Een tijd op weg naar het einde

Dit is een van de weinige foto’s uit de jaren vijftig, waarop al mijn oudere zussen zijn te zien. Hij is waarschijnlijk genomen in 1956, toen ik acht jaar was. Van links naar rechts: mijn oudste zus Mariet, Tante Marie (de oudste zus van mijn moeder), mijn zus Cornelie (die in 2014 is overleden), mijn jongste zus Trees, pater Deden, ikzelf, mijn moeder en mijn zus Lucie (die in 2015 is overleden). 

Pater Deden was een volle neef van mijn vader en kwam nog wel eens bij ons thuis op bezoek. Hij was lid van de congregatie van de Priesters van het Heilig Hart en woonde in het Klooster Sint Jozef in de Kerkstraat in Nijmegen. Daar ben als kind ook wel eens geweest. Het was een groot gebouwencomplex dat nog de allure uitstraalde van het Rijke Roomse leven. Van daaruit kwam pater Deden ook wel bij mijn tantes in Huissen. Zo vormde hij wonderlijk genoeg een brug tussen mijn Friese familie en mijn familie van moederskant, die uit Arnhem afkomstig was. Een theoloog tussen noord en zuid zogezegd. 

Pater Deden was een aardige man, spraakzaam en heel open, een totaal ander karakter dan mijn vader die vooral zwijgzaam en gesloten was. Hij werd altijd met veel respect ontvangen en als hij zijn verhalen afstak was iedereen een en al oor. Veel later pas vernam ik dat pater Deden het nog tot professor in de theologie heeft geschopt. In de Friese Encyclopedie van 1975 staat hij met foto en al vermeld als prof. dr. D. Deden scj in de functie van supervisor van de Friese bijbelvertaling, waarmee in 1966 werd begonnen op initiatief van It Kristlik Selskip, It Roomsk Frysk Boun en de Kerken in Friesland. 

Maar nogmaals, dat wisten wij bij ons thuis nog niet in de jaren vijftig. Het jaar 1966, waarin begonnen werd met een nieuwe Friese bijbelvertaling, was ook het jaar dat mijn vader overleed en de grote uittocht uit de Kerk begon. Alleen mijn moeder bleef de Kerk trouw. Voor de rest gingen alle kinderen voortaan hun eigen weg. De Moederkerk was nu echt een moederkerk geworden, een herinnering aan een verleden dat voorgoed voorbij was. Bij mij viel de grote uittocht samen met het ineenstorten van het bolwerk der jezuïeten dat zich in mijn naaste omgeving voltrok.

Er wordt nog wel eens beweerd dat de teloorgang van het Nederlandse katholicisme in de jaren zestig primair veroorzaakt werd door de intellectuele, kerkelijke elite die teveel met zichzelf bezig was. Het gewone kerkvolk had het nakijken, helemaal toen het autoritaire Rome orde op zaken stelde door het uitbrengen van twee conservatieve encyclieken in 1967 – Sacerdotalis Caelibatus (over het celibaat) en Humane Vitae (over de anticonceptie) – en een reeks uiterst controversiële bisschopsbenoemingen.

Onlangs las ik het boek van Jos Palm, Moederkerk, De ondergang van rooms Nederland (2012). Ook daarin wordt het beeld geschetst dat de tragische teloorgang van het Nederlandse katholicisme te wijten zou zijn aan de kerkelijke elite die de vernieuwingen niet wist te vertalen voor het gewone kerkvolk. Ik waag te beweren dat dit een gebrekkige analyse is, omdat hiermee nauwelijks recht wordt gedaan aan de crisis die zich na de Tweede Wereldoorlog binnen de theologie zelf had aangediend. Theologie is een discipline die – evenals de kunst – een intrinsiek onderdeel vormt van het maatschappelijke en culturele systeem. 

In de jaren zestig was er in Nederland sprake van een diepgaande crisis van het religieuze symbool, een crisis die alles te maken had met het verdwijnen van transcendentie. Om het bovennatuurlijke te verdedigen tegen het doorgeschoten rationalisme en materialisme van de moderniteit, werd in de decennia daarvoor de transcendentie geheel losgekoppeld van het natuurlijke en zo van alle aardse smetten gevrijwaard. Van de weeromstuit kon de verwereldlijking ongestoord zijn gang gaan, waardoor uiteindelijk het geloof als zodanig plotseling als sneeuw voor de zon zou verdwijnen. Zelfs het seksueel misbruik van veel priesters in die ‘tijd op weg naar het einde’ heeft wellicht iets te maken gehad met de geheel van de aarde losgezongen bovennatuur. Kortom, het geloof verdween niet door een tekort, maar een teveel aan transcendentie.

Deze crisis had een veel bredere draagwijdte dan ‘het verraad van de theologische elite’. Het was eerder een crisis in de moderne ervaring van tijd en ruimte, die in de jaren zestig haar climax bereikte, waardoor het verlangen naar een bovennatuur door haar eigen velgen zakte. Onderwijl was de mystiek bij veel theologen geheel uit beeld verdwenen, terwijl de mystiek in de subculturen juist omhoog schoot als onkruid tussen het asfalt.

De religie droogde gaandeweg op en verdorde uiteindelijk geheel. Maar de spiritualiteit ging juist rijkelijk stromen in de verdwaasde hippie-cultuur en de oosterse renaissance van Bagwan-aanbidders en de transcendente meditatie van Maharishi Yogi. Iedereen leek te gaan shoppen op de spirituele markt van welzijn en geluk. Men rijpte zich rot, gaf zich over aan sensitivity training of koos voor het braakliggend terrein van de eigen seksualiteit als hedonistisch panacee voor emancipatie of spirituele zelfexploratie. Dat is een tendens naar individualisering die nog altijd niet ten einde is. Het zet zich voort in onze tijd van mindfulness en neoliberalisme. Kies voor jezelf.  Kies voor je eigen vrijheid. Je eigen hart is alles… en tegelijk ook hol als een cactusplant.

Ook van dat soort ontwikkelingen hadden wij bij ons thuis in de jaren vijftig nog geen weet. En zeker niet als die aardige pater Deden weer eens langs kwam en honderd uit sprak over de Moederkerk in heden, verleden en toekomst. Hoe met het hem is afgelopen, weet ik niet. Ook niet of hij zelf de Moederkerk is trouw gebleven. Misschien is hij wel uitgetreden en getrouwd, zoals zoveel priesters deden in die roerige jaren. Zelfs de meest fanatieke jezuïeten heb ik van de ene op de andere dag hun witte boord aan de wilgen zien hangen. De wijsheden, die mij jarenlang met strenge discipline waren bijgebracht, bleken nu ook voor henzelf praatjes voor de vaak te zijn geweest.

Reageren is niet mogelijk.