FRIES CALVINISME EN HET CREDO VAN VEENBAAS

Hetgeen er geweest is, hetzelve zal er zijn,
en hetgeen er gedaan is, hetzelve zal er gedaan worden;
zodat er niets nieuws is onder de zon’.

Prediker 1.9


Alles wat bestaat heeft ooit niet bestaan. Dat geldt niet alleen voor de alledaagse werkelijkheid, maar zeker ook voor het domein van de fantasie, verbeelding en de droom. Soms schrik ik ’s ochtends wakker uit een nachtmerrie. Dan heb ik iets raars ervaren wat af en toe terugkeert in mijn dromen. Er is iets grondig mis met de wereld om me heen. In mijn huis woont iemand anders die sprekend op mij lijkt. Mijn baan is overgenomen door een dubbelganger en niemand zegt me nog gedag. De wereld bestaat nog altijd, maar alles wat ik tot nu toe heb beleefd is daaruit weggevaagd. Die wonderlijke gewaarwording kwam mij in gedachten bij het lezen van het eerste twee hoofstukken in de essaybundel van Jabik Veenbaas De lêzer is in duvel (2003). Op zoek naar een eigen esthetisch en poëticaal credo komt de auteur tot een aantal boude beweringen. Het postmodernisme zou een vergissing zijn, zo stelt hij. Eigenlijk beweert hij iets anders: het heeft nooit bestaan. Het postmodernisme is eigenlijk een hedendaagse variant van het modernisme. Nu heb ik twintig jaar lang gemeend dat het postmodernisme – wat het ook geweest moge zijn – wel degelijk heeft bestaan. Sterker nog, ik heb geprobeerd me er in te verdiepen, zonder dit veelkoppige fenomeen overigens ooit geheel te doorgronden. Maar een vergissing? Nee, dat gaat me te toch echt ver. Ik voelde mij dan ook hoogst ongemakkelijk bij dit vreemde credo van Veenbaas.

‘Same as it ever was…’
Alvorens in te gaan op zijn betoog zal ik mijn eigen kennismaking met het postmodernisme wat nader toelichten. Ik kwam met dit fenomeen in aanraking in 1985. De kroegen in Leeuwarden kregen in die tijd andere kleuren. In Milaan werden knotsgekke meubels gemaakt en iedereen sprak over labyrintische structuren. De stad leek opeens een andere plattegrond te hebben gekregen, maar welke dat was wist niemand. ‘We are on a road to nowhere’, zongen de Talking Heads, maar ook Once in a lifetime met de hypnotiserende mantra: ‘Same as it ever was…same as it ever was…same as it ever was’. Ik las Postmodern culture’ (1985) van Hal Foster, een verzamelbundel met essays van Jean Baudrillard, Edward W. Said, Jürgen Habermas en anderen. Dit boek betekende een openbaring voor me. Acht jaar tevoren was ik afgestudeerd in kunstgeschiedenis met eigentijdse kunsttheorie als specialisatie. De opwindende gedachte van een filosofische omwenteling die zijn sporen naliet op alle terreinen van kunst en cultuur, wekte bij mij een grote nieuwsgierigheid. Ik stortte mij op de lectuur van de nieuwe Franse filosofen. Teksten, waar ik aanvankelijk weinig van begreep, begonnen heel langzaam samenhang te vertonen.

Ik zat in die tijd in de redactie van het tijdschrift Boud, architectuur en vormgeving in Friesland en ik begon te schrijven over architectuur en postmodernisme, maar dan op mijn eigen manier. Zo schreef ik een kort verhaal: ‘Architectuur op een bierviltje’. Het begon met een eerste zin die identiek was aan de laatste: ‘Elk gebouw dat bestaat heeft ooit niet bestaan.’ Dat had ik van Gerrit Krol afgekeken. Postmodernisme, zo dacht ik bij mezelf, is zoiets als het citeren van jezelf, maar dan met een zin van een ander. In de architectuurkritiek van het postmodernisme ging het vaak om taal en teken. The language of postmodern architecture (1977) van Charles Jencks was al snel een standaard werk. Om architectuur te begrijpen was het opeens nuttig te weten wat ‘deconstructivisme’ betekende en om dat te begrijpen moest je wel Franse filosofen gaan lezen. In feite heb ik mijn hernieuwde belangstelling voor filosofie te danken aan boeken van Derrida, Baudrillard, Lacan en Lyotard. Maar achteraf beschouwd lag voor mij daar niet de echte doorbraak. Meer nog dan al die intrigerende, Franse gedachtenkronkels werd ik die tijd getroffen door een boek, dat naar mijn smaak nog altijd de breuklijn markeert tussen modernisme en postmodernisme: Philosophy and the mirror of nature (1979) van Richard Rorty. Ik kocht het in het najaar van 1985 bij boekhandel De Tille, in de tijd dat een bebaarde Michaël Zeeman daar nog de inkoop verzorgde. Het lag gewoon op een tafel tussen allerlei andere, spannende filosofieboeken. Toen de jonge wijsgeer dit boek voor mij inpakte – ik zie het nog voor me, er zaten kruimels in zijn baard – mompelde hij iets over ‘Geistesgeschichte’ en ‘Naturgeschichte’, waarna ik het met diep ontzag en grote bewondering bijna ben gaan spellen. Ik schreef erover in Boud, opgetogen alsof ik het licht had gezien.

Als ik mijn prille beschouwing over Rorty achteraf herlees, kan ik een licht gevoel van gêne niet onderdrukken. De hoogdravende toon in mijn woorden laat in ieder zien dat ik destijds bevangen was door een opwindend gevoel van verandering. Er hing iets in de lucht. En al had de prediker uit het Oude Testament dan iets anders willen beweren, er was wel degelijk iets nieuws onder de zon. Het paradoxale was dat dit nieuwe zich manifesteerde in een beweging die juist propageerde dat alles al gezegd, gedaan of al eens eerder gebeurd was. Het was de kracht – en misschien ook de zwakte – van het postmodernisme, dat het zich in een paar pakkende slogans liet samenvatten: ‘Het einde van de grote verhalen’, ‘Anything goes!’, ‘Alles is representatie’, ‘The less is bore’. Hoe dan ook, de opwinding was er niet minder om. Op 7 mei 1986 gaf ik in Leeuwarden een lezing over ‘postmodernisme en het debat in de kunstkritiek’, maar tegelijk moest ik constateren dat binnen de Friese kunstkritiek – of wat daar in die tijd voor door moest gaan – eigenlijk geen sprake van enige theoretische reflectie, laat staan van een debat over postmodernisme. Sterker nog, er was in het Fryslân van die dagen niet eens een postmodern gebouw of kunstwerk te bekennen. Het postmodernisme in kunst en architectuur bereikte Friesland pas jaren later en in afgezwakte vorm. In de Friese literatuur – vrees ik – is het postmodernisme misschien zelfs nooit echt ingedaald. Alleen Anne Feddema zou je achteraf beschouwd wellicht een beginnend postmodern dichter kunnen noemen, maar weinigen in deze contreien namen zijn poëzie in die tijd echt serieus.

Een verhaal apart
Kortom, het postmodernisme heeft in Fryslân nooit echt bestaan. Toen het hier arriveerde was het elders al over zijn hoogtepunt heen. Waarom Fryslân zo weinig ontvankelijk was voor de postmoderne tijdgeest is een verhaal apart. Wie naar verklaringen zoekt raakt al gauw verstrikt in generalisaties, clichés of de gevreesde psychologie van de kouwe grond. Een introvert kunstklimaat en een relatief isolement als het gaat om culturele vernieuwing zullen zeker een rol hebben gespeeld. Maar het is ook verleidelijk om te wijzen op de hardnekkige weerstand in deze contreien tegen alles wat uit het zuiden komt. De nieuwe Franse filosofie stond voor een wijze van denken die in het nuchtere Nederland al moeilijk voet aan de grond kreeg, maar voor veel steile noordelingen al helemaal een brug te ver was. Het postmodernisme had als stijlperiode veel op met de Barok, met zijn hang naar de allegorie, een theatrale apotheose, een zich spiegelend hemelgewelf en het melancholisch besef van verdwijnende vergezichten. Evenals de Barok was het postmodernisme in diepste wezen een fase van rouw om een verdwenen samenhang, een eindeloos proces van recycling van fragmenten en brokstukken. Er werd gejongleerd met de splinters van een wereldbeeld. Maar ook de roomse Barok heeft in het calvinistische noorden nooit veel aanhang gevonden.

Het strenge gedachtegoed van Calvijn is bij veel Friezen diep in de genen ingedaald. De taal is in Fryslân twee keer heilig verklaard, eerst in de preken van steile dominees en daarna in de lyrische gezangen van ruraal romantische dichters. Het Friese modernisme sloot een geheim verbond met de ernst van het bijbelse woord en een vrome hang naar eenvoud en soberheid. Het modernisme daalde neer in de Friese ziel als Gods woord in een ouderling. De kerken zijn hier kaal en de gebouwen bij voorkeur strak en functioneel. ‘We binne net katolyk, we moatte gjin oerdwyls gebou ha’(1), liet architect Eerde Schippers onlangs optekenen in de Leeuwarder Courant, naar aanleiding van zijn bekroonde ontwerp van het Museum Belvédère in Oranjewoud. Friezen redeneren bij voorkeur rationeel, wettisch en formalistisch. Ze denken graag in essenties en niet zozeer in constructies.(2) Postmoderne filosofen zijn vanuit deze optiek al gauw troebel en exuberant en allesbehalve realistisch en pragmatisch. Hun hang naar het irrationele herinnert menige noorderling aan roomse superstitiën. Deze nuchtere kijk op de werkelijkheid laat zich moeilijk rijmen met zoiets ongrijpbaars als de ‘libidinaal ontologische constitutie van de temporaliteit’ (Lacan) of de gedachte dat een teken niet langer begrepen moet worden als het supplement van een oorspong, maar als een ‘oorspronkelijk supplement’ (Derrida). ‘Gooi het maar in mijn pet,’ hoor je dan al gauw roepen.

Wie zich als Fries schrijver wil afzetten tegen zijn directe voorgangers – en tegelijk aansluiting zoekt bij de traditie – heeft dus een probleem. Of beter gezegd, dat probleem is gauw opgelost. Je beweert gewoon dat het postmodernisme nooit heeft bestaan. Dat is dan ook de kern van mijn kritiek op Veenbaas. De Friese situatie, waarin het postmodernisme non-existent is en was, wordt door hem geëxtrapoleerd. Bovendien is de filosofische onderbouwing van zijn betoog niet echt sterk. Hij wil de filosofie van Lyotard niet uitgebreid tegen het licht houden, maar het is wat al te makkelijk als hij stelt dat: ‘(..) nei myn idee Lyotard him binammen fersind hat doe’t er bewearde dat de Ferljochtingsidealen yn ús tiid har jildichheid ferlern hawwe. Sa bewiist demokrasy, yn de tiid fan de Ferjochting yn syn hjoeddeiske stal getten, de lêste desennia mear as ea syn uniferseale brûkberheid. De minskerjochten, produkt by útstek fan de Ferljochtimng, tsjûgje just in dizze tiid fan har fitaliteit. It begrip “minsklikheid” liket wat langer wat mear diel út te meitsjen fan it gewisse fan de ynternasjonale mienskip. De idealen fan de Ferljochting hawwe sa’t skynt har tiid noch net hân en we kinne it tiidrek fan de moderniteit wat dat oangiet dus net samar foar de dea opskriuwe.’(3)

Op deze beweringen valt nogal wat af te dingen. Over de erfenis van de Verlichting heeft Lyotard zich iets subtieler uitgelaten dan Veenbaas suggereert. Met zijn ‘einde van de grote verhalen’ doelde Lyotard op het failliet van de twee grote ‘metadiscoursen’ die we van de Verlichting hebben geërfd. Ten eerste: de gedachte die sinds Kant het Duitse idealisme heeft beheerst, dat het denken op zelfreflexieve wijze moet streven naar een basale fundering van kennis in het subject. Ten tweede: de pragmatische erfenis van Hegel met zijn lange stoet van volgelingen, die vanuit een totaalconcept van de Rede streefden naar emancipatie en vooruitgang. Welnu, met die basale fundering van kennis in het subject – dat heeft ook Rorty duidelijk aangetoond – is het uiteindelijk niet goed gekomen. En dat vooruitgang vanuit een totaalconcept ook tot terreur kan leiden weet inmiddels iedereen. De erfenis van de Verlichting wordt door Veenbaas geïdealiseerd tot iets wat het nooit is geweest, zoals ook het postmodernisme door hem ten onrechte gereduceerd wordt tot ‘een oppervlakkig theoretisch modeverschijnsel’.Dit vertekenend terugblikken bij het verscheiden van een tijdperk is eerder met de ‘de jaren zestig’ gebeurd. Periodes van vernieuwing worden achteraf verguisd door buitenstaanders en nakomers. Het is de vadermoord die elke generatie opnieuw moet begaan. Lyotard scheef ooit een boek Het postmoderne aan kinderen verklaard (1988). Nog even en de vraag wordt gesteld: ‘Papa, wat deed jij in de tijd van het postmodernisme?’

Exit postmodernisme
Wat is in essentie de redenering van Veenbaas? Het postmodernisme, zo stelt hij, was slechts een voorzetting van de moderniteit met andere middelen. Zeker op het terrein van de literatuur. Het objectieve realisme van de negentiende eeuw heeft zich gaandeweg steeds meer gedifferentieerd. De psychologische roman is nooit weg geweest. In de literatuur zou nooit sprake zijn geweest van een werkelijke breuk. Eerder ziet hij één grote doorgaande ontwikkeling naar meer subjectivering en individualiteit. Het postmoderne was slechts een actualisering en reprise van wat de modernen al veel eerder in praktijk hadden gebracht. In de literatuurtheorie zijn de conclusies dan ook te vroeg getrokken. Maar ook op het terrein van de filosofie plaatst Veenbaas vraagtekens als het gaat om een breuk met het modernisme. Filosofische voorlopers van het postmodernisme waren in feite zelf modernist. Maar belangrijker nog, er zijn zaken op één hoop gegooid die niets met elkaar van doen hebben. Wat de postmoderne filosofen bedachten gaat niet op voor de literatuur en zeker niet voor de Friese literatuur. De breuk met het cartesiaanse wereldbeeld, die zich in de naoorlogse filosofie heeft voltrokken, is ten onrechte in verbinding gebracht met een breuk met de moderne literatuur die meestal met schrijvers als Joyce, Musil en Proust wordt geassocieerd. Dat is een simplificatie. Kortom, Jabik Veenbaas neemt afscheid van een verleden dat er nooit is geweest. Exit postmodernisme. Het was een vergissing. Foutje. De vermeende breuk met het Verlichtingsdenken wordt weer hersteld. Of beter gezegd, ook die breuk is er nooit geweest.
Dit betoog voegt zich moeiteloos in de huidige neoconservatieve tijdgeest van na 9/11. Het is wonderlijk dat Veenbaas met zevenmijlslaarzen door de geschiedenis van de twintigste eeuw marcheert, maar de gevolgen van ‘The war on terror’ compleet onbesproken laat. En dat terwijl het hedendaagse discours in kunst en literatuur juist daarover gaat. Zijn essaybundel dateert van 2003, het jaar dat Bush jr. en consorten Irak binnenvielen Het betoog van Veenbaas staat niet op zichzelf, maar past in een tendens die sindsdien alleen maar sterker is geworden: de herontdekking van de traditie als tegencultuur. Alom lijkt sprake van een ‘immigratie naar binnen’ als verzet tegen een bedreigde vrijheid in een onveilige wereld. De metropool van de eigen psyche wordt een vluchtheuvel voor de oprukkende barbarij en die escape wordt gepresenteerd als nieuw soort ‘humanitair engagement’. Opmerkelijk is ook de restauratieve ondertoon in zijn betoog, die niet verantwoord wordt, laat staan gepositioneerd in de tijd. De kunst moet zich eens te meer op de grondwaarden van de Verlichting oriënteren. dat wil zeggen: op vrijheid en democratie. De ‘Bildung’ als opgave van de Verlichting is dus nog niet voltooid, al mogen ‘de grote verhalen’ dan door Lyotard ten grave zijn gedragen. Doel van de kunst is eens te meer de ontwikkeling en verrijking van de menselijkheid.

Veenbaas schrijft in korte, stellige zinnen zonder opsmuk en franje. Soms doen zijn woorden me denken aan het krachtige proza van kort na de bevrijding, zomaar geknipt uit De nationale cultuurtaak (1947) van Gerard van der Leeuw. Er zit een defensieve grondtoon in zijn woorden. Er moet iets verdedigd worden, maar tegen wie of wat wordt niet duidelijk. De vrijheid van de kunst als voertuig van emancipatie, dat was een slogan uit de tijd van de Koude Oorlog. Veenbaas spreekt niet zozeer over emancipatie, maar over ontwikkeling. Die ontwikkeling speelt zich niet af in de echte wereld, maar in de metropool van de menselijke geest. Het zijn immers de grote filosofen geweest die de wereld hebben veranderd. En tot slot nog een fraaie, neoconservatieve onliner: ‘De keunst engazjearret him dêrom fakentiden latint oan de demokrasy’.(4) Vrijheid en democratie, dat is het doel waarnaar wij streven. De vrijheid van de kunst is zelfs groter dan de democratie en vanuit dit perspectief komen Montesquie en Sade op één lijn te liggen als pioniers van een hyperindividuele, geestelijke vrijheid. Dit is in een notendop het poëticale credo van Veenbaas. Met deze hernieuwde humanitaire esthetica loopt hij voorop in een vreemde fanfare. De eigen navel wordt tot middelpunt van een emanciperende mensheid verheven, op weg naar de vrijheid en democratie voor alle hyperindividuen.

Fata morgana?
Maar om tot de kernvraag van Veenbaas’ bewering terug te keren. Heeft het postmodernisme in de literatuur überhaupt wel postgevat? Was het niet een fata morgana, een voorbijgaand illusoir fenomeen dat even opgloeide in de verte toen het hegeliaanse denken over geschiedenis en vooruitgang voorgoed achter de horizon verdween? De roman bloeit als nooit te voren. En wat is dat eigenlijk, ‘een postmoderne roman’? Was niet al het postmoderne al in de kiem in het moderne aanwezig? Gevraagd naar het essentiële verschil tussen een moderne en een postmoderne roman, heeft Gerrit Krol ooit een beknopt antwoord gegeven. Een postmoderne roman heeft plaatjes, een moderne niet.(5) Met andere woorden: het modernisme was in wezen een proces van reductie, een zuivering van het kunstwerk tot de formele middelen die eigen zijn aan het medium zelf. Voor de literatuur was dat taal en tekst, voor de schilderkunst doek en verf. Het modernisme was een poging om definitief met de mimetische traditie te breken, en tegelijk deze traditie met formele middelen te evenaren. In de schilderkunst betekende dit adagium dat het schilderij gereduceerd moest worden tot vlak, lijn, kleur, proportie, compositie, balans etcetera. In de muziek is Schönberg misschien het hoogtepunt van het modernisme. In de literatuur: Mallarmé, Jarry, Roussel, Musil, Joyce misschien, maar dan begint deze stelling al te wankelen. Joyce zou ook een postmodernist kunnen zijn. Het probleem is dat een tekst nooit puur formeel kan worden opgevat. Er blijft altijd een mimetisch element aanwezig, dat wil zeggen een talige weerspiegeling van de wereld. Ook in zijn meest individuele en formele manifestatie van poëzie of proza keert de wereld terug in het woord.

Voor de literatuur lag het credo van het modernisme niet zozeer in de formele reductie tot taal en teken, maar in het geloof dat een literair kunstwerk een eigen presentie heeft, een eigen authentieke aanwezigheid in een talig domein, al dan niet als uitdrukking van een oorspronkelijk subject dat toegang heeft tot een – tot op zekere hoogte – kenbare of uit te drukken werkelijkheid. Het probleem van de modernisten lag in de vraag hoe je een innerlijke werkelijkheid op formele wijze zichtbaar of ervaarbaar kon maken voor anderen. In zijn essay Hamlet and his problems (1920) schreef T.S. Eliot over een ‘objectief correlatief’, een element in een literaire tekst (i.c.: een reeks objecten, een situatie of een keten van gebeurtenissen), dat de formule zal zijn voor een specifieke emotie (van de auteur), zodat de emotie – als de uitwendige feiten gegeven zijn, die in een zintuiglijke ervaring moeten resulteren – onmiddellijk (bij de lezer) wordt opgeroepen.(6). Dit ‘objectief correlatief’ was mimetisch van aard, niet zozeer omdat een kunstwerk op enigerlei wijze de wereld weerspiegelt, maar omdat een talige representatie van een mentale toestand van de auteur door een lezer als zodanig herkend kan worden. In feite behoorde dit ’objectief correlatief’ tot de klassieke mediatheorieën, met zijn onderscheiden eenheden van zender, ontvanger en boodschap. Het bestaanrecht van dit ‘objectief correlatief’ werd door de modernisten niet betwist. Zij gingen er vanuit dat taal niet alleen feiten kan afbeelden, maar ook emoties kan oproepen, bijvoorbeeld in een gedicht. Verstand en gevoel – zo ontdekte men – lopen in het afbeeldingsproces van de taal nogal eens door elkaar heen. Wittgenstein probeerde aanvankelijk nog de afbeelding van feiten en het oproepen van emoties uit elkaar te houden, om te voorkomen dat deze twee registers werden verward. Zo ging ook zijn Tractatus (1921) nog uit van een ‘objectief correlatief’ tussen de woorden en de ‘betekende’ dingen, een relatie die weliswaar arbitrair was, maar in een verhouding van één op één in ‘atomaire feiten’ te analyseren viel.

Die directe relatie wordt bij de late Wittgenstein problematisch. De taalspelen van zijn Filosofische onderzoekingen (postuum, 1953) staan aan het begin van de postmoderne ondervraging van de wereld als een zich eindeloos verschuivend spel van taal en teken. In Wittgensteins laatste werk, Over zekerheid (1951), slaat zelfs ontologische twijfel toe, als hij zich afvraagt of er soms iets mis is met het bewustzijn.(7) Zoals in de nieuwe mediatheorieën communicatie wordt opgevat als een zich voortdurend transformerend proces in de tijd, waarbij zowel zender, boodschap als ontvanger dynamisch en integraal betrokken zijn, zo raakt in de postmoderne esthetica het ‘objectief correlatief’ uit beeld als een al te statische constructie. In feite raakt elk ‘objectief correlatief’ tussen het teken en het betekende in het postmoderne denken op drift. Ook de resultaten van de cognitieve psychologie, waarin het denken wordt onderzocht als onderdeel van de elektrochemische werking van het zenuwstelsel, kunnen niet in verband worden gebracht met de innerlijke spiegelbeelden die de traditionele filosofie heeft opgeleverd. Gedachten zijn geen mentale toestanden die zo bijzonder van aard zijn dat zij tot oncorrigeerbare waarheden kunnen leiden. De spiegel breekt die het denken verbond met de wereld, zoals Rorty omstandig heeft aangetoond. Het menselijk intellect verliest voorgoed zijn geprivilegieerde toegang tot zijn eigen kenvermogen en daarmee is de dood van het subject een feit.

Die crisis in de filosofie markeert in feite het ontstaan van het postmodernisme. Niet alleen in het spoor van Wittgenstein, maar ook in dat van Heideggers ontologische differentie raakte een hele naoorlogse generatie filosofen verstrikt in wat Derrida heeft aangeduid als ‘een scheur in de taal zelf’. De taal is doortrokken van een leegte, of zoals Derrida het noemt ‘doorboord met afwezigheid’. De breuk tussen het moderne en het postmoderne is dan ook niet te vatten in termen als realisme, of psychologisch realisme, of een graduele verschuiving naar hyperindividualisme – zoals Veenbaas achteraf probeert te doen –; het is een breuk die betrekking heeft op de presentie van het teken. De tegenwoordigheid zelf kwam in het geding. Tegenwoordigheid – of anders gezegd, een subjectieve ervaring van presentie in het moment van verschijnen – was niet meer de grondvorm van het bewustzijn.

Ook Veenbaas herkent deze breuk als hij schrijft over de verschuiving van een moderne ‘epistemologische twijfel’ naar een postmoderne ‘ontologische twijfel’. Maar deze breuk ziet hij eerder als een continuïteit. Het proces van de twijfel blijft immers bestaan, al is er sprake van een categorieverschuiving van het object waarop deze twijfel betrekking heeft. De vraag is nu of door het beklemtonen van een continuïteit het postmodernisme recht wordt gedaan. Het modernisme werd niet alleen gekarakteriseerd door een fundamentele onkenbaarheid van de werkelijkheid, die terugging op de zelfkritiek van de rede in het denken van Kant, maar ook op de op Hegel en Marx gebaseerde maakbaarheid van de wereld. De modernistische filosofie was in feite een tweesporig proces, waarbij – zeker in het tweede spoor – fundamentele waarden als individuele vrijheid en democratie niet bij voorbaat waren veiliggesteld. Of dit in het eerste spoor uiteindelijk wel gebeurt is nog maar de vraag. In de ontologische twijfel van het postmodernisme komt de moderne legitimering van vrijheid en democratie opnieuw ter discussie staan. De moderne esthetica kende ook een drang naar onmiddellijkheid, in een aanhoudende poging om aan de wetten van de mimesis te ontsnappen. De tragische ontsporing in het denken van Heidegger bij de doorbraak van het nationaal-socialisme in Duitsland werd voor veel postmoderne filosofen niet voor niets een belangrijk probleem.

Maar hoe zie je deze breuk tussen epistemologische twijfel naar ontologische twijfel zich dan manifesteren in een postmoderne roman of een postmodern gedicht? Met andere woorden; hoe raakt hier het ‘objectief correlatief’ op drift en wat zijn de gevolgen daarvan? Veenbaas constateert dat het literaire modernisme in veel opzichten al kritiek bevatte op de filosofische moderniteit, en als zodanig vooruitloopt op het filosofisch postmodernisme. Daarmee heeft hij een punt. De kiemen van het postmodernisme liggen in het modernisme besloten. Dat de roman en een gedicht een eigen taalruimte veroverden, werd al duidelijk in de tweede helft van de negentiende eeuw. Die breuk diende zich misschien wel voor het eerst aan in de romans van Flaubert, zoals Foucault heeft willen aantonen in zijn essay De verbeelding van de bibliotheek (1986). Die eigen taalruimte in de romans van Flaubert is vergelijkbaar met de ontdekking van het eigen vlak van het schilderij bij Monet. Sterker nog, de ontdekking van deze autonome domeinen in taal en verf heeft een eigen bestaansruimte voor het modernisme in feite opengebroken. De mimesis werd opgeschort, maar niet verlaten. De weerspiegeling van de wereld werd uitgesteld, maar bleef wel degelijk intact. In het postmodernisme breekt de spiegel voorgoed. De eigen taalruimte van de roman en het vlak van het schilderij werden voortaan een probleem op zichzelf. Het gaat niet langer meer om het opschorten of uitstellen van de mimesis, maar om het probleem van de mimesis zelf. Zoals Gerhard Richter in de naoorlogse schilderkunst een postmodern pionier is geweest – zoals Monet dat honderd jaar eerder was voor het modernistische schilderij –, zo heeft Thomas Pynchon wellicht die pioniersrol vervuld voor de postmoderne roman in verhouding tot zijn voorganger Flaubert als pionier van het moderne roman in de negentiende eeuw.
De bizarre complexiteit in de structuur van Thomas Pynchons Gravity’s Rainbow (1973) – in het Nederlands vertaald als Regenboog van zwaartekracht (1992) – zou je typerend kunnen noemen voor de postmoderne roman. Ik moet eerlijk zeggen, ik ben ooit begonnen mij een weg te banen in de 748 bladzijden van dit monstrueuze boek, maar ergens onderweg ben ik verdwaald. Het is wat je noemt een labyrint. Een echte postmoderne roman lees je kennelijk niet voor je plezier, maar dat wil niet zeggen dat ze niet bestaan. Het boek van Pynchon wordt gekenmerkt door een perspectivische fragmentatie van honderden personages, een hang naar het maximale en overvloedige, de overdadige introductie van feiten uit de exacte wetenschap, het spelen met geometrie en numerologie in de narratieve structuur, het encyclopedische en zelfreferentiële karakter van de tekst, de verzelfstandiging van de verwijzing die zich problematiseert als talig universum, de vermenging van hoge en lage cultuur, kortom, stuk voor stuk kenmerken die zich wellicht eerder hebben aangediend bij de moderne roman of de ‘nouveau roman’, maar nooit zo consequent en zo exuberant in één keer. Wat hier gebeurt is wat je noemt ‘over the top’. Er voltrekt zich een categorische verandering. En al mag het waar zijn dat deze roman in zijn extreme radicaliteit weinig navolging heeft gehad, invloeden hiervan in de romankunst van de jaren tachtig en negentig zijn zeker aan te wijzen. De romankunst werd overstroomd door overdaad, overtolligheid, woekering en redundantie. De erfenis van het postmodernisme in veel opzichten onzichtbaar, om de simpele reden dat deze erfenis inmiddels gemeengoed is geworden.

Friese literatuur
Maar wat heeft dit alles met de Friese literatuur van doen? Als je de Friese literatuur definieert als datgene wat in het Fries geschreven wordt door Friestalige auteurs die zich verhouden tot een eigen Friestalige traditie, dan valt er veel weg uit je blikveld. Denkend aan het postmodernisme in Fryslân zie ik geen brede rivieren traag door oneindig laagland gaan. Er schieten mij wel namen te binnen. Kees ’t Hart met zijn warenhuizen en woordtentoonstellingen en Atte Jongstra met zijn lexicogrofische hyperstructuren. Maar zijn dat wel Friezen? Waar gaat het hier over: het geografisch domein, het genealogisch domein, of het taaldomein van Fryslân? Welk geconstrueerd domein komt in beeld als we spreken over de Friese literatuur? Denkend aan het postmodernisme in deze contreien, zie ik de schrijver-performer Koos Dalstra, nota bene medeoprichter van de ‘Maximalen’, een groepering die zich eind jaren tachtig radicaal afzette tegen het formele ‘minimalisme’ van hun voorgangers, zoals ook veel beeldende kunstenaars in die tijd verzet aantekenden tegen de strakke dogma’s van het modernistische neoconstructivisme van de decennia daarvoor.

Koos Dalstra, die zich eind jaren tachtig ‘Dalstar’ ging noemen – geen aardappelras zoals de inmiddels ontbaarde Michaël Zeeman vilein opperde – publiceerde een aantal dichtbundels, schreef een novelle en voerde sinds begin jaren tachtig een groot aantal performances uit, waaronder ook in Fryslân. Dalstar schrijft staccato, in korte zinnen, soms cryptisch en raadselachtig, dan weer lyrisch en met brede gebaren. Dalstar heeft geen stijl, hij speelt met stijlen. In zijn gedichten nemen tekens vaak de plaats in van woorden. ‘Prachtig’ en ‘nacht’ worden consequent gespeld als ‘pr8chtig’ en ‘n8cht’. En de zin ‘Er is geen thee’ wordt ‘R ≠ T’, een spelling die doet denken aan muziek van hedendaagse rapgroepen. Daarmee was Dalstar in die late jaren tachtig zijn tijd ver vooruit. De taal wordt door hem ingedikt, teruggebracht tot een bewegingsritme. De klank neemt een andere vorm aan, zodat het woord voor het oog eventjes losweekt van zijn feitelijke betekenis. Soms gebruikt hij ook woorden of een opeenvolging van klanken die opeens ook een heel andere betekenis blijken te hebben. Dit soort subtiele verschuivingen tussen vorm en inhoud is misschien wel kenmerkend voor zijn werk. Kortom, Dalstar is bij uitstek een postmodernist, dat wil zeggen: iemand die de ironie tot theater verheft, die hokjes doorbreekt, disciplines vermengt, zapt van hoge naar lage cultuur, het podium betreedt en de zuivere literatuur besmet met non-literaire, zoniet exotische elementen, maar is hij ook Fries? Anders gezegd, welke bril moet je opzetten om hem niet als zodanig te zien?

Het postmodernisme is in veel opzichten een bevrijding geweest. Het heeft de kunst definitief bevrijd uit de kluisters van zijn mythes en het keurslijf van zijn dogma’s. Het was een bevrijding uit de ideologie van de moderne avant-garde. Die ideologie is in laatste instantie voortgekomen uit het vooruitgangsdenken van de Verlichting. In diepste wezen droeg deze ideologie de sporen van een westerse, imperialistische aanspraak op universele waarden. Maar is dit project van de moderniteit dan nu voltooid? Is het stralende licht van de Verlichting misschien even verscholen geweest achter de maan van het postmodernisme, als een tijdelijke eclips van de zon? Moeten we niet zorgen dat dat licht weer volop gaat schijnen? Moet het Westen niet juist de barricaden op voor de verdediging van de universele erfenis van de Verlichting? De staf die Veenbaas nu breekt over het postmodernisme en zijn pleidooi voor een hyperindividuele, humanitaire esthetica roepen herinneringen op aan de discussie tussen Lyotard en Habermas in het begin van de jaren tachtig. Ook toen ging het over de vraag of het project van de moderniteit nu voltooid was of niet. Veenbaas lijkt zich achteraf aan de zijde van Habermas te scharen, de filosoof die – zoals hij zelf in herinnering brengt – de democratie heeft gedefinieerd als een voortgaand proces. Kennis wordt in de optiek van de late Habermas een vorm van communicatief handelen dat vrij van macht dient te zijn en moet leiden tot een garantie voor democratie. ‘Postmodernisme light’, zou je achteraf kunnen zeggen.

Ook het neopragmatisme van Richard Rorty, die in de jaren tachtig pleitte voor een ‘edifying philosophy’, was achteraf beschouwd een lichte variant van postmodernisme.(8) In het debat tussen Habermas en Lyotard nam Rorty een middenpositie in. Hij was het met Lyotard eens dat we geen ‘metadiscours’ meer nodig hebben, maar gaf Habermass gelijk dat het streven naar een consensus niet per definitie tot verstarring of onderdrukking hoeft te leiden.(9) Een voortgaand, communicatief handelend, of een bouwend proces zonder utopische vergezichten of aanspraken op een geprivilegieerde toegang op universele waarheden, dat behoort tot nu tot een postmodern wereldbeeld, waar weinig op af te dingen valt. Naast radicale stellingnames en roekeloze verkenningen van het irrationele kende de postmoderne filosofie ook de middenweg van de redelijkheid. Dat gold niet alleen voor de filosofie, maar ook voor de literatuur. Maar Veenbaas draaft door: het postmodernisme was een vergissing.

‘Het postmodernisme,’ zo heeft Lyotard beweerd, ‘is eenvoudigweg het modernisme in zijn voortdurende staat van geboorte.’(10) Met andere woorden, er is geen breuk, maar wel een categorisch verschil. Lyotard wees op het sublieme, dat juist in de moderne avant-garde aanwezig was met zijn toespelingen op het denkbare dat niet gerepresenteerd kan worden. De scheidslijnen tussen het moderne en het postmoderne zijn vaak grillig, vaag en soms zelfs in het geheel niet aanwezig, maar dat er sprake was van een langzame aardverschuiving, die eindigde in een schok, valt achteraf niet te miskennen. Dat die aardschok in Fryslân nauwelijks tot een trilling van de bodem heeft geleid is een andere zaak. Het unificerende karakter van het modernisme had vaak weinig oog voor het verschil, het incommensurabele, het onderdrukte en onuitgesprokene. Het modernisme had niet zelden de waarheid in pacht. Niet voor niets heeft juist de premoderne islam als geen andere religie geleden onder de repressie van de moderniteit. De postmoderne filosofie verklaarde de oorlog aan elke universele aanspraak op ‘het al’ die juist in het modernisme tot uiting kwam. ‘Laten we van het onrepresenteerbare getuigen,’ zo schreef Lyotard, ‘laten we de geschillen opzwepen. Laten we de eer van de naam redden.’(11)

Maar is Veenbaas het daarmee oneens? In feite is dat precies waar hij het over heeft, als hij verwijst naar de literatuurtheorie die als dragende kenmerken van de postmodernistische literatuur wees op: ‘(..) heterogeniteit en yntertekstualiteit, dêr’t dan in aksintuearring fan de talichheid fan it wurk oan tafoege waard.’(12) Dat lijkt me toch een aardig vertrekpunt om de strijd tegen de tijdgeest aan te gaan. Schrijvers en kunstenaars moeten niet op hun eigen wijze de oorlog aan de terreur gaan verklaren. Die oorlog winnen ze nooit. Individuele vrijheid van kunst is juist het beste wapen tegen de oprukkende onvrijheid. Kunst moet de open plek van een verdwenen God vrijhouden, zoals ook de ‘lege plaats van de macht’ (Lefort), die de basis vormt van de democratie, door niets en niemand mag worden ingenomen. Hoe bewerkstellig je dat? De kunst kan dat zeker niet alleen. Een kunstwerk kan wel de eindeloze complexiteit van de wereld tonen in romans en gedichten, in beelden die zich moeilijk prijsgeven en zich ontrekken aan de stroom en het spektakel. Die opdracht van de moderne avant-garde is door het postmodernisme niet terzijde geschoven, integendeel. Veenbaas wil af van een dogmatische literatuurvisie en pleit voor een brede tolerante poëtica. Maar wie kan daar tegenwoordig nog tegen zijn? Het heeft er alle schijn van dat hij op zoek is naar een opponent die hij niet kan vinden. Als hij uitvaart tegen de generatie van Friese formalisten, die zelf dogmatici zijn geworden, krijgt zijn betoog de trekken van een verongelijkte vertegenwoordiger van de generatie X, die tot de conclusie kwam zelf niets beleefd te hebben en de schuld gaf aan de babyboomers die alles hebben verknald. Helaas zit de wereld wat ingewikkelder in elkaar.

Verstandelijk fantasma
Niet alles wat de Verlichting heeft opgeleverd is bruikbaar tot in de eeuwigheid. Kants visie op de ethiek was in wezen metafysisch van aard, zoals ook zijn bevrijding van de esthetica uit het domeinen van het weten en de moraal in laatste instantie een metafysisch karakter had. Die typisch westerse metafysica is allesbehalve universeel. Op zo’n fundament valt moeilijk een poëtica te bouwen, of die nu modern is of postmodern, laat staan dat hier het laatste weerwoord te vinden is op de absolute aanspraak op eigen gelijk van het oprukkende radicalisme en fundamentalisme. De rechtsfilosoof John Rawls stelt dat een basistheorie over rechtvaardigheid niet gebaseerd kan worden op een metafysische visie op de menselijke natuur, zoals in de Verlichting werd gepropageerd.(13) Elke gekozen basisstructuur voor een grondwet zal bepaalde levensbeschouwingen en leefwijzen uitsluiten of andere bevorderen. Het morele subject is uiteindelijk de individuele burger, niet zoiets als ‘het zelf’ of een ander verstandelijk fantasma van de Verlichting. Ook dat inzicht behoort in wezen tot de erfenis van het postmodernisme. En als je wilt kun je ook hier de wortels van terugvinden in de moderniteit. Ook Wittgenstein was zich bewust dat de rede alleen een instrument van het goede kan zijn wanneer het de rede is van een goed mens.(14)

Misschien was de grootste verdienste van het postmodernisme wel een historische correctie op het modernistische beeld van de Verlichting, als zijnde de bakermat van vrijheid, gelijkheid en democratie. Dat hypercorrecte beeld van de Verlichting is inmiddels genoegzaam gecorrigeerd door postmoderne filosofen van diverse pluimage. Toch lijkt het hedendaagse neoconservatisme vrijheid en democratie opnieuw heilig te verklaren als monolithische erfenis van de Verlichting. Als de liberale democratie gevaar loopt, dan komt de kunst in de knel, zo beweert Veenbaas. In dat geval is verzet geboden. Pas als de democratie is veiliggesteld, dan kan de kunst zijn ware taak weer oppakken, dat wil zeggen: de artistieke exploratie van de hyperindividuele menselijke subjectiviteit. Die legitimatie van de kunst in het voortbestaan van de democratie is me wat al te makkelijk. Democratie is geen wondermiddel, laat staan de basisconditie voor alle denkbare menselijke waarden. Democratie is ook geen basisvoorwaarde voor geluk. Twee hoeraatjes voor de democratie, zei Churchill, geen drie, dat is één teveel. Dat elementaire waarden als vrijheid en gelijkheid binnen een democratie op gespannen voet kunnen komen, werd kort na de Franse revolutie al duidelijk. Menselijke waarden zijn ook intersubjectief en relationeel van aard en niet alleen tot de geïsoleerde vrijheid van het individu te herleiden. Je kunt nog beter ongelukkig zijn onder het juk van een tirannieke vorst dan gebukt moeten gaan onder het beklemmende dictaat van een ontspoorde democratische meerderheid. Dat was in de kern de kritiek van Edmund Burke op de uitkomst van de Franse revolutie.(15) Dat verlichte inzicht vormt nog altijd ‘a hard one to remember’ voor veel hedendaagse neoconservatieven die hun heil zoeken in de erfenis van de Verlichting.

Bij alles wat van het postmoderne te zeggen is – en dat is zeker niet alleen goeds – zijn ook verworvenheden te noemen. Die winst was geen vooruitgang in het spoor van de Verlichting, maar eerder een herovering, een terugkeer naar… ja, naar wat eigenlijk? Postmodernisme was misschien wel The road to nowhere van The Talking Heads. Hoe dan ook, het was een schitterende ervaring om even naar niets op weg te zijn. Het postmodernisme heeft opnieuw belangstelling gewekt voor wat lang verzwegen, vergeten of verdrongen was, voor alles wat onderdrukt werd vanuit een moderne, kosmopolitische en utopische eenheidsvisie, vanuit een universele aanspraak op humanitaire waarden en een rationeel verankerde waarheid. Het postmodernisme heeft opnieuw de ogen geopend voor de waarde en de onkenbaarheid van de historische werkelijkheid, voor het cultureel erfgoed, voor het exuberante, woekerende, hedonistische en irrationele, voor alles wat ooit niet paste in de calvinistische canon van de moderniteit, en niet in de laatste plaats: voor de waarden van niet-westerse culturen en culturele minderheden. Kortom, het postmodernisme kreeg weer oog voor het differentiële, het retardaire, het a-centrische en het regionale.

Veenbaas is gespitst op de individuele kern van een literaire werk, zoals de duivel dat is op de ziel. Hij zoekt te eigenheid van Obe Postma, het bijzondere van Tsjêbbe Hettinga en het eigenzinnige van Trinus Riemersma. Dat is zijn goed recht, maar wie over het eigenzinnige spreekt mag de bijzondere erfenis van postmodernisme niet verzwijgen. Juist in dat opzicht rammelt het credo van Veenbaas. Als er iets is dat baat heeft gehad bij het postmodernisme, dan is dat het eigenzinnige karakter van de Friese literatuur. De huidige aandacht buiten Fryslân voor Friese poëzie, die begon met de doorbraak van Tsjêbbe Hettinga op de Frankfurter Buchmesse in 1993, was zonder het postmodernisme ondenkbaar geweest. Zoiets kun je toch moeilijk een vergissing noemen. Het postmodernisme vraagt om een waardig afscheid, niet om een ontkenning van zijn bestaan. Er was wel degelijk iets nieuws onder de zon. Of om nogmaals mezelf te citeren in een zin van een ander: ‘Alles wat bestaat heeft ooit niet bestaan’.


Noten

(1) Leeuwarder Courant, 15 april 2006. Dat het Museum Belvédère inmiddels door de BNA is uitverkozen tot ‘Nederlands beste gebouw van het jaar’ mag duiden op een actuele herwaardering voor de modernistische architectuur, die juist in Fryslân – tegen de postmodernistische verdrukking in – nog altijd heeft standgehouden. Fryslân heeft veel goede modernistische architecten voortgebracht, van Piet de Vries tot Abe Bonnema. In het overzichtswerk Architectuur in Fryslân, 1940-2000 (2000) concluderen Ap Ernst en Herma Hekkema: ‘Nuchterheid overheerst. Voor Fryslân geen intellectuele zoektocht naar de mogelijkheden van architectuur en stedenbouw in relatie tot kunst, wetenschap en maatschappij of “malle fratsen” in de vorm van een Mendini-museum, zoals in de hoofdstad van buurprovincie Groningen. Geen schots- en- scheve videopaviljoens, maar Ids Willemsma’s “tempeltje” ter gelegenheid van de afsluiting van de Deltawerken, een dramatisch gebaar op de zeedijk achter Marrum, maar wel één van de sobere en stoere monumentaliteit voortkomend uit het dijklichaam zelf’. Ernst en Hekkema, 27.

(2) Een basale verwantschap tussen modernisme en calvinisme komt tot uiting in de zakelijke vernieuwingen binnen de gereformeerde kerkenbouw in het begin van de twintigste eeuw. Anders dan de katholiek Pierre Cuypers (1827-1921), die eerder met zijn neogotiek de moderniteit ontkende en het middeleeuwse verleden idealiseerde, was het de calvinist Abraham Kuyper ( 1837-1920), de geestelijk leidsman van de gereformeerden, die nauwkeurig heeft aangegeven aan welke pragmatische eisen een gereformeerd kerkgebouw moet voldoen. In feite waren de gedachten van Kuyper zeer functioneel en uiterst modern. Het modernisme moest volgens Kuyper niet worden verworpen, maar in de kern worden gewaardeerd. In een toespraak in 1871 beweerde hij het volgende: ‘Wie zijn vijand niet waardeert, bestrijd niet hem, maar het schrikbeeld zijner eigen gedachte. Van die strijd wensch ik mij dus te onthouden. Veeleer zal juist waardering van het modernisme mij den grond voor zijn bestrijding bieden; en die beiden nu, én wat ik in het modernisme waardeer én wat ik in die geestesrichting bestrijd, wist ik u niet korter en niet beter weêr te geven, dan door het Modernisme u voor te stellen als “Fata Morgana op Christelijk gebied”.’ Zie ook: Mous, Jonge bouwkunst in Friesland ( 1991), 28-29. Verder hebben diverse kunsthistorici er op gewezen dat het modernisme in Nederland in het protestantse noorden van begin af aan meer ontvankelijkheid ondervond dan in het katholieke zuiden is. Zie o.a.: Jaffé, Utopie en werkelijkheid in de beeldende kunst (1986) en Immanse e.a., De Nederlandse identiteit in de kunst na 1945 (1984) . In het Fryslân van na de Tweede Wereldoorlog was er sprake van een soort verlate doorbraak van de moderniteit (zie: Mous, Reizen door de tijd. Ppublieke kunst in Fryslân 1945-2005 (2005). Vooral het (neo)constructivisme hield in Fryslân langer stand dan elders. Begin jaren negentig werden bij de verantwoording van het verzamelbeleid van het Fries Museum het constructivisme en het expressionisme aangeduid als de twee (modernistische) stromingen die in Friesland meer dan elders hadden postgevat.

(3) Jabik Veenbaas, De lêzer is in duvel, 12.

(4) Veenbaas, De lêzer is in duvel, 23.

(5) ‘Wanneer u straks thuisgekomen, gevraagd wordt: waar ging het over, dan zegt u: over moderne en postmoderne romans. Wordt u gevraagd: wat is daartussen het verschil, dan zegt u: in een moderne romans staan plaatjes, geen figuren, dan mag niet en in een postmoderne roman mag dat wel.’ Gerrit Krol, ‘De abstracte roman, een beschouwing over postmoderne literatuur’, in: Wayne Hudsen en Willem van Rijen, red., Modernen versus Postmodernen (1986), 153-172.

(6) ‘The only way of expressing emotion in the form of art is by finding an “objective correlative”; in other words, a set of objects, a situation, a chain of events which shall be the formula of that particular emotion; such that when the external facts, which must terminate in sensory experience, are given, the emotion is immediately evoked.’ T.S. Eliot, The Sacred Wood: Essays on Poetry and Criticism (1922) 211.

(7) De laatste woorden die Wittgenstein schreef – twee weken voor zijn dood – duiden op een vorm van ontologische twijfel: ‘Maar al kan ik me dan niet vergissen in zulke gevallen – is het niet mogelijk dat ik onder narcose ben? Als ik ben en als de narcose me van het bewustzijn berooft: spreek ik en denk ik nu niet werkelijk? Ik kan niet in ernst aannemen dat ik droom. Wie in zijn droom zegt “Ik droom”, ook al spreekt hij daarbij verstaanbaar, heeft net zo min gelijk als wanneer hij in zijn droom zegt “Het regent” terwijl het inderdaad regent. Ook wanneer zijn droom werkelijk verband houdt met het geluid van de regen.’ Wittgenstein, Over zekerheid (1977) 148.

(8) ‘Edifying philosophers want to keep space open for the sense of wonder poets can sometimes cause – wonder that there is something new under the sun, something which is not an accurate representation of what was already there, something which (at least for the moment) cannot be explained and can barely be described.’ Richard Rorty, Philosophy and the mirror of nature (1979) 370.

(9) Zie voor een uitgebreide beschrijving van het debat tussen Habermas, Lyotard en Rorty het hoofdstuk van Willem van Reijen, ‘Miss Marx and the terminals contre les grands récits of: krabt Habermas waar het niet jeukt’, in: Hudson en Van Reijen, Modernen versus postmodernen (1986) 341-384.

(10) Jean-Francois Lyotard, Het postmodernisme uitgelegd aan onze kinderen (1987) 28.

(11) Lyotard, Réponse a la question que’est-ce que le postmoderne (1982) 33.

(12) Veenbaas, De lêzer is in duvel, 13.

(13) Thomas Mertens beweert hierover het volgende: ‘In tegenstelling tot zijn achttiende-eeuwse voorgangers gaat Rawls ervan uit dat een rechtvaardige samenleving niet gebaseerd kan zijn op een metafysische theorie van de menselijke natuur. Aldus behoort Rawls theorie tot wat Habermas het postmetafysische tijdperk noemt. Anders dan de door hem bewonderde Kant acht Rawls zich niet langer in staat een metafysisch liberalisme als een álles omvattende filosofische visie aan te hangen.’ Thomas Mertens, ‘Mensenrechten en internationale rechtvaardigheid bij Rawls’, in Tinneveld en Verschraegen, red., Rawls, een inleiding op zijn werk (2002) 131-145.

(14) Janik en Toulmin beweren dit in het hoofdstuk ‘De Tractatus opnieuw bezien’ in Het Wenen van Wittgenstein (1973) 178.

(15) ‘If I recollect rightly, Aristotle observes, that a democracy has many striking points of resemblance with a tyranny. Of this I am certain, that in a democracy, the majority of the citizens is capable of exercising the most cruel oppressions upon the minority, whenever strong divisions prevail in that kind of polity, as they often must; and that oppression of the minority will extend to far greater numbers, and will be carried on with much greater fury, than can almost ever be apprehended from the dominion of a single sceptre. In such a popular persecution, individual sufferers are in a much more deplorable condition than in any other. Under a cruel prince they have the balmy compassion of mankind to assuage the smart of their wounds; they have the plaudits of the people to animate their generous constancy under their sufferings: but those who are subjected to wrong under multitudes, are deprived of all external consolation. They seem deserted by mankind, overpowered by a conspiracy of their whole species.’ Edmund Burke, Reflections on the Revolution in France, 1790 (1992) 216.