Jung en het antwoord op Job

WX1479

Internationale School voor Wijsbegeerte in Amersfoort, jaren dertig

In zijn boek In de ban van Jung. Nederlanders ontdekken de analytische psychologie van Jung geeft  Tjeu van den Berk een fraai overzicht van het gedachtegoed van Jung, maar nu een gezien vanuit het perspectief van anderen, d.w.z. Nederlanders die Jung persoonlijk gekend hebben en die door zijn denken zijn beïnvloed. Zo passeert een bont gezelschap van schrijvers, psychiaters, kunstenaars en vooral begeesterde vrouwen de revue. Jung had een bijzondere aantrekkingskracht op vrouwen en dat zal niet alleen door zijn charisma, maar wellicht ook door zijn grote mannelijke gestalte gekomen zijn. Hij had een bulderende lach en als hij eens een Oranos-conferenties in Ascona bijwoonde, dan kon je zijn lach soms tot ver in de omtrek horen.

Het hoofdstuk, dat Ven den Berk aan Gerard Reve wijdt, vind ik het minst geslaagd, maar dat komt natuurlijk ook omdat ik hier zelf het meest van weet. Reve was inderdaad sterk door Jung’s ideeën beïnvloed, maar de fascinatie die hij voor hem koesterde maakte deel uit van een veel bredere belangstelling waarbinnen Jung slechts één schakel vormde naast de mariologie, de Zwarte Romantiek, de Spaanse lijdensmystiek, de ideeën van William Blake en vooral het samengaan van seksualiteit en spiritualiteit, waarvoor Reve allerlei ideeën bij vele voorgangers herkende. In feite kun je stellen dat Reve zijn getourmenteerde seksualiteit, waarin sadomasochistische trekken en mystieke extase moeiteloos samengingen, getransformeerd heeft in een jungiaanse versie van het katholicisme.

Het is ook aardig om te vernemen waar Jung in Nederland allemaal is geweest, want hij heeft meerdere keren ons land bezocht en dan bij een van zijn bewonderaars gelogeerd. Zo verbleef hij in oktober 1912, na zijn befaamde bezoek met Freud aan New York, drie dagen in het huis de Nederlandse psychiater van Albert Willem van Renterghem in de Frans van Mierisstraat in Amsterdam Zuid. (zie ook mijn blog: Onder hypnose) Na enig googelen ontdekte ik dat op nummer 29 moet zijn geweest. Het is een huis waar ik als kind vaak langs gelopen ben en misschien zelfs binnen ben geweest. Meerdere klasgenoten van mij op de Peetersschool woonden in de Frans van Mierisstraat.

Schermafbeelding 2015-04-28 om 13.02.44

Frans van Mierisstraat 29, Amsterdam (foto: Google streetview)

Ook gaf Jung in 1935 een reeks lezingen in de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) in Amersfoort. Toen ik daar ik een paar jaar geleden een drietal lezingen mocht houden over ‘Hitler en de Romantiek’  realiseerde mij dat ik mij – voor bewonderaars van Jung – op heilige grond bevond. Want hoe je het ook wendt of keert, ook ik bewonder Jung, al kan ik hem lang niet altijd volgen en ben ik mij bewust van de bedenkelijke opvattingen die hij in de tijd van Nazi-Duitsland heeft gehad. Volgens mij is Jung na verloop van tijd zelf gaan geloven in zijn eigen fascinerende hypotheses. Hij wilde een echte wetenschapper zijn, maar kon niet voorkomen dat hij een goeroe werd. Hij wilde geen ‘geloofsleer’ nalaten, maar deed er ook weinig aan om dat te voorkomen. IJdelheid moet Jung niet vreemd zijn geweest en voor een wetenschapper is dat een dodelijke eigenschap.

Wonderlijk is dat Van den Berk geen aandacht besteedt aan het boek Antwoord op Job (1952), dat naar mijn smaak een van Jung’s beste werken is. Juist dit boek heeft na zijn verschijnen veel stof doen opwaaien in katholieke kringen. Jung oppert hier een idee, dat al in de de Duitse Romantiek is terug te vinden, bij Schelling bijvoorbeeld, dat God op zoek is naar zichzelf. Ook Safranski verwijst hiernaar in zijn boek Het Kwaad, het drama van de vrijheid (1996). Zo bezien is Gods schepping niet van begin af aan al goed, maar moet dat nog worden. Sterker nog, ook God zelf is niet een en al goed, maar moet dat nog worden. 

Het grote kwaad zit ook in de mens zelf, omdat de menselijke vrijheid de mogelijkheid van het kwaad impliceert. Het kwaad is dus al in potentie in de ziel aanwezig. Het goede is ook altijd een kwaad dat overwonnen is, als een verleiding die is weerstaan. In wezen ligt hier een manicheïstische opvatting aan ton grondslag over een eeuwige strijd tussen het goede en het kwaad. Ook van Hitler wordt beweerd dat hij een manicheïstische geloofsovertuiging moet hebben gehad. Het arische ras was Het Licht. het Joodse ras: Het Duister. Deze opvatting wordt onder meer verkondigd door de Oostenrijkse historicus Friedrich Heer in zijn boeken Gottes erste Liebe (1967) en Das Glaube des Adolf Hitler (1968). Ook de Nederlandse historicus Piet Fontaine had een dergelijke manicheïsche opvatting over Hitler en het kwaad (zie mijn blog: Was Hitler zich van het kwaad bewust?)  

Misschien was het aardig geweest als Van Berk in zijn boek In de ban van Jung de reeks Nederlanders die door Jung werden beïnvloed had uitgebreid met de Vlaamse jezuïet Raymond Hostie S.J. die in 1954 promoveerde op Jung. Zijn katholieke visie op Jung’s ideeën heb ik verwerkt in mijn boek Modernisme in Lourdes, Gerard Reve en de secularisering (2013). Maar dat is allemaal detailkritiek. Het boek van Van den Berk biedt een fraai totaalbeeld. Het is een mooie pendant van de doorwrochte studie van Ilse Bulhof Freud en Nederland (1983). (zie mijn blog Freud en de interpretatie)

Slide1

Wat het boek Antwoord op Job betreft nog het volgende. De vertaling, die ik in mijn bezit heb, verscheen in 1971 bij uitgeverij Lemniscaat. In 1986 verscheen deze vertaling opnieuw maar nu als onderdeel van de Nederlandse uitgave van het verzameld werk van Jung. Op Eerste Paasdag 1986 verklaarde de PvdA-leider Joop den Uyl in een interview met de IKON-radio het volgende: ‘De Jodenvervolging verdraagt geen Godsidee.‘ Deze woorden veroorzaakten een schok in christelijke kringen in Nederland, vooral ook omdat Den Uyl zei: ‘De christen voelt zich beter dan de heiden.’ Maar ook: ‘Er zijn natuurlijk grenzen aan de lariekoek. Je kan niet zeggen, de almachtige God is genadig en de Joden laten afslachten. Dat verdraagt elkaar niet.

Ik vond dit gisteren in een krantenbericht met als titel Job, Jung en Joop of ’t failliet van de menswording van God. Het verscheen in Het Vrije Volk van 7 juni 1986.  Er werd een vergelijking getrokken tussen deze woorden van Den Uyl en wat Jung heeft beweerd in zijn boek Antwoord op Job. Daarin schreef Jung het volgende:

‘Wij hebben dingen meegemaakt, zó ongehoord en schokkend, dat de vraag, of iets dergelijks nog op de een of andere manier met het denkbeeld van een goede God te verenigen valt, brandend is geworden. Het gaat. hierbij niet langer om een theologisch wetenschappelijk vakprobleem, maar om een algemeen-menselijke, religieuze nachtmerrie.’

Schermafbeelding 2015-05-09 om 21.34.02

De schrijver van dit krantenartikel ging zelfs zover dat hij in het samengaan van Den Uyl’s uitspraak en het verschijnen van het Verzameld werk van Jung een voorbeeld herkende van wat Jung ‘synchroniciteit’ heeft genoemd:

Soms vallen gebeurtenissen schijnbaar toevallig samen, waardoor ze een geheel nieuwe lading geven aan een probleem. Met het interview van Den Uyl en het verschijnen van het boek van Jung lijkt de positie van God in Nederland opnieuw ter discussie te staan.’

Wat hier aan de orde kwam was natuurlijk niet nieuw. Het is een oud theologisch probleem: God kan niet tegelijkertijd én almachtig én goed zijn.  Na de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog dook dit probleem op in een nieuwe gedaante. Er ontstond zoiets las een Holocaust-theologie en Jung’s Antwoord op Job is ook in dat kader het best te begrijpen. In mijn boek Modernisme in Lourdes heb ik een hoofdstuk gewijd aan Antwoord op Job. Hieronder citeer ik een fragment daaruit:

mous-lourdes-2013

 ‘Het kwaad kan thans niet langer gezien worden als een ontbreken van het goede (privatio boni) maar eist erkenning en legalisering: dat is het nieuwe.’ Dat schrijft Reve in Het Boek van Violet en Dood in een passage waarin hij tevens wijst op de astrologische overgang van het teken Vissen (Pisces) naar dat van de Waterman (Aquarius). Reve noemt Jung niet bij naam in deze context, maar hij moet dit idee aan hem hebben ontleend. Jung had zo zijn eigen opvattingen over het kwaad. Begin jaren vijftig zette hij zijn ideeën hierover uiteen in twee opmerkelijke boeken, waarin de katholieke geloofsleer, en met name wat de kerkvaders daarover te zeggen hadden, tegen het licht werd gehouden: Aion en Antwoord op Job.

Het kwaad was volgens Jung alles wat het individuatieproces in de weg staat of aantast. Het kwaad is reëel al heeft het geen ontologische status. Jung dacht over het kwaad zuiver vanuit psychologisch perspectief. Hij wilde dat het kwaad door de mens onder ogen werd gezien en niet werd genegeerd of gedevalueerd tot iets vluchtigs. Hij verzette zich dan ook tegen de katholieke opvatting van het kwaad, zoals die door Augustinus was uiteengezet in zijn leer van de privatio boni. De mens die het kwaad bedrijft, keert zich in feite af van God die het hoogste goed is. Dat nu was volgens Jung een kwalijke zaak. Jung zag het kwaad primair als iets wat hoort bij de totaliteit van de mens. En zijn therapie was er juist op gericht om de totaliteit van de mens te herstellen. Het kwaad vervulde in de optiek van Jung in feite een positieve rol.

Volgens Jung viel God samen met het wezen van de mens, en omdat de mens het kwaad in zich had, kon ook God niet alleen goed zijn. Satan zat in God zelf en daarmee projecteerde Jung in God iets van zijn eigen opvatting over de menselijke staat. Dat laatste was ook het belangrijkste verschil tussen de katholieke opvatting van het kwaad en die van Jung. De dualiteit van goed en kwaad was volgens Jung bij uitstek het symbool van het Zelf. Christus was in feite een symbool van het Zelf en de christelijke mandala’s die hij ontdekte bevestigden dat. In middeleeuwse handschriften werd Christus telkens weer afgebeeld in het midden van de vier evangelisten, een basisstructuur van de mandala die ook in oosterse religies was terug te vinden. Maar in dat Zelf zat ook het kwaad en de mens diende zijn eigen schaduwzijde te erkennen.

index Jung’s opvatting van het kwaad was dus direct verbonden met zijn visie op het proces van de individuatie van de persoon. In die zin had hij een autonoom mensbeeld, en niet een relationeel mensbeeld zoals de leer van het christendom voorstaat. Zijn opvatting van God had ook louter betrekking op het psychologisch godsbeeld, en daarbij had hij volgens R. Hostie S.J., in zijn Analytische psychologie en godsdienst (1954) dat over Jung en het katholicisme gaat, geen oog voor de intrinsieke theologische inhoud van de dogma’s. Hij gebruikte in zijn boek Aion ook niet de juiste bronnen van de kerkvaders, en ontleende zijn opvattingen meestal aan preken, toespraken en opwekkingen die zich richten tot gelovigen van alle slag, en niet aan wetenschappelijke traktaten die opgesteld werden voor geschoolde intellectuelen.

Het psychische kwaad van Jung was volgens Hostie dus zowel positief als relatief. Relatief voor zover het tot stand komt in ieder individueel geval door de reactie van de mens op wie het inwerkt; positief voor zover het zich zegevierend stelt tegenover de streving naar de volle ontplooiing. Zo bezien dacht Jung ‘zowel de goede als de kwade krachten, die tot uiting komen in het verloop van de psychische groei, als positief te moeten opvatten’. Maar was dat niet hetzelfde dualisme van de Manicheeërs, waar Augustinus zich tegen verzet had? Volgens Jung niet. Alleen de houding die het kwaad wil ontkennen bracht volgens hem de grootste gevaren met zich mee.

Als de mens zijn grootste tegenstander, die het psychisch kwaad is, zonder blikken of blozen onder ogen wil zien, dan geeft het kwaad zich gewonnen. Zo loste Jung het probleem van het kwaad op, door alles weg te laten dat ons belemmert om het kwaad te zien binnen een psychische totaliteit. In de optiek komt het goede als vanzelf voort uit het kwade, als de mens maar bereid is om het kwaad in zichzelf onder ogen te zien. Dat nam niet weg, dat Jung graag wat hulp had gehad van een onderlegde katholieke theoloog, om zijn ideeën over het kwaad meer theologische onderbouwing te kunnen geven. Wonderlijk genoeg werd hij op zijn wenken bediend.

jc1

Het is kort na de oorlog in het Zwitserse Bollingen. Op een foto staat Jung, beschenen door de felle zon, met rechts van hem Victor White, een priester en dominicaan, die vrijwel geheel in de schaduw staat. In haar biografie van Jung hecht Deirde Bair enig symbolisch belang aan dit felle contrast van het licht op deze foto. De twee mannen waren in 1945 kameraden geworden, maar die vriendschap zou zeven jaar later schipbreuk lijden, toen Jung in 1952 zijn boek Antwoord op Job liet verschijnen. Volgens kenners is dat het mooiste en ook beste boek dat Jung geschreven heeft, ook al ontleent hij daarin een aantal ideeën aan William Blake, zoals een toekomstig huwelijk tussen hemel en hel, een gedachte die ook bij Reve is terug te vinden. Reve dacht dat God zich uiteindelijk zal verzoenen met het kwaad in de wereld, dat immers ooit uit God zelf is voortgekomen. Dat idee strookt niet met de katholieke geloofsleer. Maar er is nog iets dat Jung in zijn boek Antwoord op Job had aangeroerd en dat terugkeert bij Reve: de duale structuur van de tijd, een fenomeen dat Snapper in zijn dissertatie over Reve centraal heeft gesteld. Hierover schrijft Jung:

Hoewel het bij de geboorte van Christus om een historische en unieke gebeurtenis gaat, is ze toch altijd al in de eeuwigheid aanwezig geweest. Het blijkt voor de leek in dit soort zaken altijd weer moeilijk te zijn, zich een voorstelling te maken van de identiteit van iets ontijdelijks en eeuwigs met een unieke historische gebeurtenis. Hij moet echter aan de gedachte wennen dat ‘tijd’ een relatief begrip is, en eigenlijk aangevuld zou moeten worden met het begrip van een ‘gelijktijdig’ Bardo- of pleromatisch bestaan van alle historische processen. Wat in het pleroma als eeuwig ‘proces’ aanwezig is, dat verschijnt in de tijd als een a-periodische sequentie, dat wil zeggen in de veelvoudige onregelmatige herhaling.’

In navolging van Jung verbond Reve deze ‘boventijdelijke tijd’ met het collectief onbewuste, dat op zijn eigen wijze een transcendentale tijdloosheid bevat. Maar die tijdloosheid buiten de tijd blijft bij Jung in laatste instantie altijd binnen deze wereld – je zou kunnen zeggen ‘immanent transcendent’ – en komt nooit totaal buiten de ziel te staan. Het is niet de ‘emanente transcendentie’, waar de katholieke geloofsleer op duidt: een ‘binnenste binnen’ dat ‘in God is’ die mens zelf overstijgt. Of in de woorden van Augustinus: ‘Want alvorens ik u leerde kennen waart gij nog niet in mijn geheugen. Waar heb ik u dus gevonden, zodat ik u leerde kennen? Waar anders dan in u, boven mij?’ (Belijdenissen, Boek X, XXVI, 37). Die boventijdse innerlijke ervaring van een ‘in u,’ dat tegelijk een ‘boven mij’ is, wordt bij Jung niet daadwerkelijk transcendent, maar blijft beperkt tot een soort geologische grondlaag van de psyche, het domein van het buitentijdelijke, collectief onbewuste.

Toch gaat Jung in zijn boek Antwoord op Job verder dan ooit, als hij het transcendentale karakter van het collectief onbewuste wil benadrukken. Zo stelt hij:

De ziel is een autonome factor en religieuze uitspraken zijn zielsbekentenissen, die in laatste instantie op onbewuste, dus transcendentale processen berusten. Deze laatste zijn ontoegankelijk voor de fysische waarneming, maar bewijzen hun aanwezigheid door corresponderende bekentenissen van de ziel. […] We weten niet hoe duidelijk, of hoe onduidelijk, deze beelden, gelijkenissen en begrippen ten opzichte van hun transcendentale object zijn […] Ongetwijfeld ligt aan deze beelden een bewustzijnstranscendent iets ten grondslag, dat ervoor zorgt dat de religieuze uitspraken niet zo maar onbegrensd en chaotisch variëren. Integendeel, ze laten immers zien dat ze betrekking hebben op een beperkt aantal principes, respectievelijk archetypen.’

Binnen de katholieke geloofsleer heeft de tijd een duale structuur, die zich niet zomaar op één lijn laat stellen met Jungs opvattingen over een tijdloze grondlaag in het collectief onbewuste. Op dat punt verschilt het denken van Jung dus van de katholiek geloofsleer, hoewel er ook overeenkomsten zijn aan te wijzen. Zowel voor Jung als voor Augustinus waren de metaforen voor de ziel even belangrijk als de ratio van het bewuste denken. En zoals de achterkant van de taal het domein is van het onbewuste, zo had de ‘Stad van God’ van Augustinus de structuur van een symbolische orde. Het pelgrimeren van de ziel, zoals Augustinus dat voor ogen stond, verschilt in wezen ook niet zoveel van een dwalende gedachtestroom op de divan van de psychiater.

In beide methodes wordt geprobeerd de blokkades af te breken die de innerlijke monoloog van het bewustzijn in de weg staan. Maar het aardse dwalen van de ziel had bij Augustinus een gerichtheid en een doel. Alleen de heidenen liepen in cirkels rond. Volgens Augustinus was de mens een peregrinus, een vreemdeling op aarde. Hij moest zich richten op een andere tijdsorde, los van de wereldtijd, die altijd in spanningen en wanorde verwikkeld is. Ook het reisdoel van de pelgrim op aarde was slechts een afschaduwing van het de ware eindbestemming van de mens. Sterker nog, het leven zelf was een pelgrimage. De mens was een pelgrim. Het aardse bestaan was een reis door de tijd met als eindbestemming niet zomaar een stad op aarde, maar het eeuwige Jeruzalem, de stad van God.

Aanvankelijk had ook Victor White grote bewondering voor Jungs Antwoord op Job. Theologisch was deze dominicaan zeer onderlegd. Hij had de Summa theologica (1265) van Thomas van Aquino in het Engels vertaald. Jung was ook zeer op zijn oordeel gesteld. Ze discussieerden over de droomanalyse en de kerkelijke biecht in een tijd dat de biechtstoel van de priester stilaan plaatsmaakte voor de divan van de psychiater. Ze schreven ook heel wat brieven aan elkaar, maar Jungs eigenzinnige interpretatie van het Bijbelse verhaal van Job ging White uiteindelijk veel te ver. De psychiater Jung zou God zelf op de divan hebben gelegd. Bovendien kon de priester dit soort gepsychologiseer in de theologie niet langer verantwoorden tegenover zijn kerkelijke superieuren. Ondanks zijn aanvankelijke bewondering voor Jungs ideeën, schreef White een felle kritiek op Jungs boek over Job. Pas kort voor zijn dood in 1960 werd het conflict bijgelegd. Jung stierf een jaar later op 6 juni 1961.

Jung werd kort na de oorlog ook door katholieke theologen veel gelezen. Hij ging er zelfs prat op dat de paus een boek van hem op zijn nachtkastje had liggen. Het katholicisme was onder aanvoering van deze paus in een strijdbare fase beland. Het morele bankroet van de oorlog was achter de rug en de dreiging van de Koude Oorlog stond voor de deur. Paus Pius XII wierp zich op als een spiritueel wereldleider die duidelijk partij koos tegen het goddeloze communisme, maar ook kritiek uitte op het immorele kapitalisme. Zelfs Maria – zo werd beweerd – zou eind jaren veertig meerdere malen aan hem zijn verschenen. Op 1 november van het Heilige Jaar 1950 kondigde deze paus het dogma van Maria ten Hemelopneming af. Dat werd door de katholieken in heel de wereld met grote uitbundigheid ontvangen. De protestanten begrepen er niets van. Voor hen zat de openbaring op slot. Alles was immers alleen in de Bijbel te vinden.

Voor Jung vormde dit spectaculaire Maria-dogma het definitieve bewijs dat zijn interpretatie van het katholieke heilsgebeuren de enige juiste was. Maria was op weg om de Vierde Persoon Gods te worden. De hemelse bruid werd verenigd met de bruidegom. Het was voorspeld in de Apocalyps, door hermetici en alchemisten: de Zoon van Zon en Maan was in aantocht. Er voltrok zich een reusachtige omkering der tegendelen – een enantiodromie zoals Jung dat noemdedie zich niet alleen had aangekondigd vanuit het collectief onbewuste van de mensheid, maar ook in het diepe verlangen van de katholieke geloofsmassa. Het dogma van de Assumptio Mariae was een prefiguratie van de op handen zijnde incarnatie van de Messias in een ‘creatuurlijke mens’, dat wil zeggen: een mens die belast is met de erfzonde. Tegelijk werd hiermee de voorhistorische moedergodin Sofia in de herinnering teruggeroepen, door wier toedoen de wrede Jahweh van het Oude Testament tot bezinning was gekomen en van zijn duistere kant was ontdaan.

De incarnatie van Christus was, volgens Jung, het antwoord van Jahweh geweest op de dreigende morele superioriteit van de sterfelijke mens Job. Zittend op zijn mestvaalt had Job de wrede Jahweh op zijn duistere kant gewezen en daarmee een beroep gedaan op het goede in hem. Jahweh moest er mee ophouden het slachtoffer te zijn van ongereflecteerde dualiteit van Goed en Kwaad. Maar ook met de incarnatie van Christus was het Kwaad nog niet bezworen. De verlossing was nog niet voltooid. Dat had de Apocalyps van Johannes laten zien, en anders wel de recente verschrikkingen van de Holocaust en de actuele dreiging van een atoombom. De katholieke theologie had God de mogelijkheid ontnomen om een schaduw te hebben. Die dualiteit van God was blijven voortbestaan in de mens. Daarom wilde God opnieuw mens worden, dat wil zeggen: geen goede God-mens zoals Christus, maar een zondige mens die evenals God een duistere keerzijde heeft.

*

Op YouTube vond ik een kort fragment van Jung, waarin hij zich uitlaat over Het Kwaad. Wonderlijk genoeg kan ik mij dit fragment haarscherp herinneren uit mijn jeugd. Ik zag het begin jaren zestig – kort na Jungs dood – op televisie bij mijn ouders thuis. 

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)


Fatal error: Uncaught Error: Call to undefined function show_subscription_checkbox() in /srv/home/huubmousnl/domains/huubmous.nl/htdocs/www/wordpress/wp-content/themes/huubmousv4/comments.php:84 Stack trace: #0 /srv/home/huubmousnl/domains/huubmous.nl/htdocs/www/wordpress/wp-includes/comment-template.php(1554): require() #1 /srv/home/huubmousnl/domains/huubmous.nl/htdocs/www/wordpress/wp-content/themes/huubmousv4/single.php(22): comments_template() #2 /srv/home/huubmousnl/domains/huubmous.nl/htdocs/www/wordpress/wp-includes/template-loader.php(106): include('/srv/home/huubm...') #3 /srv/home/huubmousnl/domains/huubmous.nl/htdocs/www/wordpress/wp-blog-header.php(19): require_once('/srv/home/huubm...') #4 /srv/home/huubmousnl/domains/huubmous.nl/htdocs/www/index.php(4): require('/srv/home/huubm...') #5 {main} thrown in /srv/home/huubmousnl/domains/huubmous.nl/htdocs/www/wordpress/wp-content/themes/huubmousv4/comments.php on line 84