Hemel en hel in the sixties

Pasfoto, 1969

‘Wees voorzichtig, het is vandaag de geboortedag van de Verlosser. Bijna iedereen die je tegenkomt zal dronken zijn.’

Zo luidt de laatste zin in de roman The Genius and the Goddess (1955) van Aldous Huxley. Ik las het boek in de jaren zestig en vond er toen niet veel aan. In die tijd was het chique om boeken van Huxley te lezen. Nu leest niemand ze meer. Ik begreep destijds ook niet zo goed wat Huxley met dit boek nu eigenlijk wilde zeggen. Misschien was ik ook te jong om het te begrijpen. Waarschijnlijk gaat echt over het verschil tussen de wereld van de boeken – de theorieën van het verstand – en de banaliteit van de alledaagse werkelijkheid.

Hoe geleerder iemand is, hoe minder hij vaak van het werkelijke leven begrijpt. Boekenwijsheid is geen levenswijsheid om over ‘de wijsheid van de straat’ maar te zwijgen. Bovendien laat een boek vrijwel nooit het echte leven zien, maar alleen de werkelijkheid zoals een schrijver die zich in zijn fantasie heeft voorgesteld. Waarom doe je zoiets, een fictieve wereld scheppen? Waarom heb je dat nodig? Is het echte leven niet al erg genoeg? Waarom moet daar ook nog over geschreven worden in romans en verhalen?

De werkelijkheid die je gewoonlijk ervaart is meestal zo banaal en absurd dat er geen touw aan vast te knopen is. Daarom verschuift er iets in je hoofd. Je maakt er een ander beeld van dat wél klopt met je gevoel hoe de wereld eruit zou moeten zien, en juist die vertekening van de fantasie brengt romans en verhalen voort. De literatuur is dus niet een weerspiegeling van de werkelijkheid, maar een correctie ervan. Niet zozeer een verbetering, maar een zodanige verandering dat er mee te leven valt. De literatuur creëert een verzoening door het bieden van schoonheid en troost.

Maar dat is natuurlijk pure volksverlakkerij. Wat je krijgt voorgeschoteld in een roman is niet het echte leven, maar een vluchtoord van de schrijver. Een roman schrijven betekent het leven bezweren dat je zelf niet aan kunt. Ik denk dat die waarheid voor veel schrijvers opgaat. Ze creëren een dubbelleven, een alternatieve werkelijkheid voor hun alter ego, waarbij ze als een voyeur kunnen blijven toezien hoe de ander lijdt onder het leed dat henzelf wordt bespaard. Als dit soort schrijvers geen boeken had geschreven, dan waren ze gek geworden of voor hun leven lang depressief. Ik herken daar wel iets in. Als ik dit weblog niet had, dan zou ik mezelf vroeg of laat gaan verhangen. Schrijven is voor mij het bezweren van melancholie. Daarom keer ik telkens weer terug naar de jaren van mijn jeugd. Dat was trouwens niet de minste tijd. De jaren zestig, wat wil je nog meer. Het was de hemel en de hel.

Aldous Huxley, die algemeen wordt beschouwd als een voorloper van the sixties, is niet te begrijpen zonder de mystieke ideeën van William Blake met zijn The Marriage of Heaven and Hell. De radicale ontkenning van het kwaad was niet alleen eigen aan de Romantiek – met Blake als beginpunt – maar ook een symptoom van de jaren zestig met hun optimistische en hedonistische cultuur van drugs en bewustzijnsverruiming. De mens was goed en het leven ‘te gek’, totdat de eerste drugsdoden vielen. Jim Morrisson, Janis Joplin en Jimmie Hendrix wierpen een slagschaduw over het mystieke paradijs dat even gloorde aan de horizon.

Maar een paradijs is pas een paradijs als het verloren is gegaan. The Summer of Love ontaardde uiteindelijk in Angst en walging in Las Vegas. Ik las dat boek  in het begin van de jaren zeventig en het enige wat mij daarvan is bijgebleven is de beschrijving hoe je compleet stoned in een warm bad kunt zitten met het nummer White Rabbit van Jefferson Aiplane keihard in de repeat-stand.  Met dit soort muziek kon je in die dagen volledig buiten jezelf raken, maar jezelf ook te gronde richten in het inferno van een overdosis harddrugs. Doodsangst, walging en extase sloten een nieuw verbond. De romantische triade van lust, dood en duivel was terug van weggeweest.

Alleen Aldous Huxley had die ontwikkeling al in de jaren vijftig zien aankomen. De religieuze euforie van de mystiek was voortaan in een pilletje te koop. The sixties hadden de unio mystica gereduceerd tot een instant-extase die weldra omsloeg in een noodlottig doodsverlangen. Al kort na de oorlog onderzocht Huxley de effecten van LSD en mescaline en deed daar verslag van in zijn boek The Doors of Perception (1954). Huxley had de titel aan van zijn boek ontleend aan William Blake, die ook de door de generatie van de flower power opnieuw werd herontdekt. Blake schreef letterlijk:

Indien de poorten van de perceptie werden gelouterd, zou alles zich aan de mens vertonen zoals het is: Oneindig. Want de mens heeft zichzelf opgesloten, tot hij alle dingen ziet door de smalle spleet van zijn spelonk.’

Eind jaren zestig kwamen de geestverruimende middelen onder ieders bereik. Zo ging de seksuele revolutie gepaard met de euforie van een kunstmatige bewustzijnsverruiming. In die jaren vormden seks & drugs voor menigeen de enige mateloosheden in het leven die per definitie geen maat kenden. Om het doel en de zin van het leven te begrijpen moest men voor alles het leven zelf liefhebben, dat wil zeggen: totaal onderduiken in de draaikolk van de tijd. Je moest jezelf eerst verliezen om de diepste gronden van je van je ziel te kunnen vatten.

Ik ben nooit zo’n drugsgebruiker geweest. Eerlijk gezegd kon ik er niet zo goed tegen. Meestal ging ik al snel volledig uit mijn dak. Zo heb ik eens keer een pianoconcert gegeven op de schouw boven mijn kachel. Ik deed dat zo overtuigend, dat iedereen, die in de kamer aanwezig was, dacht dat de klanken echt uit de schoorsteen kwamen en niet uit de luidsprekers van mijn stereo-installatie. Ook zie ik me nog op de grond zitten op een feestje bij een vage bekende in de oudejaarsnacht van 1969, waarbij hij een stuk of wat stevige pornofilms werden gedraaid.

Toen de hasj eenmaal van mond tot mond ging, verslapte de aandacht al gauw. Het vertoon van al die pompende en kreunende lichamen op het witte doek was een surrealistisch decor geworden, waar je geweldig op weg kon ‘blowen’. Mechanisch bewegende lijven werden de stoommachines van de lust, waar Marcel Duchamp ooit van gedroomd moet hebben. Seks is het vermengen van lichaamsvochten, blowen het vermengen van rook.

Mijn God, ik herinner ik mij zelfs de kerstnacht van 1970 in Paradiso, waar ook alleen maar pornofilms werden vertoond, met aan weerszijden een projectie van psychedelische vloeistofdia’s. In die tijd had je de voormalige ‘Vrije Gemeente’ (Paradiso), de ‘Vrijende Gemeente’ (het Barleusgymnasium, dat daar tegenover stond) en de ‘Onvrije gemeente’ (het Huis van Bewaring naast Paradiso). Maar in die memorabele kerstnacht, waarin het asfalt bezaaid lag met natte sneeuw, was Paradiso dat alles tegelijk. En tegelijk leek de wereld geheel aan mij voorbij te gaan.

Op de top van een alp speelde een engel op een witte piano. Beneden hem gaapte een gigantische afgrond. Het lichaam scheidde zich af van de stroom van zijn gedachten. De geest verbrak de grens tussen huid en ruimte en nestelde zich aan gene zijde van de zintuigen, daar waar de profeten geen namen hebben. Ik hoorde flarden van muziek. Don’t you want somebody to love, zong Jefferson Airplaine. Goeie vraag dacht ik. Dat zou ik best wel willen…. somebody to love…. Maar opeens nam de stilte alles in bezit. Er trilde een snaar in het niets. ‘God is eenzaam,’ dacht ik. ‘Bewustzijn doet pijn.’…..’ Het is vandaag de geboortedag van de Verlosser. Bijna iedereen die je tegenkomt zal stoned zijn.‘

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)