De stilte voor de storm

Het is juli 1962. De grote vakantie was net begonnen. Ik logeerde voor een weekje in het zomerhuisje in de bossen van Doorn, dat mijn oudste zus Mariet had gehuurd. Naast mij zit mijn neefje Marc, de oudste zoon van Mariet en op de achtergrond zijn nog mijn zussen Cornelie en Trees te zien. Ik had het zeer naar mijn zin daar in het bos. Je kon er wandelen en voetballen en vooral ook niks doen. De tijd leek stil te staan. Dat gevoel had ik toch al dat jaar. Ik zat in de tweede klas van het gymnasium op het Ignatiuscollege. Na de zomer naar de derde. Ik vond mezelf een pienter jongetje. Altijd met mijn neus in de boeken. Sinds een jaar droeg ik een bril.

Er gebeurde van alles in die zomer van 1962. Op 9 juli brachten de Verenigde Staten op het Johnston-atol in de Stille Oceaan een waterstofbom tot ontploffing op een hoogte van 320 kilometer, waarbij een gat werd geslagen in de ionosfeer. Drie dagen later kwamen tijdens de tv-nieuwsuitzending van 8 uur ’s avonds de eerste beelden binnen die door de Amerikaanse Telstar-satelliet werden doorgeseind. En vier weken later, op 5 augustus, pleegde Marylin Monroe zelfmoord en werd in Zuid-Afrika  Nelson Mandela gearresteerd. Weinig van dat alles drong tot mij door in die zorgeloze zomerdagen in het bos bij Doorn.

Toen belde opeens mijn moeder met de mededeling dat ik thuis moest komen. Mijn vader vertrok naar Frankrijk met zijn kleine Fiat 600D. En ik moest mee als kaartlezer en tolk voor onderweg. Ik weet het, er zijn beroerdere zaken in het leven om op terug te zien. Maar in die lange reis door Frankrijk had ik echt geen zin. Ik bleef liever daar in het bos. Als veertienjarige had ik alles wat mijn hartje begeerde. De  wereld lag aan mijn voeten. Mijn neefje Marc, die twaalf jaar jonger was dan ik, was mijn speelkamaraad. Alles was goed zoals het was, en zo zou het altijd blijven. Maar niets was minder waar. Op 11 oktober van det jaar zou in Rome het Tweede Vaticaans Concilie beginnen, waardoor het roomse geloof, waarin ik was opgegroeid, uiteindelijk op zijn grondvesten zou gaan wankelen.

Maar nu heerste er alom nog een sfeer van hoop en verwachting. Het waren de zoete dagen voor de revolutie. Prima della rivoluzione. De stilte voor de storm. Het katholicisme stond aan de vooravond een radicale verandering, een doorbraak naar de moderne tijd, een reformatie of hoe je het ook noemen wilde. Alleen profetische geesten konden vermoeden dat er iets anders gaande was. Aan het eind van dat wonderlijke jaar 1962 verscheen het eerste brievenboek van Gerard Reve: Op weg naar het einde. Er liep een tijdperk op zijn eind. De harmonie, die er van oudsher leek te bestaan, was opeens te mooi om waar te zijn. In mijn eigen leven brak eindelijk de puberteit door. Ik was wat je noemt late maturing. Laat rijp, laat wijs. Hoe dan ook, ik begon het vermogen te verliezen om de dingen te zien zoals ze niet zijn. Weldra ging het stormen op de levenszee.

*

Het katholicisme was tot midden jaren zestig dominant in Nederland aanwezig. Het bestond niet zozeer uit een algemeen gedeeld vertoog, maar zoals door Peter van Rooden in een studie over het verdwijnen van het katholicisme in de jaren zestig is beweerd: ‘in de vorm van verschillende complexen van bijzondere rituelen, gebruiken en regels’. Anders gezegd;  de radicale secularisering van de jaren zestig werd vooral gekenmerkt door een plotseling verdwijnen van het ritueel. Van Rooden herkent in de jaren zestig een proces dat zich in de tijd van de Romantiek al op het terrein van de kunst en wijsbegeerte had aangediend. ‘Het moderne zelf’ (een term van de filosoof Charles Taylor) werd nu opeens gemeen goed. Het moderne humanisme internaliseerde een stelsel van waarden dat voorheen alleen extern gefundeerd was. De nieuwe seculiere cultuur, die zo – ogenschijnlijk plotseling – ontstond, werd bepaald door een complex van romantische waarden als authenticiteit, expressiviteit en reflexiviteit.

Deze interpretatie van de jaren zestig als de popularisering van ‘het expressieve en authentieke zelf’ verklaart ook wat er sindsdien met het christendom in Nederland is gebeurd. Vooral het katholicisme kon de aansluiting met deze nieuwe romantische waarden niet meer vinden, omdat na het Tweede Vaticaanse Concilie het traditionele arsenaal van rituelen als sneeuw voor de zon was verdwenen. De ‘nieuwe liturgie’ bracht dan ook de doodsteek aan het katholicisme in Nederland. Het bijzondere in deze redenering is dat het ritueel centraal wordt gesteld in de religie en niet het persoonlijk geloof.

De ontritualsering van de religie  was bepalend in het proces van secularisering. En het ritueel verdween in the sixties niet alleen uit de religie, maar ook uit de samenleving als geheel. Daarmee komt de secularisatie-these, die stelt dat secularisering en modernisering gelijk op gaan op losse schroeven staan. Het is niet het moderne wereldbeeld dat het persoonlijk geloof onmogelijk maakt, maar de teloorgang van het ritueel die de religie uiteindelijk doet verdwijnen. Heimwee naar religie is dus heimwee naar het ritueel.

Ik ben het maar ten dele eens met de analyse van Peter van Rooden. Het ‘vreemde verdwijnen’ van het christendom (met name het katholicisme) in het Nederland van de jaren zestig werd volgens mij primair veroorzaakt door een theologische crisis. Die crisis is ook al in de jaren zestig zelf uit en te na beschreven, bijvoorbeeld in Van de Pol, Het einde van het conventionele christendom (1967). Door deze theologische crisis viel de sacrale onderbouwing (de transcendentie) weg onder de rituele en sociale aspecten van het katholicisme. God was niet langer een God ‘up there’. Maar wat was die God dan wel? Een God zonder hoofdletter? Maar dat is geen God die een wereldbeeld kan dragen.

Het theologisch conflict, dat in de jaren zestig werd uitgevochten, had meerdere antecedenten, die in eerste instantie teruggingen tot in de negentiende eeuw. Het was ooit begonnen als een strijd van ultramontanen en integralisten tegen nieuwlichters en modernisten, een honderdjarige oorlog die in de katholieke kerk nog één keer oplaaide, als een slotakkoord van alle moderniseringsgolven, die een eeuw lang vergeefs hadden gebeukt tegen het onneembare bolwerk van het Rijke Roomse Leven. Die strijd ging om de aanvaarding van de moderne wereld of de verwerping daarvan.

Al in 1864 had Paus Pius IX in zijn Syllabus errrorum in encycliek Quanta Cura het liberalisme en alle dwalingen van de moderne wereld verworpen. De vooruitgang die de techniek te bieden had, kon nooit verhelen dat de mens van nature niet goed is. Die harde waarheid van de katholiek geloofsleer werd steeds meer onverteerbaar, naarmate de techniek en de vooruitgang meer utopische perspectieven boden. En dat laatste was een eeuw later, in de jaren zestig van de vorige eeuw, in hoge mate het geval. De maatschappij werd maakbaar. Sterker nog, de mens zelf werd maakbaar, en daarmee kwam Gods Koninkrijk in zicht, niet alleen aan de horizon van de evolutie, maar zelfs in het hier en nu.

Maar de ware aard van dit theologisch conflict lag nog dieper, in de kern van de katholieke geloofsleer zelf, zoals die in de laat-klassieke tijd door kerkvaders was geformuleerd in hun strijd tegen de manicheeërs, de gnostici en de neoplatonici. In wezen ging het theologisch conflict van de jaren zestig om de aard van de goddelijke waarheid. Komt die van boven, van buiten de wereld, of is de waarheid van God – als een goddelijke vonk – in de ziel van de mens, en als een afschaduwing van hemelse schoonheid in de hele schepping terug te vinden? Anders gezegd: is het goddelijke transcendent of immanent? Nauw verweven met dat dilemma is de vraag naar de aard en de herkomst van het kwaad.

Wie God in de wereld zelf gaat zoeken, ziet zich al snel geplaatst voor de verleiding van een totaliteitsbesef, waarin de finale opposities tussen goed en kwaad, het rationele en het irrationele, stilaan vervagen. Zelfs de grens tussen zin en waanzin valt dan vroeg of laat weg. God openbaart zich dan in de duisternis van de afgrond, in de schaduwzijde van de menselijke geest, in het onbewuste, de droom, het orakel en de waan. Wie zich al te ver verwijdert van het theologisch firmament van Augustinus en Thomas van Aquino – omdat het licht hem daar te helder is – komt uit bij de Romantiek, en weldra bij de Zwarte Romantiek van seks, dood en duivel. Met het verval van de hemel begint de droom van de rede, een droom die niet alleen de huiveringwekkende en fascinerende gestalte van een nieuw soort schoonheid, maar niet zelden ook de monsters van verbijstering en doodsangst voortbrengt.

Van oudsher zocht men in het katholicisme niet een uitweg voor de ratio in het irrationele, maar een verzoening van de ratio mèt het irrationele. Religie was dan ook geen vlucht in de zingeving, maar eerder het tegendeel: de erkenning juist van de zinloosheid, de vergeefsheid, de onherroepelijke ontoereikendheid van het bestaan en de menselijke liefde, en uiteindelijk ook het vermoeden dat eenzelfde machteloosheid eigen zou zijn aan God, de Schepper, de Verlosser af wat je verder ook onder die woorden verstaan kon. Juist in de erkenning van die ultieme anomalie lag de verlossing besloten. Die ultieme twijfel had God zelf aan het kruis gehad, toen hij zich door God verlaten voelde. Zoals ook het leven van elk mens een kruisweg was, verlaten en eenzaam. Op weg naar het einde, op weg naar de dood. Een zinloze weg, die pas zin krijgt als je de moed hebt om de zinloosheid ervan te erkennen.

De ervaring van die ultieme anomalie, die zijn keerzijde had in een romantisch totaliteitsbesef, was van oudsher misschien het meest eigene van het katholicisme. Maar juist die laatste restanten van het premoderne katholicisme verdwenen in Nederland weldra in een razendsnel tempo.  In de tweede helft van de jaren zestig werd er opeens over van alles en nog wat in het openbaar gediscussieerd: over Vietnam, de democratisering, de seksualiteit en over de dood van God. Zelfs de toekomst van de rooms-katholieke Kerk werd onderwerp van een brede maatschappelijke discussie in het zogeheten Pastoraal Concilie, waarin de uitkomsten van Het Tweede Vaticaanse Concilie geïmplementeerd dienden te worden in de gemeenschap van de gelovigen. Maar die gemeenschap viel al pratend uit elkaar. Hoe meer er over Gods dood werd gesproken, hoe minder er nog in zijn bestaan werd geloofd.

Waren de resultaten van het Tweede Vaticaans Concilie nu als ‘modern’ op te vatten, of waren zij eerder het product van een ontspoorde moderniteit? Die kwestie zou in de tweede helft van de jaren zestig uitgroeien tot een fel debat onder progressieve en behoudende katholieken. De termen ‘modern’ en ‘anti-modern’ leken voortdurend van plaats te wisselen in deze draaikolk van vernieuwing. Er heerste een wonderlijk idee dat de richting van dit proces was voorbestemd, ondanks de schijn van een chaotische verandering in het heden.

Men was letterlijk ‘op weg naar het einde’, zoals Reve dat al in 1962 in zijn eigen geestelijke ontwikkelingsgang had herkend. De voortgang had een eindpunt, op weg naar ‘het punt Omega’ van de Jezuïet Teilhard de Chardin, wiens teleologisch denken zelfs is terug te vinden in de tekst van De Nieuwe Katechismus die in 1968 zou verschijnen. In deze nieuwe samenvatting van de katholieke geloofsleer leek de geest van de jaren zestig kort en bondig te zijn samengevat.

In de radicale vlucht vooruit van deze Nieuwe Katechismus diende ook letterlijk het begin van het einde zich aan, omdat de teloorgang van het katholicisme juist in deze stroomversnelling voor het eerst zichtbaar werd. Wat voor de een utopisch vergezicht leek, was voor de ander een doembeeld van verloedering. Dit verwarrende stuivertje wisselen van etiketten – tussen modern en antimodern, progressief en conservatief, teleologisch en chaotisch – is achteraf bezien kenmerkend geweest voor het ongrijpbare karakter van de culturele omwenteling in die jaren.

*

Juli 1962, in het bos van Doorn.

Na mijn vertrek uit de bossen in Doorn reed de Fiat 600D van mijn vader dwars door Frankrijk richting het zuiden. We schrijven 20 juli 1962, als deze kleine Fiat de steile helling beklimt op weg naar de grot van Lascaux. Het hellingspercentage was 12 procent en de motor raakte zowat oververhit, maar we hebben het gehaald. De oudste schilderingen daar dateren van 15.000 v. Christus. Het duizelde mij bij het zien daarvan, alsof ik slechts een stofje was dat even voortbewoog in de stormwind van de tijd. Kort daarop werd de grot gesloten omdat de schilderingen werden aangetast door groene algen en schimmels, veroorzaakt door de uitgeademde lucht van de bezoekers. Zo behoorden mijn ouders en ik tot de laatsten der Mohikanen die echte de grot in werkelijkheid hebben gezien.

Uiteindelijk belandden we in Lourdes. Meer nog dan in Doorn leek hier de tijd echt te hebben stilgestaan. Normaal geeft dat een aangenaam gevoel, alsof er nog dingen zijn in de wereld die overleven in de maalstroom van de moderne tijd. Maar in Lourdes was dat niet het geval. Hier had die stilstand voor mij iets beklemmends. Deze grot, waarin ooit de Heilige Maagd verschenen was, leek wel een luchtzak in de tijd. Alsof de menigte, die ‘s avonds de Mariaprocessie liep, niet uit mensen bestond maar uit zombies. Ze doolden hier rond als levende doden. Ze zongen het Ave Maria in alle talen van de wereld en bij elk refrein staken zij een brandende kaars, die tegen de wind was afgedekt met een soort papieren lantaarn, allemaal tegelijk in de lucht. Dat alles ter ere van de Moeder van God, wier verlichte beeltenis als een oergodin uit prehistorische tijden werd rondgedragen over de Esplanade.

En toch, in die zomer van 1962 raakte ik als jongen diep onder de indruk van dit sacrale gebeuren. Weer terug op school schreef ik er een opstel over, waarbij ik mijn ervaringen van Lourdes in verband bracht met de grot van Lascaux. Dit betoog viel zeer in de smaak bij mijnheer Slijpen, mijn leraar Nederlands op het Ignatiuscollege. Ik mocht het opstel voorlezen in de klas en het werd doodstil. Ook dat was de stilte voor de storm. 

Mijn God wat heeft het voor zin om dit allemaal op te schrijven? Laten we hopen dat het is zoals Reve ooit schreef: ‘Misschien zal het me, als ik nog lang genoeg leef en blijf volhouden, eens gelukken, zodat ik eindelijk de verregende, donkere beelden – soms in het per ongeluk tot stilstand gekomen apparaat door de gloeiende projectielamp bijna geheel in druipende stroop veranderd – zal kunnen duiden.’

Reageren is niet mogelijk.