En God schiep de vrouw

Als we Foucault mogen geloven is de mens door het katholicisme voor het eerst als een seksueel wezen gedefinieerd. Door Augustinus werd een ‘technologie van het zelf’ uitgevonden die door Rome eeuwenlang van hogerhand is opgelegd. Deze technologie richtte zich op de voortdurende ontcijfering van het zielenleven door een zuivering van het libido. Zo raakte het katholicisme steeds meer verstrikt in een spiraal van waarheidsformulering en werkelijkheidsverloochening. Sinds Augustinus, zo beweert Foucault, beleeft de mens seks in zijn hoofd. Die gedachtegang intrigeert mij, omdat de leer van Augustinus mij als puber met de paplepel werd ingegoten. Juist in de jaren dat ik mij bewust werd van mijn eigen seksualiteit was ik voor mijn intellectuele ontwikkeling onder toezicht gesteld van paters die zelf de seks niet praktiseerden.

Althans dat moest je geloven. De ascetische houding van de jezuïeten was gebaseerd op een soort mentale gymnastiek van de wil. Er diende verzet te worden gepleegd tegen elk opkomend gevoel van seksuele onrust. Maar in het begin van de jaren zestig was er bij de pubers van mijn generatie geen houden aan. De beteugeling van de drift door de wil, die de jezuïeten je wilden bijbrengen, had eerder een averechts effect. Het werd dweilen met de kraan open. In die tijd kwamen en steeds meer beelden op mij af die mijn verbeelding op hol deden slaan. Mijn ontluikende seksualiteit was intrinsiek verbonden met beelden uit de bioscoop.

In de eerste decennia na de oorlog was het vooral de angst voor de zedenverwildering die het vaderland in zijn greep hield. Een van de terreinen, waar het morele verval zich in alle hevigheid aandiende, was de bioscoop. Maar gelukkig bestond er ook nog zoiets zal de ‘filmkeuring’. Films waren in die tijd voor ‘alle leeftijden’, ‘boven de 14’ of ‘boven de 18’. Bovendien werden opwindende scènes vaak geknipt. Een erotische film kwam zelden zonder coupures door de keuring heen. Spannende foto’s in de vitrines bij de ingang waren plakkertjes afgedekt, zodat de fantasie van de voorbijganger alleen nog maar meer werd geprikkeld. Alles wat je niet te zien kreeg, dat zette de verbeelding des te meer in beweging. Ik kan me dat goed herinneren, want eind jaren vijftig ging ik zelf voor het eerst naar de bioscoop.

Natuurlijk waren de films van ‘boven de 18’ het spannendst, vooral als je nog geen 18 was. De 14de en de 18de verjaardag waren mijlpalen in je jonge leven, omdat dan je dan toegang kreeg tot een hele nieuwe categorie films met alle geneugten van dien. Deze bijzondere verjaardagen werden dan ook meestal gevierd met een gezamenlijk bezoek aan de bioscoop, waar een film van boven 14 of 18 werd gedraaid. Ik werd 14 in 1961 en 18 in 1965. De jaren tussen pakweg 1958 en 1965 zijn voor mij dan ook de meest avontuurlijke jaren uit de geschiedenis van de cinematografie, vooral vanwege de films die ik niet mocht zien. Juist die films wekten een groot verlangen op in mijn tere puberziel. Ooit zouden ze zichtbaar worden. Nog een paar jaar en de grote wereld zou voor me open gaan op het doek van de bioscoopzaal.

Toch waren er uitzonderingen op deze regel. Dat waren de trailers. Vreemd genoeg werden de trailers niet vooraf gekeurd. Dat kan ik me tenminste niet herinneren. Sterker nog, trailers van films voor ’boven de 18’ leken bij voorkeur te worden getoond voorafgaande aan een film voor alle leeftijden of boven de 14. Zo kon het gebeuren dat je als kind geconfronteerd werd met hele spannende beelden die nog niet voor jouw ogen bestemd waren. Juist het fragmentarische karakter zo’n trailer maakte het allemaal nog spannender. Suggestieve beelden – want echt bloot zag je in die tijd nog niet – bleven op je netvlies hangen en deden je ‘s avonds woelen in bed. Ik denk dat heel wat mensen van mijn generatie hun eerste natte droom kregen door het zien van een trailer die de fantasie ’s nachts op hol deed slaan.

Rialto, Ceintuurbaan

Zo kan ik me herinneren dat ik in Rialto op de Ceintuurbaan de trailer zag van Et dieu créa la femme. Het was of er een wereld voor me open ging. Vooral de scène aan het strand stond nadien in mijn brein gegrift. De films met Brigitte Bardot hadden dat bij uitstek. Ze bleven hangen in de duistere spelonken van het onbewuste. God schiep de vrouw op het scherm van de bioscoop. Daar daalde de film neer in het broeinest van de verbeelding. Of beter gezegd, de trailers van die films, want toen ik eenmaal oud genoeg was, waren die films zelf al uit de bioscoop verdwenen. Die trailers waren een tantaluskwalling, vooral om wat je niet te zien kreeg. In die zin waren ze veel spannender dan de meest expliciete seksfilm uit de jaren zeventig.

Naast de officiële filmkeuring , die werd uitgevoerd door de Centrale Commissie filmkeuring (CCF), had je ook nog de Katholieke Film Centrale (KFC). De KFC verzorgde tot 1968 een eigen katholieke filmkeuring. Daarbij werden strengere criteria gehanteerd met name voor de erotische scènes. Zo kon het gebeuren dat een film door de CCF werd gekeurd voor ‘alle leeftijden’, maar door de KFC voor bezoekers van boven de 14 of 18 jaar werd ingeschat. Dat was zwaar balen natuurlijk. Als weetgierige katholieke jongen voelde ik mij in dit opzicht altijd een beetje gediscrimineerd. Bovendien werd door de KFC ook nog een aparte categorie bestempeld als uitsluitend voor ‘geestelijk volwassenen’. Dat waren natuurlijk de meest spannende films, vooral voor geestelijk onvolwassenen. Puberteit is eenzaamheid als de seksualiteit ontwaakt in een wereld waarin hij niet mag bestaan.

‘De avond valt. Op de eerste verdieping van het huis aan de overkant gaat in een kamer met twee ramen het licht op. Ergens klinkt een piano: do, mi, do, re, mi. Het wordt stil. In de verte roept een kind en een pissebed kruipt weg in de dakgoot. Flarden van een herinnering vermengen zich met de geur van schone lakens en het paars van de lucht. Een oud gevoel dringt zich op. Ik sta op een bodem die nooit eerder door een mens is betreden. Goedemorgen Domrémy. Morgen zal het regenen in Rouen.’

Laatst vond ik deze woorden terug. Ooit heb ik ze met een balpen geschreven op een kladblaadje dat voor jaren zat weggestopt achter een foto in een lijstje. Bij het woord ‘eenzaam’ denk ik altijd aan zolderramen en het zachtjes tikken van de regen. Eenzaamheid is passé, uit, voorbij. Het woord lijkt te zijn weggelopen uit een Frans chanson. Het hoort bij de bruine kroegen en de druipkaarsen van weleer. Bij de wijn die opraakt in mijn glas en de minste vrouw voor wie ik te lelijk was. Wat leent zich meer voor tweedehands gevoelens? Wat is er onechter dan eenzaamheid, dat kunstmatige embryo van poëtische zelfgenoegzaamheid en gekoesterde miskenning. Zet een kaars voor je raam en de herinnering aan het warme vruchtwater van de eenzaamheid komt vanzelf.

Kitsch ontstaat altijd door twee tranen. De eerste traan zegt: ‘wat mooi’. De tweede zegt: ‘wat mooi om dit met zijn allen zo mooi te vinden’. De eenzaamheid van de pubertijd is een openliggend gevoel dat zich maar al te graag leent voor die tweede traan. Wat we eenzaamheid noemen is altijd een ondeelbaar tweeledig moment. Eenzaamheid zelf bestaat niet. Of het verdubbelt zich in een gevoel dat het niet is. Of het blijft alleen wat het is, maar dan laat het geen sporen na. Wie over eenzaamheid wil spreken, moet zwijgen in alle talen.

De eenzaamheid van mijn pubertijd is voor mij sterk verbonden met de Franse taal. Maa de Franse taal is de Franse taal niet meer, althans in Nederland. Behorend tot een generatie, die op de top van de naoorlogse geboortegolf in de jaren zestig de middelbare scholen heeft overspoeld, ben ik
wellicht een der laatsten der Mohikanen die nog geen pretpakket mocht kiezen, en dus Frans heeft moeten leren. Het was de tijd van ‘Brigitte Bardot… Bardot… die heeft ze niet zo, maar zo!‘ Maar ook de tijd van BreI, Brassens en Ferré. De coryfeeën van het Franse chanson, die in die jaren de toppen
van hun roem beleefden, hebben hun poëzie gegrift in het geheugen van menig middelbaar scholier, voor wie deze teksten hun geheimen langzaam prijsgaven als gedecodeerde hiëroglyfen van een verre hoogstaande en benijdenswaardige cultuur.

Het Franse chanson hoorde bij zwarte coltruien, gitanes en Gauloises, in flessen gestoken druipkaarsen op schoolfeestjes, het eerste boek van Sartre of Camus, de terrassen van Saint Germain des Prés, een blik vol – ach, ja van wat eigenlijk…. van iets waar wij niet eens een woord voor hebben – spleen of Weltschmerz. Kortom, het Franse chanson hoorde bij zoiets vaags wat tegenwoordig in het Nederlands zo treffend een ‘lifestyle’ wordt genoemd. Frans bleek een taal waarin je zonder gêne sentimenteel kon zijn en tegelijk hoogstaande poëzie kon uitslaan, het perfecte alibi voor op het schoolplein ontluikende
kalverliefdes. Liefde is per definitie sentimenteel, dat heeft het Franse chanson mij geleerd. Sentiment wordt poëzie als je verliefd bent.

De vroege jaren zestig waren voor mij de jaren van formules en vervoegingen, maar ook van het Leerboek der Algebra van Dr. Th.G.D. Stoelinga en Dr. M.G.van der Tol, deel III in de tiende geheel herziene druk verschenen bij uitgeverij Tjeenk Willink in Zwolle in 1961. De eerste vervoegingen die ik op school leerde gebeurden overigens niet met het woord ‘rosa’, zoals in het chanson van Brel, maar met het woord ‘femina’, want alles begon bij de vrouw, ook bij de paters Jezuïeten: femina, feminae, feminae, feminam, feminae, feminarum, feminis, feminas. 1961 was het was het jaar waarin ik veertien werd en dus voor het eerst andere films mocht zien. Films waarin iets zichtbaar werd van het echte leven. Iets van de vrouw met al haar vervoegingen: ogen, neus, lippen, benen. borsten… Alles.

Vanaf de vierde klas op het Sint Ignatiuscollege werden ‘gemengde klassenfeesten’ gevierd. Iedereen uit van mijn klas werd gekoppeld aan iemand uit de parallelklas van Fons Vitae. Zo kwam ik in contact met een meisje uit de Balistaat in de Indische buurt. Haar voornaam weet ik niet meer, maar ze heette ‘Vonk’. Mooie naam voor een iemand die je eerste vlam had moeten zijn. Haar vader was kort daarvoor overleden. Ter kennismaking heb ik haar nog uitgenodigd voor een toneelvoorstelling in de Stadsschouwburg, een stuk van Gogol, gespeeld door Henk van Hulsen: Dagboek van een gek.

Na afloop hebben we heel serieus nagepraat en ik heb haar keurig naar huis gebracht, zonder een afscheidskus aan de deur natuurlijk. Daarvoor was het nog te vroeg. Later nodigde ze me nog uit voor een verjaardagsfeestje, en zo leerde ik haar familie kennen. Haar oudere broer zat bij het toneel, als regisseur. Ze is zelfs nog op de begrafenis van mijn eigen vader geweest die een jaar later overleed, op 8 mei 1966. Toen was er inmiddels heel wat gebeurd. Het stond in mijn dagboek geschreven, mijn eigen Dagboek van een gek.

In dat onbestemde schooljaar 1964-1965 – het was een tweesprong van wegen – ging ik met de meesten van mijn klasgenoten naar Dansschool James Meijer aan de Apollolaan. Daar leerde je de Quickstep, de Engelse Wals en de Tango. Het was een spekgladde parketvloer. Ik kan me nog goed herinneren dat een klasgenoot, die destijds nogal klein van stuk was, zijn dansdame, die een kop groter was, compleet vloerde zodat zij tot grote hilariteit onder alle aanwezigen languit met de benen wijd en open petticoat tegen de muur belandde. Ik vond die danslessen een crime, evenals die verstandige lyceum-meisjes trouwens, want daar kon je – zoals Boudewijn de Groot later zong – ‘dus geen donder mee beginnen’.

Gelukkig kwamen al gauw daarna de Beatles en de StonesMaar zover was het begin jaren zestig nog niet. In die jaren hadden de paters jezuïeten het heft nog stevig in handen.Ook kan ik me herinneren – maar ik kan me daarin vergissen – dat we op een keer de Sirtaki hebben gedanst. In ieder geval zag ik Zorba de Griek samen met mijn ouders in de buurtbuiscoop de Bio aan de Middenweg in de Watergraafsmeer. In deze film uit 1964 leek op het het eind iets van de bevrijding van de the sixties door te breken in een zorgeloze pas de deux op een oud Grieks strand. Maar verder waren het vooral de klassieke danspassen die je door James Meijer werden bijgebracht.

In feite werden wij geschoold in een danscultuur die op het punt stond te verdwijnen. De gedachte dat je op het parket van de dansvloer een goede levenspartner aan de haak kon slaan was na 1964 snel verdwenen. Na James Meijer heb ik nooit meer de Tango gedanst, om over de Samba maar te zwijgen. Je verzon voortaan je eigen expressionistische dansgebaren en schokkende heupbewegingen. De helverlichte danszaal maakte weldra plaats voor het halfduister van de discotheek. En daar was niemand rouwig om, integendeel.

Ach, waar zijn ze gebleven die paters jezuïeten? Pater Huijbers die in toorn kon ontsteken, Pater Verhofstadt die alles beter wist, Pater Mercx die als rector boven alles verheven was, Pater Minderop de half doof was, Pater Lorié die een beetje gestoord was, Pater Hirsch die de functie van ‘minister’ had, zelf dikke sigaren rookte en belast was met de foeragering. En dan had je nog die Pater Jansen die Nederlands gaf en aan wie ik veel te danken heb. Hij ging opeens grijze pakken dragen met een witte boord en was verdwenen voor je het wist. Pater Vrijburg die ging trouwen, net als Huub Oosterhuis. En niet te vergeten Pater Van Kilsdonk, die ik in maart 1969 – ik was toen 21 en al twee jaar weg bij de paters – nog in een ingezonden brief in de Volkskrant beticht heb van ‘intellectuele prostitutie’, wat voor hem reden was om mij in een persoonlijk gesprek te bestempelen als een toonbeeld van een nieuwe, opkomende klasse: het intellectuele proletariaat van links, dat zelf ooit rooms was opgevoed, maar nu schijt had aan alles wat rooms was of ooit rooms was geweest.

Ingezonden brief in de Volkskrant, 18 maart 1969

Ach de jezuïeten, ze wisten alles van God, mens en wereld, alles behalve de ontluikende seksualiteit. En dat terwijl het toch God was geweest die de vrouw had geschapen. Voor de volgelingen van Ignatius van Loyola was de vrouw een wezen dat behoorde tot een andere planeet. De lust diende getemd te worden desnoods met zweepslagen die je jezelf toebracht met een zweep op de rug. Als leerling van dit soort ascetische masochisten was je overgeleverd aan de schaarse informatie die uit obscure bronnen afkomstig was. Kennis omtrent de vrouw kon alleen verworven worden in duistere bioscoopzalen, waar je goed moest opletten om te zien wat er precies gebeurde, daar op dat betoverend witte doek.

Reageren is niet mogelijk.