Het jaar van Bleijenberg

Kennedylaan scan20001

Eind jaren vijftig werd het weiland tussen de Johannes van der Waalsstraat en de Kruislaan in Amsterdam volgebouwd met flatwoningen. Vijf jaar lang heb ik als jongen in één grote bouwplaats kunnen spelen, tussen achtergelaten betonmolens, kuipen met ongebluste kalk, opgestapelde kozijnen en bakstenen. En niet te vergeten, asbest, want daar werd toen niet zuinig mee omgesprongen. Het geluid van de heimachines dreunt nog altijd na in mijn kop: kaboem…kaboem…kaboem… het geluid van de wederopbouw.

Een stuk opgespoten land bleef nog een tijd lang onbebouwd. Daar voetbalden we altijd met jongens uit de buurt. Soms deed Joop de Kubber mee. Die speelde als prof bij FC. Amsterdam en later bij DWS. In maart 1953 had hij nog meegespeeld in de beroemde benefietwedstrijd in Parijs voor de slachtoffers van de watersnoodramp in Zeeland. Die prestatie gaf hem voor ons het aureool van een echte held. Later kwam ook nog Henk Groot van Ajax tegenover ons wonen, maar die voetbalde nooit mee in de buurt. Het zou me niet verbazen als zijn trainer Rinus Michels hem dat ook uitdrukkelijk verboden had.

Ik heb het voorrecht dat ik de grote Nederlandse voetballers uit de jaren vijftig nog live heb mogen zien spelen: Abe Lenstra, Faas Wilkes, Jan Klaassens, Kees Rijvers, Coen Dillen, Pietje van der Kuil, Cor van der Hart, Frans de Munck, Piet Kraak, Jan Notermans…. En niet te vergeten: Wim Bleijenberg, die eergisteren overleed, 85 jaar oud, nota bene in het verpleeghuis van Huissen, waar ook mijn tante Door is overleden. Maar dat was al in 1989.

Bovenstaande foto van mijzelf is uit 1960. Hij is gemaakt in de Beijenkorf in Amsterdam. Oorspronkelijk maakte hij deel uit van een reeks van 24 pasfoto’s die samen op één vel papier waren afgedrukt. Elke foto had een andere gelaatsuitdrukking en op elke foto keek ik een andere kant uit. In het tweede deel van de Reve-biografie van Nop Maas staat een vergelijkbare reeks van 24 pasfoto’s die Reve in 1962 in de Beijenkorf liet maken. Ik kan me nog herinneren dat ik vlak voor de fotosessie naar de kapper was geweest. Zelf was ik helemaal niet tevreden over het resultaat.

Ik vond mijn haar veel te netjes zitten. Het was nog nat van de spuit. Dat was zo’n zilveren bol met een sproeier erop en een slang met rode rubberen bal waar je in kon knijpen. In dat jaar 1960 kwam ik van de lagere school. Ik kan me nog herinneren dat ik geen toets hoefde te doen, want ik had vier achten voor taal, rekenen, geschiedenis en aardrijkskunde. Dus kon ik meteen naar het IG. De grote wereld van Grieks en Latijn, wiskunde en wetenschap.

Op 2 juli 1960 overleed Beppe. Ze was toen 87. Ook die dag kan ik me nog goed herinneren. Er kwam ’s ochtends vroeg telefoon uit Friesland. Mijn vader stond nog in zijn borstrok. Hij was enigszins ontdaan toen hij de telefoon weer op de haak legde. Mijn moeder troostte hem. We zijn nog samen naar de begrafenis geweest, met de boot van Enkhuizen naar Stavoren, zoals mijn vader en ik wel meer hadden gedaan. Mijn moeder bleef thuis voor de kinderen. Daar hoorde ik nu even niet bij. Als stamhouder diende ik immers aanwezig te zijn bij deze voorname gebeurtenis, ook al was ik pas twaalf jaar oud. Toen we aankwamen in Bakhuizen, lag Beppe nog in de voorkamer opgebaard in de kist, met de oorijzers nog op. De gouden helm, noemden wij dat. Ik neem aan dat ze daarmee niet het graf in is gegaan, maar je weet het maar nooit.

Het was een raar jaar 1960. Rudy Carrel zong ‘Wat een geluk dat ik een stukje van de wereld ben’ op het Eurovisiesongfestival. Chubby Checker maakte de wereld gek met een nieuwe dans, de twist, en ging er daarna met de Hollandse Miss World Rina Lodders vandoor. De Olympische Spelen werden die zomer in Rome gehouden, waar Abebe Bikila uit Ethiopië op blote voeten de marathon won en Wilma Rudolph als een adembenemende, zwarte gazelle naar drie gouden medailles draafde. Een paar maanden later zou John F. Kennedy tot president van Amerika worden gekozen. De Koude Oorlog was kouder dan ooit. De Russen schoten een Amerikaans spionagevliegtuig uit de lucht, maar de wereld draaide gewoon door. Wat heet, What a wonderful world van Sam Cook werd een wereldhit in de zomer van 1960.

Het werd een lange, mooie zomer. Ik ging in die tijd ook veel naar het honkballen kijken. Die sport was toen heel populair in de Watergraafsmeer sinds de Europese kampioenschappen twee jaar daarvoor op het terrein van OVVO op de sportvelden bij de Kruislaan. Ook ging ik wel eens naar een honkbalwedstrijd naast het Ajaxstadion. De naam van de club die daar speelde ben ik vergeten. GAHVV of zoiets. Ik weet nog dat ik daar was op een mooie zonnige middag, toen ik op een transistorradio hoorde dat Ajax met 5-1 van Feijenoord had gewonnen.

Het was een beslissingswedstrijd om de landstitel die gespeeld werd in het Olympisch stadion. Dat was 26 mei 1960. Wim Bleijenberg werd de held van de middag. Hij verkeerde al in zijn nadagen. Het hele seizoen was hij verbannen geweest naar het tweede elftal, maar nog één keer mocht hij meedoen. Hij scoorde een hattrick, zodat Ajax voor de tiende keer landskampioen werd. Toen ik gisteren het bericht van zijn overlijden hoorde ben ik nog even in mijn oude plakboeken gaan zoeken naar de elftalfoto van Ajax uit 1960 die genomen werd voorafgaande aan die roemruchte beslissingswedstrijd.

Kennedylaan scan20001

Op de foto staand (v.l.n.r) Van Mourik, Andriessen, Hoogerman (die vervangen werd door Pieters Graafland), Schaaphok, Muller en Smit. Zittend (v.l.n.r.) Swart, Henk Groot, Bleijenberg, Prins, en Feldmann. De trainer van het kampioenselftal was Vick Buckingham. Hij zou vier jaar later worden opgevolgd door Rinus Michels, die in 1960 al twee jaar met voetballen was gestopt en inmiddels jeugdtrainer was bij J.O.S.

.

Reageren is niet mogelijk.