Cultuurpessimisme en pseudo-religie

Met de boekenbonnen die ik voor mijn verjaardag had gekregen heb ik gisteren een diepte-investering gedaan. Ik kocht het tweedelige boek De ondergang van het Avondland van Oswald Spengler, dat onlangs in Nederlandse vertaling is verschenen. Zo’n duur boek – 89 euro – zou ik anders niet zo gauw kopen. Ik heb het altijd al willen lezen, maar in de oorspronkelijke Duitse versie was deze klassieker mij toch een brug te ver.

Zo’n zeven jaar geleden heb ik me al eens in de ideeën van Spengler verdiept, toen ik mij voorbereidde op een lezing voor het Obe Postma Selskip, met als onderwerp Slauerhoff en het onbehagen in de cultuur. Ik las toen onder meer de dissertatie van Frederik Boterman aan Spengler heeft gewijd. Wie het interbellum wil begrijpen kan om Spengler niet heen.

‘Relevanter dan ooit’ zo wordt het boek in de flaptekst aanbevolen: „De ondergang van het Avondland biedt een manier van denken die vandaag de dag weer net zo actueel is als toen het boek voor het eerst verscheen.” Als je de boeken van Thierry Baudet en Sid Lukkassen leest, ga je algauw denken dat dit inderdaad zo is. Hoe dan ook, Spengler is hot. Het cultuurpessimisme is terug van weggeweest.

In zijn boek Avondrood en identiteit (2015) stelt Sid Lukkassen: ‘Honderd jaar na Spengler zien wij dat het besef van eindigheid – de schaarsheid van de tijd – waaraan Europa haar dynamiek en leidende positie dankte, in een seculier era ook een kwetsbaarheid werd.’ En hoewel Thierry Baudet zich niet wil afficheren als hedendaags cultuurpessimist, haalde hij wel de binnenflap van deze vertaling van De ondergang van het Avondland met de woorden: ‘Spengler was voor mij de grootste worsteling van mijn leven.’ Zou dat een worsteling zijn geweest met Spenglers pre-fascistoïde denkwereld? Wie het verleden idealiseert loopt al gauw achter vaandels aan.

Der Untergang des Abendlandes werd al in de jaren twintig veel gelezen door intellectuelen, schrijvers en kunstenaars, wonderlijk genoeg juist in een tijd dat expressionisme en vitalisme de boventoon voerden en een idealistisch humanisme een jonge generatie in vuur en vlam zette. Spengler stierf op 8 mei 1936 aan een hartaanval, relatief jong – hij werd slechts 55 jaar. Vanwege zijn aangeboren hartafwijking werd de jonge Spengler afgekeurd voor de krijgsdienst. Zo kon het gebeuren dat hij de Eerste Wereldoorlog niet op het slagveld heeft meegemaakt.

Boterman schetst in zijn dissertatie een raak beeld van zijn getroebleerde persoonlijkheid. Spengler schaamde zich ervoor dat hij niet mee mocht vechten in de Eerste Wereldoorlog. Duitsland was alles voor hem. Hij schreef zijn boek in die donkere oorlogsjaren, toen heel Europa met elkaar overhoop lag en miljoenen jonge mannen stierven als ratten in de modder. Maar het eerste deel van zijn opus magnum had hij al grotendeels voor 1914 op papier staan. Spengler had niet alleen een zwakke gezondheid, maar ook een diep minderwaardigheidscomplex. Zijn ‘ondergang van het Avondland’ was een ten dele ook een substituut voor zijn eigen levensangst en defaitisme.

Huizinga heeft een aantal cultuurhistorische ideeën aan Spengler ontleend, zoals het onderscheid tussen een organische begrip ‘Kultur’ en het meer mechanische begrip ‘Zivilation’ – maar moest verder weinig hebben van zijn Spenglers troebele ideeën over de wil van de sterkere, het ‘Nordische Heldentum’ en het ‘Cäsarismus der faustische Welt’, ideeën die volgens de nuchtere Huizinga hun wortels hadden in de bodem van een naïeve romantiek, waar onze oosterburen in die tijd zo dol op waren.

Bovendien vond Huizinga dat het verval van de beschaving niet alleen door de Zivilisation veroorzaakt werd, maar ook door een teveel aan vitalisme. ‘De bezeten wereld’, waar hij op doelde, in zijn openingszin van zijn boek In de schaduwen van morgen, was in feite een cultuur die teveel doorbloed was, te veel vitaliteit en energie uitstraalde en te weinig rust en bezinning liet zien.

Spengler hoorde bij een oude elite van geletterde intellectuelen die de boot dreigde te missen in tijden van snelle technologische vooruitgang en sociaaleconomische verschuivingen. Wat dat betreft was zo’n honderd jaar geleden niet zoveel anders gesteld dan vandaag. Het Bildungsbürgertum van het oude Europa heeft het uiteindelijk af moeten leggen tegen de bonuscultuur van grijpgrage zakenlieden. Dat was het wat Spengler al vroeg zag gebeuren. In feite was zijn boek een soort cynische wraakactie tegen de eigen bevoorrechtte klasse die haar ondergang – zonder enig verweer – tegemoet ging.

Een vergelijkbaar tragisch gevoel over het verdwijnen van een beschaafde elite zou zo’n tien na het verschijnen van Der Untergang des Abendlandes ook Ortega y Gasset inspireren. In De opstand der horden, dat in 1930 verscheen constateerde hij, dat de oude hiërarchieën in de wereld razendsnel verdwenen. Er waren geen heersende figuren meer die de massa konden dwingen tot gehoorzaamheid. Zelfs de nieuwe elite van de Zivilation – de wetenschappers van de techniek – waren ten prooi gevallen aan geestdodend proces van specialisatie.

De afstand tussen de technische mogelijkheden en het geestelijke niveau van de massa was almaar groter geworden. De massamens had geen historisch besef meer. Niemand had meer het overzicht, er was geen zicht meer op een geheel. Met het begrip ‘massa’s’ of ‘horden’ doelde Ortega niet op het proletariaat of de bourgeoisie, maar op de gemiddelde mens die ten prooi was gevallen aan een algeheel proces egalisering en smakeloosheid die de techniek had voortgebracht.

De beginselen waarop de geciviliseerde wereld berust, bestaan niet meer voor de gemiddelde mens, zo stelde Ortega vast. Het DNA van de gemiddelde mens was universeel geworden. Het zat bij iedereen in de genen. Het was Der Mann ohne eigenschaften van Musil, het anonieme ‘men’ van Heidegger. Het was de lege mens die zich mee laat voeren in de stroom van de tijd, een tijd die geen volheid meer kende. Zijn ervaringen werden belevingen, zijn plichten werden verworven rechten.

Zijn oordeelsvermogen zwakte af, zijn moreel besef verkommerde. Deze gemiddelde mens werd kinderachtig, puberaal en adoreerde de jeugd. Zowel Ortega y Gasset als Huizinga wezen op het puerilisme van deze moderne massamens die zich al te graag overgaf aan het vluchtig vermaak en sportverdwazing. De hedendaagse Europeaan, zo constateerde Ortega, voelt zich opgesloten in zijn eigen verouderde natie die hem gevangen houdt. De mens werd niet alleen faustisch, maar ook claustrofobisch: ‘Terwijl wij een grotere innerlijke vrijheid genieten dan ooit tevoren, kunnen wij toch niet binnen ieder volk vrij ademhalen, want het ruikt er muf, iedere natie heeft zichzelf opgesloten en is provinciaal geworden…’

Zo zochten Spengler, Ortega y Gasset en Huizinga ieder op hun eigen wijze naar een nieuw oriëntatiepunt in de benauwde en goddeloze wereld van de nieuwe tijd, die allang was aangebroken, maar waarvan de gevolgen zich nu pas lieten gelden. Nu de natuurwetenschap was gestuit op de grenzen van het kenbare, raasde de mens voort in het onbekende. De menselijke kennis had zich losgezongen van het voorstelbare en de resultaten van de wetenschap werden niet meer geïntegreerd in een samenhangende levensvisie.

Das Wesen aller Kultur ist Religion, fölgerlich is das Wesen aller Zivilisation Irreligion,’ schreef Spengler. Ook Huizinga heeft zich in dergelijke zin uitgelaten.’ Cultuur moet metafysisch gericht zijn, of zij zal niet zijn,’ schreef hij in zijn boek In De schaduwen van morgen. Dat was deze breukervaring die zich al voort de Eerste Wereldoorlog had aangediend, letterlijk op het breukvlak van twee eeuwen, zo de historicus Romein dat noemde. De crisis in de cultuur van het Avondland kon niet los worden gezien van de dood van God die Nietzsche had vastgesteld.

Het verdwijnen van transcendentie had niet alleen ruimte geschapen voor nieuwe vormen van pseudo-religie, Erzatsreligion zoals de Duitsers het noemden, maar ook een gevoel van ondergang en verval. De hooggestemde Kultur van het oude Europa had plaatsgemaakt voor de onttovering van de Zivilisation – de moderne tijd van de grote metropolen, zielloos werk aan lopende band en hitsige negermuziek. Maar dit was slechts een overgangsfase, een onontkoombaar gebeuren dat onderhevig was aan de al eeuwenoude cyclische wet van opkomst, bloei en ondergang van beschavingen.

Die noodzakelijke ondergang moest volgens Spengler aanvaard worden, zoals je ook het noodlot lief moest hebben. Ook voor Ortega y Gasset was de opstand van de massamens geen opstand in de zin van een revolutie, maar een opstand tegen de eigen lotsbestemming. Huizinga dacht niet zozeer in termen van lot en bestemming. ‘Wij weten het ten stelligste: willen wij cultuur behouden, dan moeten wij voortgaan met cultuur te scheppen,’ zo schreef hij.

Dat laatste lijkt mij het beste middel tegen welke romantische of post-romantische ondergangsstemming dan ook. Als cultuurpessimisme leidt tot apathie en defaitisme, dan wordt het vanzelf a selffulfilling prophecy.

Reageren is niet mogelijk.