WAAROM KRIJGT LE ROY NIET DE TIJD?

Waarom krijgt Le Roy niet de tijd? Die vraag schoot mij te binnen toen ik onlangs ronddwaalde in de Ecokathedraal van Louis le Roy. Het is een vraag die in meerdere opzichten de kern raakt van alles waar deze vaak onbegrepen profeet voor staat.
De bouwsels, die Le Roy samen met de natuur tot stand brengt, worden graag bevolkt door padden, pissebedden en allerlei zoemende insecten. Zoals hij zelf ooit aanduidde is zijn werk in feite ‘een vorm van sociale woningbouw voor kleine tuindieren’[1]. Maar de Ecokathedraal is natuurlijk ook meer dan dat. Elders noemt hij het een ‘integratiemodel in ruimte en tijd’[2]. De Ecokathedraal is niet zozeer het levenswerk van Le Roy, als wel een voorbeeld tot navolging. Doe het zo, als ik begonnen ben. Neem de tijd, zoals ik de tijd genomen heb. En toch, bij alles wat van zijn opdrachtgevers kon krijgen, of het nu de wethouder van Groningen was of het stadsbestuur van Hamburg, Bremen, Oldenburg, Oberhausen of Parijs, nooit kreeg hij een positief antwoord op die ene vraag die hij telkens weer stelde: ‘Geef me de tijd’. Altijd werden zijn projecten in de stedelijke omgeving aan een tijdslimiet gebonden, of erger nog, tussentijds afgebroken. De Ecokathedraal lijkt daarmee niet alleen de proef op de som te worden van de bewering dat het wel degelijk mogelijk is om een kathedrale structuur te realiseren, maar ook dat deze realisatie alleen buiten de bestaande orde mogelijk is. Is de Ecokathedraal, ondanks zijn schitterende verschijningsvorm, niet het bewijs bij uitstek van de onuitvoerbaarheid een utopisch idee? Anders gezegd: waarom krijgt Le Roy niet de tijd? Deze misschien wat ongemakkelijke vraag wil ik als vertrekpunt nemen. Het is een vraag met een tweeledige betekenis. Hij vraagt om een antwoord, maar kan ook als een oproep worden opgevat.
Wie de publicaties van Le Roy kritisch naleest kan soms de indruk krijgen dat hij zelf de hoop heeft opgegeven dat ecokathedrale structuur binnen een stedelijke omgeving ooit nog eens echt gerealiseerd zal worden. De macht van de huidige politieke systemen is kennelijk zo weerbarstig dat er geen ruimte wordt geboden voor projecten van onbeperkte duur. Het zou de schuld zijn van een eenzijdig politiek systeem, van bestuurders die te zeer met de beperkingen van dit systeem verbonden zijn en te weinig begrip kunnen opbrengen voor een totaal andere benadering van de problemen. Zelfs de Grünen in Duitsland kunnen niet op Le Roys sympathie rekenen. Zij worden immers ingekapseld door het systeem en verspelen hun krachten omdat zij zich voortdurend waar moeten maken voor een procentuele zege binnen de huidige waanzinnige politieke carrousel.[3] Is het niet zo dat Le Roy door die afwijzing van de politiek en de mogelijkheden die het huidige bestel te bieden heeft, zich niet bij voorbaat isoleert en zichzelf tot een onbegrepen wereldhervormer bestempelt? Bij alle mogelijkheden die hij aandraagt ontbreekt een politieke marsroute. In zijn toelichting op de Ecokathedraal die in 2000 verscheen, stelt hij dat de machthebbers de tijd als factor alleen serieus zullen nemen, als zij hiertoe door de omstandigheden gedwongen zullen worden[4]. Met andere woorden, zijn ideeën zullen pas echt begrepen worden als het systeem definitief ontspoort. Alleen een totale omwenteling in het denken over macht en maatschappij en de inrichting van de stedelijke ruimte kan mogelijk het tij doen keren. Maar is dat niet wat teveel gevraagd?
Alvorens hierop in te gaan, is het goed om het vertrekpunt in herinnering te brengen, van waaruit Le Roy zijn project in Mildam ooit begonnen is. De biochemicus Ilya Prigogine (1917-2003), die zijn leven lang onderzoek deed naar de rol van de tijd in fysica en biologie, heeft beweerd dat bij het bedrijven wetenschap maar al te vaak de factor tijd wordt geëlimineerd. De natuurwetenschap heeft ons geleerd om de natuur te beschrijven als een verzameling van afzonderlijke dingen of processen, waar vervolgens eigenschappen aan worden toebedeeld. Als er al van tijd in de wetenschap sprake is dan is het een eenvoudig en overzichtelijk tijdpad, een lijn (t) tussen (a) en (b). Hij vroeg zich af of de eenvoud van dit tijdpad niet voortkomt uit het feit dat we onze aandacht steeds op eenvoudige situaties hebben gericht. Letterlijk schrijft hij: “Op de stapels bakstenen, in plaats van de kathedraal waar we het over hadden.“ [5]
Binnen het denken over complexe systemen stelde Prigogine de onomkeerbaarheid van de tijd opnieuw aan de orde. Daarmee kwamen begrippen als complexiteit, wisselwerkingen, toeval, onvoorspelbaarheid en vooral het fenomeen ‘zelforganisatie’ in een nieuw licht te staan, Hoe komt het dat er orde is in de wereld, terwijl Tweede Hoofdwet van de Thermodynamica stelt dat als je alle atomen aan hun lot over laat ze uiteindelijk in een toestand van wanorde zullen eindigen. Geef de wereld oneindig de tijd en de ultieme chaos is het resultaat. Maar niets is minder waar. Het geheim, zo ontdekte Prigogine zit in de woordjes ‘aan hun lot overlaten’.[6] In de echte wereld worden atomen nooit aan hun lot overgelaten, maar altijd blootgesteld aan een zekere energie en materie van buiten af. In een beperkt gebied kunnen zo complexe structuren ontstaan die zichzelf gaan organiseren. De de traditionele wetenschap, die gericht is op voorspelbaarheid binnen afgesloten en herhaalbare situaties, had een blinde vlek voor dit soort zelforganiserende systemen. Veel van die oude benaderingswijze is niet de alleen in de exacte wetenschap aanwezig, maar ook in de wijze waarop we kijken naar het organisch leven. Het is zelfs aanwezig in de wijze waarop de samenleving is ingericht. Eliminatie van toeval en onvoorspelbaarheid lijken onlosmakelijk verbonden met begrippen als macht, planning, ontwerp, controle, beheersing en bestuur. Macht bevordert het gelijke, het beheersbare en voorspelbare en is daardoor voortdurend in oorlog met alles wat uit zich zelf wil organiseren en zich daarmee onttrekt aan de heersende orde.
In de wetenschap van de complexe systemen, waarvan Prigogine een van de aartsvaders is, lijkt een oude gedachte uit de tijd van de Romantiek opnieuw naar voren te komen. Het is de gedachte dat een nog onbekende structuurdrift op alle niveaus, niet alleen in de natuur, maar ook in de cultuur werkzaam is. Anders gezegd, de natuur en ook de geschiedenis zijn samen één systeem in de tijd. Daarmee krijgt de mens in de natuur een wat bescheidener plaats toebedeeld, een positie die niet wezenlijk verschilt van die van een enzym. Daarnaast komt ook zijn bijdrage aan de geschiedenis in een ander licht te staan. De mens staat immers niet buiten het systeem, maar maakt er onlosmakelijk deel van uit. Hij zal de natuur nooit kunnen beheersen, zoals de moderniteit heeft doen vermoeden. Al kan hij de illusie hebben iets nieuws toe te voegen of op te bouwen, alles wat hij doet speelt zich af in de tijd. Hij zit in het zelfde schuitje. Een nieuw schip bouwen kan hij niet. Hooguit kan hij varend op volle zee wat planken verwisselen, zodat gaandeweg en na heel lang varen misschien ooit nog eens een nieuw schip ontstaat.
Prigogine ontwierp een systeemtheorie van het leven, waarin de begrensde kennis binnen een gesloten systeem, plaatsmaakt voor de onvoorspelbare mogelijkheden die de tijd in een open dynamisch systeem kan genereren. Door de factor tijd op oneindig te zetten opende hij een nieuwe horizon in het denken door een nieuwe kijk op het organisch leven, maar hij vroeg zich ook af wat hiervan de betekenis was voor handelen van de mens. Zo stelde hij een drietal vragen Wat kan de natuur doen, wat kunnen levende organismen doen en wat vermag de mens. Deze drie vragen vormen in feite het hedendaagse spiegelbeeld van de drie vragen die door Immanuel Kant in de hoogtijdagen van de Verlichting waren gesteld. Wat kan ik weten? Wat moet ik doen? Wat mag ik hopen? Kant maakt een elementair onderscheid tussen de eindigheid van de menselijke kennis de oneindigheid van een in wezen onkenbare wereld. Die zelfbegrenzing van de mens kwam voort uit een wijze van denken, waarbij de tijd en ruimte, als constituerende voorwaarden voor het bewustzijn in feite tussen haakjes werden geplaatst. Zo ontstond een kloof tussen het ik en de wereld, tussen noodzakelijkheid en vrijheid, en uiteindelijk ook tussen natuur en cultuur. Het was een kloof die sinds Kant alleen nog de door de kunst kon worden gedicht. In het denken van Prigogine wordt de tijd uit deze ballingschap bevrijd. De haakjes aan weerszijden van de (t) worden weggehaald. De tijd wordt ontrukt zijn laatste schuilplaats in de metafysica en teruggegeven aan de zelforganiserende stroom van het leven in een open en altijd voortdurend proces.
Uit dit alles heeft Le Roy zijn eigen conclusies getrokken en de drie vragen van Prigogine tot één teruggebracht. Wat kan binnen een complex en zelforganiserend systeem de inbreng zijn van één mens binnen de tijdspanne die hem in zijn leven is toebedeeld? Met als onderliggende vraag natuurlijk: als ik in mijn eentje dit alles tot stand kan brengen, wat kan er dan gebeuren als de vrije energie van alle mensen op deze wijze wordt ingeschakeld? De stedelijke omgeving is vanuit de visie van Le Roy slechts een beperkt ecosysteem, dat niet zoals een natuurlijk ecosysteem volledig op basis van zijn energiehuishouding te definiëren is. Met de Ecokathedraal had hij echter een nieuwe structuur in handen, waarmee hij binnen het beperkte ecosysteem van de stad een natuurlijk ecosysteem kon introduceren. Daarmee zou het paard van Troje kunnen worden binnengehaald. De traditionele structuren van de macht, die zich in stedelijke omgeving weerspiegelen in diversiteit en isolatie, zou in het model van de dubbelstad (een stad geïnfiltreerd door een ecokathedrale structuur) tot structuren van complexiteit en vrijheid getransformeerd kunnen worden.
De vraag wat een mens binnen een mensenleven kan doen heeft Le Roy niet in een gedachte-experiment willen beantwoorden, maar letterlijk als adagium opgevat. Filosofie is hem voor ‘Praxis’, zoals Duitsers dat zo fraai kunnen zeggen. Hier en nu, ik zal het bewijzen!
Maar als dat zo is, dan dringt de vraag zich op, of dit niet een bewijs uit het ongerijmde is. Misschien is de Ecokathedraal wel ontstaan, omdat hij deep down wist dat hij van niemand echt de tijd zou krijgen. Waarom waren al die opdrachtgevers zo halsstarrig als het ging om de tijd? Is het werkelijk zo dat in onze westerse samenleving de voor altijd voortdurende tijd niet alleen een onbetaalbaar, maar ook ondenkbaar product is geworden, iets wat totaal buiten de orde valt?
Zeker, er zijn heel wat signalen die in die richting wijzen. Het besef dat het westen in een crisis verkeert heeft een lange traditie die teruggaat tot ver in de negentiende eeuw. Nadat godsdienst en metafysica uit het centrum van het systeem verdwenen waren, bood ook de wetenschap, hoe indrukwekkend ook, geen antwoord meer op elementaire problemen van het bestaan. Integendeel, het systeem als geheel raakte op drift in een voortdurende vlucht vooruit. Sindsdien zijn technologische vernieuwing en economische vooruitgang verstrikt geraakt in een proces met exponentiele versnellingen, waarvan de kwalijke gevolgen zich steeds meer aftekenen. De grenzen van de groei lijken al lang geleden overschreden, maar niemand weet meer waar de noodrem zit.
We spreken tegenwoordig over de totale kolonisering van het bestaan. De algehele doordringing van de economie in alle categorieën van het leven zou de tijd een andere dimensie hebben gegeven. Er is immers geen scheiding meer tussen productieve tijd en vrije tijd. In de wedloop naar steeds meer intensieve consumptie is vrije tijd het existentiële probleem bij uitstek geworden van de laat kapitalistische mens. Hij shopt en zapt van het een naar het ander en wordt vermalen tussen enerzijds een onberedeneerde drang naar prestatie en prestige en anderzijds een door markt en media gepropageerd hedonisme dat hem dwingt te genieten van elke minuut die hem gegeven is. Zo dreigt een vertraagde beleving van tijd zich op te lossen in het allesomvattend spektakel van het heden dat alleen nog toeschouwers kent. In een razend tempo lijkt de tijd tot een soort eeuwigdurende stilstand te komen Afgesneden van de tijd, die ooit een duurzaam proces was met een open eind, leven wij voort in een voorgoed gesloten extatisch nu.
Maar is dat wel zo? Het is niet zo moeilijk om alle sombere conclusies over de hedendaagse spektakelmaatschappij nog eens rij te zetten Met dat sombere beeld voor ogen zouden de ideeën van Le Roy toch overal met open armen ontvangen moeten worden. Bovendien is hij zeker geen eenzame roepende in de woestijn. Van alle kanten wordt gewezen dat er iets grondig mis met het waanzinnige tempo waarin onze samenleving almaar verandert. Onthaasting is een thema dat sinds enige jaren zelfs van regeringswege wordt bevorderd. De gevolgen van de 24-uurs economie stuiten op toenemend verzet. Er wordt alom gesproken over quality time voor gezin en relatie, de invoering van sabbaticals, het vermijden van burn out, en zelfs over nieuwe vormen van natuurrecreatie zoals ‘spiritueel wandelen’, kortom de noodzaak van het intensief ervaren van de vertraagde tijd wordt steeds meer onderkend.
Maar dat niet alleen, ook de planologie heeft ontdekt dat je niet alles ‘tijdloos’’ met passer en liniaal op de tekentafel kunt uitzetten. De tijd is als onberekenbare en onbekende grootheid is in toenemende mate een factor, waarmee rekening mee wordt gehouden. Er wordt nagedacht over ecologische hoofdstructuren, het teruggeven van cultuurgrond aan het landschap en van binnendijksland aan het water. Er lijkt zelfs een nieuwe terminologie van de tijd te worden geïntroduceerd in het denken over ‘landschappen met verschillende snelheden’ en stedelijke ontwikkelingscentra met hun eigen tijdpad in de ruimte. Er wordt tegenwoordig gesproken over ‘ontwikkelingsgerichte landschapsstrategieën met cultuurhistorische onderleggers’. Zelfs de grenzen tussen centrum en periferie lijken te vervagen tot één nationaal stedelijk parklandschap dat zich langzaam in de tijd formeert. Was het niet de dichter Nijhoff die heeft voorspeld dat Nederland ooit zou veranderen in één grote metropool met parken? Welnu, daar zijn we dan bijna in beland. En al zal Le Roy dan beweren dat zo’n nationaal stedelijk parklandschap als ‘hoogcomplex voorgevormd milieu’ nog geen complex dynamisch systeem betekent, maar juist chaotische effecten in de hand werkt, je kunt niet beweren dat hedendaagse planologen geen oog meer hebben voor de tijd als constituerende factor voor het aanzien van het landschap.
Ook onze ervaring van op het landschap wordt steeds meer door de factor tijd bepaald. Soms zelfs letterlijk. Het landschap wordt filmisch, zo wordt wel beweerd. Het is geen statisch plaatje meer uit een Verkadeboek, maar iets wat voorbijglijdt boven het dashbaord van een auto. Het niet-gecomponeerde landschap van de snelweg blijkt ook zijn eigen schoonheid te hebben. Nieuwe flora’s bloeien op in het verlaten niemandsland van de middenbermen of op het talud van de hoge snelheidstrein. Het landschap is altijd al een product van de tijd geweest. Waarom zullen we dan zo moeilijk doen? Wat ooit fout ging, kan altijd weer worden hersteld. De tijd heelt immers alle wonden. We leven in de tijd van de ‘ge-re-denaturaliseerde beken’. Dat wil zeggen: kleine stroompjes die ooit krom, toen weer recht, en die nu weer ‘natuurlijk’ krom worden gemaakt. Vertrouwde scheidslijnen tussen natuur en cultuur gaan steeds meer vervagen. Het landschap is geen foto meer, geen schilderij in een lijst, dat ooit door kunstenaars is gecodeerd. De techniek heeft die schilderkunstige blik doorboord. Het landschap wordt steeds meer een laboratorium in de ruimte, een proeftuin in de tijd. In ieder geval iets wat je kunt genereren en als het moet zelfs kunstmatig na kunt maken. Nep wordt echt. We worden langzaamaan de Japanners van Europa. Kortom, de tijd krijgt juist alle ruimte. Waarom krijgt Le Roy dan toch niet de tijd?
Zou het misschien kunnen zijn dat de reden, waarom vrijwel al zijn projecten in de praktijk op politieke weerstand stuitten, in de aard de achterliggende ideeën ligt? Omhelst het gedachtegoed van Le Roy niet eerder een geloof, dan een politiek programma? Een geloof in de natuur wel te verstaan, dat bijna religieuze trekjes vertoont? Leeft de onvernietigbare kern van de religie niet voort in holisme en ecologie? Hoort de theorie van Prigogine niet thuis bij al die goeroes van de New Age beweging zoals Bateson, Capra, Sheldrake en Lovelock met zijn Gaia-hypothese? Het zijn theorieën die de verbeelding prikkelen, maar die je niet te pas en te onpas op van alles en nog wat kunt toepassen, en zeker niet op de maatschappij. Dat leidt maar al te vaak tot cirkelredeneringen, tot conclusies die al in de premissen besloten lagen. In de traditie van het utopisch denken is altijd leentjebuur gespeeld met het holistische ideeën. Toegepast op de samenleving krijgt een holistisch begrip als zelforganisatie al gauw iets deterministisch. De New Age filosofen bieden wat dat betreft weidse vergezichten, maar hebben vaak een gebrek aan focus. De politieke praktijk daarentegen is pragmatisch ingesteld. Op de smalle marges in plaats van het vergezicht. Het veranderen van wetten en het omzeilen van praktische bezwaren eist nu eenmaal veel geduld en een groot communicatief vermogen..
Deze kritiek snijdt hout, zo te zien, maar toegepast op de claim van Le Roy op tijd zonder limiet gaat hij toch niet helemaal op. Toegegeven, zijn charismatische persoonlijkheid heeft als keerzijde wellicht, dat het geloof in eigen gelijk zich soms iets te nadrukkelijk kan manifesteren. Niet voor niets werd hij door de bewoners van de Kennedylaan in Heerenveen destijds ‘de Billy Graham van het onkruid’ genoemd[7]. Jeder Konsequenz führt zum Teufel, zei Luther al. Voor Le Roy, die op hervormingsdag geboren is, zullen deze woorden niet onbekend in de oren klinken. Maar in die hang naar uiterste consequentie schuilt ook zijn unieke kracht. Hij is geen kamergeleerde, maar een man van de praktijk. Een pragmaticus met principes. En waar veel hervormers vroeg of laat afhaken of water bij de wijn doen, wil Le Roy altijd de zuiverheid van zijn principe trouw blijven. Hij mag dan een broertje dood aan Mondriaan hebben, als het puur om consequentie gaat doet hij voor hem niet onder. Zijn weigering destijds om voor een honorarium van vier ton een opdracht in Kassel aan te nemen – nota bene tijdens de Documenta – omdat hij alles kon krijgen behalve de tijd, doet denken aan de befaamde weigering van Abe Lenstra om voor een blanco cheque te gaan voetballen in Milaan. In die zin heeft hij zelfs iets weg van een Fries.
Een zekere koppigheid kan deze cultuurfilosoof op kaplaarzen dan ook niet worden ontzegd. Wie hem als wethouder in het harnas jaagt komt van een kouwe kermis thuis. Mijnheer Gietema in Groningen weet daar inmiddels alles van. Zodra duidelijk werd dat het project in de wijk Lewenborg een beetje uit de hand ging lopen, of beter gezegd, na een wat trage aanloop uiteindelijk een doorslaand succes dreigde te worden, brak onmiddellijk de pleuris uit. Precies op dat moment ligt altijd het omslagpunt. Als bestuurders doorkrijgen dat het gedachtegoed van Le Roy niet alleen de inrichting het openbare groen betreft, maar ook de zelforganisatie van mensen aangaat, dan komen de fundamenten van het systeem opeens bloot te leggen. Zelfs een sociaal democraat moet dan erkennen, dat het natuurlijk nooit de bedoeling kan zijn, dat de politiek ooit iets van de macht aan gewone mensen af zal staan.
Macht is in laatste instantie altijd een vorm van geweld. Wie de gevolgen van die oude wijsheid in de praktijk moet ondervinden ziet zichzelf niet zelden voor een duivels dilemma geplaatst. Vluchten of vechten, capituleren of radicaliseren. Misschien ligt de grootsheid van Le Roy wel in zijn vermogen om aan dit soort dilemma’s te ontsnappen. Of beter gezegd, om er overheen te springen. De Ecokathedraal is geen vlucht uit het heden, maar een sprong in de toekomst. Die sprong is allesbehalve een capitulatie. Le Roy schept een eigen wereld, zonder een afgesloten reservaat te creëren. De Ecokathedraal is dan ook niet het ultieme bewijs van de onhaalbaarheid van een idee. Hij houdt juist de gedachte in stand dat dit idee wel degelijk uitvoerbaar is. Met zijn claim op de tijd zonder limiet raakt hij de achilleshiel van de technologische samenleving. Vanuit welke ideologische optiek je deze hoogontwikkelde maatschappijvorm ook bekijkt, zelfs als je alle ideologieën achter je laat, telkens weer dringt de conclusie zich op dat het systeem zelf een structureel probleem lijkt te hebben. Dat probleem heeft iets van doen met de tijd, maar wat?
Het spel van de tijd.
Gaandeweg is Le Roy in steeds grotere verbanden gaan denken. Zijn boek Natuur uitschakelen, natuur inschakelen, dat in 1971 verscheen en veel aan zijn eerste bekendheid heeft bijgedragen, leest achteraf vooral als een praktische handleiding voor een alternatieve vorm van tuinieren en omgaan van stedelijk groen. Er wordt wel verwezen naar bredere verbanden, maar van een uitgekristalliseerde visie op cultuur en samenleving en de rol van de tijd op zeer lange termijn is nog geen sprake. Die visie moet zich nadien ontwikkeld hebben, al werkende aan projecten in de stedelijke omgeving, maar ook in talloze voordrachten op universiteiten en andere podia in binnen- en buitenland. In de publicaties nadien wordt de blik steeds breder en de tijdspanne steeds groter. Er ontstaat een cultuurtheorie, die op ecologische leest is geschoeid en waarbij omtwikkelingsmodellen op zeer langer termijn op hun waarde worden beproefd. Al tijdens zijn kunstopleiding, had Le Roy zich verdiept in de curieuze ontwikkelingstheorie van Paul Ligeti, een kunsttheoreticus uit de Duitse school van het historicistische formalisme, die in zijn Boek Der Weg aus dem Chaos (1931), zijn duiding van de wereldgeschiedenis baseerde op lange termijn ritmieken in de ontwikkeling van de kunst.. Het boek staat vol met schema’s en modellen waarin het verloop van stijlperioden en beschavingen in de eeuwige wederkeer van opkomst bloei en verval door de eeuwen heen valt af te lezen. De geschiedenis van de kunst is hier een vorm van evolutionair systeemdenken, dat zijn instrumenten ontleent aan de wetenschap van de levende natuur. Dat model – de kunst als onderlegger van waaruit de hele wereldgeschiedenis te duiden valt – is wellicht bepalend geweest voor het latere denken van Le Roy over de tijd zonder limiet. .
Stilaan wordt de Ecokathedraal van een zelfgercreëerde oase tot een intregratiemodel voor ruimte en tijd. Het wordt een laboratorium, niet alleen voor het doen, maar ook voor het denken. Een utopische proeftuin voor een betere wereld, een exemplarisch model dat als remedie kan dienen voor alles wat er in de afgelopen tweehonderd jaar zoal mis is gegaan in de cultuur. Naarmate de bouw vordert verschuift de aandacht steeds meer naar de architectuur. De tijd brengt niet alleen gebouwen voort, zo ontdekte Le Roy, maar een bouwsel kan ook en medium zijn van de tijd zelf . De gestapelde stenenpartijen beginnen zich te verheffen tot massieve bouwvolumes, die in hun plastische werking herinneringen oproepen aan grootschalige bouwprojecten uit het verre verleden en uit niet- westerse culturen. Wat op microniveau zich aandient wordt voortdurend op macroniveau bevestigd, en omgekeerd. Er ontstaat bij Le Roy een diachronische wisselwerking tussen denken en bouwen. Hij wordt in de meest letterlijke zin van het woord, wat Richard Rorty – in het spoor van de late Heidegger – een edifying philosopher heeft genoemd, een denker die al doende zijn weg gaat en zonder metafysische systeem vooraf, waarin tijd en ruimte zijn vastgepind, en zijn gedachten ontwikkelt en ontvouwt in voortdurende dialoog met de natuur. Le Roy verbindt steeds meer het kleine met het grote maar altijd met de blik op oneindig. Zo moet het perspectief zijn ontstaan dat de tijd inderdaad geen einde meer kent. .
Van alle steden in de wereld is Venetië misschien de enige waar je jezelf kunt verliezen in de tijd. Wie hier denkt in een rechte lijn te lopen, moet vaak tot zijn schrik ontdekken, dat hij in cirkels verstrikt is geraakt. Ooit heeft het mij dagen gekost om de begrijpen, dat je het Canal Grande twee keer over kunt steken en toch aan de overkant kan zijn beland. De kronkelige stegen, het geluid van water, het licht en de lagunes in de verte, natuur en architectuur lijken hier ooit besloten te hebben om in een traag proces van eeuwen een volmaakte fusie aan te gaan. Het hele verleden is het heden aanwezig. De stenen lijken een poëtisch geheugen te hebben. Casanova liep hier rond. Ruskin schreef er zijn Stones of Venice. Je waant je hier soms in de schoot van de wereld. Schoonheid stemt melancholiek omdat zij ongrijpbaar is in de tijd.. De tijd heeft hier alle ruimte gekregen, maar de ruimte ook de tijd. Zo is een hoog complexe structuur ontstaan die al eeuwen tot de verbeelding spreekt. Complexiteit is hier een functie geworden van niet gehonoreerde verwachtingen.
Veel van die kwaliteiten zie ik terug als ik ronddwaal tussen de stenen van de Ecokathedraal. In de doelloosheid van al die stapelingen lijkt een oud geheim zich prijs te geven. Soms denk ik wel eens dat het enige motief waarom al die stenen hier zijn opgestapeld een soort rituele bezwering is geweest. De tijd lijkt bedwongen vanuit een onbedwingbare woede of angst of wat het ook geweest mag zijn, en al doende heeft de bouwer zich steen voor steen verloren in de tijd. Telkens opnieuw is er een besluit genomen welke steen waar gestapeld moest worden. Eerst lijnen uitzetten, dan het invullen van de vlakken, het ophogen van de terrassen, het bouwen van de torens, met de stenen schuin naar binnen gericht, zodat het regenwater weg kan lopen. Het is allemaal berekening en tegelijk improvisatie. Het is borduren zonder patroon. Puzzelen zonder foto op de deksel van de doos. Werken aan de Ecokathedraal betekent in de eerste plaats je hoofd leeg maken. Je moet je met volle overgave kunnen inleven in ogenschijnlijk futiele problemen. De beslissing welke steen waar moet komen te liggen kan alleen genomen worden vanuit een gemoedstoestand die je nog het best kunt omschrijven als een belangeloze passie, een geïnvolveerde onverschilligheid. Wie er mee begint raakt in de ban van de eindeloze overgave van het creëren, dat werkendeweg een proces van zuiver worden wordt. Cultuur wordt natuur en omgekeerd. Het toeval is soms niet meer van de bewuste intentie te onderscheiden. Vroeg of laat zal de ervaring zich aandienen dat stenen als vanzelf op hun plaats vallen, dat hun plek was voorbestemd, dat de bouwer slechts een voorbijgaand medium is in de tijd die eeuwig voortduurt. Iets van dat gevoel komt over bij wie hier rondloopt.
De voortgang van de tijd kan weemoed opwekken, maar stemt soms ook domweg gelukkig. Uren, dagen, maanden jaren, niemand weet hoe de omgeving hier er over honderd jaar uit zal zien. De bomen zullen een stuk dikker zijn met al die nieuwe ringen erbij. Achteraf bezien zou de schoonheid van dit labyrint misschien een typerend bewijs kunnen vormen voor het heimwee naar de natuur die in het westen de kop opstak in de nadagen van het kapitalisme. Een heimwee dat bij een enkeling tot radicale reacties leidde. De Ecokathedraal als levend monument van een voorbije fase in de cultuur. Toekomstige kunsthistorici zullen het misschien beschrijven als de eigenzinnige utopie van een onbegrepen profeet, die niettemin een groot kunstenaar was. Soms hoor je het mensen al zeggen. Het is een intrigerend kunstwerk, maar het idee, dat eraan ten grondslag ligt, is helaas onuitvoerbaar. Niet dat daarmee het lot van de roem is bezegeld, integendeel, dit tragisch aureool zal de mythe juist vergroten. Als dat gebeurt – wat God moge verboden – zal in de komende decennia deze plek uitgroeien tot een bezienswaardigheid van wereldformaat. Drommen mensen zullen er dan voor de ingang staan te wachten, zoals nu voor de Sagrada Familia van Gaudi. Toen ik onlangs in Barcelona daar zelf in de rij stond, ontdekte ik tot mijn verbazing dat in mijn oude ANWB-reisgids uit 1964 dit meesterwerk nog nauwelijks wordt genoemd. Kunstwerken moeten kennelijk de tijd hebben om tot een mythe uit te groeien.
Al ligt de gedachte voor de hand om de kathedraal van Gaudi op één lijn te stellen met de Ecokathedraal van Le Roy, toch verschillen ze in wezenlijk opzicht van elkaar. De Ecokathedraal is geen bouwwerk in dienst van een religie. Het is een model voor de toekomst, dat los van religie of ideologie zijn toepasbaarheid behoudt. Het is ook geen bouwwerk op zich zelf, maar een open systeem, waarin natuur en bouwen elkaar ontmoeten in een voortdurende dialoog. Dat proces kent ook geen voltooiing in een verre toekomst, zoals een bij een echte kathedraal. De Ecokathedraal is niet lineair, maar non lineair. De tijd kent hier geen telos, geen dictaat van de rechte lijn. Le Roy vraagt juist de cirkel terug in een wereld van de lijn. Er is geen bestemming buiten het heden, maar alleen binnen het leven zelf
Gaudi werkte met een ontwerp. Ook al veranderde hij nogal eens van gedachten, hij tekende altijd eerst voor hij verder ging met bouwen. Al zijn die ontwerptekeningen ooit grotendeels door een brand verwoest, de tegenwoordige ambachtslieden voeren in een eigentijdse stijl het concept uit dat Gaudi zelf in grote lijnen voor ogen zal hebben gehad. Het is dus een eigentijdse reconstructie van een onvoltooid bouwwerk, die door de tijd heen ‘in de geest van Gaudi’ wordt uitgevoerd. Zonder vrije energie, zou Le Roy zeggen. Zonder veel arbeidsvreugde ook, zoals hij zelf eens bij navraag mocht vernemen. In die zin is de Sagrada Familia juist een tegenpool van de Ecokathedraal. Le Roy werkt immers zonder ontwerp of concept vooraf. Het is per definitie een voor altijd onvoltooid project, dat steeds ruimte laat voor nieuwe creatieve impulsen en dus ook niet ‘in zijn geest’ kan worden voortgezet.
Musealisering, dat is misschien is het ergste wat de Ecokathedraal kan overkomen. Dat hij door een toekomstige generatie op een vergelijkbare wijze als de Sagrada Familia tot een cultuurtoeristische toplocatie zal worden uitgeroepen. Dat hij onderhouden gaat worden in een vertraagde afbouw, of misschien zelfs dynamisch gerestaureerd of ‘in de geest van Le Roy’ heel langzaam wordt voltooid, dat wil zeggen: gefixeerd in zijn huidige staat van wording. Zo zal wat gestart is als een kathedrale structuur, die zich oneindig kan voortzetten, alleen als een fossiel in de tijd blijven voortbestaan. Wat bedoeld was als voorbeeld tot navolging zal dan niet meer blijken te zijn dan een en memento mori van een prachtig idee, dat in werkelijkheid niet haalbaar bleek. De Ecokathedraal zou dan als kunstwerk in volle glorie overleven, maar als manifest voor een betere wereld ten dode zijn opgeschreven.
De tijd van het spel
Het idee achter de Ecokathedraal hoort thuis in een reeks van revolutionaire gedachten die rond 1960 de kop op staken. Er waaide in die tijd een nieuwe wind door Europa en ook de kunst werd bevangen door een nieuw élan. Dat uitte zich enerzijds in een protest en bloc tegen de traditionele cultuur die de oorlog had overleefd, en anderzijds in de opwindende ontdekking van iets geheel onbekends. Iets wat je misschien het best kunt aanduiden als de flux van het hier en nu. De kunst wilde opnieuw beginnen. Nu, zero, Nul, dat waren de woorden van die tijd. Die radicale heroriëntatie op heden maakte de kunst performatief. Ze zocht niet meer de statische weergave van de werkelijkheid, of de tijdloze abstrahering daarvan, maar de werkelijkheid zelf in de daad, de handeling, in een actie gericht op verandering. Niet vanuit de hooggestemde idealen van de vooroorlogse avant-garde, maar met oog voor het toeval en de contingentie van het alledaagse bestaan.
Voor velen werd duidelijk wat dat ware de bestemming van de kunst niet buiten deze wereld ligt, maar in de volledige integratie met het leven van alle dag. Kunst moest afstand doen van zijn eigen mythe, afstand ook van alle diepzinnigheid en zwaarte die haar zo lang hadden belast. De lichtheid van het spel, daar ging het voortaan om. Die ontdekking betekende voor sommigen een schok van herkenning. Men herinnerde zich wat Johan Huizinga al voor de oorlog met zijn homo ludens had beweerd. Het spel is kenmerk van het leven dat ouder is dan de cultuur. Zoals een dier een biologische drang heeft tot spelen, zo vindt de mens pas in het spel misschien wel zijn diepste vervulling. In het spel ‘speelt’ iets mee wat moeilijk te benoemen is. Het is geen instinct of iets fysiologisch, maar ook niet iets geestelijks of psychologisch, eerder iets wat tot het spel zelf behoort en natuur met cultuur verbindt.[8] Ook Camus wees – in het spoor van Nietzsche – op het belang van het spel in zijn boek L’homme révolté. Hadden de Grieken niet al beweerd dat de mens een speeltuig van de goden was? Eeuwig is slechts de kracht die geen doel heeft, het spel van de presocratici. ‘Zij wilden van geen einddoelen weten, omdat ze eeuwigheid van hun beginsel wilden handhaven’[9]. Doelloos is dan ook zeker niet zinloos. Al spelend ontdekt het kind dat het geluk juist in de sfeer van doelloosheid te vinden is. De tragiek van de eindigheid van de tijd doet het bewustzijn pijn, maar het spel roept een wereld in herinnering, waarin dit bewustzijn zich zelf verliezen kan. Het spel zoekt vrijheid en improvisatie, vrij van ratio en macht.
Dit soort ideeën, die in de verte een herinnering oproepen aan het Zenboeddhisme met zijn ontkenning van de doelgerichte intentie, doken eind jaren vijftig opeens overal op. Ze inspireerden kunstenaars tot nieuwe experimenten. De introductie van het toeval en het spel bracht een andere opvatting van tijd aan het licht. Toen John Cage werd gevraagd of hij ook wel eens muziek schreef met een begin midden en eind, was zijn antwoord: ‘Jawel, maar in een andere volgorde’. In Europa moeten deze nieuwe gedachten voor het eerst zijn aangewaaid in de straten van Parijs. Juist daar was in de eerste jaren na de oorlog ‘het absurde’ een modewoord geworden. Existentialisten filosofeerden over de contingentie van het dagelijks bestaan. De situationisten voegden vervolgens de daad bij het woord. Zij ontdekten een nieuw soort schoonheid in het ongeordende, in het toevallige, zelfs in het ogenschijnlijk lelijke. Alles kon opeens mooi zijn. De passiviteit van een solitaire, contemplatieve houding werd taboe verklaard. ‘Separatie’, zo stelde Guy Debord, ‘is de alfa en omega van de spektakelmaatschappij’[10]. Van automobiel tot televisie, alles leek er op gericht om mensen te isoleren, af te snijden van het geheel. Geruisloos werd de werkelijkheid vervangen door beelden. De spektakelmaatschappij, zo beweerde Debord, doet hetzelfde wat de religie voorheen heeft gedaan: de mens zijn eigen macht ontnemen[11]. Om dat te bestrijden organiseerden de situationisten een soort stadsguerrilla van kleine, absurde gebeurtenissen Het ludieke werd een daad van verzet. De creatieve potentie van het toeval had in het spel zijn eigen systeem ontdekt.
Die gedachte aan de vrijheid van een spelende mens duikt vervolgens ook op in het Nieuwe Babylon van Constant, in het nieuwe denken over de stedenbouw van Henri Lefebvre waarin de complexiteit van de stedelijke ruimte een model werd voor een nieuwe samenleving. Maar ook in de theorieën over maatschappelijke ‘ontklontering’ en ‘verdunning’ van de Nederlandse architect Van Klingeren. In de gedachten ook van Beuys over de sociale plastiek van vrije en gestolde energie, en zelfs in de ludieke acties van de Provo’s en de Oranje vrijstaat van de Kabouters. Ontwikkelingen in de kunst kregen hun tegenhanger in nieuwe modellen voor de maatschappij. Het waren visies, die uit allerlei bronnen voorkwamen, maar één ding gemeen hadden: een fundamenteel verzet tegen het rationalisme van de technologische samenleving met zijn strakke tijd-as en waarden als efficiency en regelmaat. Het was een verzet tegen de moloch die in de stedelijke ruimte tot kaalslag had geleid en een eenzame menigte had voortgebracht. Het was de verbeelding die de macht ondermijnde, een onderstroom van nieuwe ideeën die de technologische mainstream bestreed. Geen cultuur, maar een tegencultuur zoals Theodore Roszak beweerde.
Als in 1970 met ‘het jaar van de natuur’ een nieuw tijdperk van ecologisch bewustzijn lijkt aan te breken, duikt die utopische droom van spel en vrijheid ook op in de ludieke ideeën van de wilde tuinman Louis le Roy. Het nieuwe evangelie van Beuys – ‘jeder Mensch ein Künstler’ – had zich beroepen op een oud idee uit de Romantiek dat ooit door Novalis was verwoord: ieder mens moet een dichter worden. Le Roy kwam met het imperatief dat ieder mens zijn creatieve inbreng moet kunnen krijgen in de vormgeving van de stedelijke leefomgeving. Daarmee ontkende hij de geheiligde grenzen tussen de openbare en de particuliere ruimte. Hij zette de deur op een kier voor iets nieuws: de gedachte dat mensen op kleine schaal heel goed voor hun eigen omgeving kunnen zorgen. In een land, waar een smetteloze voortuin tot dan toe een signaal van burgerdom en braafheid was, klonken zijn woorden als een vloek in de kerk. Zijn ‘wilde tuinieren’ had een anarchistisch tintje. Hij morrelde aan de fundamenten van de macht.
Le Roy is van al die goeroes uit die tijd een van de weinige overlevenden die zijn idealen trouw is gebleven. Sterker nog, hij heeft als enige de hoogdravende taal van toen omgesmeed tot een inspirerende visie op de toekomst. Bovendien heeft hij die visie tot op de dag van vandaag met eigen handen in praktijk gebracht. ‘Utopisch gedacht’, zo schreef hij in zijn stripverhaal Uilenspiegeltjes, ‘ben ik van mening dat iedere stad zou moeten ontstaan uit de creatieve potentie van al haar inwoners’.[12] Architectuur is daarmee een voortdurend proces in de tijd geworden, waar iedereen aan deel kan nemen. Het bijzondere van de Ecokathedraal zit dan ook niet in zij merkwaardige biotoop, de uitzonderlijke plantensoorten, de rijkdom en complexiteit van het ecologisch systeem, de uitzonderlijkheid van de bouwconstructies of de grilligheid van de seizoenswisselingen en de veranderingen van het licht, laat staan in de therapeutische waarde die het als werkplek heeft, of het meditatief potentieel die het dwalende bezoekers kan bieden. Het uitzonderlijke van de Ecokathedraal zit in de opdracht die erin besloten ligt.
Wie de tijd krijgt, heeft de toekomst. Maar wie de tijd daadwerkelijk krijgt, heeft hij ook het best bewaarde geheim van de macht in handen. Hij heeft een wereld te winnen. De subtiele mechanismen om dat gevaar af te wenden heeft Le Roy in de loop der jaren in alle mogelijke varianten leren kennen. Maar onkruid vergaat niet. Misschien is de grootste kwaliteit van zijn ideeën juist de potentie die ze hebben om de tijd te overleven. Sterker nog, ze hebben het vermogen om telkens weer in een andere context een nieuwe waardering te vinden. Het ecologisch bewustzijn van de jaren zeventig, dat zo bepalend is geweest voor zijn aanvankelijk succes, heeft inmiddels plaats gemaakt voor het denken in netwerken en complexe systemen, waarbij het geheel altijd meer is dan de som der delen. Die nieuwe benadering manifesteert zich niet alleen in de planologie en landschapsbeheer, maar tekent zich als een fundamentele breuk in het denken die zich op tal van terreinen manifesteert.
De globalisering van de wereldeconomie heeft een proces van steeds verder gaande hybridisering op gang gebracht. Eenvormigheid maakt plaats voor grensvervaging, zuiverheid voor besmetting, essenties voor constructies en hiërarchieën voor netwerken Alles heeft tegenwoordig met alles te maken en lijkt ook met alles te communiceren. Een voortwoekerende kruisbestuiving tussen locale en globale cultuur gaat dwars tegen alle planmatige aanpak in. We beleven het tijdperk van de stromen van informatie, maar ook het ongrijpbaar worden de macht. De politiek wordt kleverig en gaat steeds meer schuil in supranationale of quasi-gouvernementele organisaties. De tegencultuur lijkt verdwenen of in de maalstroom van de mainstream te zijn opgenomen.
Langzaam tekenen de contouren zich af van een nieuw imperium. Het besef dringt door dat in een eindige wereld de wetten van de markt het enige regiem is dat ons nog rest. Zelfs oorlog is niet meer wat het geweest is.. Hoe je het ook wendt of keert, de wereldcultuur wordt in een razend tempo één groot complex systeem. Maar hoe zit het met de tijd? We zijn op weg naar een wereld zonder centrum, waardoor ruimte en tijd een totaal ander karakter krijgen. Ze worden steeds meer in elkaar geschoven. In de posthistorische fase ligt de tijd ook lang niet altijd op één lijn. De tijd wordt gestapeld, verbrokkeld en geminimaliseerd. De wereld wordt één grote database, waar iedereen vrijelijk uit kan putten. Zoals de postmoderne architectuur heeft ontdekt dat je alles met alles kunt combineren, zo plakt de muziek van tegenwoordig geluiden aan elkaar. Ritmes worden gesampled met als enige onderlegger een alles overheersende trance-achtige beat..
Maar een rapsodische stapeling is nog geen stilistische integratie. Naarmate de lineaire tijd overgaat een verbrokkelde gelijktijdigheid, zo beweert de Noorse antropoloog Thomas Eriksen, maakt informatieschaarste steeds meer plaats voor een schaarste aan vrijheid van informatie[13]. Daarmee raakt hij aan het kernpunt van Le Roys cultuurkritiek. In de twee naamloze eeuwen sinds de Barok is het hoogste niveau van de cultuur tot het laagste niveau – het chaos niveau – uiteengevallen[14]. De vrijheid die eigen is aan een hoogwaardig complex systeem, heeft plaats gemaakt voor de dwangmatige roes van de eindeloze herhaling. Om met Prigogine te spreken, met al onze technologische vooruitgang hebben het steeds meer over de stenen en nog altijd niet over een kathedraal. De tijd mag dan versnellen en zich eindeloos opstapelen, maar waar blijft het dansen tussen de stenen? De homo economicus is geen homo ludens geworden. Integendeel, het toekomstvisioen van de spelende mens lijkt verdwaald in een labyrint van privé-utopia’s.
Die veranderende context vindt tegenwoordig zijn weerslag in een nieuwe waardering voor Le Roy, niet zozeer als de wilde tuinman met anarchistische opvattingen, maar als een cultuurfilosoof met een vooruitziende blik en een gevoelige antenne voor de tijdgeest.
Die nieuwe waardering is de oude meester van harte gegund, maar er schuilt ook een gevaar in deze wonderbaarlijke doorstart van zijn roem. Nu de betekenis van zijn oeuvre door officiële instanties met terugwerkende kracht steeds meer wordt erkend en ook met prestigieuze prijzen en publicaties wordt bevestigd, kan de indruk gaan ontstaan dat zijn gedachtegoed definitief tot het verleden is gaan behoren. De dag zal heus nog wel komen dat op de Documenta in Kassel – na Aldo van Eyck in 1997 en Constant in 2002 – alsnog een plaats voor Le Roy wordt ingeruimd. Zijn ideeën hebben dan definitief hun plek gekregen in de officiële canon van de kunst. Als een curieus symptoom van utopisch denken zullen ze voorgoed zijn bijgezet in het pantheon van de geschiedenis en daarmee definitief onschadelijk zijn gemaakt.
De ware betekenis van dit oeuvre ligt niet in zijn historische waarde, maar in zijn explosieve lading die telkens weer om een andere aandacht vraagt in de actualiteit. De Ecokathedraal is geen afgesloten levenswerkelijkheid, maar een vitaal model voor het leven zelf, dat door structuren van macht en economie steeds meer in de verdrukking komt. De nieuwste context van Le Roy ligt dan ook eerder op de barricaden van de anti-globalisten dan in het museum of de in kunstgeschiedenis. De zich telkens weer vernieuwende kracht van de Ecokathedraal is een fundamenteel en aanhoudend verzet tegen de tijdgeest, en niet een weerspiegeling daarvan. De tijd van het spel is nog lang niet aangebroken. De wind beweegt. Het stormt. We zullen het huis in stand moeten houden.
Huub Mous
Literatuur
Huizinga, Johan, ‘Homo Ludens’ (1938), Verzamelde werken, band 5, Haarlem 1950
Mitchel Waldrop, M., De rand van chaos, over complexe systemen, Amsterdam, Antwerpen, 1993
[8] “Het spel is een zinrijke functie, In het spel ‘speelt’ iets mee, wat buiten de onmiddelijke zucht tot levensbehoud uitgaat en in de handeling een zin legt. Elk spel beduidt iets. Noemen wij dit actief beginsel, dat aan het spel zijn wezen geeft ‘geest’ dan zeggen wij te veel. Noemen wij het ínstinct, dan zeggen wij niets. Hoe men het ook beschouwt, in ieder geval treedt met deze ‘bedoeling’ van het spel een immaterieel element in het wezen zelf van het spel aan den dag.” Huizinga (1938), pagina. 28