Ik kan er ook niets aan doen

Het onthouden van dromen gaat me nog steeds niet makkelijk af. Je bent wakker en meteen is hij weg. Soms helpt het om gewoon te blijven liggen en jezelf niet om te draaien. Vannacht hielp ook dat niet. Ik stond op, ging naar de wc om een plas te doen… en floep, daar was hij weer. Ik zag in één keer de hele film voor me en probeerde hem aan de hand van een paar sleutelscènes in mijn geheugen op te slaan. Nu ik de band weer terug wil spoelen, merk ik tot mijn ontzetting dat vrijwel de hele film weer is gewist. Het ging over een groot feest, dat weet ik wel. Ik moest nodig naar de wc, maar ik zag dat ik niet in de pot piste maar in een rieten stoel. De straal ging er dwars door heen, maar dat scheen me niet te deren.

In een soort recreatiezaal verderop was op een tv in de hoek van het plafond een voetbalwedstrijd te zien. De aftrap was net geweest. Ajax speelde tegen Groningen. Binnen drie minuten was het 3-0 voor Groningen en de commentator was helemaal euforisch, vooral omdat het in de vorige wedstrijd blijkbaar net zo was gegaan. De rechtsbuiten van Groningen was niet te stoppen. Zijn naam ben ik even vergeten. Volgens mij had hij niet eens een naam. Het was de speler zonder naam. Hij had niet eens een rugmummer. Raar, dacht ik nog. Er was ook iets raars aan de hand met het feestje, maar ik weet niet meer wat. Iets in de sfeer klopte niet. Er hing onheil in de lucht, maar hoe ik ook graaf in mijn geheugen, de bijpassende beelden komen niet meer terug.

Opeens zat ik zelf in levende lijve op de tribune van het stadion van FC Groningen. Als een rood-witte Ajax-fan zat ik daar verscholen tussen een meute van groen-witte FC Groningen-hooligans. De spreekkoren om mij heen waren niet van de lucht; ‘Karpaten aan het gas! … Karpaten aan het gas!…’ En: ‘Snuit zijn neus!…Snuit zijn neus!’ ….Het waren grotendeels jongens tussen de 14 en 16 jaar, krampachtig op zoek naar hun identiteit die ze met elkaar bevestigd vonden in hun gedeelde clubliefde voor FC Groningen. Ajax ontsnapte miraculeus door in de laatste minuut nog 3-4 te scoren. Ik hield me gedeisd en sloop zwijgend de tribune af op weg naar de uitgang. Ik had medelijden met deze nu treurende jongens om me heen. Diep van binnen klonk opeens een stem:

‘Kan ik het helpen dat ik verliefd op je word?’

Dat was de droom, maar was het ook zo? Ik ben steeds geneigd om mijn brein op te vatten als een slecht functionerende videorecorder, waarmee je de ‘s nachts opgenomen droombeelden overdag kunt terugspoelen en afspelen. Als schrijvend realiseer ik mij, dat die metafoor niet klopt. Herinneringsbeelden van dromen zijn geen onveranderlijke opnames die eindeloos reproduceerbaar zijn. Het terugspoelen en afspelen is een activiteit op zichzelf, waarbij de beelden onherroepelijk tot iets anders worden getransformeerd. De echte droom, die ik heb gedroomd, bestaat misschien niet eens. Ik zal hem in ieder geval nooit ongeschonden kunnen navertellen. Zo is het en niet anders. Ik kan er ook niets aan doen.

Reageren is niet mogelijk.