Tussen de torens

Als kind al had ik hoogtevrees. Tijdens de gymnastiekles kregen ze mij met geen stok het wandrek op. De grootste kwelling waren de ladders die in een haakse hoek werden uitgezet. Daar moest je dan over heen kruipen en door een gat tussen de spijlen jezelf naar beneden laten zakken. Ik vertikte het gewoon. Dan maar een schijtebroek. Nog altijd blijf ik uit de buurt van ladders, al word ik er ook op een vreemde manier door aangetrokken. Op de kermis moet ik ook altijd het reuzenrad in, en anders wel de achtbaan. Hoe hoger hoe mooier. Angst heeft ook iets fascinerends, zeker als je hem weet te overwinnen, maar wennen doet het nooit. Ik droom ook wel eens van grote hoogten. Vannacht bijvoorbeeld was het weer raak. Ik stond opeens boven op de toren van de Martinikerk in Bolsward. Hoe ik daar kwam, mag Joost weten. Hoewel, zo raar is het ook weer niet, want ik was gisteravond in Bolsward, waar ik een lezing gaf in Hotel de Wijnberg. Na afloop liep ik nog even met Keimpe Tjalsma over de Grote Dijlakker. Geen mens te zien. Ik keek nog of ik Smots zag aan de overkant, maar ook hij was nergens te bekennen. We liepen zomaar binnen bij Galerie Lalande die allang gesloten was. Vandaar was het niet zo ver meer naar de parkeerplaats. Onderweg verrees opeens de toren van de Martinikerk. Hij stond helemaal in het licht van schijnwerpers, fel afstekend tegen de nachtelijke hemel. Misschien moet ik toen – in een splitsecond – bij mezelf hebben gedacht, dat ik boven op de toren stond en heel die dromerige stad aan mijn voeten zag liggen. Als een koorddanser tussen de torens heb ik vannacht over Bolsward gelopen. Ik zag de straten beneden mij, het carillon van het stadhuis. Ik zag het Bolwerk en de Broerekerk en ik voelde mij gelukkig… totdat de angst om zich heen greep. Badend in het zweet werd ik vanochtend wakker. Hoogtevrees is het ergste wat er is. Het is geen angst voor de afgrond, maar een schier onbedwingbare drang om in de diepte te springen. Ik heb nooit begrepen hoe een koorddanser die neiging in zichzelf kan onderdrukken. Hij is de leeuwentemmer van zijn eigen instinct. Hij speelt een waanzinnig spel met de ondergang, alsof hij balanceert op de rand van een vulkaan.

zie en luister

Reageer

Hooivorken en knuppels mee…

Vanavond. In de Gysbert_Japicxzaal in Tresoar lezingen en voordrachten van onder anderen schrijver-journalist en documentairemaker Steven de Winter, Arjen Dykstra,  historicus en winnaar van de tweejaarlijkse scriptieprijs-2009 van de Fryske Akademy, de schrijvers Willem Schoorstra en Grytsje Schaaf. E. Hettinga leest voor uit “Etymologyën,” een van de twee nieuwe poëziebundels van zijn hand; verder leest hij, in het hol der leeuw, de nieuwe versie van het opiniestuk “Back to the north.” (zie ook dit log: 19-01 E. HETTINGA OP HET LOG WHO IS AFRAID OF THE NORTH ) Hooivorken en knuppels mee

Programma in Tresoar, Leeuwarden, inloop 20.00


Reageer

Riemersma en Reve

“Hebt u de vertaling van ‘Fabryk’ van Trinus Riemersma al gelezen?” – “Nee gelezen heb ik hem niet, verdomme, dat is een schandaal, want ik heb die hier liggen. Ik moet het eigenlijk lezen, zeker nu mijn kunstbroeder zo is aangevallen in zijn dorpje. “ – “Wat was uw indruk van Riemersma?’- “ Nou ik vond hem aardig, ik vond hem erg integer, erg hartelijk. Hij is wel een beetje zwaar op de hand, dacht ik. Ik vond hem een beetje een tobber…”

Aldus Gerard Reve in een interview Jaap de Boer en Hermyn Joustra in het tijdschrift Catheder. Deze passage werd kort daarna opgenomen in De Strikel in mei 1967 en dertig jaar later geciteerd door Babs Gezelle Meerburg in haar boek Hwant wij binne it nijs ûnder en boppe de sinne (1997). Reve kende Riemersma, want die was ooit met zijn brommertje helemaal vanuit Gau bij hem langs geweest in Greonterp. Reve had wat ‘skiterich‘ opengedaan, want Riemersma had zijn komst bij de volksschrijver niet aangekondigd. Toch verliep het gesprek allerhartelijkst, zoals Riemersma ook later liet weten. Bij die gelegenheid moet Riemersma vast een exemplaar van Fabryk bij zich hebben gehad, hetzelfde exemplaar dat Reve in 1967 nog niet gelezen had. Wellicht heeft Reve dit boek nooit gelezen, maar sympathie voor de ‘tobber Riemersma’ had hij dus wel.

De situatie in het dorp van Riemersma, waar Reve aan refereert, lag toen nog vers in het geheugen. Tijdens de nieuwjaarsnacht van 1967 was de voorruit van het huisje van Riemersma in Gau besmeurd met mest. Het leek een oudejaarsstunt, zoals die wel meer voorkomen in Friese dorpen, maar hier was iets anders aan de hand. Riemersma woonde hier al een jaar samen met zijn vrouw en drie kinderen. Hij was onderwijzer op de plaatselijke school, dus beslist geen vreemde eend in de bijt. In de krant werd gespeculeerd over een wraakactie. Het dorp zou hem als controversieel schrijver niet accepteren. ‘Ik smyt allinne mei stront. Ik haw gjin boadskip’ had hij zich ooit in een interview laten ontvallen. Er gingen zelfs geruchten, dat hij ontslagen was op school of zelf ontslag had genomen.

Al gauw bleek dat er iets anders aan de hand was. In zijn laatste boek Minskrotten-Rotminsken (1966) had Riemersma geschreven over een leerlinge in zijn klas die door een tankwagen overreden was. Het ongeluk had hem diep aangegrepen. ‘Waarom heeft dit kind geleefd? zo vroeg hij zich af. Hij had God vervloekt. Godverdomme, geroepen tegen dezelfde God die nu met zijn handen in zijn zakken rondliep in de hemel. Het was een felle aanklacht tegen de God die dit tolereerde, een onschuldig kind dat was verpletterd. Geen barmhartige taal, geen woord ook van mededogen. Gerard Reve had in zijn gedicht Graf te Blauwhuis ook over een kind geschreven dat op brute wijze uit het leven was weggerukt….’ een kind nog, dag lieve jongen.’ Wellicht hadden ze daarover gesproken, Reve en Riemersma, op die dag in Huize het Gras in Greonterp. Riemersma worstelde met de God van de orthodoxe christenen, de God uit het milieu waar hij zelf uit voortkwam, de God van zijn school, waar hij les gaf, de God van het schoolbestuur, de ouders van al die kinderen. Het moest een wrede God zijn, als er al zoiets als een God bestond.

In april 1967 zou Riemersma alsnog worden ontslagen. De affaire was door gaan wroeten. De ouders van het verongelukte kind hadden bij de RONO een geproken recensie gehoord van zijn boek. Ze voelden zich gekwetst over wat erover hun kind werd geschreven in die onbarmhartige taal. De zaak bracht destijds heel wat pennen in beroering. Fokke Sierksma, Lolle Nauta, Geart Jonkman….iedereen had er een mening over en lang niet iedereen was het met Riemersma eens. Verse wonden mag je niet openrijten en zeker niet in je eigen omgeving. Maar waarom dan die mest in de nieuwjaarsnacht? ‘Land van mest, mist en mythe‘, zo schreef Fokke Sierskma in De Nieuwe Linie. Het was een bewogen tijd, waarin allerlei conflicten in de literaire wereld van Friesland tegelijk de kop op staken en zelfs in de Randstad niet onopgemerkt bleven. Al die ophef moet de reden zijn geweest waarom Riemersma op zijn brommertje naar Greonterp is gereden. Toen Gerard Reve in april 2006 overleed, kwam Riemersma nog eenmaal terug op die wonderlijke audiëntie destijds. De aanleiding was, zo schreef hij, dat Reve weer eens van een schoolbestuur geen lezing mocht houden, dit keer bij de kweekschool in Sneek.

Riemersma moet veel in Reve hebben herkend. Hij had bewondering voor de wijze waarop hij Hendrik Algra van repliek diende. Hoe hij tekeer ging tegen de aanhangers van ‘de God der wrake’, tegen de waarheidswaan van de mannenbroeders. Reve ging diep door het stof in zijn Ezel-proces. Voor Riemersma moet het een déja vu zijn geweest. Niet alleen de wijze waarop Reve zich verdedigde, bewonderde hij. Hij had vooral respect voor de houding van Reve die – ondanks zijn felle strijd tegen de othodoxen – toch tot een authentieke godsbeleving kon komen. Dat laatste, daar had Riemersma zelf moeite mee. Een God, die een kind onder een tankwagen laat sterven, heeft immers geen recht van bestaan. Achteraf beschouwd is deze problematiek misschien wel het kernthema van zijn werk uit de jaren zestig. Ook in Fabryk was hij al tegen deze wrede God te hoop gelopen: “Men soe in kanon bouwe moatte en dêrmei de loft ôftaeste, dat, as der al in God is, hy wjoklam út de himel plofte en seach yn hokker rotsoai wy hjir sitte. Mar as der gjin God is, of as de ellinde hem neat skele kin, hwer moatte wy dan mei ús leed keare? Hwat moat ik dwaen as ien my syn fertriet yn hannen  triuwt…”

Dat was precies wat hem een paar jaar later zou overkomen, toen dat meisje uit zijn klas onder die tankwagen kwam. Als er een God is, was dit een verschrikking, maar als er geen God is, wat dan? Na zijn ervaringen in Gau en zijn bezoek aan Reve, schreef Riemersma de roman De Hite Simmer (1968). Het werd een afrekening met de Friese dorpsmentaliteit, maar ook zijn laatste ‘kristlike roman.’ De vorm is geïnspireerd door Nader tot U van Reve. Nader tot U besluit met 3o geestelijke liederen. De Hite Simmer vindt zijn bekroning in 25 fersen. Reviaanser kan het niet, zeker niet als het over ‘de niet bestaande God’ gaat, naar wie hij ondanks alles -  als een verliezer zelfs – toch bleef verlangen. Zoals Reve in zijn Dagsluiting eigenlijk aan niets geloofde en twijfelde aan alles, zo had Riemersma zijn eigen twijfels, al dacht hij misschien dan niet als Reve, dat God ook hem zocht, zoals hij Hem.

Jo dy’t net besteane God

Ik haw langst nei Jo

frou en berne sliepe

mar ik haw langst nei Jo

ik bin mêd God

ik haw myn krûd fersketten

en ik haw ferlern

(fers 3)

zie en luister

5 Reacties

Gesoademiter

Fers 22

at ik eerlik bin jonges

dan fyn ‘k ‘t dik kloaten hoor

dat gesoademiter met 
de Frise literatuur

‘t lêste jaar hè ‘k hyltyd docht

ik hou d’r met op

ik laat Ype stikke met ‘e troep

en ik gaan avens froeg op bêd

om die paar sinten gaat ‘t niet

al worre je die ferdomd nag toe

ok nag misgund deur die

rankuneuze jonkys die’t sels gyn poat

an ‘e grond krije kinne

literatuur hèt foor mij

te maken met saamhorighyd

en met metnander wat doen

at ‘t mot in ‘n konkurrînsysfeer

dan hoet ‘t fan mij niet meer

en dan sit d’r één te ouwehoeren

omdat wij bij de Tsjerne

syn kutfersy ofwiisd hè

ach God ach God ach God

die’t nou ‘n stik of wat romans skreven hèt

dêr kin ‘k wat fan op maar de rest

neuke kinne se meskien wel

maar skrive niet die woordsypoepers

nea jonges ‘k hè dik balen

.

Trinus Riemersma, 1968

zie en luister

2 Reacties

De blokkade van de Fryske skriuwers

REACTIE VAN D.S. WIJE OP HET LOG BACK TO THE NORTH

Toanielstikje

Plak: de stamtafel
Tiid: 23.30
3 persoanen en in tal figuranten.

(in gûnzjen fan stimmen)
A: Dit jier gjin boekejûn.
B: Jawol, der komt in alternative boekejûn.
A: O ja?
B: (wakker knikkend) Ik sit yn de organisaasje.
A: (tinkt: ‘dan sil it wol goedkomme’ en wachtet ôf)
B: (selsfersekere) Yn de Bres.
A (wynbrouwen gean omheech)
B: (grutsk) Mei dichters!
A: Mar yn de Bres is toch geregeld in jûn mei dichters?
B (ferhearlike): dichters…
A: It Literêr Sirkwy bringt ek al dichters.
B (sjocht wat sneu)
A: En Tresoar…
C: (stekt de earen op) Tresoar?
A: De Spiegel.
C: It Wolkeboek.
A: In Nederlânsktalich boek oer wurk dat net yn it Nederlânsk te besetten is.
C: Komt noch.
A: (skodhollet) Bytsje let, net?
B: (bringt it glês nei de mûle en sjocht mei in hoopfolle blik nei C)
C: (heint B syn blik op en sjocht dan A oan) Wat woest dan?
A: Is der noait wat oars te betinken as dichters?
C: Proaza lient him no ien kear net foar optredens.
A: (suchtet, komt oerein en lûkt de jas oan)
B en C prate fierder, harren lûd wurdt wei yn it rûzemûzjen fan de figuranten.
A: (ferdwynt troch it gat fan ‘e doar en pûlemûlket:) Komst om yn ‘e dichters.

zie en luister

6 Reacties