De methode van Spinoza

Gezicht op Leeuwarden, 4 juli 2016

‘Nadat de ervaring mij geleerd had dat alle dingen, die gewoonljk in het 
dagelijks leven geschieden, ijdel en onbetekenend zijn, en toen ik zag dat 
alle dingen die ik vreesde en die mij vrees aanjagen niets goeds of kwaads 
in zichzelf hadden, behalve in zoverre als de geest door hen werd aangedaan, besloot ik tenslotte te onderzoeken of er voor den mens een werkelijk goed 
bestaat, dat in staat was zijn goedheid mee te deelen en dat alleen de gehele 
ziel vervullen kon, met uitsluiting van alle andere dingen; ik besloot, zeide 
ik, te onderzoeken of ik het goed dat de ziel een eeuwige, hoogste vreugde 
geeft, ontdekken en bereiken mocht … Ik zag de vele voordelen die aanzien 
en rijkdom geven, en dat ik daarvan zou moeten afzien als ik mij ernstig 
voornam dit onderzoek te beginnen … Hoe meer men van die voordelen 
heeft, hoe groter de vreugde is die zij geven en hoe meer men daardoor 
aangemoedigd wordt hun aantal te vermeerderen; terwijl wanneer zij ons 
eens teleurstellen, dit in ons diepe smart verwekt. Roem heeft ook een 
grote schaduwzijde, dat wij namelijk, als wij haar najagen, ons moeten 
voegen naar de grillen van de massa, ontwijkend wat haar mishaagt en 
zoekend naar wat haar aanstaat. Maar liefde tot iets eeuwigs en oneindigs 
geeft alleen de geest een vreugde die vrij is van alle smart … Het hoogste 
goed is de kennis, het één-zijn van den geest met de gehele natuur … Hoe 
meer de geest weet, hoe beter begrijpt hij zijn krachten en de orde der natuur; maar hoe beter hij zijn eigen krachten kent, hoe beter zal hij in staat zijn 
zichzelf te leiden en zijn gedragslijnen te bepalen; en hoe beter hij de natuurorde begrijpt, des te gemakkelijker zal het hem vallen zich van ijdele dingen te ontdoen; dit is de gehele methode.’

Spinoza, Verhandeling over de verbetering van het verstand (1677)

Reageer

Gemiste kansen hij Leeuwarden 2018

Piet Hein van Asperen, Oostergrachtswal, 1965

Oostergrachtswal, maandag 5 februari, 12.30 uur

‘Het beeld van schepen langs de Ooster- 
grachtswal is weinig veranderd sinds 
Piet Hein van Asperen dit schilderij  in I965 maakte. Op de achtergrond is de Bonifatiuskerk te zien en de brug over de Oostergracht met daarachter de 
Prins Frederikkazerne. De kerk werd in 
I882- I884 gebouwd naar ontwerp van de 
architect Pierre Cuypers (Roermond I827
-I92I) o.a. bekend als ontwerper van het 
Rijksmuseum en het Centraal Station in 
Amsterdam en daarnaast van vele andere 
kerken in het hele land.’

Aldus schrijft Gert Elzinga in de catalogus van de tentoonstelling Leeuwarden, de mooiste stadsgezichten 1600 tot nu, die momenteel te zien is in het Historisch Centum Leeuwarden. Het is een mooie tentoonstelling, simpel van opzet, maar daardoor heel effectief. Zo’n simpel idee om de stadsgezichten van je eigen stad te laten zien, als deze stad een jaar lang Culturele Hoofdstad van Europa is, daar loop je al gauw aan voorbij. Geart de Vries, directeur van het HCL, ontdekte dit toen hij in de aanloop van dit gebeuren andere Culturele Hoofdsteden van Europa bezocht. Die steden gaven de bezoekers nauwelijks informatie over het rijke verleden van de plaatsen zelf. Die fout heeft het HCL in ieder geval niet gemaakt.

Maar vanuit dIe gedachte mis je nu wel het een en ander bij andeer musea en culturele instellingen. Waarom geen overzichtstentoonstelling van de beeldende kunst in Friesland in de twintigste eeuw? Of voor mijn part een remake vande grote tentoontstelling Frisiana in 1963 in het FEC, maar dan nu over het hedendaagse Friesland? Of een grote tentoonstelling over Friese schilderkunst maar dan in het kader van de opkomst van de moderne kunst in Noord-Europa, met als uitgangspunt het klassieke boek van Robert Rosenblum, Modern Painting and the Northern Romantic Tradition (1975)?

Het had een hernieuwde zoektocht kunnen worden naar ‘the nordic spirit in art’ als vervolg op de prachtige tentoonstelling ‘11 steden, 11 landen‘ die in 1990 in de Frielandhal was te zien. Het zijn allemaal gemiste kansen waar de directeuren van de Leeuwarder musea en culturele instellingen het na afloop nog maar eens over moeten hebben. Mensen die van buiten naar Leeuwarden komen willen geen Escher of Mata Hari zien, maar de artistieke eigenaardigheden van de local roots, de genius loci.

Het is opvallend dat in de programmering van Lwd 2018 een spraakmakende tentoonstelling over de beeldende kunst in deze contreien ontbreekt. Waarom geen nieuwe tentoonstelling als Salut au Monde, waarmee gastcurator Wim van Sinderen in 1995 het Friese Museum opeens op de landelijke kaart zette? Salut au Monde is nog altijd de mooiste tentoonstelling die ooit in Friesland te zien is geweest. In mijn boek De kleur van Friesland schreef ik er het volgende over:

‘Salut au Monde’. ‘Wat een heerlijke Friese arrogantie, zo’n titel’, riep Rudi Fuchs uit bij de opening. die samenviel met de opening van het vernieuwde Fries Museum. Wim van Sinderen, die in het begin van de jaren tachtig deel uitmaakte van het geruchtmakende collectief ‘De jonge Friezen’ was inmiddels werkzaam als tentoonstellingsmaker bij de Kunsthal in Rotterdam. Toen hij als kind in Dokkum en later in Leeuwarden woonde, zo liet hij in een interview weten, was het Fries landschap niets bijzonders voor hem. Pas later, toen hij uit Friesland weg was, ging hij het waarderen. Die verschuiving in waardering had niet alleen te maken met een mogelijk gevoel van nostalgie, maar ook met een hernieuwde aandacht voor de schilderkunst als zodanig , een tendens die Van Sinderen vanuit een persoonlijke belangstelling ook zelf kon bevestigen.

Dat alles vertaalde zich in een tweeledig concept voor de tentoonstelling. Enerzijds werd er een overzicht getoond van het Friese landschap zoals dat door kunstenaars in Friesland is de twintigste eeuw is weergegeven. Anderzijds werden vijf buitenlandse kunstenaars als ‘artist in residence’ uitgenodigd voor een verblijf in Friesland om daar hun eigen visie op het landschap te geven. Dat waren de Duitser Peter Angermann, de Braziliaan Roberto Cabot, de Zweed Peter Frie, de Canadese Wanda Koop, de Engelsman Stephen McKenna, de Amerikaanse Joan Nelson en het Duitse duo Stapanek/Maslin.

De confrontatie tussen de Friese traditie van schilderkunst en de onbevangen blik waarmee buitenstaanders het landschap benaderden leverde verrassende resultaten op. De Friese schilders keken nog altijd naar het natuurlandschap, vanuit een traditionele optiek met al zijn idealiseringen en sentimenten die daarin waren binnengeslopen. De buitenlanders daarentegen keken meer naar het cultuurlandschap, dat inmiddels al behoorlijk door de mens was gemaakt en aangetast in zijn natuurlijke gedaante.

Peter Angremann, Fries Landschap gemaakt voor Salut au Monde, 1995

Zo schilderde de Duitser Peter Angermann de windturbines in het landschap zo vanzelfsprekend alsof ze er altijd hadden gestaan. De uiterst speelse, haast vrolijke manier van schilderen die Angermann zich permitteerde, bracht opeens ook de ernst en zwaarte aan het licht in de Friese landschapsschilderkunst van de twintigste eeuw, die niet alleen bij de impressionisten en naturalisten, maar vooral bij de rurale expressionisten door de jaren heen tot uiting was gekomen.

De sprankelende schilderijen van Angermann stonden opeens heel ver af van de kale zompigheid van het Friese landschap zoals dat door Gerrit Benner met zijn doelbewust geploeter en gemetsel met verf tot stand was gebracht. Opeens werd duidelijk dat het karakteristieke van het Friese landschap zich niet zozeer weerspiegelt in de schilderkunst, maar omgekeerd, dat het collectieve beeld van het landschap in belangrijke mate door schilders wordt bepaald. Zoals de schilderijen van Breitner het collectieve beeld van Amsterdam in het collectieve geheugen hebben vastgelegd, zo is het beeld van het Friese landschap geijkt door een schilder als Gerrit Benner.

Maar ook mindere goden hebben hun bijdrage geleverd aan dit proces van collectieve beeldvorming en herinnering , schilders als Tjerk Bottema, Johan Elsinga, Germ de Jong, Klaas Koopmans,Tames Oud, Bouke en Jentje van der Sloot, Cor Reisma en Ids Wiersma en al die anderen van wie werk op de tentoonstelling Salut au Monde was te zien. Als de kleur van Friesland ooit heeft bestaan, dan kwam hij wellicht heel even aan het licht op deze salon van het Friese landschap, die door het werk van vijf buitenlanders met andere ogen bekeken kon worden. Een eigen identiteit in de Friese kunst komt niet aan het licht door te zoeken naar een essentie in de kunst zelf, maar door het verschil te tonen met andere manieren van kijken.

Bij Weromrop is de fraaie documentaire te zien die Omrop Fryslân destijds van deze tentoonstelling maakte. Zie HIER

Reageer

De grootste ontdekking

Waar belandt iemand als hij er niet meer is? Waar komt iemand vandaan die nieuw op de wereld komt? Gisteren had ik een beroerde dag. Dood en leven liepen even compleet door elkaar heen. Ik kan het niet uitleggen waarom, het was gewoon zo. Is dit leven soms iets wat  er eigenlijk niet hoort te zijn? Die gedachte spookt vaak door mijn hoofd. Maar gisteren leek die gedachte tot een climax te komen. Waarom ontstaat er telkens weer nieuw leven? En waarom gaan er telkens weer mensen dood? Waarom begint de wereld steeds weer opnieuw met elk mensenleven? Onzinnige vragen natuurlijk. Maar dit  alles roept bij mij de vraag op of het leven van een mens niet overbodig is, iets wat uit de hand is gelopen. Iets wat beter kan stoppen, maar omdat niemand het kan stoppen, telkens weer opnieuw begint.

Op de drempel van een nieuwe tijd, waarin de werkelijkheid zich virtueel zal verveelvoudigen in talloze beelden en beeltenissen van zichzelf, staan wij aan de vooravond van het tijdperk van het overbodige. Een mens is geen verzameling van unieke atomen meer, maar een verzameling van gestolde informatiestromen die vastliggen in onze chromosomen. Alles wat we ooit ‘ziel’, ‘zelf’, ‘geest’ of zelfs ‘ík’ hebben genoemd is vanuit deze optiek bezien niet meer dan een illusie. We worden een zielloos lichaam. Sterker nog, we zijn het al, alleen willen we het nog steeds niet weten. We zijn zombies is de elektronische zee die ons omspoelt. We zijn extatische organismen, waarbij de zekeringen voortdurend doorslaan. We zijn een stroom – niet meer en niet minder – die zich telkens weer reproduceert. Welnu als de reikwijdte van deze wijze woorden nog niet tot u was doorgedrongen, laat ik u dan voor eens en altijd uit de droom helpen. Wij zijn overbodig.

In zijn chromosomen ligt een gigantische reeks van informatie opgeslagen, waarin de ontwikkelingsgang van onze soort voor de komende generaties en geslachten ligt vastgelegd. Wij zijn slechts een raadselachtig en op zichzelf overbodig doorgeefluik van genetische gegevens. Onze ‘zelfzuchtige genen’ gebruiken ons vlees en bloed als een tijdelijke omballing voor een eindeloos spel dat louter en alleen is gericht op het voortbestaan van de soort en de overleving van de sterkste. Een mens is dus niet meer en niet minder dan een minieme schakel in dienst van de evolutie. Zodra wij onze informatie via de voortplanting hebben doorgegeven, worden wij op de schroothoop van de geschiedenis geworpen. Het zijn onze genen die koppelen en kopiëren en als pakket informatie blijven voortbestaan. Wij zijn slechts een patroon dat zich voortplant in een eeuwig gespleten heden. Tegen beter weten in blijven wij dromen van een hiernamaals dat niet bestaat, omringd als wij zijn door een eeuwige slaap van de voortwoekerende genetische stroom. Wij zijn tijdelijke conglomeraties van bits informatie, geprint in dezelfde stof waar dromen van gemaakt zijn.

zimzim urullala zimzim urullala zimzim zanzibar zimzalla zam elifantolim brussala bulomen brussala bulomen tromtata velo da bang band affalo purzamai affalo purzamai lengado tor gadjama bimbalo glandridi glassala zingtata pimpalo ögrögöööö viola laxato viola zimbrabim viola uli paluji malooo

Ziezo, dat was een scheutje dada. Zomaar even tussendoor. Moet ik meer doen, dacht ik laatst. Gewoon even wat overbodige nonsens. Dat ruimt op en maakt het hoofd weer helder. Nonsens is een probaat antivirus voor de doorgeschoten ratio. En omdat de ratio altijd weer de neiging heeft om door te schieten, is nonsens altijd weer broodnodig. Nonsens is een signaal van ultieme overbodigheid in een wereld die het overbodige niet serieus neemt. Sterker nog, nonsens is een wondermiddel in een verworden wereld die het overbodige wil vernietigen.  Nonsens laat het groteske van het overbodige zien, met als doel om het te behouden. Nonsens is in  wezen een uiting van conservatisme. Nonsens wil geen vooruitgang, maar stoppen, stilhouden. HALT! Tot zover en niet verder. Dat is nonsens. Daarom is het zo raadselachtig dat nonsens tegenwoordig zo weinig meer voorkomt. Als iets nu nodig is, dan is het nonsens. Dat wil zeggen: een noodkreet voor het behoud van het overbodige.

Veel van onze hedendaagse efficiency-cultuur is nog op de oude leest geschoeid. Dat wil zeggen op reductie van informatiue. Al het overbodige wordt weldra weggesaneerd. Overal wordt de tijd ingepakt, niet alleen door de om zich heen grijpende elektronische netwerken, maar ook door de economie die in toenemende mate alles met alles verbindt. Elk bedrijf of maatschappelijk subsysteem wordt gereduceerd tot zijn ogenschijnlijk meest functionele staat, dat wil zeggen, ontdaan van alle overbodige schakels die tot voor kort misschien wel de cruciale buffers vormden van het organisch geordend totaalsysteem. Hoe nuttig is het niet om af en toe volkomen doelloos uit het raam te staren, een onderneming te starten die totaal geen zin heeft, om onzin uit te slaan of zomaar een blokje om te lopen. Vandaar dit dadaïstisch pleidooi voor het behoud van het overbodige. Dit is mijn pleitrede voor het verlummelen van tijd. Voor al het ogenschijnlijk nutteloze, waartoe ieder mens geneigd is en dat de wereld uiteindelijk in stand houdt. Als het overbodige verdwijnt, verwildert het volk. Het overbodige is nodig om een ster te laten dansen.

U bent gewaarschuwd. De rest van deze tekst is volkomen overbodig. Het is zonde van uw tijd als u nu nog verder leest. Die tijd kunt u beter aan iets nuttigs besteden. Overigens bestaat dit weblog voor het merendeel uit volkomen overbodige teksten. Vrijwel weblogs bestaan uit volkomen overbodige teksten. Zelfs de meeste boeken zijn volkomen overbodig. Ik denk dat je 98 procent heel makkelijk kunt missen, niet alleen van alle boeken die er zijn, maar ook van alle boeken die een mens in een mensenleven leest. Van die mensenlevens op zich is ook het merendeel volkomen overbodig. Ook de tijd van één enkel mensenleven is voor het merendeel volkomen overbodig: de kindertijd, het slapen, het luieren en niets doen, het ziek zijn, het oud en dement zijn, noem maar op. Wat er overblijft zijn een paar gelukkige dagen. Misschien zijn het slechts een paar gelukkige momenten. De rest kan eigenlijk gestolen worden. Het is niet nodig. Het leven is een woekering van het overbodige. Sterker nog, het hele universum is een overlopende badkuip van overbodige tijd. Het heelal is één grote tijdverspilling.

En dan nog iets. Slechts 2 procent van het menselijk DNA bestaat uit genen. De overige 98 procent heeft geen functie, zo werd lange tijd gedacht. Biochemici spraken dan ook van ‘junk-DNA’ of wel de ‘donkere materie’ van het genoom. Recentelijk werd ontdekt dat dit ‘junk-DNA’ wel degelijk een functie heeft. Het beeld van het menselijk genoom is tegenwoordig drastisch aan het veranderen. De Australische geneticus John Mattick verwoordt het als volgt:

‘Er rijst een beeld op van het menselijk genoom, waarbij het niet langer een lege woestijn is met hier en daar wat eiwit producerende eilandjes, maar een complex netwerk van verweven, actieve elementen die zich uitstrekken over een groot deel van het genoom, inclusief de regio’s tussen de genen die voorheen als inactief werden beschouwd.’

Vooral deze laatste zinnen hebben mij aan het denken gezet. Deze constatering lijkt exemplarisch te zijn voor een ingrijpende omwenteling die zich tegenwoordig haast ongemerkt op vele terreinen voltrekt. Het is de overgang van hiërarchie naar netwerk, van reductie naar complexiteit, van lineair naar non-lineair, van geïdealiseerde orde naar structurerende chaos met vreemde – in ieder geval nog onbekende – attractoren. Niets in de natuur is te isoleren of vast te pinnen op één moment, maar alles maakt deel uit van een kluwen van uiterst complexe processen die zich voltrekken in de tijd. Dat soort processen, waarin alles met alles samenhangt en het geheel meer is dan de som der delen, is te beschrijven en mogelijk zelfs tot op zekere hoogte te verklaren, maar de uitkomst ervan blijft onvoorspelbaar. Wat is het dan, zo vraag ik me af, wat dit alles structuur geeft? Is het soms een blinde drang tot ordening die in het systeem zelf zit ingebakken?

De gedachte dat een nog onbekende structuurdrift in alle schaalniveaus van natuur en cultuur werkzaam kan zijn, vanaf moleculen en neuronen tot aan de economie en het gedrag van een menigte, de gedachte ook dat er mogelijk een nieuwe hoofdwet in de maak is die deze structuurdrift geheel inzichtelijk maakt, een principe dat complementair zou zijn aan de tweede hoofdwet van de thermodynamica, dat alles doet mij duizelen. Eén ding lijkt steeds duidelijker te worden: bij hogere organismen heeft efficiency niet de hoogste prioriteit. Alleen bacteriën hebben zich ontdaan van alle junk-DNA. In feite bestaat er niet zoeits als ‘junk’, geen overschot, geen zwarte materie of donkere DNA. Zelfs het ogenschijnlijk meest onnuttige speelt op een of andere wijze een rol van enige betekenis, een functie die zelfs van cruciaal belang kan zijn voor de complexiteit van het geheel. Het ‘overbodige’ is dus niet overbodig. Hoe absurd wil je het hebben? Dat is de grootste ontdekking die denkbaar is. Het onderkennen van de gevolgen van deze basale ontdekking zal nog heel wat tijd vergen in een denksysteem dat louter en alleen op nut en efficiency is gericht.

Mijn stelling is dan ook: ALLES IS OVERBODIG, WANT NIETS IS OVERBODIG. We moeten doorgaan met BLABLA. Als de nonsens zijn hoogste toppen bereikt, is de redding nabij. BLABLA, dat is DADA, de eerste kreet van een kind. De glimlach van een kind. Alles is vergeefs. De wereld gaat aan ernst ten onder. Onzin is onze redding. We moeten leren ons verstand binnenstebuiten te keren. In de voering van de ratio zit het geheim van de wereld verstopt. In de tedere onverschilligheid van alles wat er niet toe doet. In alles wat voorbijgaat als een zucht. Want alles gaat voorbij als een windvlaag op een dag in februari. Alles is overbodig, maar het overbodige is broodnodig. Anders kwam er niets nieuws onder de zon. Hoop doet leven bij elke geboorte van een nieuwe mens, de nieuwe mens.

Lieve mensen, ik ben pake geworden…

Reageer

Hessel Miedema & Allen Ginsberg

‘In het voetspoor van Ginsberg schaffen de jongeren 
zich koebellen aan, steken bloemen achter hun oor en luisteren 
verrukt naar de gezangen. En dankzij deze aandachtige luisteraars 
heeft Ginsberg een groter gehoor onder de dissidente jeugd dan 
welke christelijke of joodse geestelijke ooit zou kunnen hopen te 
bereiken en in beweging te brengen.’

Of zoals Theodore Roszak in zijn boek The rise of a counterculture (1968) Hoe authentiek boeddhistisch’ was een gedicht als Sunflower Sutra (1955) van Allen Ginsberg, zo vraagt Roszak zich af. Terwijl het conventionele christendom zich in een wanhoopspoging de religie na de dood van God opnieuw tot leven wilde wekken, bloeide de mystiek op als nooit tevoren in de jongerencultuur. De Beatles werden populairder dan Jezus en de religie verrees als Lazarus uit zijn eigen graf, maar wel in een onvermoede gedaante. Er stak een windvlaag op vanuit het Oosten. Han Fortmann schreef zijn boek Oosterse Renaissance.

Ik weet nog goed dat ik in 1968 Nederlands ging studeren aan de Universiteit van Amsterdam. We kregen elke vrijdag een hoorcollege over middeleeuwse mystiek van Bert Paasman die later hoogleraar is geworden. Zijn eerste college begon hij met de constatering, dat anno 1968 aan jonge mensen niet meer uitgelegd hoefde te worden wat mystiek eigenlijk is. Dat wist iedereen in die tijd. Of tenminste, dat dacht men te weten. Tien jaar daarvoor, zo vertelde hij, was dat heel anders geweest. In de jaren vijftig was mystiek een verzonken cultuurgoed, zeker voor jongeren.

Gisteren was ik aanwezig in Tresoar waar van alles te doen was op het gebied van poëzie, literatuur en het grensgebied tussen deze disciplines en de beeldende kunst. Zo werd er ook door Jelle Krol het lange gedicht De greate wrakseling voorgedragen. Hessel Miedema schreef dit in 1964. Ik had me op deze voordracht verheugd, maar het werd een beetje een deceptie. Jelle Krol is geen poëzieperformer. Zijn voordracht was droog en saai, alsof hij de waterstanden voorlas gevolgd door de mededelingen ten behoeve van land- en tuinbouw.

Daardoor ging de trance-achtige cadans van dit lange gedicht geheel verloren. Mijn gedachten dwaalden af naar Tsjêbbe Hettinga die in 1995 voor een bomvolle grote zaal van Schouwburg De Harmonie het lange gedicht Salut au Monde van Walt Whitman voordroeg, geheel uit zijn hoofd. In de zaal kon je toen een speld horen vallen. Jammergenoeg moest Tsjêbbe Hettinga zijn performance destijds onderbreken, omdat hij gestoord werd door geluiden op de speakers voor hem op het podium, waarop stemmen te horen waren van mensen achter de coulissen. Zo’n gespannen sfeer was gisteren ondenkbaar.

Na afloop sprak ik nog even met Eeltsje Hettinga, de broer van Tsjêbbe. Hij is sinds kort ‘ús dichter fan it heitân’. Eeltsje wees me op de mogelijke overeenkomsten tussen De greate wakseling en het lange gedicht Howl van Allen Ginsberg en de mogelijkheid dat Hessel Miedema zich door Ginsberg heeft laten inspireren. In beide gedichten komen verwijzingen voor naar oosterse mystiek. De moeder van Hessel Miedema had iets met oosterse religies en Miedema zou die belangstelling van haar geërfd hebben

Die overeenkomst was me nooit eerder opgevallen. Hessel Miedema heb ik begin jaren zeventig meegemaakt als een zeer kundige en bevlogen docent kunstgeschiedenis aan het Kunsthistorisch Instituut van Amsterdam. Hij gaf daar boeiende werkcolleges over de iconografie en de kunsttheorie van de Renaissance en het maniërisme. Ik herinner mijn zijn uitvoerige stencils over het neoplatonisme van Ficino die ik nog altijd heb bewaard. Hij kon vol overgave spreken over dit soort bijna mystieke ideeën uit de tijd van de Renaissance, al heb ik hem nooit kunnen betrappen op een serieuze religieuze belangstelling.

Sterker nog, Hessel Miedema had iets tegen het christendom, al wist hij daar alles vanaf. Toen we in tijdens een bezoek aan een kerk in Siena gestoord werden door pelgrims die een pilaar kusten waarin de as van een heilige bewaard werd, hield hij provocerend zijn kunsthistorische reisgids tegen deze pilaar, als wilde hij zeggen: Dit is mijn religie, in plaats van de Bijbel. Maar het moet gezegd, in het gedicht De greate wrakseling komen allerlei verwijzingen voor naar religie, niet alleen naar het christendom, maar ook naar oudere en vooral oosterse religies.

Eeltje wees er ook op dat het gedicht eigenlijk niet in een gevestigd cultuurinstituut als Tresoar moet worden voorgedragen. Het gedicht verzet zich immers tegen de gevestigde cultuurinstituten en met name het museum. In 2007 schreef Eeltsje een uitvoerige analyse van De greate wrakseling in het tijdschrift De Moanne. Ik heb destijds op dat artikel gereageerd op dit blog en het is misschien aardig om die tekst vandaag nog eens te herhalen. Het begint met een lang citaat.

***

de sterke byldhouwer nou bij it sjen fan syn subsidiaere obelisken
in geweldigen woede sloech him masterlik
blies út syn noasters pneumatysk masterlijk
traech wankeljend giene de âlde foarmen op yn reek
traech wankeljend giene de âlde foarmen op yn walm
de sterke byldhouwer masterik ja
dit is de tiid fan de nije konsepsje skreau er

en hij gie hinne en bifruchte syn frouw

in kunstwurk is in ding dat er forjitten hat stikken te slaen

ik sels ommers (gewoan miedema) ha it ek bisocht dêr bij jimme
se saegen my oankommen de dea yn ’t hert
stiennen spjalten dert ik se oanrekke
kommisjes spatten kwetterjend útinoar
nachspegels gulpten har kostbere ynhâld oer myn oanwizingen
koe net foarsichtiger ferdomme ik

Aldus begint het gedicht De greate wrakseling van Hessel Miedema uit 1964. Ik heb het van de week nog eens in zijn geheel gelezen, alsook de uitgebreide discussie die hierover zo’n twee jaar geleden ontvlamde, naar aanleiding van de heruitgave van dit gedicht. Eeltsje Hettinga publiceerde een zeer grondige analyse in de Moanne van december 2004. Zijn conclusie, dat Miedema in dit gedicht het begrip Frysk op meedogenloze wijze ontmythologiseert , gaat mij wat te ver. Het gedicht zou volgens Hettinga een definitieve breuk markeren in het romantisch regressieve streven dat tot dan toe eigen was aan de Friese literatuur. Tegenover de traditie van de christelijke burgerlijke denkwereld, zoals voorheen tot uiting kwam in de poëzie van Douwe H. Kiestra, plaatst Hettinga een vernieuwend dichter als Hessel Miedema die leeft in een wereld van open en relatieve betekenissen.

De taal verwijst immers in dit soort ‘moderne’ poëzie niet meer direct naar een buitentekstuele werkelijkheid, maar er wordt voordurend met taal en teken gespeeld in een telkens verschuivende gelaagdheid van betekenissen en een voortdurende wisseling van perspectief. Inderdaad verschuift het perspectief in ‘De greate wrakseling’ van ‘wij’ naar ‘ik’, van het collectieve naar het individuele, van het mythische naar het triviale, van het diepzinnige en zware, naar het ironische en lichtvoetige. Er vindt een omlag plaats op alle fronten.

Abe de Vries liet in een reactie weten De greate wrakseling bij nader inzien meer als een eindpunt, dan als een begin te zien. Met zijn dwingende pretenties ademt het gedicht volgens hem geheel nog de sfeer van de vijftigers met hun mythische oertaal. Het gedicht zou anno 1964 ook allang niet meer vernieuwend zijn geweest. Zelfs Fedde Schurer kon het destijds wel waarderen. Het zou eerder een rare mix zijn van alles wat, een beetje wetenschappelijk jargon à la Achterberg en vooral veel spiritueel modieuze elementen die zo overduidelijk de ‘sixties’ verraden.

Met die laatste constatering ondergraaft De Vries een beetje zijn eerste bewering dat het al gedateerd was toen het verscheen. Het gedicht is naar mijn smaak wel degelijk op de huid van de tijd geschreven. Het getuigt van een overgang van een mythische georiënteerde naar een meer formele en zakelijke esthetica, die zich rond 1960 op allerlei terreinen voltrok. In die zin komt deze vernieuwing misschien wat aan de late kant. Het zou ook in 1959 geschreven kunnen zijn, tegelijk ongeveer met Het stenen bruidbed van Harry Mulisch.

Maar ‘De greate wrakseling’ laat ook een nieuwe toon horen. Het ademt de sfeer van ‘de informelen’ in de beeldende kunst, die genoeg hadden van alle zwaarwichtige mythologie van Cobra en ‘de experimentelen’ en terugkeerden tot elementaire schildergebaren zonder vorm of compositie. De sfeer ook van Nul en Zero, het verlangen om helemaal opnieuw te beginnen, af te tellen en terug te keren naar een … ja, naar wat eigenlijk. Misschien wel letterlijk naar het niets, het absolute nulpunt, het witte schilderij, naar de leegte van de kosmos. Een spirituele en vormeloze uitgestrektheid, ver weg van het verleden dat stuk moest. Het gedicht gaat letterlijk over scheppen en vernietigen, over bouwen en breken. Het getuigt van een grote innerlijke woede, en drang ook tot verwoesting ‘Een pastiek is net zo goed als geen plastiek’, zo stond te lezen in een manifest vande Nul-groep in 1961. Miedema schrijft drie jaar later: ‘In kunstwerk is in ding dat er forjitten hat stikken te slaen.’

Alleen al in die ene zin is het gedicht een tijdsbeeld. Het laat een echo horen van de zelfvernietigende machines van Tinguely, die Miedema in 1961 in het Stedelijk Museum had gezien. Maar ook van acties van Misha Mengelberg die piano’s op het toneel aan diggels sloeg. De kunst moest stuk in die tijd. Kapot, kapot en nog eens kapot. Er raasde een storm door de wereld alsof er ergens een vliegende schotel was geland. In die zin is het gedicht het bewijs dat er medio jaren zestig in Friesland een sfeer ontstaat die gelijk loopt met de internationale avant-garde. Eventjes later weliswaar, maar toch. In de kunstuitingen van de Bende van de Blauwe hand klinken vergelijkbare echo’s door van Zero, Nul, Fluxus en de Situationisten.

Het is dan ook de vraag waar de woede van Miedema destijds nu precies op was gericht. De interpretatie van Eeltsje Hettinga lijkt me in dat opzicht wat eenzijdig en vooringenomen. Bovendien is het wat wonderlijk om een gedicht uit 1964 in verband te brengen met deconstructivistische begrippen als ‘intertekstualiteit’ en ‘de ironische persoonsverwisselingen’ die Thomas Vaessens zo kenmerkend vindt voor de postmoderne poëzie. Maar vooral in de oppositie die Hettinga ziet met de Friese boerentraditie van Kiestra gaat hij naar mijn smaak te ver in zijn interpretatie.

Natuurlijk had Miedema op een gegeven moment zijn buik vol van de benauwende mechanismen in het Friese culturele klimaat. Maar dat was meer de aanleiding, dan de inhoud van dit gedicht. Friesland liep opeens voorop, omdat hier de grootse breuk te maken was. Hier was letterlijk het meest kapot te maken. Friesland zat vastgeklemd in een dwingend keurslijf dat bijna vroeg om vernietiging. Dat keurslijf was het bolwerk van gereformeerden en socialisten die het Fries eigene in taal en cultuur als strijdmiddel gingen inzetten tegen de dreigende zedenverwildering van de moderniteit.

Die moderniteit van een jonge generatie kunstenaars en schrijvers getuigde volgens dit culturele establishment van nihilisme, pessimisme, anarchisme, individualisme en een veel te openlijke houding ten aanzien van de seksualiteit. De oppositie tussen Fries (dat wil zeggen de gelijkstelling van Friese taal en cultuur) enerzijds en vernieuwing en experiment anderzijds kwam opeens aan het licht. Dat mechanisme had Miedema vlijmscherp bloot gelegd in zijn analyse van de cultuurnota van De Fryske Kultuerried van 1962, waarin de mantra van het Fries eigene (Friese taal= Friese cultuur) openlijk werd ingezet in de strijd tegen alles wat vies en voos was. Een strijd die vooral in Fryslân zijn beslag moest krijgen. Hier immers waren de onbedorven, conservatieve tegenkrachten nog het sterkst aanwezig.

Fries stond opeens haaks op al het moderne. Dat leidde tot een oorlogsverklaring die tussen de regels van de cultuurnota van 1962 te lezen was: De Tsjerne moest blijven en Quatrebras moest weg. Dat was de verborgen boodschap van deze nota, de dubbele agenda ook van Moeke Faber, die niet voor niets juist E.M. Folkertsma had ingehuurd – een aartsconservatieve, christelijke Fries-nationalist uit de gelederen van de vooroorlogse Fryske beweging – om een uiterst tendentieus voorwoord te schrijven voor deze cultuurnota. Hessel Miedema ontmaskerde dit geschrift als een directe aanslag op de vernieuwing en het experiment.

In uiterst rake bewoordingen heeft Miedema zich verzet tegen die benauwde theemutscultuur van Frou Faber en consorten, maar ik vraag me af of ‘De greate wrakseling’ daar een directe neerslag van is. Misschien ten dele, maar zeker niet helemaal. Om zijn antiprovincialistische intenties duidelijk te maken had Miedema dit soort poëtische metaforen helemaal niet nodig. In zijn lezing voor de RONO op 9 september 1964 is zijn analyse klip en klaar. Op dat moment breekt hij definitief de staf over het bedompte Friese cultuurklimaat van die dagen. Friestalige cultuur, zo verklaarde hij, is ten alle tijde een enigszins verlate afspiegeling van wat elders al eerder gaande was.

De Friese literatuur moest daarom gezien worden als een regionale en provinciale literatuur die zich sinds de activiteit van de Fryske Beweging door bewust achterblijven distantieert van wat elders gebeurt in het culturele centrum. In dat opzicht is het Fries dus ook meer een dialect dan een taal. Het was het verhaal van Achilles en de schildpad. Hoe meer de Friezen achterblijven, hoe meer ze zich onderscheiden. De gekoesterde eigen identiteit werd dus ontmaskerd als een kunstmatig in stand gehouden constructie, die alleen overeind kon worden gehouden door voortdurend op de rem te trappen. Alleen een doelbewuste vertraging van de culturele ontwikkeling kan de Friese cultuur (lees: taal) voor de toekomst behouden.

In dat opzicht klinkt die analyse van Miedema opeens weer uiterst actueel. Identeiteit is een gevolg van doelbewuste vertraging. Je hoeft het huidige coalitieakkoord van GS er maar op na te lezen om te beseffen dat er in ruim veertig jaar geen spat veranderd is in Friesland. Integendeel, de handrem wordt tegenwoordig harder aangetrokken dan ooit. Men heeft er nu alleen andere woorden voor. Voor zedenverwildering, nihilisme, anarchisme en pessimisme staan nu ‘de kwalijke invloeden van schaalvergroting en verstedelijking’. Het Friese eigene heet nu ‘de kwaliteit van ruimte’.

Eigenlijk was men in de zestiger jaren veel minder hypocriet dan nu. Mensen als E.M. Folkertsma en Dr. K. de Vries kwamen tenminste openlijk uit voor hun oerconservatieve opvattingen. Iemand als Anita Andriessen beweert tegenwoordig dat ze recht voor de raap opkomt voor de Friese ruimte en het belang van kleinschaligheid, maar in feite preekt ze de passie vanuit eenzelfde behoudzuchtige ideologie, waarin een al te snelle culturele vernieuwing ( lees verstedelijking) als ongewenst wordt ervaren voor het eigene in de Friese cultuur (lees de Friese taal). Remmen om te behouden dus.

Maar nogmaals, wat Miedema laat zien in zijn gedicht De greate wrakseling is volgens mij niet direct op één lijn te stellen met zijn tirades tegen het Fries establishment van die dagen. Daarvoor is het gedicht te gelaagd in zijn betekenis, te meerstemmig ook. Het is een wonderlijke polyfonie, die zomaar oprijst uit een wonderlijke tijd. Een hypermoderne klaroenstoot, eenmalig en uniek. Alles wat er daarna over gezegd en geschreven is doet af aan de autonome kwaliteit van deze schitterende regels. Dit is Frysk op zijn slechtst, maar poëzie op zijn best.

Daarna gaat Miedema over in de verdediging, de aanval of hoe je ook maar noemen wilt. In zijn brievenpolemiek met de redactie van Quatrebras komt hij op mij – achteraf beschouwd – een beetje over als een gelijkhebberig stuk chagrijn. Hij is dan aan het natrappen, terwijl hij de koffers al lang heeft gepakt. De toon van deze brieven doet aan een slechte imitatie van Gerard Reve denken. Het doelpunt was al lang gescoord, daarna moet je niet te lang blijven staan juichen voor de tribune van de verliezers. Want wie in Friesland achterblijft verliest, zo had Miedema aangetoond.

UPDATE 15.30 UUR: ingezonden reactie van Josse de Haan:

Ik denk dat Eeltsje voor een deel gelijk heeft – de jongens van quatrebras hadden in de persoon van Marten Brouwer contact met die van de Beat Generation (Ginsberg cs). In de Blauwe Hand in Harlingen (’63 en daarna) heb ik meegemaakt, dat daarover is gesproken, toen er een nieuw nummer van het tijdschrift moest komen.

Ikzelf heb contact gehad in oktober ’68 met de mensen van DIAL A POEM (New York) toen we gedichten gingen uitwisselen. Ik sprak met de redacteuren Gregory Corso, Anne Waldman, John Giorno en Allan Ginsberg. Dat gebeurde ’s nachts uit naam van Operaesje Fers in de BB-bunkers in Leeuwarden (gratis telefoon), beschikbaar gesteld door burgemeester Brandsma. Friese gedichten op de lijnen in New York, en gedichten van hen op de lijnen van Operaesje Fers.

Miedema werd gek van mensen als Moeke Faber, Klaas de Vries (was bv voor apartheid) , Folkertsma, Jappy Noordmans, etc. Als directeur van het Princessehof had hij met dat spul te maken – met die oerconservatieve ortodokse lieden die bijvoorbeeld ook in ’68 tegen de telefoonpoëzie waren, omdat…we meertalig waren.

Zelf heb ik in ’71 toen ik vertrok een stuk geschreven ‘ De 50 fan de slach by Warns’, waarin ik de tegenwerking beschrijf die de Telepoëzie in Friesland ondervonden had, terwijl heel Nederland enthousiast was.

In mijn bundel ‘Bonifasius en it ûnderbroekje fan god’ beschrijf ik analoog aan Miedema (geïnspireerd door de greate wrakseling) mijn afscheid van Friesland. Ik ging lesgeven in Schagen en Nederlands-MO  studeren in Amsterdam.

2 Reacties

Het christendom als rouwproces

Sinds het overlijden van Marijke is mijn leven ingrijpend veranderd. Kort gezegd: ik ben in mijzelf gaan wonen. Diep verborgen in mijzelf heb ik een kamertje leeg gemaakt met daarin alleen nog een tafel, een stoel en een opklapbed. Dat is voor mij voldoende voortaan. Ik leef niet meer op de klok, maar zoals het uitkomt. Ik kijk niet meer hoe laat de treinen vertrekken, maar loop naar het station en zie wel hoe ik hier wegkom. Het leven heeft veel van zijn glans verloren en ik beperk me doorgaans tot het allernoodzakelijkste.

Eerlijk gezegd ervaar ik dit nieuwe leven ook als een verlichting in alle betekenissen van het woord. Veel ballast is verdwenen. Veel inzicht is daarvoor in de plaats gekomen. Maar ik mis haar scherpe tong, de manier waarop ze mensen met één blik kon doorgronden, haar warmte, haar lach en spontaniteit. Ik ben mijn klankbord kwijt, maar ook mijn weerwoord, mijn kritiek.

Elke dag weer verbaas ik mij erover dat het alweer zolang geleden is. Een jaar en vier maanden zijn voorbijgegaan sinds zij uit mijn leven verdween. En elke dag opnieuw lijkt het afscheid nog pas gisteren. De afwezigheid blijft, hoever de tijd ook voortkruipt. Daarmee is ook mijn ervaring van tijd veranderd. Het is alsof de tijd elke dag weer in tweeën breekt. Telkens weer zie ik twee perioden. De tijd samen, en de tijd alleen. En tegelijk blijf ik proberen om dat alleenzijn te verbinden aan de illusie van een samenzijn.

In die zin lijkt het rouwproces op het ontstaan van het christendom. Na het overlijden van Christus was het voor de nabestaanden zaak een illusie van eeuwig leven te creëren. In wezen is dat de kern van het christendom. Hij is niet dood, Hij leeft onder ons, en wij zijn allen verbonden in Hem. Het christendom gaat in wezen over een verdubbeling van de tijd. Het tijdelijke valt samen met het eeuwige. Elke dag opnieuw wordt Hij gekruisigd. Maar elke dag opnieuw opent zich ook de poort naar het eeuwige.

Ik weet niet of het mij gegeven is om ooit nog een boek te publiceren. Maar als mij dat zou lukken, dan zal het gaan over het christendom als rouwproces. Het moet een verhaal worden dat eenvoudiger en duidelijker is dan alles wat ik tot nog toe geschreven heb. De laatste weken lees ik veel over het ontstaan van het christendom in de eerste eeuwen van onze jaartelling. Maar daarnaast verdiep ik mij wederom in het proces van snelle secularisatie dat zich in de decennia na de oorlog heeft voltrokken, dat wil zeggen: in de zeventig jaren dat ik op deze wereld ben.

In zekere zin vormen die twee processen elkaars spiegelbeeld. In beide gevallen gaat het over rouw. In het eerste geval over de dood van een mensgeworden God. In het tweede geval over het verdwijnen van transcendentie, van het bovennatuurlijke. Maar het resultaat is hetzelfde: een existentieel gevoel van gemis. Een afwezigheid die telkens weer de kop opsteekt, maar die zijn keerzijde heeft in een aanhoudend verlangen naar hereniging.

Met veel belangstelling lees ik momenteel The mysterie of the supernatural, een boek uit 1965 van de Franse theoloog Henri de Lubac. Daarin onderneemt hij een ongehoorde poging om een integraal gevoel voor het bovennatuurlijke te heroveren voor het moderne bewustzijn, waarin een onoverbrugbare kloof tussen natuur en bovennatuur a fact of life is geworden.

Lubac schetst een tweeledige ontwikkeling. Enerzijds werd bij de aanvang van de moderniteit het bovennatuurlijke door het christendom aanvankelijk krampachtig verdedigd, apart gezet, losgekoppeld van de natuur en zo gevrijwaard van alle wereldlijke smetten. Dit had echter tot gevolg dat de verwereldlijking ongestoord zijn gang kon gaan om zo uiteindelijk ook het christelijk geloof zelf aan te tasten.

Anderzijds kwamen er begin vorige eeuw nieuwe theologische visies naar voren over een immanente vorm van transcendentie. Dat wil zeggen: iets bovennatuurlijks dat zich in de mens zelf – en zelfs in de geschiedenis – schuil zou houden en zo middels een onstuitbare dialectiek uiteindelijk tot een totale verzoening van de mens met zichzelf zou leiden. Daardoor dreigt deze, in wezen humanistische visie, die claimt de ware erfgenaam van het christendom te zijn, ditzelfde christendom uiteindelijk voorgoed om zeep te helpen.

Hoe ontkom je aan deze spagaat? Hoe bewaar je de smalle middenweg tussen een theocentrisch en een anthropocentisch wereldbeeld? Hoe kun je in deze goddeloze tijd de kerngedachten van het christendom in stand houden? De gedachte dat God de mens schiep ten behoeve van God zelf. Dat de natuurlijke liefde voor schoonheid en het hogere, zijn bovennatuurlijke antwoord vindt in Gods genade. Dat de mens, die naar Gods beeld geschapen is, het vermogen heeft zich met een God te kunnen verzoenen die zich uit de wereld heeft teruggetrokken.

Dat er een verzoening mogelijk is met de dood van een geliefde.

Fecisti nos ad te, Deus.
Gij hebt ons gemaakt voor Uzelf, O God.

Reageer