De lijnen van een weerbericht

Wat is het verband der dingen? In zijn roman De man zonder eigenschappen begint Robert Musil het eerste hoofdstuk met een weerbericht ‘waarbij isothermen worden aangegeven, de vochtigheid wordt gemeten en de temperatuur van de stad wordt opgenomen.’ Zo moet het ook zijn met het verband dat altijd aanwezig is in een aaneenschakeling van ogenschijnlijk willekeurige gebeurtenissen. Ons brein zit zo in elkaar, dat wij telkens weer verbanden gaan zien, ook als die er helemaal niet zijn. Tussen een vlinder die wegvliegt in een zomers park in Peking en een orkaan die opsteekt in het middenwesten van Amerika, ligt hoe dan ook altijd een verband. Er bestaat geen zinloze aaneenschakeling van toevallige gebeurtenissen. Alles maar dan ook alles kun je aan elkaar plakken met de lijm van oorzaak en gevolg, al is de logica van die lijm soms ver te zoeken.

In de afgelopen week heb ik in totaal 25 uur in de trein gezeten, kriskras heen en weer reizend in alle windrichtingen van het land, tussen Leeuwarden, Utrecht, Amsterdam, Alkmaar en Arnhem…. Ik heb zowat mijn hele familie gezien of wat daar nog van over is, de uitvaart van mijn zwager bijgewoond, drie tentoonstellingen bezocht, twee boeken gelezen, kilometers gelopen en gefietst en een ontelbaar aantal mensen gezien, vluchtige passanten wachtend op perrons of naast je zittend in stiltecoupé’s.

Nu ik weer terug ben in mijn eigen huis maak ik de balans op. Wat ben ik wijzer geworden, zo vraag ik me af. Als ik mijn aantekeningenboek doorkijk dat ik op reis altijd bij me heb, dan lees ik van alles. Ik leg verbanden tussen gebeurtenissen. Ik probeer oorzaken te zien en gevolgen. Ik trek lijnen in mijn eigen leven en in dat van Marijke. Ik maak aantekeningen over de overeenkomsten en de verschillen. Maar wat is de zin van dit alles? Waarom ben ik altijd op zoek om een zin of een betekenis te vinden in een leven dat op de keeper beschouwd niet meer is dan een toevallige aaneenschakeling van gebeurtenissen.

Het bewustzijn is een voortdurende windvlaag. Telkens weer sleurt het me mee in alle richtingen, maar hoe dan ook om naar buiten te gaan, om aan mezelf te ontsnappen. En dat terwijl ik heel goed weet dat ik de waarheid – zo hij bestaat – niet moet zoeken door naar buiten te gaan, maar naar binnen, in mijn diepste zelf. Niet in het hoofd, maar in het hart. Ik wil weten hoe dingen gegaan zijn als ze gegaan zijn, maar telkens als ik dat denk vast te kunnen grijpen glipt het weer tussen mijn vingers weg. Hoe meer ik beweeg, hoe minder ik ik grip heb op mezelf. En hoe meer ik stilsta, hoe meer ik alles zie bewegen in een draaikolk om me heen. Ik word gejaagd door de wind, maar de wind dat ben ikzelf.

Zaterdag was ik op bezoek bij mijn oudste zus Mariet die in Elden woont, vlakbij bij Arnhem. Zij is zestien jaar ouder dan ik. Zij vertelde dat ze helemaal niet blij was geweest toen ik geboren was. Hoe moest je dat als zestienjarig meisje aan je klasgenoten vertellen? Op Fons Vitea moet dat geweest zijn, het lyceum waar meerdere van mijn zussen op school zijn geweest. Ze vertelde ook dat ze sinds jaren met Kerst weer eens naar de nachtmis is geweest. Dat was in de kerk van de Dominikanen aan de kloosterlaan in Huissen. Zij had zich al weken tevoren moeten opgeven want en nachtmis op deze locatie is heel gewild. Er komen mensen van heinde en verre op af. Het was mooi geweest, maar dat was het dan ook weer. In de de Rooms-Katholieke Kerk voelt zij zich niet meer thuis. Het is een wereld die stil is blijven staan.

Mijn zus vertelde me van haar activistische, katholieke verleden in haar jonge jaren, de bedevaarten naar Chartres die ze gelopen had in de tijd dat ze haar man Evert had leren kennen die vijf jaar geleden overleden is. Hij had voor zijn laatste wijding als Benedictijn gestaan en nog gecorrespondeerd met Pieter van der Meer de Walcheren. Mijn zus vertelde over de gespreksgroepen met vooraanstaande katholieken in Amsterdam, waar ze in de jaren zestig samen met Evert aan had deelgenomen. Over de hoop en verwachtingen in die tijd. Over een lid van die werkgroep die suïcide had gepleegd, waarna een Franciscaan, die ook in die werkgroep zat, de weduwe liefdevol opving wat tot uiteindelijk tot een nieuwe relatie leidde. De Franciscaan trad uit de orde en trad met de vrouw in het huwelijk. Het verhaal leek bijna symbolisch voor alles wat er in de jaren zestig met het katholicisme is gebeurd.

Op mijn laatste terugreis naar Leeuwarden tekende ik een schema van mijn leven. Ik tekende de toppen en de dalen, de stabiele periodes en de diepe depressies, de periodes van stagnatie en die van Sturm und Drang. Ik tekende ook een schema van het gezin waarin ik opgroeide als jongste zoon tussen vier oudere zussen. Daarna tekende ik dezelfde schema’s van het leven van Marijke. Ik tekende haar vroege jeugd, het drama dat haar overkwam in een gezin waarin van alles mis was, haar periodes waarin ze voor mij een baken was van liefde, kracht en steun, de tijd van haar moederschap dat zij intens beleefde, al die keren dat zij gelachen heeft, geschreeuwd, gedanst en gedronken, de jaren daarna dat wij samen waren, ouder en wijzer en waarin haar gezondheid stilaan achteruitgang. Ik zag een patroon en probeerde verbanden te zien, niet alleen in haar leven, maar ook tussen het hare en het mijne. Kortom, ik probeerde erachter te komen wat ik in al die jaren niét had gezien toen wij onze levens leefden zoals we die geleefd hebben.

En ik zag het niet…

Ik zag alleen de lijnen van een patroon zoals ook Robert Musil die tekende in het eerste hoofdstuk van zijn roman De man zonder eigenschappen: de lijnen van een weerbericht ‘waarbij isothermen worden aangegeven, de vochtigheid wordt gemeten en de temperatuur van de stad wordt opgenomen’.

Reageren is niet mogelijk.