De pijn van het gemis

Gisteren werd ik gebeld door een beeldhouwster die jaren geleden haar dochter heeft verloren. Ze had me al eens eerder gebeld om te vragen hoe het met me ging. En weer vertelde ze me het verhaal over het beeld dat ze enige tijd na het overlijden van haar dochter had gemaakt. Toen dat beeld af was, had ze het op het graf geplaatst. ‘Oké, je gaat met me mee,’ had ze toen gezegd, ‘maar voortaan sta je naast me, en niet meer vóór me.’

Dat moment zou je symbolisch kunnen noemen voor ‘het tweede afscheid in de rouw’. Het beeld staat voor de pijn van het gemis dat letterlijk een plaats wordt gegeven. Het hakken in de steen was een bezwering geweest van het intense verdriet dat de rouwende volledig in bezit dreigde te nemen. Dat verdriet werd uitgedreven in steen.

Ik realiseerde me dat ik, door te blijven schrijven over Marijke, eigenlijk ook een beeld van haar op haar graf wil plaatsen. Maar Marijke heeft geen graf. Er staat alleen een granieten urn achterin de tuin. Bovendien ben ik geen beeldhouwer. Een schrijver misschien. Ik zal mijn troost in woorden moeten vinden. Maar woorden kun je niet wegzetten. Ze blijven komen en gaan. In haar boek Een verlangen naar ontroostbaarheid (1993) schrijft Patricia de Martelaere het volgende:

De weigering om afstand te doen van de pijn, om het verlies van het object te boven te komen, houdt immers ook verband met de betekenis van het verloren object. Deze betekenis wil de melancholicus in geen geval zien verminderen; meer dan alles wil hij met zijn ontroostbaarheid de absoluutheid bewijzen van datgene wat hij verloor. De normale afloop van een normaal rouwproces bestaat erin dat de rouwende stilaan weer gaat investeren in nieuwe objecten, hij vindt opnieuw vreugde in het leven, hij begint weer te beminnen; de rouw eindigt dus in een soort ontrouw aan het verloren object: het was al met al toch niet Alles, toch niet het Enige, het eerste en het laatste, het was het al met al toch niet waard om eeuwig voor te treuren.

Het beëindigen van de rouw wordt hier getypeerd als ontrouw aan de overleden geliefde. Het is een stelling die vaker opduikt in beschouwingen over de rouw. Ik herken er ook wel iets in. Het verdriet van de rouw kan ervaren worden als een verhoogde vorm van liefde. Het verdwijnen van het verdriet wordt dan opnieuw gezien als een afscheid, maar dan een afscheid waar je zelf de hand in hebt. Wie blijft rouwen blijft trouw aan de liefde.

Maar de stelling van De Martelaere kun je ook formuleren als een vraag. Hoe kun je de rouwverwerking voltooien zonder belast te worden door een gevoel van ontrouw? Of: is het uitblijven van dat gevoel een signaal dat de rouw inderdaad is voltooid? Of omgekeerd: is het aanhoudend belast worden door dit gevoel van mogelijke ontrouw juist een symptoom van een vastgelopen rouwproces dat weldra zal overgaan in een depressie of een structureel gevoel van melancholie?

De Martelaere beweert dat hier juist het verschil ligt tussen de normale rouw en vastgelopen rouw die overgaat in een depressie of melancholie. De melancholicus is degene voor wie deze ervaring van ontrouw bij het ‘loslaten’ van het rouwobject’ – wat eigenlijk de normale gang van het leven is – volstrekt onaanvaardbaar is:

‘Het herstellen van het verlies betekent voor hem een nog veel groter verlies dan het verloren object – het betekent dat hij moet instemmen met de vervangbaarheid van het object, dat hij moet toegeven al met al toch nog zonder te kunnen leven. Daarom is het voor de melancholicus ook geen troost te zeggen dat zijn verdriet wel weer voorbij zal gaan – want dat is voor hem nu juist het ergste van alles; de mogelijkheid van het voorbijgaan weegt op hem nog veel zwaarder dan het verdriet zelf. (….) Ontneem hem zijn lijden en hij heeft niets meer. Ontneem hem zijn pijn en hij kiest de dood.’

Zo bezien lijkt er bij de melancholici sprake te zijn van een gekoesterd lijden. Het verlangen naar ontroostbaarheid is een valkuil voor de rouwende. Als dat verlangen opduikt, zou de rouw over kunnen gaan in een depressie. Maar is dat wel zo? Het verlangen naar de pijn van het lijden wordt hier bijna per definitie gelijkgesteld aan een pathologisch verlangen. Maar de religieuze traditie leert ons dat dit geenszins het geval hoeft te zijn. Vooral in de mystiek kan de pijn, die met een gemis gepaard gaat, een positieve waarde hebben. Sterker nog, de mysticus verlangt naar de pijn van het gemis. Het lijden neemt bij hem de hele ziel in beslag en kan tegelijk een mateloos verlangen opwekken.

Voor de mysticus is God – of beter gezegd de afwezigheid van God – het ultieme, transcendente rouwobject. De mysticus ‘ontledigt’ zijn verlangen van beelden en hoopt dat in de leegte die zo ontstaat de vereniging met God – als het Eeuwige Niets – mogelijk wordt. ‘God is leegte. Misschien wel het niets. De bevrijding van alle bestaan,’ heeft Gerard Reve ooit beweerd. Zo bezien wordt mystiek een vorm van kenosis, een ontlediging die uiteindelijk alleen in de dood zijn verlossing kan vinden. Maar tegelijk is de mystiek ook een ervaring van een absolute verlatenheid. Het leven is een omweg naar de dood en mystiek is de pijn van het gemis.

Per dolorem ad veritatem’, door pijn tot waarheid…, dat is wat de rouw verbindt met de mystiek. Het is een bittere waarheid dat ons diepste verlangen samenvalt met de pijn van het gemis. Maar ook Freud had in zijn beschouwing Jenseits des Lustprinzips (1920) al ontdekt dat de hoogste vervulling van het levende wezen een toestand is van volkomen passiviteit waarbij het leven eigenlijk ophoudt te leven. Elk organisme streeft naar de vereniging met het anorganische. Ons driftleven is in feite een drang van het organische om een vroegere toestand te herstellen. Het laatste verlangen van elk leven vindt zijn ultieme vervulling in een vereniging met de dood.

Of, in de woorden van Freud:

‘Wanneer wij als empirie, die geen uitzonderingen toelaat, mogen aannemen dat al het levende door innerlijke oorzaken sterft, naar het anorganische terugkeert, kunnen we slechts zeggen; het doel van al leven is de dood, en in het verleden teruggaand: het levenloze was er eerder dan het levende.

Wat in de redenering van Freud wordt teruggeworpen in de dode natuur, wordt door de mysticus omhoog geworpen in de bovennatuur. Beide bewegingen staan haaks op elkaar, maar zijn ook aan elkaar verwant omdat ze beide een beweging vormen die een uitweg zoekt voor de dood. De een doet het door terug te keren, maar de ander doet dat ook. De dode natuur en de bovennatuur zijn het object van hetzelfde verlangen dat niet alleen eigen is aan de lijdensmystiek maar ook aan het leven zelf. Het is niet zoals Spinoza dacht: God of de natuur – Deus sive natura –, maar de dode natuur of de pijn van het gemis.

De leegte is er niet minder om.

Reageren is niet mogelijk.