Met Vestdijk op het balkon

Schermafbeelding 2016-02-03 om 10.48.25

Reijnier Vinkeleskade met rechts de hoek van de Richard Holstraat (foto Beeldbank Stadsarchief Amsterdam)

Van Paus Johannes XXIII is de volgende anekdote bekend. Hij ontwaakte ooit uit een akelige droom, waarin hij gekweld werd door een voor hem onoplosbaar theologisch vraagstuk. Eenmaal wakker dacht hij bij zichzelf: ‘Dit moet ik aan de paus vragen.’ Tot hij opeens besefte: ‘Maar ik ben de paus!’ Je zou dit de roomse nachtmerrie bij uitstek kunnen noemen. Het is de ultieme angst om jezelf te verliezen, juist omdat je het al bent. Eenmaal katholiek, altijd katholiek. Je bent die je bent. Vluchten kan niet meer. Wie vlucht loopt zijn ongeluk tegemoet.

Zoiets had ik ook vannacht. De wereld stond volledig op zijn kop. Ik was mijn ‘ik’ kwijt. Het anker van al mijn gedachten was volledig zoek. Zoiets vertrouwds mag je toch op zijn vaste plek verwachten. Ergens midden in je brein, voor mijn in je onderbuik, maar is er is een midden. Iets waar alles in samenkomt. Mijn brein was leeg middenin. Als een ui volledig afgepeld. Ik dwaalde door de stad die als een spons al mijn gedachten opzoog. Ik was ‘ik’ niet meer. Ik was niet hier of daar. Waar was ik eigenlijk wel? Ik liep, ik liep… zomaar wat voor me uit. Geen plan of richting, om van een bestemming maar te zwijgen. Hollen ging ik, draven, galopperen, rennen voor mijn leven. Ontploffend in paniek. Ik bedacht opeens dat er geen stuur in mijn hoofd meer was dat richting gaf aan mijn benen. Het hijgen hield niet op, zo leek het. Rennen, rennen, dat was alles wat ik nog kon.

Ik voelde steken in mijn zij en hield wat in. Ik wilde terug, zo dacht ik. Maar ik kon niet. Ik liep door. En dan: wil ik wel terug? Mijn ‘ik’ was immers weg. Er was niets meer te willen. Ik moest wel lopen, rennen, draven, of ik – of het -dat nu wilde of niet. Of beter nog, er was iets anders dat mij voortbewoog. Er was een vreemd soort ‘niets’ dat mijn gedraaf voortdreef. Maar wie of wat was dan dat ‘niets’, dat zich toch bewust werd van mijn angstzweet? Wie kon nog weet hebben van die akelige leegte die midden in mijzelf steeds groter werd? Dat griezelige niets dat groeide in het midden? In the middle of nowhere. En juist op het moment dat dit besef volledig bezit nam van mijn brein, begon ik hard te gillen en werd ik wakker.

Wat heeft deze droom te betekenen? Ik zou het bij God niet weten en daarom schrijf ik maar weer een weblog vandaag. Elk weblog is een preek en de beste manier om de zin van het leven over brengen is om over alles te schrijven behalve over de zin van het leven zelf. Alleen zo zou de ervaring van verlichting op een onvoorspelbare manier kunnen doorbreken bij degene die dit weblog leest. U dus, beste lezer. Zij die weten 
spreken niet; zij die spreken weten niet.

Ooit hoorde ik het verhaal van een oude Zenmeester die zijn leerlingen tot de sleutelervaring wist te leiden via een zogenaamde toneelrepetitie. Maar het was een repetitie een toneelstuk waarvan het nooit de bedoeling was dat het zou worden opgevoerd. Ook Gerard Reve schreef in zijn roman De vierde man dat het leven de generale repetitie is van een stuk dat nooit wordt opgevoerd. Alles is vergeefs en het is de opgave van de kunst om die vergeefsheid te verhullen. De tijd vliegt en de dood nadert. Vluchten kan niet meer. Het is zoals Nietzsche zei: ‘We hebben de kunst uitgevonden om niet aan de waarheid te hoeven sterven.’

Hoe kom ik hier op? Mijn vader verlangde altijd terug naar Friesland, omdat hij in de grote stad de subtiele veranderingen van de natuur miste die je op het platte land gewaar wordt. Ik ben opgegroeid in Amsterdam en ik heb nooit een antenne ontwikkeld voor dat soort subtiele gewaarwordingen. Mijn vader probeerde me ook altijd de namen te leren van de gewassen, als we samen wandelden in een boerenomgeving. Dat is hem nooit gelukt.

Ik weet nog niet eens welke groenten boven en onder de grond groeien. Laat staan hoe ze er precies uitzien op het veld. Maar ik kan wel blindelings mijn weg vinden in de grote stad. De plattegrond zit in mijn hoofd geprogrammeerd als een Tom Tom. Ik zie aan het plaveisel welk jaargetijde het is. Ik hoor aan de geluiden van de vogels ‘s ochtends of het voorjaar wordt. Ik zie aan het licht in de kamer of het buiten heeft gesneeuwd.

Ik mis het piepen van de Amsterdamse tram, maar ook de bijna narcotische verdoving van een anonieme menigte. Het dromend uit het raam van een tram staren, terwijl buiten de natte sneeuw op het asfalt smelt. In de grote stad wordt het bewustzijn ondergedompeld in het brein van de metropool. Ik miste dat heel erg in mijn eerste jaren dat ik in Friesland woonde. Ook het gevoel dat ik nooit meer verdwalen kon, om over het dwalen zelf maar te zwijgen. In een grote stad kun je jezelf verliezen. Op het platteland kom je jezelf altijd tegen.

De horizon, ook zo iets. Ik ben jaren lang bang geweest voor de Friese horizon. Ik had nergens houvast voor mijn blik. Ik verdronk in die zee van ruimte. Nu weet ik dat je met je ogen in één keer de horizon vast moet grijpen. Dat is dus een heel andere ervaring van ruimte. De Friese ruimte geeft ook een ander gevoel voor maat en schaal. Vroeger vond ik de huizen van Amsterdam Zuid normaal. Dat wil zeggen, niet groot en niet klein. Als ik als kind in Bakhuizen kwam waren dat net poppenhuizen. Nu kijk ik mijn ogen uit als ik over de Reijnier Vinkeleskade loop. Wat een hoogte! Dat ik dat als kind nooit heb gezien.

Schermafbeelding 2016-02-03 om 10.50.42

Reijnier Vinkeleskade 56 (Google Streetview)

Ooit las in de Vestdijk-biografie van Wim Hazeu dat Vestdijk vanaf 1946 tot begin jaren zestig, toen hij een verhouding had met Hienriëtte van Eyk, vaak bij haar thuis kwam en ook de nacht doorbracht in haar bovenwoning aan de Reijnier Vinkeleskade in Amsterdam. Na enig speurwerk in het Vestdijk-archief ontdekte ik dat die woning van Henriëtte van Eyk zich aan de Reijnier Vinkeleskade op nummer 56 heeft bevonden. Ik zocht het op in Google Streetview en ontdekte tot mijn verbijstering dat je vanuit het achterbalkon van die woning uitkeek op de speelplaats van de Peetersschool in de Richard Holstraat, waar ik van 1954 tot 1960 mijn lagereschooltijd heb doorgebracht. Vestdijk moet mij dus vaak hebben zien spelen toen hij met Henriëtte van Eyk een kopje thee dronk op het balkon.

In de woning daarnaast woonden de ouders van Jaap de Hoop Scheffer. Jaap zat op de Heinzeschool, meen ik. Maar toen hij in 1960 mijn klasgenoot werd op het Ignatiuscollege, kwam ik wel eens bij hem thuis. Ik herinner me dat ik ook bij hem thuis een keer op het achterbalkon heb gezeten dat – net als bij Henriëtte van Eyk- uitkeek op de speelplaats van de Peetersschool. De moeder van Jaap, die uit Friesland kwam, liet mij toen voor het eerst van mijn leven een kievitsei verorberen, een delicatesse die ik nooit eerder in mijn toen nog jonge leven had mogen smaken, maar ook niet in al die lange jaren daarna. Vestdijk moet bij die gelegenheid wellicht een paar meter verderop ook op het balkon hebben gezeten. Mijn fantasie kent geen grenzen wat dat betreft.

Trouwens, even verderop aan de Reijnier Vinkeleskade woonde Dr. C.J. Schuurman, de psychiater waar Gerard Reve op het spreekuur kwam. Maar dat was kort na de oorlog. Misschien zijn Reve en Vestdijk daar wel eens langs elkaar heen gelopen, zonder elkaar te herkennen. Die buurt rondom de Jacob Obrecht-kerk in Amsterdam Oud-Zuid roept bij intense gevoelens van nostalgie op naar een tijd die er niet meer is. Vooral de jaren rond 1960 in Amsterdam. Mijn vader verlangde terug naar Friesland. Ik heb heimwee naar Amsterdam. Ik wil de huizen voor me zien, de balkons, de gevelrijen….’De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand Door zolderramen, langs de lucht bewegen.‘ Ik wil dwalen door de straten van Oud-Zuid en mezelf nogmaals, nogmaals…. verliezen.

Deze statige buurt pleegt zich tegenwoordig ‘museumkwartier’ te noemen. De helft van mijn leven heb ik hier doorgebracht. De Richard Holstraat, waar mijn lagere school stond, liep uit op de Jacob Obrechtstraat. Even verderop in de Pieter de Hooghstraat, stond het Sint-Ignatiuscollege Tenminste, het gebouw zelf, want in dit honderd jaar oude complex is tegenwoordig het Montessori Lyceum gevestigd. Op het fronton aan de binnenplaats staan vier woorden nog steeds in steen gebeiteld. Ad Maiorem Dei Gloriam. Tot meerdere glorie van God.

Dat was de lijfspreuk van de Jezuïeten, die afgekort in de vier letters A.M.D.G. door iedere leerling in de rechterbovenhoek van elk stuk papier moest worden geschreven. Zeven jaar lang heb ik dit dagelijks moeten doen, totdat God opeens verdween en er een andere tijd aanbrak. Aan het eind van de Johannnes Vermeerstraat, op de hoek van het Museumplein staat de villa waarin ooit het Kunsthistorisch Instituut was gevestigd. Ook in dat gebouw heb ik zeven jaren rondgelopen.

Als ik een biografie lees moet ik altijd de straatnamen opzoeken. Ik wil weten waar het precies was. Het moet een plek hebben op de kaart. Bij de Vestdijk-biografie is dat heel vermoeiend, want Vestdijk woonde tijdens zijn leven achtereenvolgens op 44 verschillende adressen, en 13 daarvan bevonden zich in Amsterdam. Hazeu heeft ze achterin zijn boek keurig op een rij gezet.

NLMD02_B-00802-II-033, 10-12-2007, 09:03, 8C, 1256x1506 (3699+4071), 100%, LetterkundigMu, 1/80 s, R46.3, G27.5, B36.4

Schermafbeelding 2016-02-03 om 21.45.11

Toen ik dat boek las moest ik heel even denken aan de beroemde foto, die Emil van Moerkerken maakte van Vestdijk samen met Ter Braak, Du Perron en diens zoontje Alain op het balkon van het Haagse pension van Du Perron in de Laan van Meerdervoort 835 in Den Haag. Dat was in 1939, in de stilte voor de storm, de stilte ook voor de dood van Ter Braak en Du Perron. Ik zocht het adres op in Google Streetview. En verdomd, het huis staat er nog precies zo, alleen het balkon aan de achterkant is niet te zien.

Reageren is niet mogelijk.