pagina de retoriek je tegemoet walmt. Zelfs in 1966 was het beeld van de oorlog nog niet echt gecorrigeerd.

Ik kan me ook goed herinneren dat in de tijd van de wederopbouw de gedachte bijna ondenkbaar was dat Hitler de oorlog zou hebben gewonnen. De beschaving wint altijd, zo werd je op alle manieren bijgebracht. Begin jaren zestig hield Prins Bernard een toespraak bij de uitreiking van de Erasmusprijs en sprak over de Europese beschaving die altijd weer terugkeert naar zijn eigen positieve grondwaarden. Volgens mij dacht niemand daar toen anders over.

In onze huidige tijd van fake-news, toenemend populisme en nationalisme is die onomstotelijke zekerheid een beetje aan het wankelen geraakt. In de politiek zijn waarheid en eerlijkheid niet meer vanzelfsprekende grondwaarden. En zelfs het overheidsapparaat is niet meer wat het geweest is. In een beschouwing over de parlementaire enquete over de toeslagenaffaire bij de Belastingdienst las ik zaterdag j.l. in de Volkskrant allerlei vergelijkingen met Hitler-Duitsland. Zo kan er een sfeer ontstaan, waarin overheidsdienaren medeplichtig worden aan een kwaad dat als vanzelf van kwaad tot erger wordt. In Nazi-Duisland heette dat: ‘naar de Führer toe werken’.  Men deed het kwaad omdat met dacht dat de opperste leiding dit goed zou vinden. In dit artikel werd zelfs verwezen naar de beroemde woorden die Hannah Arendt bij het proces Eichmann wijdde aan ‘de banaliteit van het kwaad’. Ook onze huidige belastingambtenaren kunnen blijkbaar in de greep raken van ‘de banaliteit van het kwaad’.

Zo bezien klinken de gedachten van W.F. Hermans over de oorlogsjaren niet meer zo vreemd. De meeste mensen is de oorlog overkomen. En toch is er in die oorlogsjaren iets wezenlijks veranderd in Nederland. Wie de oorlog zelf heeft meegemaakt weet het maar al te goed. Henk Hofland schreef over over ‘het DNA van de oorlogsgeneratie’, alsof er door de oorlog iets veranderd is in de menselijke genen, omdat er iets in de samenhorigheid van de samenleving verdween. Zo stelt hij: 

In de oorlogsjaren is in versneld tempo de samenhang van de normale maatschappij verloren gegaan, overal, in ieder land dat aan de oorlog heeft deelgenomen. Chaos en willekeur werden genormaliseerd, in vredestijd onbekende menselijke mogelijkheden bevorderd tot omgangsvormen, dit alles niet voor de korte duur van een incident, maar over een bestek van jaren, dagelijks. Het komt erop neer dat de oorlogsjeugd een wezenlijk en onbecijferbaar andere opvoeding heeft gekregen dan de voorgaande generaties. Dit in aanmerking genomen kan niemand het een wonder vinden dat de kinderen van de oorlog zich daarna als volwassenen anders hebben gedragen: De breuk zit niet in de oorlog zelf, maar in de jeugd van de oorlogsjaren. Dat is het DNA van deze generatie. ‘

Hofland werd geboren in 1927 en was dus 13 toen de oorlog begon en 18 toen hij eindigde. Willem Frederik Harmans was 18 toen de oorlog begon. De generatie die in de jaren twintig werd geboren trof een zelfde lot. Zij hebben een vitaal gedeelte van hun jeugd gemist, de jaren dat zij bij hun volle bewustzijn kwamen. Ik herken dit bij mijn ouders zus Mariet. Zij was 9 toen de oorlog begon en kon mij vaak vertellen hoe de intense oorlogservaringen bij haar zijn ingedaald en haar gedachten bleven beheersen. Die herinneringen werden zelfs sterker toen ze ouder werd. Voor wie als kind de oorlog beleefde kwam het besef van een grote verandering na de oorlog in versterkte mate. Zij waren het immers die het moesten gaan maken, de generatie van de toekomst, de wederopbouw. Maar in plaats van zich klaar te stomen, hadden ze vijf jaar in de wachtkamer moeten zitten.

Menigeen, die volwassen werd in de oorlog, had zelfs onder moeten duiken om aan de Arbeitseinsatz in Duitsland te ontkomen. Een enkeling was gerekruteerd geweest voor het Oostfront, maar de meesten waren murw door vijf lange oorlogsjaren, die juist voor jongelingen langer hadden geduurd dan voor wie dan ook. Het was een tijd geweest van geestdodende saaiheid, maar ook van geestelijke verwarring en ontreddering. Na de oorlog was dat niet opeens voorbij. Integendeel. Juist de generatie, die door de oorlog tussen wal en schip was gevallen, zag dat de beklemmende sfeer van de wachtkamer in Nederland gewoon was blijven hangen. De jaren vijftig waren een ‘gaskamer van verveling’, heeft W.F. Hermans ooit provocerend beweerd. Het verstikkende moralisme van die ogenschijnlijk zo rustige jaren vijftig riep weerstanden op bij eigenzinnige geesten. 

En toch, de toekomst lag open en alles was mogelijk. Ook dat waren de jaren vijftig, en zo herinner ik me ze ook als kind. Deze jaren van verveling vormden in feite een hybride periode van zowel stagnatie als vooruitgang, van schaamteloos conservatisme versus verholen rebellie, niet in de laatste plaats onder de katholieken, die Hermans zo belachelijk maakte omdat ze op instigatie van de pastoor ‘doorfokten als konijnen’ om zo meer politieke macht te kunnen verwerven. Dat neemt niet weg dat het klimaat onder de vooraanstaande katholieken in het Nederland in die tijd overwegend progressief waas. Juist in dit zo oersaaie decennium voltrok zich in roomse kringen haast ongemerkt een grote verandering. Maar het zou nog tot het midden van de jaren zestig duren voordat de bom dan eindelijk zou barsten.

Die ondergrondse strijd van de jaren vijftig leidde tot een proces dat je ‘de vergeten revolutie van het katholicisme ’ zou kunnen noemen. Er wordt wel beweerd dat de katholieken alleen maar geprofiteerd hebben van de sociale vernieuwingen die de socialisten op gang brachten. De invoering van de kinderbijslag bijvoorbeeld leidde tot nog meer katholieken die doorfokten als de konijnen. Maar zo simpel lag het niet. De grote omwenteling van de jaren zestig had meerdere voorlopers in de jaren vijftig, niet alleen in de experimentele poëzie van de vijftigers in de tegendraadse literatuur van Hermans, Reve en Blaman, maar vooral ook in de stille revolutie die zich voltrok binnen de katholieke zuil met mensen als Marga Klompé en Carl Romme.

Die katholieke zuil had een stevige fundering in het vooroorlogse leven Amsterdam. Het was een eigen wereld geweest, met een eigen elite en een eigen kunst. Over die vooroorlogse katholieke wereld schrijft Chris van der Heijden in zijn boek Grijs verleden het volgende als de figuur van Romme ter sprake komt:

Carl Romme was al op jonge leeftijd verzeild geraakt in het katholieke wereldje van Amsterdam. Zijn ouderlijk huis stond in Oud-Zuid, tegenover de kort tevoren gebouwde Obrechtkerk. In die buurt verkeerde hij als zoon van de vice-president van het Amsterdamse gerechtshof in kringen van vooraanstaande katholieken als de families Brenninkmeijer en Dreesman, Hunkemöller en Kreymborg, Steenkamp, Wiegman, Witteman, en Goseling. Via de Obrechtskerk leerde hij de katholieke kunstenaars kennen die zich verzamelden in de in 1901 opgerichte kunstkring De Violier, zoals schilder Otto van Rees, beeldhouwer Mari Andriessen, edelsmid Ernst Voorhoeve, naaikunstenares Hidegard Michaëlis en architect A.J. van Moorsel. In 1908 ging Romme naar het Ignatiuscollege op de Herengracht. Bij de stichting in 1905 telde de school nog slechts 111 leerlingen. Vanwege de snelle groei moest zij echter spoedig verhuizen naar de Hobbemakade. Bij de jezuïeten leerde Romme dat heel het leven in het teken staat van God en volle inzet vraagt. ‘Niets ten halve, alles ten volle,‘ luidde het schooladagium.’ 

Alle wegen leiden niet naar Romme, maar naar Rome. Sinds ik mij verdiep in de oorlogsjaren en hun lange schaduw in het heden krijg ik wel eens de indruk dat die laatste woorden niet helemaal waar zijn. Alle wegen leiden naar het Ignatiuscollege, waar ik zelf in 1960 aan mijn middelbare schooltijd begon. De jaren vijftig lagen toen achter mij en de oorlog was in mijn beleving heel ver weg. Maar het was nog altijd de tijd dat God die alles zag. De tijd van van ‘Niets ten halve, alles ten volle’.

Het waren de jaren dat religie en theologie nog serieus werden genomen. Maar tegelijk constateerden theologen een gebrek aan authentieke innerlijke religiositeit en emotionele volwassenheid. Die diagnose sloot naadloos aan bij wat sociologen aanwezen als de verloren samenhang tussen cultuur en natuur in de snel opkomende industrialisering en verstedelijking. Het was de tijd van de ‘zelfverantwoordelijke zelfbepaling’, zoals de pedagoog Langeveld beweerde. De tijd van de menswetenschap en het opkomende maatschappelijk werk. ‘De arbeider moest wel een bloemetje op tafel hebben’ beweerde Marga Klompé. En toch, al die goedbedoelde volksopvoeding van sociaal bewogen politici en ‘deskundigen van de ziel’ had ook zijn keerzijde.

Die keerzijde komt in werk van Hermans tot pakweg 1966 in al zijn grimmigheid naar voren. Hermans liet zijn ‘geologische blik’ los op ‘een wereld waarin elke menselijke eigendunk, of deze zich nu hult in idealisme, religie of humanistische noties als “menselijke waardigheid”, restloos verdampt.’ Hermans hoorde bij de tijd van de wederopbouw toen de religie in Nederland nog hoogtij vierde. Dat was de als benauwend ervaren biotoop waarin hij kon gedijen als een vermeend tegengif. Het was de bittere waarheid van de ontgoocheling die de ervaring van de oorlog voor hem had opgeleverd, een ervaring die telkens weer moest worden herhaald, ook toen de biotoop waarin hij gedijen kon door de snelle secularisering van de jaren zestig al lang verdwenen was. 

Behalve mijn jaren op het Ignatiuscollege heb ik ook mijn lagere schooltijd in Amsterdam-Zuid beleefd. Dat was in de jaren vijftig, voor mij vooral een gelukkige tijd en allesbehalve ‘een gaskamer van verveling’. De oorlog is een stenen vloer die onder het warme tapijt van mijn jeugd ligt. De Peetersschool in de Richard Holstraat was een gemengde school, wat voor het katholiek onderwijs destijds nog niet zo gebruikelijk was. Bovendien hanteerde men een nieuw systeem: het Dalton-onderwijs. Het kwam erop neer dat voor ieder kind een eigen tempo werd aangehouden. Elk vak had taken die je zelf moest doen. Je moest ook je eigen resultaten bijhouden in grafieken die op het prikbord voor iedereen zichtbaar waren.

Zo werkte dit systeem op subtiele wijze toch een soort onderlinge concurrentie in de hand, maar daar had niemand last van, want de sfeer was heel relaxed. Het was een georganiseerde chaos en daar voelde ik me uitstekend in thuis. In de vierde klas zaten we in een dependance, want de school had met een ruimteprobleem te kampen. Zoals alle scholen in die tijd. De geboortegolf eiste zijn tol. Zo bivakkeerden we twee jaar lang in een houten noodgebouw, een type dat in de jaren vijftig veel werd toegepast, een zogenaamde Finse school. Deze bevond zich in de Breitnerstraat, een zijstraat van de Apollolaan.

Willem Frederik Hermans woonde van 1947 tot 1951 op het adres Apollolaan 129, helemaal bovenin, op de zolderverdieping. Ik ben daar als kind vaak langs gelopen op weg naar bus E, die een halte had op de hoek van de Apollolaan en de Beethovenstraat. Een paar huizen verderop was de dansschool van James Meier, een keurige dansschool die leerlingen trok uit heel Amsterdam en waar ook ik de eerste tango-passen heb geleerd. Voor ik met de bus naar huis ging, bleven we eerst nog voetballen – met een tennisbal – op het brede trottoir aan de overkant in de Breitnerstraat. Aan de achterkant van onze houten school was een complex van tennisbanen, dat begin jaren zestig plaats moest maken voor het Hiltonhotel.

Hoe meer ik over de oorlog lees, hoe absurder ik het vind dat dit nog zo kort geleden kon gebeuren in Europa, in Nederland, in de buurt waar ik ben opgegroeid. ‘Tussen de puinhopen voel ik mij prettig, ergens anders hoor ik niet thuis,’ zegt Arthur Muttah in De tranen der acacia’s. Die puinhopen werden na de oorlog heel snel opgeruimd. In de jaren vijftig was er geen mooiere buurt in Nederland dan Amsterdam-Zuid, waar ik al mijn schooljaren heb beleefd. De sporen van de oorlog waren daar nog wel aanwezig, maar we speelden er gewoon omheen, zoals we ook tikkertje speelden rond het monument voor de gefusilleerden op de Apollolaan. 

Reageren is niet mogelijk.