De kleur van 1965

Slide1zz

de sterke byldhouwer nou bij it sjen fan syn subsidiaere obelisken
in geweldigen woede sloech him masterlik
blies út syn noasters pneumatysk masterlik
traech wankeljend giene de âlde foarmen op yn reek
traech wankeljend giene de âlde foarmen op yn walm
de sterke byldhouwer masterik ja
dit is de tiid fan de nije konsepsje skreau er
en hij gie hinne en bifruchte syn frou
in kunstwurk is in ding dat er forjitten hat stikken to slaen

Aldus een passage uit het gedicht De greate wrakseling van Hessel Miedema dat verscheen in 1964. De taal verwijst in deze ‘moderne’ poëzie niet meer direct naar een werkelijkheid buiten de tekst, maar er wordt voortdurend met taal en teken gespeeld in een telkens verschuivende gelaagdheid van betekenissen en een voortdurende wisseling van het perspectief. Dat perspectief verschuift van ‘wij’ naar ‘ik’, van het collectieve naar het individuele, van het mythische naar het triviale, van het diepzinnige en zware, naar het ironische en lichtvoetige. Er vindt een omslag plaats op alle fronten. Je kunt het gedicht als een eindpunt zien van de experimentele poëzie, maar ook als een beginpunt, het begin van the sixties in Friesland.

Yin & Yang en de scherven van het breekbare porselein van het Princessehof, waar Hessel Miedema van 1958 tot 1964 directeur was geweest, kwamen in dit lange gedicht samen in een ode aan de scheppende vernietiging, een orgie van het stukslaan, de creatieve verwoesting waardoor het oude zich plotseling omkeert in het nieuwe. Met zijn dwingende pretenties ademt De greate wrakseling nog de sfeer van de vijftigers met hun mythische oertaal, maar het is ook wel degelijk op de huid van de tijd geschreven. Het getuigt van een overgang van een mythische georiënteerde naar een meer formele en zakelijke esthetica die zich in de jaren zestig op allerlei terreinen voltrok.

De greate wrakseling laat ook een nieuwe toon horen. Het ademt de sfeer van ‘de informelen’ in de beeldende kunst, die genoeg hadden van alle zwaarwichtige mythologie van Cobra en ‘de experimentelen’ en terugkeerden tot elementaire schildergebaren zonder vorm of compositie. De sfeer ook van Nul en Zero, het verlangen om helemaal opnieuw te beginnen, af te tellen en terug te keren naar een … ja, naar wat eigenlijk. Misschien wel letterlijk naar het niets, het absolute nulpunt, het witte schilderij, naar de leegte van de kosmos. Een spirituele en vormeloze uitgestrektheid, ver weg van het verleden dat stuk moest. Het gedicht gaat letterlijk over scheppen en vernietigen, over bouwen en breken. Het getuigt van een grote innerlijke woede, en drang ook tot verwoesting ‘Een plastiek is net zo goed als geen plastiek’, zo stond te lezen in een manifest van de Nul-groep in 1961. Miedema schrijft drie jaar later: ‘In kunstwerk is in ding dat er forjitten hat stikken te slaen.’

Midden jaren zestig ging er iets stuk in de wereld. Jonge mensen sloegen los van de rol of werden soms letterlijk gek. In no time strak er een storm op die weldra zou uitgroeien tot een orkaan. ‘Het was alsof er een vliegende schotel was geland’, zo zou Bob Dylan het later verwoorden. In die roerige jaren voltrok zich een ingrijpend transformatieproces waarbij zich een nieuwe synthese leek te vormen tussen het nabije en het verre, tussen huis & haard en de grote wereld, tussen oikos en kosmos. Dat transformatieproces had alles te maken met een veranderende ervaring van tijd en ruimte. Het ging er niet meer om wie we zijn, maar waar we zijn.

Maar was er nog wel sprake van een plaats? Door de opkomst van nieuwe media was het leven niet meer aan één locatie gebonden. Die ontwikkeling begon met de doorbraak van de televisie. Internet en mobiele telefoon hebben sindsdien die ontwikkeling naar een hoger plan getild. Tegenwoordig is vrijwel alles herhaalbaar geworden. De uniciteit van de ervaring wordt voortdurend aangetast. De blik wordt toeristisch, zappend, we schieten heen en weer van hot naar her. De moderne fascinatie voor de presentie heeft plaats gemaakt voor de voortdurende beschikbaarheid van de representatie. We leven in de tijd van ‘uitzending gemist’ Alles wordt oproepbaar, niet alleen in ruimte maar ook in tijd. Dat in elkaar schuiven van ruimte en tijd door toedoen van de techniek heeft een lange voorgeschiedenis in de moderniteit.

In de premoderne tijd zijn ruimte en tijd altijd als aparte gegevenheden gezien, maar aan het begin van de vorige eeuw ontdekte Einstein dat ruimte en tijd eigenlijk twee woorden zijn voor hetzelfde. Er is sprake van een continuüm waarin ruimte en tijd onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Maar wat betekent dit voor het dagelijks leven? In feite ervaren we de wereld nog altijd zoals dat al duizenden jaren is gedaan. We begeven ons van A naar B en dat kost een zekere hoeveelheid tijd al naargelang je te voet, te paard, per fiets per auto of per vliegtuig reist. En toch is er iets veranderd, iets ongrijpbaars dat niet in natuurkundige termen te vatten is.

Om grip te krijgen op dat transformatieproces in het bewustzijn zou een fenomenologische benadering nodig zijn. Een fenomenologie van het nieuwe tijd-ruimte-bewustzijn. Wat we nodig hebben is een nieuwe poëtica van de ruimte. Er zouden dichters moeten opstaan om ons te leren zien wat er eigenlijk aan de hand is, of beter gezegd: wat er fundamenteel veranderd is. We hebben nieuwe metaforen nodig in de taal, om het amalgaam van ruimte en tijd te kunnen doorgronden. De taal zelf zit ons daarbij in de weg. Alle structuren van de taal zijn immers gebaseerd op de aloude opvatting, waarin de tijd los staat van de ruimte. Zelfs ons geheugen is afzonderlijk op plaats en op tijd geordend. Alleen in de droom lijken ruimte en tijd ineen te vloeien. Het onbewuste kent geen tijd, maar slechts een vreemde tijdloze ruimte, waarin alles met alles kan samenhangen, zonder dat je je hoeft te verplaatsen met een fiets, per auto of raket. De ruimte waarin we leven is deels ook een gedroomde ruimte. Het is de ruimte van de mythe, de ruimte ook van de verbeelde gemeenschap. Juist die ruimte van de verbeelding kan een koortsdroom worden als de geografische ruimte zijn tastbare grenzen verliest. Dat transformatieproces zou ik in beeld willen brengen.

Maar hoe doe je zoiets? Er is heel wat geschreven over de Friese literatuur van na de oorlog. Ook de naoorlogse ontwikkelingen in de beeldende kunst en de architectuur hebben de aandacht getrokken van kunst en architectuurhistorici. Zelfs de moderne vormgeving in Friesland kwam nog onlangs volop in de belangstelling te staan. Daarnaast zijn er over deze Friese periode studies verschenen vanuit een economisch of sociaalgeografisch gezichtspunt. Zelfs een bestseller als Geert Maks Hoe God verdween uit Jorwerd (1996) behandelt dit onderwerp, zij het op een meer literaire manier. Maar ik ben geen Geert Mak en ook geen econoom of sociaalgeograaf. Ik ben een eenvoudig kunsthistoricus met een brede belangstelling en altijd meer op zoek de context dan het detail. Ik hou van de grote verbanden en de weidse vergezichten, de filosofische samenhang en het onverklaarbare. Mijn linker hersenhelft is waarschijnlijk wat minder ontwikkeld en mijn rechter wellicht wat meer. Kortom, ik ben een beelddenker en geen feitenfetisjist.

Het a-causale verband in de loop der dingen heeft mij altijd gefascineerd. De geschiedenis is voor mij geen tijdsbalk van gebeurtenissen zich noodzakelijkerwijs na elkaar hebben voltrokken, maar eerder een synchronisch patroon met verbanden die niet causaal zijn, maar intuïtief wel degelijk te herkennen zijn. Noem het een gevoeligheid voor ‘de historische Gestalt’, het vage begrip ‘Zeitgeist’, ooit geïntroduceerd door Hegel, maar dat volgens de huidige stand van wetenschap volledig heeft afgedaan. Toen ik kunstgeschiedenis studeerde in de jaren zeventig, werd mij nadrukkelijk bijgebracht dat het begrip Zeitgeist voor een kunsthistoricus absoluut taboe was. Met dat spookachtige woord kon je al te snel verbanden leggen tussen de opkomst van de scholastieke methode in de middeleeuwse wijsbegeerte en het verschijnen van de gotische spitsboog. Of wat dichter bij huis: tussen de nieuwe conceptie van ruimte en tijd in Einsteins relativiteitstheorie en het eerste kubistische schilderij van Picasso.

Maar dat was kunstgeschiedenis vanuit de leunstoel. Zo onstonden de mooie verhalen van Pierre Janssen, Kortom, het was pseudowetenschap of zelfs dat niet. Een manier van ordenen en verbinden waar strenge wetsacnahappers als Ernst Gombrich en andere aanhangers van Popper in methodisch opzicht gehakt van zouden maken. En toch, om de transformatieprocessen in ruimte en tijd op het spoor te komen, zou niet alleen een beeld van het geheel nodig zijn, het totaalpatroon in een cultuur, maar ook een analyse op microniveau van de mentale ruimte van het individu. Zijn er soms veranderingen in mentaliteit die zich bij individuen gelijktijdig voltrekken? Hoe komt het dat veel vooraanstaande figuren in de jaren zestig en zeventig zelf ook in een crisis belandden?

Wat gebeurde er in het laatste levensjaar van Jan Tjittes Piebenga? Je kunt het jaaroverzicht nalopen of alle edities van de Leeuwarder Courant gaan spellen die verschenen tussen 1 oktober 1964 en 3 december 1965, de dag van zijn overlijden, maar ik vraag me af of je op deze wijze het transformatieproces in beeld krijgt dat zich in zijn bewustzijn heeft voltrokken. Er zijn andere verbanden, vrijwel onzichtbaar voor de krant en die zeker niet te vinden zijn op de voorpagina. Misschien is bij de gemengde berichten een klein voorval te vinden dat achteraf bezien beslissend is geweest, maar zelfs dat is niet waarschijnlijk. Hoe houdt het kleine verband met het grote?

De kunstenaar Fritz Rahmann heeft in de jaren zeventig in samenwerking met anderen een aantal parapsychologische experimenten uitgevoerd. Dat deed in de vorm van een kunstproject in de aanloop van een tentoonstelling van het ‘t Coopmanshûs in Franeker. Daarbij werd ook nauw samengewerkt met instituut voor parapsychologie van de Universiteit van Utrecht. Het verslag van dat experiment – een boekwerk op A3-formaat van zo’n tweehonderd pagina’s – ziet er wonderlijke uit. Het laat bijvoorbeeld een tekening zien die Rahmann maakte van zogeheten ‘psychobaren’. Dat waren volgens hem lijnen van gelijke gemoedsbewegingen. Een soort luchtdruklijnen van het collectieve onbewuste. Het psychomagnetisch gemoedsveld van de synchroniciteit. Zo zou een kettingreactie van absurde toevalligheden wellicht een ander verband kunnen hebben dan zich in de chronologische loop der dingen laat aflezen. De psychobaren van Rahmann suggereerden dat er ook niet-causale verbanden mogelijk zijn in het continuüm van ruimte en tijd. Maar stel dat er dit soort verbanden inderdaad bestaan, hoe krijg je daar dan een vinger achter zonder zweverig te worden?

psychobaren0001

Fritz Rahmann, Psychobaren, 1975

Die vraag bleef mij intrigeren en zo keerde het spook van de Zeitgeist terug in mijn belangstelling. Ik ging op naar iets wat we kwijt waren geraakt, zonder te weten wat dat was. In de jaren tachtig kreeg ik belangstelling voor de mogelijke verbanden tussen de natuurwetenschap en de geesteswetenschap. Ik probeerde me te verdiepen in de kwantumfysica, de chaostheorie en de complex-dynamische systemen. Kortom, ik bekeerde mij tot het holisme, maar dan wel met de gezonde argwaan van een analytische geest die zich niet mee wil laten slepen door de verwondering en de verbeelding. Vanuit die houding ging ik opnieuw kijken naar uitingen van kunst en cultuur. Zou het kunnen zijn dat ook veranderingen in de cultuur op deze manier als vanzelf ontstaan in gelijktijdige, a-causale verbanden en patronen? Zijn het niet vaak de kleine gebeurtenissen die grote gevolgen hebben? Had Pascal niet al eens het vlindereffect van Lorenz ontdekt in de neuslengte van Cleopatra?

Met dat soort vragen in het achterhoofd ben ik me een tijdlang gaan verdiepen in de wetenschap van de organische systemen. Opeens zag ik overal ‘complexe adaptieve systemen’, vormen van ‘convergerende emergentie’, ‘lock in verschijnselen’, ‘gepunctueerde evenwichten. ‘verscholen attractoren’, ‘tijdpadafhankelijke ontwikkelingen’, en zich plotseling aandienende ‘faseovergangen’. In de natuur ontstaan structuren ogenschijnlijk vanzelf. Alles zo, dacht ik, is autopoièsis. Het idee dat je de toestand van een complex, dynamisch systeem in een ruimtelijke grafiek kunt weergeven als een soort glooiend heuvellandschap waar een knikker overheen rolt, intrigeerde mij in hoge mate. De gedachte ook dat een nog onbekende structuurdrift in alle schaalniveaus van natuur en cultuur werkzaam zou kunnen zijn, vanaf moleculen en neuronen tot aan de economie en het gedrag van een menigte, de gedachte ook dat er mogelijk een nieuwe hoofdwet in de maak is die deze structuurdrift geheel inzichtelijk maakt, een principe dat complementair zou zijn aan de tweede hoofdwet van de thermodynamica, dat alles bracht mij een beetje aan het duizelen.

Zou het kunnen zijn, dat ook patronen in de cultuur op deze manier als vanzelf ontstaan? Ik nam
de proef op de som en ging een collage maken. Bij een boekenstalletje op de markt kocht ik 
het boek ‘Het aanzien van 1965‘, scheurde de foto’s eruit, versnipperde die en verzamelde alles wat ik in mijn huis kon vinden wat afkomstig was uit dat jaar. Zo ontstond een groot 
mozaïek van vaag herkenbare beeldfragmenten, uit plakboek gevallen suikerzakjes, restanten 
van een schoolschrift, een verscheurde oproep voor militaire dienst, een paar rafelige restanten van platenhoezen, van ansichtkaarten afgeweekte postzegels en enkele teruggevonden, door mij zelf getekende, illustraties van een schoolkrant. Het totaalpatroon 
dat zo bijna gedachteloos ontstond was verbluffend.

Het was een caleidoscopisch patroon 
geïmpregneerd met herinneringen. Wat ik zag was ‘de kleur van 1965′. Dezelfde mate van 
verbleking in het drukwerk. Hetzelfde patina van tijd. Maar dat niet alleen. Overal kwamen 
opeens onvermoede details aan het licht. Adolf Loos heeft ooit beweerd dat je uit de vormgeving van één opgegraven knoop een hele cultuur kunt reconstrueren. ‘Ex unque leonem’: aan de klauw ken je de leeuw. Zo lijkt het mij toe dat het complexe systeem van het jaar 1965 zichtbaar is in elk detail, elk beeld, elke foto, elke film. Sterker nog je kunt het horen in elk liedje dat in dat jaar op nummer één stond in de hitparade. Als er zoiets als ‘de tijdgeest’ bestaat, dan heeft die een fractale structuur. Het geheel zit samengevat in alle delen afzonderlijk. Al bladerend in het boek Het aanzien van 1965 kwam ik tot deze spectaculaire ontdekking. Maar er was meer.

Het karakter van die tijd bleek niet alleen in elke nieuwsfoto, maar ook in de vormgeving van een postzegel afleesbaar te 
zijn. Ik ontdekte hem zelfs in mijn eigen, wat knullige tekeningen waarin ik opeens de tekenstijl herkende van boekomslagen van Franse pocketboeken uit het begin van de jaren zestig. 
Sommige stukjes van de puzzel leken als vanzelf op hun plaats te vallen. Typografische
eigenaardigheden haakten wonderlijk in elkaar. Beeldfragmenten gingen opeens rijmen. De collage leek als door een ‘onzichtbare hand’ in elkaar gezet. Het geheel was onmiskenbaar méér dan de som der delen. Het karakter van een periode houdt zich dus niet alleen schuil in het kleinste detail, maar wordt ook pas tevoorschijn in een nieuwe,
ogenschijnlijk chaotische, maar in feite uiterst complexe wijze van ordening. In die ordening 
op de rand van chaos lijkt iets nieuws te kunnen ontstaan. Iets dat er al was maar nooit als 
zodanig werd waargenomen. Het komt dan overal aan het licht, waar je het ook zoekt. Deze methode, zo dacht ik bij mezelf, moet toch iets hebben wat hout snijdt.

Wij zijn geneigd om over de werkelijkheid te denken in de termen van een spiegel. Mijn denken is dan een afspiegeling van de werkelijkheid. Kunst weerspiegelt de historische werkelijkheid. De ratio is een spiegel van de waarheid. Maar misschien is dat alles niet waar. Misschien is er helemaal geen spiegel. Alles gebeurt vanzelf op basis van een paar simpele regels. De wereld is een aanhoudende stroom van gebeurtenissen. Al die gebeurtenissen – zowel binnen als buiten mij – houden op onvermoede wijze met elkaar verband. De wereld is voortdurend in wording als een werveling die zich voortplant in een in een nog onbekende ether. Er is geen breuk tussen geest en materie, tussen atomen in begrippen, tussen mijn binnenwereld en de wereld die ik waarneem. Mijn gedachten maken deel uit van een aanhoudende stroom van incidenten waaruit ik niet kan ontsnappen. Ze komen allemaal uit dezelfde bron waar alles uit voortkomt, elk moment opnieuw. De wereld stroomt en de historische sensatie maakt je als geen andere ervaring bewust van die allesomvattende draaikolk van micro- en macro-gebeurtenissen. Er is één formule die de wereld doet draaien. De intuïtie berust op een algoritme. Alles draait om het herkennen van patronen. Geschiedenis is een bijzondere vorm van natuurkunde.

Toch knaagde er ook enige twijfel. Voor je het weet loop 
je in cirkels rond als in een woestijn, verbaasd over het groeiend aantal voetstappen dat je 
tegenkomt, terwijl je niet beseft dat je die onderweg zelf hebt achtergelaten. Het vermeende 
wondermiddel wordt zo al gauw een placebo. Liep ik soms in cirkels rond? Maar mocht dat dan zo zijn, dan was daar ook alle reden toe. Er zit een voortdurende cirkel in alles, wat wij waarnemen en denken te weten te komen, omdat het subject altijd deel uitmaakt van een groter proces dat gaande is. Elke waarneming deformeert niet alleen de beweging, die wordt stilgezet in een geïdealiseerd beeld, maar maakt zelf ook deel uit van een onderliggende beweging van het totale systeem. In die zin is elke vorm van wetenschap uiteindelijk een functie van een complex dynamisch systeem, en niet omgekeerd. Wij zijn geen passieve verwerkers van informatie die al bestaat, geen organische apparaten die alleen maar registreren. Kennis is geen weerspiegeling van de werkelijkheid, maar zij schept zichzelf in een voortdurende wisselwerking met de omgeving. Iedereen creëert zijn eigen wereld en de grootse gemene deler van die afzonderlijke werelden noemen we ‘de werkelijkheid’.

Zo redenerend betreden we andermaal het middeleeuwse strijdperk van het nominalisme versus het realisme, waarbij de vraag rijst of wij een substantie in de tegenwoordigheid roepen door het concretiseren van een zuiver begrip, of dat wij daartegenover het zuiver begrip afleiden van de concrete verschijnselen. De kracht van het denken in termen van levende systemen ligt juist hierin, dat zij aan dit aloude dilemma weet te ontsnappen. Het is niet langer het dilemma tussen subjectivisme en objectivisme, tussen denken en zijn, dat aan de wetenschap ten grondslag ligt. Of anders gezegd, het is niet langer de onmogelijke keuze tussen de zekerheid van de stilstaande kennis en de onzekerheid van de stroom van de tijd, de rivier van Heraclitus, waar je maar éénmaal doorheen kunt gaan, want daarna is de rivier dezelfde rivier niet meer. Nee, de werkelijkheid zit in de oer-eenheid die we kennen vanuit onze eigen lichamelijkheid.

Wij zij in de wereld, maar de wereld zit ook in ons. En tegelijk: wij staan buiten onszelf, maar in die excentrische positie staan wij tegelijk ook buiten de wereld, waarin we leven. Dat is de wonderlijke paradox van de menselijke existentie. Inside is outside is inside… en dat alles is voortdurend in beweging. Alles wat in de klassieke wetenschap telkens weer buiten beeld valt, komt in de wetenschap van de levende systemen direct binnen het blikveld te liggen, dat wil zeggen: het onverwachte, het onvoorspelbare of de complete omslag van een ogenschijnlijk stabiele toestand. Vanuit die optiek behoren het gespletene, het ongedetermineerde, het vage en onbenoembare en zelfs het anti-logische bij uitstek bij het menselijk bestaan. Een mens is geen dier dat begiftigd is met de ratio, maar een uiterst complex, levend systeem dat volgens de wetten van een – per definitie – onnavolgbare logica aan voortdurende verandering onderhevig is.

Deze visie heeft consequenties voor het begrip van wat het fenomeen cultuur in wezen is. Ook de cultuur is een levend systeem, dat niet los van de mens kan bestaan, nooit stilstaat, maar zich voortdurend transformeert tot een nieuwe gedaante. Niet de aanhoudende frictie tussen behoud en vernieuwing is het centrale kenmerk van de cultuur, maar de permanente interactie tussen een interne structuurdrift van de mens en een externe structuurdrift in zijn omgeving.

Er zijn aspecten aan de cultuur die de mens ontsnappen, die hem overkomen en hem in zekere zin te boven gaan. Die aspecten zijn niet te herleiden tot onderliggende constanten of een transcendentaal Idee, niet tot wetmatigheden of identiteiten, maar worden – evenals het menselijk leven zelf – gekenmerkt door onrust, gisting, het onverwachte en onvoorspelbare, het anti-logische en ongedetermineerde. Cultuur is een structuur in wording, die nooit zijn voltooiing vindt, maar alleen gedijt in een toestand van de hoogst mogelijke vrijheid en in een staat van een zo groot mogelijke complexiteit en onderlinge samenhang.

1 Reactie »

  1. G en G

    1 januari 2015 op 01:01

    Wij, Geer en Goor, wensen Friesland een betere toekomst.
    Zelfs wij vinden dat, dat toch, ondanks alles, mogelijk moet zijn.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)