Terugverlangen naar Calypso

Na mijn ontslag uit Heiloo in april 1966 moest ik mijn examenjaar overdoen.  Ik kan mij herinneren dat van mijn klasgenoten dat jaar maar liefst zeven kozen voor het grootseminarie of het klooster ingingen. Dat aantal was uitzonderlijk hoog, zelfs voor het Ignatiuscollege. De meesten veranderden al gauw van studierichting. Het jaar daarop was er geen enkele klasgenoot van mij die theologie ging studeren. Het tij was gekeerd. In zijn autobiografie Alles is van u, gewijde en profane herinneringen (1981) beschrijft Wim Grossouw de plotselinge omslag in het geestelijk klimaat die zich in de tweede helft van de jaren zestig in Nijmegen voordeed. Midden jaren zestig was een boeiperiode van de theologie. In de 1964, ‘65 en ’66 schreven zich elk jaar zo’n  200 nieuwe studenten in voor dit vak.

Daarna nam de belangstelling plotseling af. Men koos massaal voor de menswetenschappen en niet meer voor de theologie. Dit was de tijd dat  de heiligenbeelden in Nijmegen opeens werden vervangen voor de portretten van Marx en Mao. Je zou zit het absolute keerpunt van de secularisering kunnen noemen. Ik heb het laatst in mijn eigen familie nog eens nagevraagd: wanneer ben je gestopt met kerkbezoek? En steeds weer hetzelfde antwoord: in 1967. Dat was ook het jaar waarin het voor mij was afgelopen. Het was of een ballon leegliep. Natuurlijk zal de dood van mijn vader in 1966 een rol hebben gespeeld. En anders wel het uitkomen van de twee conservatieve encyclieken van Paus Paulus VI: in juni 1967 over het celibaat en Humanae Vitae die in juli 1968 verscheen. De tijd van het progressieve katholicisme was voorbij. Het katholicisme is sindsdien verstrikt geraakt in zijn eigen middeleeuwse hiërarchieën en machtsstructuren. Deze top-down structuur was niet te combineren met nieuwe behoeften aan religieuze ervaring. Zo is het katholicisme uiteindelijk een fossiel geworden uit een voorgoed voorbije tijd.

Eind jaren negentig ben ik begonnen om mijn herinneringen aan die tijd op papier te zetten. Ik had mij voorgenomen om tien boeken te gaan herlezen, die ik voor het eerst las in hoogste klassen van de middelbare school. In de periode dus van 1964 tot 1966. Door het herlezen van die boeken, zo had ik bedacht, zouden de herinneringen uit die wonderlijke tijd wat makkelijker bij mij bovenkomen. Bovendien zou ik op deze wijze mijn eigen gedachten van nu kunnen spiegelen aan die van toen. Wie de nadagen van het Rijke Roomse Leven nog heeft gekend, weet als geen ander wat nostalgie is. De proces van radicale secularisering dat zich in de afgelopen decennia in Nederland heeft voltrokken heeft bij menigeen van mijn generatie een gevoel van leegte achtergelaten. Dat gevoel stak al kort na de jaren zestig de kop op. ‘In de kou’, zo noemden Michel van der Plas en Godfried Bomans hun zoektocht naar hun Roomse jeugd. Nostalgie alleen, daar koop je niks voor. Je moet er wat mee doen. Hoe dan ook, de top-tien van boeken die ik destijds las, zag er als volgt uit.

–       Bonjour Tristesse van Françoise Sagan.
–       Het glinsterend pantser van Simon Vestdijk
–       Telemachus in het dorp van Marnix Gijsen
–       De komst van Joachim Stiller van Hubert Lampo
–       Op weg naar het einde van Gerard Reve
–       Het stenen bruidsbed van Harry Mulisch
–       Eenzaam avontuur van Anna Blaman
–       De hond met de blauwe tong van Jan Wolkers
–       Kleine Alice van Edward Albee
–       De mens in opstand van Albert Camus

Van deze onderneming is niet zoveel terechtgekomen, maar helemaal gestrand is hij niet. Zo verscheen in december 1999 het verhaal Het was in Nevers in het toenmalige Friese literaire tijdschrift Trotwaer. In dit verhaal stond het boek De mens in opstand van Albert Camus centraal. Eindredacteur Jan Pieter Janzen moedigde me aan om hiermee door te gaan, zodat in februari 200o, wederom in Totwaer, een verhaal verscheen, nu met de titel: Een verhaal zonder wind of wolken. Hierbij ging het om Telemachus in het dorp van Marnix Gijsen. Delen van dit verhaal heb ik verwerkt in mijn bijdrage aan het boek  Tegen de tijdgeest, terugzien op een psychose. De oorspronkelijke tekst luidde als volgt:

Een verhaal zonder wind of wolken

Op zondag 16 januari 1966 werd ik opgenomen in het psychiatrisch ziekenhuis in Heiloo. Ik was achttien jaar oud en zat in het examenjaar van de middelbare school. Het was een spoedopname. In de dagen daarvoor was ik hals over kop ik in een psychose beland. In mijn hoofd groeide opeens een wereld van waanideeën die weldra als een zeepbel uit elkaar zou spatten. Ik  hoorde de stem van Jeanne d’Arc, meende dat ik onsterfelijk was en had zonder op of om te kijken drukke verkeerswegen overgestoken. Niettemin voelde ik mij intens gelukkig. Een week voor mijn opname was ik gaan dwalen door de stad. Ik dacht  iets op het spoor te zijn waar niemand erg in had. Er was iets met de zon. Het januarilicht was stralender dan ooit. In het water schitterden zilveren messen. Ik zag de koepel van de Willibrorduskerk zich afsteken tegen de gele lucht. Ik zag de hemel openzwaaien boven de Amstel. Ik zag alsmaar de zon en liep hem achterna. De Ceintuurbaan op. De Hobbemakade langs. Het Museumplein over. Op weg naar het Vondelpark. De zon. Hij zou mij terugvoeren naar het paradijs. Dagenlang heb ik gedwaald. Mijn gedachten draaiden in cirkels rond. Ik liep naar het Centraalstation om op de klok te kijken. Ik liep terug naar het park om het grote hek te zien. Ik zag de gouden engel met het zwaard. Ik liep. Ik bad. Ik zong. Ik was gelukkig, glorieus gelukkig.

Mijn afdeling heette Glorieux B. De slaapzaal bevond zich in de linkervleugel van een gebouw dat ooit als een burcht voor de waanzin was opgetrokken. De architect moet iets voor ogen hebben gehad dat het midden hield tussen een Romaans klooster en een negentiende-eeuwse koepelgevangenis. Met zo’n gedachte had Foucault wel raad geweten. Vergeet je kloten, gij die hier binnentreedt  leek hier in bakstenen verbeeld. Zoals  de kerk ooit het  klooster uitvond als isoleercel voor de tomeloze drift, zo is het burgerlijke staatsbestel uiteindelijk loslopende gekken in kerkers op gaan sluiten. Later hoorde ik dat juist in deze roomse vesting in Heiloo tot in de jaren zestig castraties werden uitgevoerd bij seksuele delinquenten. Dan kwam de ballenwagen langs, werd er gezegd.

Gelukkig wist ik daar weinig van toen ik voor het eerst het terrein opkwam. Het gebouw oogde eerder degelijk en betrouwbaar. Een oprijlaan leidde naar een poort met een slagboom in het midden. Tot in de verre omtrek was de groene koepel te zien die boven alles uitsteeg, bekroond met een kruis dat ’s avonds licht gaf. Willibrordus was de heilige naar wie het gesticht was vernoemd. De put waar zijn bron opwelt heb ik nooit bezocht. De gedachte alleen dat die heilige plaats zich ergens in de omgeving moest bevinden was genoeg. Alles was heilig om me heen, het wit van de lakens, maar ook het winterlicht door de ramen naar binnenviel. De zaal had hoge vensters waardoor je uitkeek op een voorterrein van gras, vijvers en paden. Aan de overkant van de weg stonden kleine huisjes van voor de oorlog. Ergens verderop moesten de duinen liggen en daarachter de zee.Van mijn opname, die zo’n vier maanden duurde, kan ik mij weinig herinneren. Mijn geheugen heeft zelfs een gat van enkele weken. Die tijd moet ik aan een stuk door geslapen hebben. Daarna  werd ik als herboren wakker, zonder waanideeën maar met hetzelfde intense geluksgevoel dat pas in de maanden daarop langzaam uitdoofde.

Het leven van alledag nam stilaan weer zijn normale gang. En toch, er was iets veranderd. Terug op school, waar ik mijn eindexamenjaar moest overdoen, waren sommige paters al vertrokken, teleurgesteld, uitgetreden, getrouwd, hoe dan ook voorgoed uit het zicht verdwenen. Ze verlieten als eersten een zinkend schip waar alom dood en verderf leek te heersen. Terwijl ik aan het bekomen was van mijn maandenlange extase bekroop me het gevoel dat er iets mis was gegaan waar ik geen vat op had. Oude dingen gingen opeens voorbij om nooit meer terug te keren. Overal om me heen leek het bolwerk  van het katholicisme als een kaartenhuis ineen te storten. Sterker nog, die crash voltrok zich in mijn hoofd. Op zondag 8 mei 1966, een dag voor de dood van bisschop Bekkers die ervoor had gepleit om het gebruik van de anticonceptiepil als een zaak van het eigen geweten te beschouwen, waarmee de laatste zegen werd gegeven voor de seksuele revolutie in de jaren zestig, stierf mijn vader na een kort ziekbed.

De neuroloog Oliver Sacks  schreef ooit een verhaal over een man die in de jaren zestig hippie was geweest, aan de drugs raakte en uiteindelijk in een oosterse sekte belandde. Gaandeweg bleek dat de radicale karakterverandering, die hij daarbij onderging, niet veroorzaakt werd door drugs en meditatie, maar door een tumor in zijn hersenen die uiteindelijk de omvang van een sinaasappel had bereikt. Na de operatieve verwijdering van het gezwel leed de man aan een ingrijpende vorm van amnesie. Alles wat na de jaren zestig was voorgevallen leek uit zijn geheugen gewist. Alleen het geheugen voor de zeer korte termijn was in tact gebleven en daarnaast de herinnering aan zijn hippietijd. In feite leefde hij in een ommuurd heden met uitzicht op een ver verleden. Zijn favoriete popgroep uit die tijd was Grateful Dead. In 1969 had hij een live concert van hen bijgewoond in het Central Park in New York. Toen deze groep in 1991 op diezelfde locatie opnieuw live optrad, besloot Sacks om zijn patiënt mee te nemen naar dit concert. Zo kwamen de jaren zestig in een goeddeels vernietigd brein voor even opnieuw tot leven. De muziek riep intense herinneringen en emoties op totdat ze stilaan haar vertrouwdheid verloor en zelfs vreemd en futuristisch gingen klinken. De patiënt beleefde met terugwerkende kracht een reis naar de toekomst.

Dat bevroren perspectief vanuit de jaren zestig interesseert mij in hoge mate. Ik herken het in verzwakte vorm in mijn eigen brein. Foto’s uit die tijd roepen sterke, onbestemde en vaak onverklaarbare gevoelens op om van muziek nog maar te zwijgen. Telkens ervaar ik een schok van herkenning die ik niet goed thuis kan brengen, alsof mijn hersencellen van toen door een intense lichtflits verlamd zijn geraakt en alleen nog door prikkels uit die tijd zelf in actie kunnen komen.  Die hervonden herinneringen zijn moeilijk in woorden te vangen. De taal lijkt  losgeweekt van de stroom van gedachten die destijds mijn bewustzijn heeft overspoeld. Picadou is het Japanse woord voor de flits die optreedt bij een nucleaire explosie. Zoiets moet het zijn geweest, een totale verblinding van het verstand door een ster die uiteen is gespat. Een hemels licht op aarde dat ouder is dan de zon. Om het zicht op dat vreemde gesternte terug te vinden ben ik boeken gaan herlezen die ik nog voor mijn opname in Heiloo voor het eerst onder ogen kreeg. Over een  van die boeken gaat dit verhaal.

***

Het is woensdagmiddag, ergens in 1965, als ik met twee rijksdaalders op zak de Brunawinkel in de Kalverstraat binnenstap, waar ik na een worsteling met mijn geweten de verleiding weersta om voor het eerst van mijn leven een Playboy te kopen, waarin ik  – buiten het blikveld van een streng rondziende caissière –  heel eventjes had zitten bladeren om zo in een flits de ontblote borsten te zien van een schaakspelende dame op een hoogpolig tapijt, uiteindelijk stuit op een klein, onooglijk boekje. Het was nummer achtenzeventig in de pocketreeks van Meulenhoff, getiteld Telemachus in het dorp. De illustratie op het omslag had me even doen denken aan een verhaal van Don Camillo. Drie figuren op de voorgrond staken wat knullig af tegen een mosgroen fond met op het tweede plan een dorpsgezicht in mozaïek. Twee gekleed in driedelig pak keken mij aan, de derde getooid in een pastoorspij hield de ogen dicht. Ze stonden daar frontaal naast elkaar alsof ze zojuist door Herman Emmink waren voorgesteld in een nieuwe aflevering van Wie van de drie: “Mijn naam is…” Een zekere nieuwsgierigheid kon ik niet weerstaan. Wie waren die gestalten? Het leken was Harlekijnen voor aan de wand of van die papieren  paspoppen die je naar keuze kon aankleden als een ideaalbeeld van jezelf. Opeens schoot het door mijn hoofd: Laat mijn ware ik opstaan!

Hoe kinderlijk dat verlangen ook klonk, dit boekje zou mij uitstekend van pas kunnen komen. Ik moest immers kiezen. Mille chemins ouverts, zegt een Fransman over de vooravond van de volwassenheid als alles nog mogelijk lijkt. Ik zag in die tijd alleen maar een tweesprong opdoemen: de onvermijdelijke keus tussen geloof en genot. Een middenweg, zo dacht ik, was op den duur ondenkbaar. Sinds Augustinus had verkondigd  dat in het  paradijs alleen ‘lust op bevel van de wil’ had bestaan en hem bij de zondeval de controle over zijn driftleven door de Schepper werd ontnomen, waren lichaam en geest verschillende wegen ingeslagen. Zo had ik dat tenminste begrepen. Beide wegen hadden hun eigen verkeersregels, zelfs hun eigen kledingsvoorschriften, de gewaagde experimenten van mijn leraar Nederlands ten spijt, een pater die zijn pij nog onlangs had verwisseld voor een grijs pak met witte boord en weldra het geestelijke voor het wereldlijke leven zou verruilen. Evenals hij werd ik gekweld door twee imperatieven die mij absoluut onverenigbaar leken. Het was laat ons bidden of  let’s fuck and forget philosophy. De drie figuren op het omslag leken dat probleem in een notendop samen te vatten. Er is meer tussen hemel en aarde je maar kiest voor één van ons, zo leken ze te de beloven. Ze lonkten naar mij alsof ze zaten te wachten op een oordeel van Paris die de knoop maar niet door kon hakken. Vooralsnog koos ik voor ik voor alle drie, dat wil zeggen: voor Telemachus in plaats van de schaakspelende dame. De strenge caissière zou mij nog complimenteren voor mijn literair verantwoorde keuze. Of ze gelijk had of niet, in dit boekje zou ik mijn eerste stappen gaan zetten in het land der letteren.

Het was de tijd waarin het regelmatig schoolbestaan vol onregelmatige naamvallen en moeizame vervoegingen stilaan plaats begon te maken voor de weltschmerz van het echte leven. Dat wil zeggen de literatuur, want daar speelde dat leven zich af, in de wereld van bonjour tristesse. Het was een en al eenzaamheid wat de literatuur in die jaren te bieden had.  Het ritme van deze gemoedstoestand leerde ik niet kennen door het tikken van de regen tegen een zolderraam, maar door het lezen van boeken, waarin de eenzaamheid als collectieve kwaal opnieuw werd uitgevonden. In navolging van Heidegger, die al voor de oorlog de moderne mens had ziek verklaard, omdat hij niet meer in staat zou zijn het bestaan op een authentieke wijze te ervaren, werd de verstedelijkte mens een patiënt die steevast in troosteloze buitenwijken ten tonele werd gevoerd.

In het naoorlogs Nederland sloeg de zijnsvergetelheid toe in Betondorp. Vervreemding, levensangst en onmacht om de ander te bereiken waren de sluimerende kwalen van de lonely crowd. Het werden de bijverschijnselen van de koude oorlog, een tijd  waarin het leven in de literatuur werd afgeschilderd in een grauwe toonzetting die bijna stereotiep is terug te vinden boeken als De Avonden van Van het Reve, Eenzaam Avontuur van Blaman en niet te vergeten – want dat wordt dit boek zo vaak – Telemachus in het dorp. Ik las die sombere boeken stuk voor stuk, of beter gezegd, ik verslond ze ademloos en vol overgave, terwijl ik nog niet over de gave kon beschikken om als lezer te relativeren waar een schrijver verabsoluteert. In die staat van ontvankelijkheid en bewondering sloop de milde taal van Gijsen ongemerkt naar binnen om zo een baken te vormen in de nog pas ontdekte troosteloosheid van mijn bestaan. Telemachus in het dorp was voor mij een ode aan het alleen zijn. O gelukzalige eenzaamheid. O eenzame gelukzaligheid. Hoe vaak heb ik de slotzin van dit boek niet gepreveld als een rituele bezweringsformule in een litanie van puberaal zelfbeklag. Er zijn mensen die de pubertijd ervaren als een trage seizoenswisseling vol druilerige regenbuien Voor mij was het een kortstondige weeromslag met wolkbreuken en windstoten, kortom, noodweer op de levenszee.

Ondanks al  die somberheid behoorden de jaren waarin ik tot bewustzijn kwam tot een  ogenschijnlijk zorgeloos tijdvak waarin het Franse chanson een opmerkelijke bloeitijd beleefde. In die muzikale vorm van poëzie leek het woord solitude een nieuwe klank te krijgen. Het werd een mooi gevoel waarover je kon zingen. Je ne suis jamais seul avec ma solitude. Het verdriet kreeg een tweede traan. Eenzaamheid verscheen op de monitor van de tijdgeest. Zelfs een ex-vorstin voelde zich terugkijkend op een lang leven uiteindelijk eenzaam maar niet alleen. Deze geësthetiseerde gemoedstoestand deed ook de behoefte ontstaan aan tegendraads troubadour met zijn oude boodschap: mens durf te leven. Of in de woorden van Jacques Brel. Allez Jef, tu n’est pas seul. Hou op met janken voor Jan en alleman, omdat een blonde snol je een blauwtje liet lopen. De naweeën van de romantische eenzaamheid als een toestand vol melancholie vloeide in het naoorlogse chanson naadloos over in het bitterzoete levensgevoel van een generatie die vooral te doen had met zichzelf. Er ontstond zoiets al een gekoesterd gevoel van verlatenheid. Na Auschwitz en Hiroshima werd het triste à Venise. De spleen van Aznavour vermengde zich met de walging van Sartre en in die smeltkroes moet een nieuw betekenisveld van het woord eenzaam zijn ontstaan. Het woord werd opeens met schuld beladen, want een mens was in alle opzichten verantwoordelijk voor zich zelf. Eenzaamheid overkwam je niet als een beschikking van het noodlot. Het wat altijd een keuze tussen isolement en solidariteit. In het Frans scheelde het ook maar een letter: solidair of solitair.

Eenzaamheid met deze ondertonen is vandaag de dag een verdwijnend fenomeen. De hedendaagse bewoner van Betondorp voelt zich niet eenzaam, hooguit een beetje depri. Het woord is vermalen tot turbotaal. De therapeutische wildgroei van de jaren zeventig heeft een nieuw vocabulaire gecreëerd waarmee de gemoedstoestand alleen nog in technische termen valt aan te duiden. Affectieve deprivatie, depressie, ik-zwakte, contactstoring. Kortom, eenzaamheid wordt in toenemende mate opgevat als een psychohygiënisch defect, een storing in het gevoelsleven dat met enig gesleutel van een therapeut heel wel te verhelpen is. Eenzaamheid is een conglomeraat van gemoedsaandoeningen dat aan verandering van mode onderhevig is. Een mens voelt wat hij geacht wordt te voelen. Zoals alle duurzame belevingen van het eigen bestaan is eenzaamheid in feite een gemodelleerde toestand in het brein  waarvan de codes vastliggen in de breed uitwaaierende registers van het gevoelsvertoog. Dat wil zeggen: niet alleen in poëzie en literatuur, maar ook in het tekstmateriaal  van levenslied, de popmuziek, en in de tijd van de koude oorlog: het chanson.

***

Telemachus in het dorp werd geschreven in 1947, het jaar ook  waarin De Avonden het licht zag. Beide boeken zijn een belijdenis, geen geloofsbelijdenis maar een persoonlijke beschrijving van de ondergang van een ideologie in het leven van alledag. Het dorp van Telemachus s was misschien wel het Vlaamse Betondorp, waar het katholicisme de plaats innam van Marx. Hoe dan ook, ik had iets met dat boek. Ik herkende mijzelf als twee druppels water in de schrijver die afscheid neemt van zijn jeugd. Als kind ben ik altijd wat stil en eenzelvig geweest, als enige zoon tussen vier oudere zussen, een nakomer die alles zag in een gezin dat beheerst werd door ouderen. Toen die cirkel om me heen wat groter werd bleef ik mijn omgeving waarnemen met de blik die niet van een kind was. In  de hoofdfiguur van Telemachus had ik opeens een medebewoner ontdekt in een wereld waar iedereen alles beter wist. Dit  boek lag dan ook op mijn nachtkastje in afwachting van andere tijden. Daarna is het uit mijn blikveld verdwenen tot ik de beduimelde pocket laatst weer terugvond de boekenkast van een familielid, terwijl mijn naam nog op de Franse pagina prijkte. Sindsdien koester ik dit kleinood als een kostbare souvenir uit mijn jeugd. In meerdere opzichten is het een verhaal over de terugkeer van vroege herinneringen, niet alleen voor de schrijver van toen die vertelt over zijn eigen jeugd, maar ook nu voor mijzelf. Dit boek herlezend bekruipt me het gevoel voor even terug te keren naar een godverlaten uithoek van mijn late kinderjaren.

Het verhaal laat in een notendop de verwevenheid zien tussen het katholicisme en seks. Of beter gezegd: de typisch roomse osmose tussen milde ironie en castrerend fatalisme, die structurele verandering van het innerlijk dat zich aandient zodra het geloof uit een leven wegvalt. Het boek gaat niet over de crash van het katholicisme, maar over de zachte dood die daar aan voorafgaat. Een verhaal zonder wind of wolken, zo noemt Gijsen zijn minzame opsomming van treurige herinneringen, maar voor mij was het een weids schouwspel van wonderlijke figuren die mijn fantasie voor het eerst in beweging  bracht. Telemachus is het dorp gaat  in feite over hoe God verdween uit Blaren, althans in de beleving van de ikfiguur die terugkijkt op de jaren toen hij als stadsjongen in dit Vlaamse dorp bij familie werd ondergebracht.

Het leven in Blaren wordt beheerst door drie personen: de pastoor, de gemeentesecretaris en de hoofdonderwijzer. Alle drie zijn ooms van hem en vooral de laatste hadden grote invloed op zijn ontwikkeling. Door het grote verschil in karakter van die twee wordt hij in een voortdurend conflict geplaatst. De een is een hartstochtelijk dweper voor geloof en godsdienst, de ander een achterbaks genieter van wijn en vrouwen. Deze tegenstelling wordt nog versterkt door de wijze waarop beiden aan hun einde komen. De een sterft in aanwezigheid van de jongen in een ziekenhuis, waar hij wegteert ten gevolge van ingewandskanker. De ander krijgt een beroerte tijdens een nachtelijk samenzijn met een vrouw, als hij met hem in Wiesbaden op vakantie is.

In schril contrast met de strakke leer van de kerk en de bekrompenheid van het dorpsleven vertelt de ikfiguur over zijn eenzaam dwalen in de bossen bij Blaren, waarbij hij zich, door een wilde verrukking bezeten, uitleeft in een naakte dionysische faunendans, waarover hij had gelezen in Fénélon’s Les aventures de Télémaque. Telkens weer schijnt er iets van die herinnering naar voren te komen, ook als hij de naaktheid van zijn grootmoeder ziet die op haar ziekbed gewassen wordt en wanneer hij zelf een van zijn ooms op zijn sterfbed moet verzorgen. Het lichaam en het geloof duiken telkens weer op als onverzoenbare tegenpolen, ook in de beschrijving van de verminkte slachtoffers die de jongen te zien krijgt bij zijn eerste bedevaart naar Lourdes die eindigt in een treinramp. Dit alles grijpt hem zo diep aan dat hij nadien zijn innerlijk evenwicht nooit meer heeft kunnen vinden. De vroege extase is gesmoord, de wind is voorgoed gaan liggen. Verblind door de uitersten van lichamelijkheid en mystiek ontwikkelt hij zich tot een zonderling die door het leven gaat ‘tussen de schimmen van twee doden’.

***

Alsof ik een open plek in het bos ontdekte waar ik naar de wolken kon staren, zo verslond ik destijds die zinnen van Gijsen. Ik zag de schrijver als een oudere uitgave van mijzelf, op rijpere leeftijd terugkijkend naar een verleden dat voor mij helaas nog heden was. Zijn decor was het dorp Blaren, maar in feite ging het om de klerikale opvoedingsmethoden die ik evenzeer verfoeide als hij. Destijds bood hij mij een uitzicht op een doorleefde toekomst. Nu zie ik mijzelf terug in een vreemde wisseling van perspectieven. Hij was oud en wijs, ik nog jong en onervaren.  Hij keek om, ik vooruit. En toch, we hadden iets gemeen en hebben dat nog steeds. Achteraf herken ik veel in de gelaten slotsom van de schrijver dat hij een giftige serreplant was, voortgebracht onder hoge druk en te snel omhoog  geschoten. Wat ik toen zag was een doembeeld van mijzelf in een toekomst die nog open lag. Wat ik nu zie is een bevroren spiegelbeeld waar ik frontaal tegenop loop als tegen een glasplaat die geen millimeter meegeeft. Ik verbeeldde mij destijds dat de bronnen mijn jeugd achteraf even vergiftigd zouden zijn als de zijne. Nu kan ik zijn bekentenissen niet herlezen zonder een gevoel van gêne te onderdrukken. Ik herken bijna mijn eigen stem in woorden die ik als kind voor het eerst gelezen heb, of moet ik zeggen voor het laatst als een kind. De lading van die woorden is gaan schuiven in de tijd. Ze vullen zich ook met iets dat in mij veranderd is. Juist in hun herkenbaarheid hebben ze iets onbestaanbaars. Misschien is dat het wel wat ik opeens in beeld krijg, een achtkant  van mezelf die alleen op deze wijze is waar te nemen, zoals ik mijn achterhoofd alleen in een dubbele spiegel kan zien.

Niets is troostelozer dan heimwee dat blijft ook als je thuiskomt, maar dat is wel het dubbele gevoel dat zich aandient bij het herlezen van dit boek. Het wegvallen van het geloof in de puberteit kan een leegte achterlaten die zich niet meer vult, een soort brandgat in het bewustzijn. Vaak heb ik mij afgevraagd wat de betekenis is geweest van mijn psychotische waan. Het moet een sprong zijn geweest naar het absolute, een poging om een finale samenhang te creëren in de chaos die ik om heen zag ontstaan. Het systeem van wanen, dat plotseling in mijn hoofd  bleek op te zwellen, moet iets van doen hebben gehad met het proces dat Gijsen in aanzet beschrijft, de naderende teloorgang van het katholicisme. Mijn behandeling in Heiloo was er kennelijk op gericht mijn teveel aan bewustzijn weer onbewust te maken, met het gevolg dat ik achteraf nooit precies heb geweten wat er toen in mijn hoofd omging. Woorden zitten vastgekleefd aan dingen in de wereld. Maar zijn de taalverbindingen van het gezond verstand niet even denkbeeldig als de nieuwe relaties die het bewustzijn creëert in een psychotische toestand?  Evenals taal wordt geloof gedragen door de eerste verlangens die zich hechten aan de dingen, door een herbeleving ook van het vroegste beeld dat het kind zich vormt de ouderen om zich heen. Anderzijds zijn waan en geloof aan elkaar verwant omdat beide systemen beelden creëren die niet met  het gezonde verstand te rijmen zijn. Die verwarring tussen waan en werkelijkheid, tussen geloof en ongeloof, is voor mij nooit geheel verdwenen, zeker niet als het gaat om vreemde herinneringen aan  mijn pubertijd. Wij gaan langs Amstels wegen…zo klonk de eerste zin in het schoollied van de jezuïeten. Langs die wegen heb ik gedachten nog heel wat gedwaald ook als oud ignatiaan

Foucault beweert dat door het katholicisme de mens voor het eerst als een seksueel wezen werd gedefinieerd. Door Augustinus werd ‘een technologie van het zelf’’  uitgevonden die door Rome eeuwenlang van hogerhand is opgelegd. Deze technologie richtte zich op de voortdurende ontcijfering van het zielenleven door een zuivering van het libido. Zo raakte het katholicisme steeds meer verstrikt in een spiraal van waarheidsformulering en werkelijkheidsverloochening. Sinds Augustinus, zo beweert Foucault , beleeft de mens seks in zijn hoofd. Die gedachtegang intrigeert mij omdat de leer van  Augustinus mij als puber met de paplepel werd in gegoten. De jezuïeten lieten je geen Tacitus lezen, maar de Belijdenissen in het Latijn. De zachte dood van het geloof uit zijn jeugd, die Gijsen zo treffend beschrijft, herken ik als een fluwelen verzaking van drift, een fataal proces dat uiteindelijk neersloeg in mijn brein. Zoals een psychose een revolte kan zijn van de geest in de ultieme ontkenning van het lichaam, zo is mystiek vaak niet  meer dan een oceanisch gevoel van heimwee naar de moederschoot. En toch, juist in Heiloo heb ik een onaards geluk gekend in de ervaring dat de grenzen tussen lichaam en geest volledig kunnen verdwijnen, dat de ziel door de wil bevolen kan worden en niet slechts door de drift. Kortom, het paradijs zoals dat door Augustinus wordt beschreven. Maar mijn vroege extase was een ervaring  die geen bestaansrecht had. Mijn waan kwam niet voort uit een flits van de zon, maar uit gekoesterde verlatenheid op de drempel van een afscheid.

Na een leven dat volkomen door zijn herinneringen aan zijn jeugd is bepaald zoekt de hoofdfiguur in Telemachus  troost in Blaren, waar hij zich terugtrekt voor de rest van zijn tijd. Daar schrijft hij ook die laatste, larmoyante zin die ik ooit heb gespeld en nu niet meer kan horen: “Ik weet nu zeker dat ik slechts ééns in mijn leven het zuivere geluk heb gekend: die zomerdagen toen ik als kind door de varens liep, rilde in mijn prille naaktheid en toen ik tegen het geruis der bomen en boven het geklater der beek verkondigde dat Calypso ne pouvait se consoler du départ d’ Ulysse.”

Reageer

Ik was zeventien

17

In 1955 fotografeerde Johan van der Keuken, die toen zeventien jaar was, zijn vrienden op het Amsterdams Montessori Lyceum. Hij noemde zijn fotoboek Wij zijn 17. Iedereen, die in de tijd van de wederopbouw zelf zeventien is geweest, herkent deze foto’s. Ze zijn klassiek en tijdloos. Het fotoboek van Johan van de Keuken riep na verschijning heftige reacties op. Zo somber als hij de ‘jeugd van tegenwoordig’ in beeld had gebracht, was zij niet, zo werd er beweerd. Als tegenreactie verscheen er een katholiek boekje Wij zijn ook 17 met allemaal foto’s van vrolijk lachende pubers. Maar het is toch het mistroostige beeld van Johan van der Keuken dat de tijd heeft overleefd. Ed van der Elsken, die Johan van der Keuken in die tijd leerde kennen, stimuleerde hem om fotograaf te worden. Zelf maakte Ed van der Elsken ook foto’s op het Montessori Lyceum. Hans Nauta, oud-directeur van Hûs en Hiem, die twee jaar geleden overleed, vertelde me ooit dat hij als zeventienjarige jongen in het boek van Johan van der Keuken staat afgebeeld.

In 1955 zat ik nog op de Peetersschool, de lagere school in de Richard Holstraat, niet ver verwijderd van De Lairessestraat, waar het Montessori Lyceum destijds gevestigd was. In 1957 verhuisde het Montessori Lyceum naar de Anthonie van Dijckstraat. En nadat de onderbouw in 1976 was overgebracht naar een paar noodgebouwen in Buitenveldert, zou er nieuwbouw moeten volgen. Dat ging uiteindelijk niet door, mede door toedoen van mijn zwager, Evert Soethout (‘Oom Evert‘), die destijds in het schoolbestuur zat. Hij heeft er toen in Den Haag voor gepleit dat er een ‘gebouwenruil’ tot stand kwam tussen het Montessori Lyceum en het Ignatiuscollege, dat destijds in het complex  aan de Pieter de Hoochstraat veel te ruim in zijn jas zat. Zo zit het huidige Montessori Lyceum sinds 1977 in het schoolgebouw waar ik zelf in 1964 zeventien werd. Maar dit terzijde.

spiegel0001-219x300

Hier was ik net zeventien, in december 1964, toen deze foto werd genomen in de slaapkamer van mijn ouders. Daar had je een linnenkast met een grote spiegel. Ik heb niet geflitst. Het zijlicht komt van een grote schemerlamp. De foto is waarschijnlijk met 1/2 seconde sluitertijd genomen, met een groot diafragma want er is weinig scherpte-diepte. Hoe dan ook, ik mocht me absoluut niet bewegen. Mijn houding oogt dan ook bevroren. Dat komt niet zozeer door de klik van de camera, maar vooral door de katatonische pose die ik zelf heb aangenomen. Ik zat in de vijfde klas van het gymnasium. Een rimpelloze tijd, of beter gezegd: de stilte voor de storm. Die stropdas droeg ik al vanaf mijn twaalfde. Mijn haar was kortgeknipt. Beslist geen Beatles-kapsel, terwijl  die toch al aardig bezig waren. Rechts achter mij zie je een wijwatervaatje dat naast het bed aan de muur hing. Zulke dingen zie nog wel eens op rommelmarkten. Maar destijds zat er gewijd water in. Je kon er ‘s ochtends en ‘s avonds je vingers indopen voordat je een kruisteken maakte. Na Palmpasen zat er een palmtakje in. Dit was wat je noemt het Rijke Roomse leven, zelfs nog in 1964.

Een bekende foto uit het boek Wij zijn 17 is die van een lezende jongen. Ton Anbeek plaatste deze foto op de cover van zijn boek Na de oorlog. De Nederlandse roman, 1945-1960, dat in 1986 verscheen. Hij lijkt wel een beetje op Frits van Egters uit De avonden van Reve. Maar ik zou het ook zelf kunnen zijn, zo’n tien jaar later. Deze foto zit daar precies tussenin, dat wil zeggen tussen 1947, het jaar waarin De avonden verscheen en 1964, het jaar waarin ik zeventien werd en romans begon te lezen.

Schermafbeelding 2015-08-15 om 12.10.05

Er is nog een andere benadering die ik niet zal kiezen bij mijn project ‘12 boeken, 50 jaar later.’ Dat is het concept van dit boek. Ton Anbeek, tot 2005 hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Leiden, geeft in ‘Na de oorlog’ een beknopte beschrijving van de Nederlandse roman in de eerste vijftien jaar na de oorlog. Daarbij bepaalt hij niet achteraf zijn keuze, maar kiest voor wat de contemporaine kritiek in deze periode als de beste romans heeft gesignaleerd. Vervolgens geeft hij een beknopte beschrijving van de receptie daarvan, en daarna toont hij aan hoe de eigentijdse critici deels ook bevangen waren door de waan van de dag. Allerlei belangrijke thema’s zien zij over het hoofd. Sterker nog, ze zien grotendeels wat ze willen zien. Achteraf wordt duidelijk dat zowel schrijvers als critici een vergelijkbaar vertekend beeld hebben gehad van hun eigen tijd. Sterker nog, schrijvers lijken op dit vertekende beeld van de kritiek in te spelen.

De naoorlogse schrijvers vertolken het geluid van een nieuwe generatie die door de oorlog de weg kwijt is geraakt. Maar dat lijkt ook het beeld te zijn dat juist de kritiek wilde zien. Na De avonden (1947) van Van het Reve lijkt iedereen ‘de stem van zijn generatie’ te willen vertolken, en dat nog wel in één boek. Mistroostig, lamlendig, landerig, angstig en verveeld, nihilistisch en existentialistisch en niet te vergeten met een obsessie voor een ontluisterende vorm van seksualiteit. De onmacht om de ander te bereiken lijkt achteraf een uiting van gekoesterde eenzaamheid. In de puinhopen voelde men zich prettig. De ‘asfaltromantiek’ – zoals een criticus het noemde – was grotendeels ook valse romantiek. Het cliché van de naoorlogse ‘Weltschmerz’ werd tot hoge literatuur verheven. Als je het zo bekijkt is de naoorlogse literatuur tot 1960 één grote nouvelle-vague-film.

Anbeek prikt dit soort stereotype beelden genadeloos door. Hij gebruikt de metafoor van de Rorschach-vlek. Als met de critici rond 1950 een dergelijke inktvlek zou voorleggen, zouden ze er ongetwijfeld het beeld van een gedemoraliseerde naoorlogse jeugd in herkennen. Het is de lijn ‘Reve-Hermans-Blaman’ in de naoorlogse literatuur. Maar ook allerlei mindere goden vertolkten dit ogenschijnlijk geprogrammeerde levensgevoel van de uitzichtloosheid. Hoe authentiek was dit gevoel? Kwam het overwaaien uit Parijs, waar Sartre al  in 1938 al zijn gevoel van walging had verwoord in zijn roman La nausée? Anbeek laat zien dat de zaak ingewikkelder is dan het lijkt.

Ten eerste is er geen scherpe scheidslijn te trekken tussen de nihilistische tijdgeest in de roman van na de oorlog en die van de jaren dertig. Ter Braak en Du Perron hadden al voor de oorlog een uitzichtloosheid verwoord, die aan het naoorlogse existentialisme doet denken. Daarnaast hadden zo kort na de oorlog veel schrijvers Sartre en Camus nog niet eens gelezen. De overeenkomst die Pierre H. Dubois herkende tussen de koele beschrijvende toon in Reves debuut De avonden (1947) en L’étranger (1942) van Camus – een overeenkomst die mij ook al na eerste lezing opviel – berust waarschijnlijk niet op directe invloed. Persoonlijk vind ik De vreemdeling van Camus nog altijd een van de beste boeken van de vorige eeuw.

Vandaar ook dat ik dit boek  beslist bij mijn selectie hoort, naast drie andere boeken van Camus. Bovendien heb ik me voor mijn project laten inspireren door het boek van Lolle Nauta, De mens als vreemdeling, dat in 1960 verscheen en waarin Camus’ L’étranger een centrale rol speelt. Het aardige van overzicht in vogelvlucht van Ton Anbeek is, dat het een periode van de Nederlandse literatuur beschrijft, die precies overeenkomt met de boeken die ik in het midden van de jaren zestig op de middelbare school ging lezen. Anbeek beweert dat er in de literatuur zelf niet zozeer een breukvlak ligt rond 1960 – het jaar waarin Camus bij een auto-ongeluk om het leven kwam – maar wel in het lezerspubliek. Opeens werden er boeken in veel grote oplagen gedrukt. De literaire reuzenpocket – een idee van Harry Mulisch, wiens boek Het stenen bruidsbed (1959) de eerste LRP was – heeft daar mede aan bijgedragen.

Maar ook een boek als De avonden werd in de jaren zestig pas goed gelezen, nadat de brievenboeken van Reve een hype waren geworden. Maar belangrijker was dat een nieuwe generatie – de babyboomers van de geboortegolf – de middelbare school bereikte en les kreeg van jonge leraren Nederlands, die de boeken van hun eigen generatie gingen behandelen. Ik kan deze conclusie van Anbeek volledig beamen. Ook ik ging in die die tijd deze boeken lezen, daartoe aangespoord door een enthousiaste leraar, in mijn geval een pater jezuiet. Het glinsterend pantser van Vestdijk, dat Anbeek als een sleutelwerk naar voren haalt, heb ik zelf in 1964 twee keer gelezen voor een uitgebreide boekbespreking van zes kantjes, die ik nog altijd heb bewaard. Ik verslond niet alleen de naoorlogse literatuur in die tijd, maar ook de boeken van Sartre en Camus.

Achteraf kun je jezelf afvragen of het wel zo verstandig is geweest om jonge mensen dergelijke boeken zo rauw voor te zetten. Het uitzichtloze levensgevoel, dat juist in deze literatuur werd vertolkt, had weinig van doen met adolescenten die de oorlog alleen uit de verhalen van hun ouders kenden. Juist in een streng katholieke sfeer, waarin ik mijn middelbaar onderwijs genoot, bestond er geen enkele brug tussen het theologisch wereldbeeld van Augustinus dat de jezuïeten je probeerden bij te brengen en het nihilisme en existentialisme in de naoorlogse roman. Op de leeftijd kon je niet relativeren waar de schrijver verabsoluteert. Ik werd ondergedompeld in een existentiële problematiek die veel te zwaar was voor mijn leeftijd. Dat probleem werd door mijn leerkrachten destijds schromelijk onderschat. Ik kon al helemaal niet vermoeden dat de tijdgeest, die in deze romans tot uiting kwam, voor een deel ook was voorgeprogrammeerd. Sterker, nog ik nam alles voor zoete koek aan en schreef voor mijn leraar Nederlands boekbesprekingen in hetzelfde jargon als de literatuurkritiek van die tijd. Dat wil zeggen, met dezelfde oogkleppen op.

‘Niets is zo tijdgebonden, als de typering van een tijd,’ schrijft Ton Anbeek. Hij komt tot de conclusie dat ook zijn eigen methode niet het laatste woord heeft. ‘Latere ontwikkelingen in de literatuur kunnen andere aspecten van de besproken boeken naar voren halen – aspecten die ons eenvoudig in het geheel niet opvallen – en op grond daarvan een geheel ander verhaal oproepen. Geen literatuurgeschiedenis is definitief.’ Dat zijn ware woorden over de wijsheid achteraf. Het verleden wordt door de vertegenwoordigers elke generatie opnieuw geconstrueerd, ook al hebben de vertekende beelden van dat verleden hun eigen leven deels ook gevormd.

Geen reactie mogelijk

Op de drempel van een afscheid

Slide1

‘Het probleem van het bewustzijn (juister: van de bewustwording) doet zich eerst dan aan ons voor, wanneer wij beginnen te begrijpen, in hoeverre wij het kunnen missen: en aan het begin van dit begrip plaatst ons thans fysiologie en dierkunde (die dus twee eeuwen nodig gehad hebben om de vooruit ijlende argwaan van Leibniz in te halen). Wij zouden immers kunnen denken, voelen, willen, ons herinneren, wij zouden eveneens kunnen ‘handelen’ in iedere betekenis van het woord: en toch zou dat alles ons niet ‘bewust hoeven te worden’. Het hele leven zou mogelijk zijn, zonder dat het zich zelf als het ware in de spiegel zou zien: zoals immers metterdaad ook thans nog bij ons verreweg het grootste deel van dit leven zich zonder deze weerspiegeling afspeelt – en wel evenzeer van ons denkende, voelende, willende leven, hoe beledigend dit een oudere filosoof ook in de oren mag klinken. Waartoe eigenlijk bewustzijn, als het in hoofdzaak overbodig is?’

Aldus Friedrich Nietzsche in zijn boek De vrolijke wetenschap. Wat Nietzsche hier ten aanzien van het menselijk bewustzijn te melden heeft, is wat veel mensen tegenwoordig deep down ook denken, maar wat weinigen als waarheid onder ogen durven zien. De mens is een dier dat met bewustzijn is toegerust, maar die extra ballast is in feite overbodig. Het organisme zou heel goed zonder kunnen. Sterker nog, het bewustzijn geeft ons alleen maar akelige inzichten. Het maakt ons bewust van het feit dat we sterfelijk zijn. Om maar eens een akelig voorbeeld ten noemen. Voor het goede leven in het hier en nu is zo’n bewustwording van de eindigheid van het bestaan helemaal niet nodig. Het is zelfs een hinderpaal voor geluk of enige andere vorm van psychisch welbevinden. Voor het ware geluk is het bewustzijn dan ook eerder een obstakel dan een voorwaarde. Bewustzijn is in feite een ontsporing van de natuur. Alle andere dieren zijn beter toegerust dan de mens. Zij leven in een tijdloos hier en nu. Een gelukzalige toestand die de mens pas bereikt als hij dement of psychotisch wordt. Maar een normaal en gezond bewustzijn is beslist geen pretje. Integendeel, bewustzijn doet pijn.

Het is de verdienste van mensen als Nietzsche en Freud dat zij deze waarheid aan het licht hebben gebracht. De mens kan per definitie nooit gelukkig worden. Een vervulling van het menselijk bestaan is op aarde niet mogelijk. De grote stichters van wereldreligies waren daar ook al achter gekomen, maar sinds we God dood hebben verklaard is elke uitweg uit dit tranendal voorgoed versperd. We zullen het in het hier en nu moeten doen. Recht op in de wind, tegen beter weten in. Dat wil zeggen: wetend dat het allemaal nooit goed komt en op niets uitloopt. Het bestaan loopt dood. Er is geen vervolg in en hiernamaals en door de bewustwording van die harde waarheid dooft elke warme kachel voor de ziel. We leven als een nutteloze cluster van atomen in een leeg en oneindig universum. Elke transcendente fundering van waarheid of waarden verliest zijn grond. Elk woord valt uiteindelijk terug op zichzelf en onder het oppervlak van dit extreem relativisme schitteren nog altijd de woorden van Nietzsche: ‘Niets is waar, alles is geoorloofd.’

Maar is dat wel zo? Freud heeft zich altijd verbaasd over de strengheid van het geweten met al zijn verwoestende werkingen voor de menselijke geest. Hij heeft dit fenomeen willen verklaren vanuit een verinnerlijking van primitieve verbodsbepalingen. Maar is dit ingeboren gevoel voor goed en kwaad alleen op deze manier te duiden? Wordt het natuurlijk besef van moraal en ethiek verklaarbaar door het te reduceren tot een causale keten van biologische omstandigheden? Waarom is de mens met twee overbodige eigenschappen belast: het bewustzijn en het geweten? Beiden dragen niet bij aan zijn gemoedsrust. De diverse redenen om hulp te zoeken bij een psychiater hebben één ding gemeen: een mens kan het zelf niet af en wordt gekweld door interne krachten die contraproductief zijn. De beste therapie, die een psychiater kan toedienen, is het bewustzijn tijdelijk uitschakelen. Veel psychofarmaca zijn ook daarop gericht. Hun werking is niet anders dan een tijdelijke of gedeeltelijke vorm van narcose, een onderdrukking van een teveel aan bewustzijn dat het functioneren van het organisme belemmert.

In de premoderne tijd was de mens ingebed in een natuurlijke orde. Plato dacht aan een Idee van het hoogste goed dat aan het universum voorafgaat. De theïstische godsdiensten hebben God als hoogste goed voorondersteld, ondanks alle probleem die dat met zich meebracht om de zin van het kwaad te duiden. De Romantiek zag de Natuur als een organisch universum dat een onbekende bestemming had in een verre toekomst, waarbij aan de mens als hoogste organisme mogelijk nog een bijzondere plaats was toebedeeld. Maar de moderne tijd breekt uiteindelijk met deze harmoniegedachte. De mens is nu geheel verantwoordelijk geworden voor zijn eigen doen en laten. De bodem is weggevallen onder de traditionele ethiek die zich uitsprak over de natuurlijke orde en de vraag wat de juiste manier van leven is.

Zo rond mijn achttiende jaar werd ik mij vrij plotseling van deze problematiek bewust. Ik las in die tijd Dostojewski, Nietzsche en Camus en ik begon te twijfelen aan alles, zelfs aan mezelf. Beroofd van mijn herkomst en zonder hoop op een beloofd land, voelde ik mij een vreemdeling in mijn eigen bestaan. De grote psychische verwarring, die deze plotselinge bewustwording teweeg bracht, zette mijn wereld op zijn kop. Ik zocht naar een laatste strohalm van menselijke waardigheid in een nihilistisch universum. Niet beseffend dat zelfs – of beter nog – dat juist in die ultieme vertwijfeling de menselijke waardigheid te ontdekken valt. In zijn boek Bronnen van het zelf verwoordt de filosoof Charles Taylor dit bittere inzicht als volgt:

‘Wat valt er te zeggen over de andere hierboven vermelde visie, die onze waardigheid ziet als de moed en de luciditeit van onze houding tegenover een zinloos universum? Ik poneer de stelling dat hier nog steeds iets soortgelijks in een cruciale zin functioneert. Dat wil zeggen dat de mensen die deze visie onderschrijven, een besef hebben van de waardigheid van menselijke wezens, die juist bestaat uit hun vermogen om ongetroost en onbevreesd stand te houden tegenover de onverschillige onmetelijkheid van de wereld, om hun levensdoel te zoeken in inzicht in de wereld en op deze wijze hun eigen onbetekenende plaats en bestaan ver te overstijgen. Pascal heeft dit al verwoord in het beeld van het denkende riet. De mens kan door het universum worden vernietigd, maar zijn grootheid in relatie tot het universum bestaat eruit dat hij niet onwetend ten onder gaat. Hier is iets wat onze eerbied wekt, en die eerbied geeft ons kracht. Of, als het ons niet lukt erdoor te worden bewogen, kunnen we deze opvatting van het goede onmogelijk aanvaarden.’

Toen ik achttien jaar was geworden, nam ik geen genoegen meer met mezelf en met mijn leven zoals ze het aantrof, en trachtte daar op een radicale wijze aan te ontsnappen. Ik had de leeftijd waarop ik de gave ging verliezen om de dingen te zien zoals ze niet zijn, maar me ook hardnekkig bleef verzetten tegen het onvolwassen verlangen volwassen te zijn. Zo beleefde ik het einde van mijn mijn pubertijd als een getroebleerde Einzelgänger die in zichzelf zat opgesloten. Ik verborg mijn gevoel achter een pantser van literatuur, waar vrijwel niemand doorheen brak. In feite doe ik dat nog steeds, maar destijds voelde ik mij tot deze strategie veroordeeld. Het was mijn noodlot. Vluchten kon niet meer. Ik was al gevlucht.

Uit deze haast dwangmatige rol wist ik mezelf kennelijk niet te bevrijden, totdat die rol met mijzelf aan de haal ging. Wonderlijk genoeg had deze maskerade mij op school behoorlijk wat aanzien bezorgd, zodanig zelfs dat ik een gewaardeerde uitzondering werd in mijn directe omgeving, een eenling die zich aan de groep onttrok en zo een haast onaantastbaar imago verwierf. Ik had een zeker talent voor schrijven en maakte op menigeen indruk met mijn trefzekere wijze van formuleren. Zo legde ik toch ook mijn eigen contacten, als redactielid van het schoolblad De Harpoen bijvoorbeeld. Schrijven werd mijn redding, zo leek het. Maar in feite was het een veroordeling, een verbanning. Ik sloot mij op in mijn eigen bunker van woorden. Ik had mijn geloof in God verloren, maar mijn woorden creëerden een nieuw geloof, een nieuwe wereld … en tenslotte: een waanwereld.

Woorden zitten vastgekleefd aan dingen in de wereld. Misschien zijn ze die dingen wel. Maar zijn de taalverbindingen van het gezond verstand niet even denkbeeldig als de nieuwe relaties die het bewustzijn creëert in een psychotische toestand? Evenals taal wordt geloof gedragen door de eerste verlangens die zich hechten aan de dingen. Het geloof is deels een herbeleving ook van het vroegste beeld dat het kind zich vormt van de ouderen om zich heen. Anderzijds zijn de psychotische waan en geloof aan elkaar verwant, omdat beide systemen beelden creëren die niet met het gezonde verstand te rijmen zijn. Die verwarring tussen waan en werkelijkheid, tussen geloof en ongeloof, is voor mij nooit geheel verdwenen, zeker niet als het gaat om vreemde herinneringen aan mijn pubertijd.

Zoals een psychose een revolte kan zijn van de geest tegen de ultieme ontkenning van het lichaam, zo is mystiek vaak niet meer dan een oceanisch gevoel van heimwee naar de moederschoot. En toch, juist in mijn psychose op de valreep van de pubertijd heb ik een onaards geluk gekend in de ervaring dat de grenzen tussen lichaam en geest volledig kunnen verdwijnen, dat de ziel door de wil bevolen kan worden en niet slechts door de drift. Maandenlang was er geen enkele gedachte aan seks in mijn hoofd. Ik leefde in het paradijs zoals dat door Augustinus wordt beschreven. Maar mijn vroege extase was een ervaring die geen bestaansrecht had. Mijn waan kwam niet voort uit een flits van de zon, maar uit gekoesterde verlatenheid op de drempel van een afscheid.

Het lijkt allemaal in een andere tijd te zijn gebeurd, in ander hoofd misschien wel. Ik kan er met mijn gevoel niet meer bij. Ik nam afscheid van een almachtige God die zich prompt daarop nog één keer liet zien met de brute kracht van een verstandsverbijstering. In de golf van beelden en gedachten, waarmee mijn geest overspoeld werd, daagde ook iets van het besef van de onmacht van een ander soort God. Een God, wiens enige doel de doelloosheid is. Hierna zou alles anders worden. Voor het eerst zag ik iets wat er niet was, als het zwarte licht dat nog heel even opgloeit bij een totale eclips van de zon.

Geen reactie mogelijk

Het was in Nevers

Afbeelding11-e1336992280831

Gezicht vanaf de toren van de kathedraal van Nevers. Op de achtergrond de camping aan de oever van de Loire (eigen foto, augustus 1965)

‘Er komt een leeftijd’, schreef Camus, ‘dat een mens verantwoordelijk wordt voor zijn eigen gelaatstrekken.’ Dat lijkt een boude bewering, een slagzin bijna, waarin de hele existentialistische levenshouding van deze schrijver wat al te pakkend is samengevat. En toch, er zit een kern van waarheid in die woorden. Als ik s’ochtends mijn gezicht in de spiegel bekijk, ben ik in eerste instantie geneigd de ontbrekende tand van deze tijd verantwoordelijk te houden voor mijn nog pijnlijk jeugdige uiterlijk. Ik had graag wat meer diepe rimpels gehad. Ook al worden op mijn voorhoofd wat aarzelende lijntjes zichtbaar, waarin ik soms vaag een schaakbord kan zien, dat patroon haalt het niet bij de diepe denkrimpels op die prachtige foto achter op de De mens in opstand, mijn eerste literaire reuzenpocket die ik zo’n dertig jaar geleden als middelbare scholier heb gekocht. Camus kijkt daar niet in de richting van de camera, maar een beetje naar benden, alsof hij vanaf het balkon van een schouwburg een blik werpt op het podium, waar de tijdgeest kennelijk in hoogst eigen persoon ten tonele wordt gevoerd. Zijn gezicht wordt van onderen aangelicht op een manier die zich onmogelijk in de alledaagse realiteit kan afspelen, misschien niet eens in het theater. Het clair obscur van dit geënsceneerde effect geeft dit portret een tijdloze lading, alsof het geschilderd is door Georges de la Tour met de bedoeling nog eeuwen mee te kunnen.

Die onzichtbare lichtbron moet destijds een diepe indruk hebben nagelaten in het ontluikende zielenleven van menig vroegrijpe adolescent. Duidde dat licht niet op een diep verborgen geheim, iets wat de schrijver zag, maar je als lezer niet onder ogen kon krijgen. Camus leek iets te weten dat niet voor gewone stervelingen bestemd was. Je kon het alleen maar raden, proberen te lezen in die merkwaardige uitdrukking op zijn gezicht, in die aandachtige en tegelijk aanwezig blik, gekweld en toch vol mededogen, ogen die zowel naar buiten als naar binnen leken te staren, maar bovenal in die indrukwekkende groeven op zijn voorhoofd. Daar openbaarde zich wat je noemt een schaakbord in het kwadraat. Het waren de sporen van een diep doorleefd bestaan, die ik nu – vier decennia droever en wijzer – in mijn eigen gezicht zo mis. Leek ik maar een beetje op Camus! Ik ben nu al weer tien jaar ouder dan hij ooit is geworden. En toch, aan mijn voorhoofd zie ik het niet af.

Rond mijn zeventiende jaar was ‘De mens in opstand’ voor mij een soort cultboek geworden. Met veel moeite heb ik het helemaal uitgelezen, of beter gezegd gespeld tijdens een kampeervakantie in Frankrijk in de zomer van 1965. Dat jaar ging ik met enige tegenzin voor het laatst met mijn ouders mee. In hun ogen was Frankrijk vooral het land van Lourdes en Bernadette, wier gebalsemde lichaam lag opgebaard in Nevers. Afgezien van die twee verplichte bedevaartsoorden was het ook een toeristisch paradijs, waar je me een Fiat 600D precies in een maand helemaal doorheen kon rijden. ‘Fiat lux!’ placht mijn vader te zeggen. Ik kon me echter een meer comfortabele vorm van pelgrimage voorstellen. Lezen op de achterbank van dat kleine vehikel was beslist geen sinecure en voor een verblijf op een camping municipal werd doorgaans maar één nacht uitgetrokken. Het aangename diende ook in de zomer met het nuttige te worden verenigd. Er was immers altijd nog meer te zien. Romaanse kloosters, Romeinse aquaducten, prehistorische grotschilderingen, Uit dat oogpunt vormde het in etappes lezen van De mens in opstand een perfecte ontsnappingsroute die niet op de kaart van mijn vader stond aangegeven. Ik zag het ook als een daad van metafysisch verzet tegen de sterren van Michelin. ’Ik verzet mij, dus ik besta’, zei ik mijn grote meester na. De Gorges du Tarn konden mij gestolen worden. De Pont du Gard kon de pot op. Ik was immers rijp voor de wijsbegeerte. Wat was passender dan deze verplichte ‘grand tour’ onder ouderlijk toezicht te combineren met een hoogst persoonlijke tour d’horizon door de wereldliteratuur, met mijn geliefde filosoof als gids voor onderweg,

Ik had me voorgenomen om elke dag één hoofdstuk verder te komen. Zo heb ik Lucretius onderweg naar Amiëns leren kennen. Pascal in de buurt van Chateauroux, Markies de Sade in Lourdes en Nietzsche even voorbij Béziers. Nog altijd roepen namen van schrijvers, die ik in dit boek voor het eerst heb ontmoet, plaatsnamen in herinnering en kan ik tot op de dag van vandaag de geschiedenis van de filosofie globaal indelen in Franse departementen. De wegen van het geheugen zijn duister en ondoorgrondelijk. Kijkend naar een touretappe op tv herken ik nog wel eens een brug. Dan kan het gebeuren dat mij opeens een rebelse passage uit De mens in opstand te binnen schiet, de blasfemische woorden bijvoorbeeld van één van die zonen van Kaïn die mij voorgoed verdreven uit de Hof van Eden die mijn jeugd tot dan toe was geweest. Dan hoor ik opnieuw hoe Markies de Sade een aanslag op de schepping beraamt, de loop van de sterren wil verstoren, het heelal zal verpulveren tot stof. Een rotschop voor de kosmos, als een aanval van miljoenen atoombommen. Dan zie ik mijzelf daar staan, een steen naar de hemel gooien en nog één keer vloeken: ‘Godisdoodverdomme!’ Waarom had niemand mij dat verteld? Waarom moest ik daar uitgerekend hier achter komen, ver van huis rijdend in een te kleine auto, alsof mijn hele jeugd werd samengeperst in dit benauwde koekblik op wielen.

Zo werd de laatste zomer in het paradijs van mijn vader een seizoen in de hel. ‘Je suis une poupée de cire, une poupée de salon‘, hoorde je de hele dag op de autoradio. Er was iets met dat liedje. De stem van France Gall had een ongekende aantrekkingskracht. Ze klonk als de lokroep van een Sirene. Alsof ze speciaal voor mij zong en ik haar alleen kon horen, ik die als een smachtende Odysseus zat vastgebonden aan de mast, zonder was in mijn oren zoals mijn dove ouders op de voorbank. Hoe het ook zij, ik voelde mij moederziel alleen op deze godverlaten aardkloot, als een wassen beeld in een wereld van karton. Naarmate ik vorderde in mijn opstandige lectuur, groeide niet alleen mijn woede jegens de Schepper die schitterde door afwezigheid, maar ook mijn bewondering voor mijn denkbeeldige reisgenoot die onverstoorbaar verder trok langs kronkelige paden in het hooggebergte van de geest. Camus werd mijn heilige zonder God…in Frankrijk. Ik was te jong om hem nog tijdens zijn leven gekend te hebben, maar ook al oud genoeg om de mythe rond zijn persoon niet te kunnen ontlopen. Ik had de leeftijd waarop ik de gave ging verliezen om de dingen te zien zoals ze niet zijn, maar me ook hardnekkig bleef verzetten tegen het onvolwassen verlangen volwassen te zijn.

In dat wankele evenwicht bood deze eenzame wijsgeer houvast. Hij was mijn maatje voor onderweg, mijn puberaal idool in het tranendal van dit bestaan. Ik viel voor die blik van hem die wegkijkt in een onbestemde verte. Uit die ogen sprak een heroïsche vorm van humaniteit. Want heroïek was toen nog heel gewoon. Met de regenjas nog aan, staand voor een boekenkast, vormde zijn rijzige gestalte het beeld bij uitstek van de charismatische vreemdeling. Want dat hoort een schrijver te zijn, dacht ik, een vreemdeling in de meest letterlijke zin van het woord. Ver van huis en juist daarom dichtbij. Hij keek je niet aan, maar je wist dat zijn blik niet alleen de Middellandse Zee had gezien, maar ook de diepste spelonken van de menselijke ziel. Zo’n schrijver kijkt ook niet. Hij schouwt.

Ik hield van Camus, misschien nog meer van zijn gezicht dan van zijn werk. Het waren alleen zinnen die mij bijbleven, nooit de lijn van zijn betoog. Eigenlijk was het vooral de toon die dit proza voor mij tot literatuur verhief. Een toon die opeens kon doorklinken in het geluid van een oerzee die zonder ophouden op hetzelfde strand dezelfde wezens werpt, verbaasd te leven en onophoudelijk dezelfde woorden sprekend. Of in die smartelijke woorden over de waanzin van Nietzsche als bleek dat Dionysus’ naam slechts de dithyramben aan Ariadne onsterfelijk had gemaakt. Wanneer de echo van zo’n ronkende zin was verstomd, werd ik bevangen door een eerbiedige stilte, dezelfde gelatenheid die je opeens kon aantreffen op een marktplein in de middagzon. De stilte van Saint Yrieux bijvoorbeeld, zo’n dorpje onderweg, waar je doorheen reed om nooit meer terug te komen. Krampachtig probeerde ik al die plaatsnamen in mijn geheugen op te slaan, terwijl ik met mijn potlood de zinnen onderstreepte die mijn verwondering hadden gewekt. In dat soort zinnen van Camus zat ook een vreemd muziekje. Ze bleven hangen in je hoofd alsof je ze stilletjes mee kon neuriën, altijd maar denkend aan dat hoge voorhoofd, beroofd van herinneringen aan een verloren vaderland en van de hoop op een beloofd land (opnieuw met potloodstreep).

Camus was een idool dat alles mee had, zelfs een tragische dood. Soms zag ik zijn milde glimlach in een flits voor me, voor eeuwig bevroren op een wonderlijk ongeschonden gelaat tussen het verwrongen plaatijzer van een autowrak. Die fatale crash had nog maar vijf jaar tevoren plaatsgevonden op een lage rechte weg in het departement Seine et Marne. Vier januari 1960, zo dacht ik bij mezelf op de krappe achterbank van mijn vaders Fiat, moest de dag zijn geweest dat de filosofie was doodgegaan. Camus keek de wereld in zoals James Dean dat ook had gedaan. Met de kraag omhoog, zo had ik hem het liefst voor ogen, lopend op straat, nooit op de stoep maar altijd dwars door de plassen zonder ooit natte voeten te krijgen. Hij was een spiegelbeeld, waarin ik alles kwijt kon, ondanks – of misschien wel omdat – ik hem nooit precies begreep. Dat hoefde ook niet, want alles wat mijn bevattingsvermogen te boven ging behoorde immers tot het domein van het absurde. Zonder de menselijke geest, zo leerde mijn gids, kon het absurde niet bestaan. Het zat in het denken zelf en dus ook in mij. Het was een vicieuze cirkel, het rotsblok van Sisyphus. Die eindeloze arbeid stond mij helder voor ogen bij het lezen van al die duistere passages die mij heel wat keren uit het raampje van de auto deden staren.

Het was in Nevers, waar ik aan het laatste hoofdstuk begon van De mens in opstand. De camping lag aan de oever van de Loire, waarin het water loom voorbij stroomde, slechts gehinderd door wat kleine eilanden, begroeid met struikgewas. ’s Avonds als ik de lantaarns van de stad zag oplichten en de lucht rood kleurde boven de torens van de kathedraal, vermengden de woorden van Camus zich met de herinnering aan het bleke gezicht van Bernadette. Ik had haar zien liggen in een glazen sarcofaag. Streng verboden te fotograferen stond bij de ingang van de kapel. Haar huid leek van albast, haar oogleden zwevende vliezen waar niets meer onder zat. Geen ogen in ieder geval die het stralende licht van de heilige maagd hadden gezien, alleen maar opgevulde holtes en daarachter een lege schedel. Ze had me doen denken aan Sneeuwwitje, voor duizend jaar wegdromend om wellicht ooit te worden wakker gekust door een verre prins. Haar laatste woorden leken op haar lippen bestorven te liggen. Heel even meende ik ze nog te horen, fluisterend zacht maar duidelijk verstaanbaar. ‘Hiroshima mon amour, poupée’de cire, poupée de son.’

Woedend was ik, maar op wie? Het liefst had ik die pop van was zien verpulveren in het verblindend licht van mijn flitser. Als Sade had ik de loop van de sterren willen verstoren om één moment haar naakte lichaam te zien, haar te verkrachten onder de ogen van al die beminde gelovigen die van heinde en verre gekomen waren om het wonder van haar ongeschonden gelaat te kunnen aanschouwen. Maar haar lichaam was dood, morsdood, nog doder dan de stad Nevers, waar in honderd jaar niets veranderd leek.

Op weg naar huis zag ik alles wat ik gelezen had nog één keer aan mij voorbijgaan, de vreemde muziekjes in al die prachtige zinnen van Camus voegden zich aaneen tot een weemoedige melodie in een treurige, maar diep menselijke nouvelle-vaque film. Aarzelend tussen heimwee naar Frankrijk en heimwee naar huis had ik medelijden met mijzelf. Beroofd als ik mij voelde van de kleine geborgenheden van mijn jeugd, verlangde ik naar mij eerste vakantie zonder Fiat. Ik wilde Frankrijk zelf ontdekken, mijn eigen heilige plaatsen bezoeken, het graf bijvoorbeeld van Camus op het kerkhof van Lourmarin in het departement Vaucluse. En niet te vergeten het gehucht Villeblevin aan de lange rechte weg tussen Sens en Parijs. De allerlaatste zin van ‘De mens in opstand’ toonde nog één keer een groots panorama, een nieuwe ziel voor onze tijd, waarvan niets en niemand is uitgesloten, als de mens de mens wil begrijpen en aanvaarden wil de grens door het licht van het heldere denken gesteld (mijn laatste potloodstreep).

Ik sloeg het boek dicht en keek nog lang naar het hoge voorhoofd ode achterflap, mijmerend over een nieuwe dageraad na de dood van de filosofie, zonder ook maar een moment te beseffen dat ik een zomer in Frankrijk onder mijn ogen voorbij had zien gaan. Negen maanden later zou mijn vader overlijden en de Fiat worden verkocht.

(Dit verhaal verscheen eerder in Trotwaar, februari 1999)

Reageer

Een hervonden verhaal

camous0001

De wonderen zijn  de wereld nog niet uit. Toen ik in maart 2009 op mijn weblog schreef dat ik een verhaal van mezelf kwijt was, namelijk de parodie op de roman La chute van Camus, reageerde Peter Putter. Hij had oude nummers van de Harpoen bewaard, waaronder ook het nummer met De Val uit 1965 en hij kon me de tekst wel even sturen op pdf. Zo kwam het dat ik mijn eigen woorden na 44 jaar weer onder ogen kreeg. Soms lijkt het of tijd en afstand niet meer bestaan in deze wereld. Internet maakt alles zichtbaar en transparant, tenminste zolang er van die aardige mensen bestaan als Peter Putter, die een ander ter wille willen zijn. Ik schreef dit verhaal toen ik 17 jaar oud was. Ik stond toen op de drempel van een dramatische episode in mijn leven.

*****

Pardon mijnheer, mag ik 
misschien even storen? Ach let u niet op die gorilla van een barkeeper naast mij; hij is on
gevaarlijk en spreekt alleen 
Frans. Wat mijzelf betreft,
 ik ben Jean-Baptiste Clamous, ‘un élève pénitent’. Wat dat
 betekent, begrijpt u straks wel. Ik stam uit een goed en burgerlijk Frans gezin. Over mijn
 ouders kan ik kort zijn: beiden stierven toen ik nog nauwelijks
 uit de wieg was. Mijn vader was, meen ik, postbode, en van 
mijn moeder weet ik alleen nog, dat ze altijd op vrijdag mijn
 luiers waste.

Wat zegt u? Ja,
 inderdaad, mijn observatievermogen was al vroeg ontwikkeld. Interessanter is overigens die lange rij van maar liefst 
twaalf zusters van me, die allemaal zo’n beetje aan ‘sociologie’ doen, en het altijd hebben over ‘casework’ en ‘gesprekstechniek’, terwijl ze zich daar
bij voortdurend ‘Freudiaans 
vergissen’. In dit boeiende 
gezelschap heeft zich tot nu 
toe slechts één zwager kunnen 
vestigen. Hij is al over de zestig, en heeft van zijn iets te 
lange vrijgezellentijd waarschijnlijk een vreemde kronkel in de hersenen overgehouden. 
In ieder geval, in sociale termen gesproken (overigens, hij is liftboy in een groot bejaardenhuis) een interessant 
’studie-object’.

En dan tot slot, aan de stam 
van deze weelderige cypres, ikzelf. Als een volmaakte paradox met dat sociaal wapengekletter, ben ik een pacifistisch egoïst. Vroeger was ik 
heel anders, in die jaren toen
ik met Pasen en Kerstmis a
tijd een flink pakje ‘kaarten’ 
van school meesleepte; thans gebruik ik ze als toiletpapier. Toen was ik ook altijd bereid het lerarencorps met hun lespreparatie te helpen; thans vertik ik het, om ze ook maar 
enige vorm van bijles te geven.
 Nee, wat mijn teveel aan in
telligentie betreft, dat weet 
ik nu gelukkig te compenseren 
met een gepaste dosis onverschilligheid. In zoverre ben 
ik er op vooruitgegaan. Toch 
ben ik geen nihilist geworden; 
ik kijk nog altijd met even veel 
ontroering naar een schilderij
van Chagall, of naar een sym
etrisch bewijs van de vierde 
wet van Newton.

Wat zegt U? 
Wat er dan precies gebeurd 
is? Wel, dat is een lang ver
haal, maar laat ik eerst dit 
zeggen, u kunt misschien alles 
wat ik vertel een onbenullige 
geschiedenis vinden; misschien 
zelfs ziet u me aan voor een 
geblazeerd, binnenstebuiten 
gekeerd scribent, bij wie het 
helaas iets te hoog in de bol is 
geslagen. Het tegendeel is 
echter waar. Immers, het zelfrespect is een hachelijke zaak: 
iets te veel, en je bent onuit
staanbaar voor een ander; iets 
te weinig: onuitstaanbaar voor 
jezelf. Dit laatste is maar al te 
vaak op mij van toepassing. 
Ik sta soms voor een diepe af
grond; ‘la chute’ moet nog komen, maar ze is onvermijdellijk. De ene schanddaad volgt 
de andere op, en ik voel er zelfs een sadistisch genoegen bij.

Maar wat zegt U? Wat voor 
schanddaden? Wel, als u dat
 interesseert, ik kan u zeggen, dat ik reeds twintig jaar het 
lijk van Hitler in mijn badkuip 
heb liggen. Het is een relikwie van mijn idealistisch verleden.
 Thans echter ben ik in Canada beter bekend als ‘de wurger 
van Boston’, maar nu hoop ik, dat u niet van de politie bent. 
Misschien vraagt u zich af wat 
zulke boetvaardige confessies voor mijzelf betekenen. Wel,
 ik heb ze me opgelegd als penitentie, een boetedoening niet voor mijn misdaden, maar voor u. U mijnheer, ik ken u niet, maar u bent in feite dezelfde als 
ik. Ik hoop, dat u na deze 
’geestelijke striptease’ van een verdoold exhibitionist mijn 
zelfportret zult zien als een 
spiegel, waar u hard doorheen 
zult ‘vallen’, alsof het een 
mand was.

Maar trekt u het zich niet 
zo aan. Ikzelf ben het ook niet altijd met deze woorden eens.
 U zou het zo niet zeggen, maar 
ik hou werkelijk niet van mensen, die zichzelf voortdurend
identificeren met de navel van
de wereld, en die in hun jeugd altijd een aanleiding zien tot 
een drama of een voorwendsel voor leegloperij. Dat is nu 
juist de innerlijke gespletenheid die voortkomt uit mijn 
zelfkennis. ‘C’est tout monsieur, c’est absurde’. Maar 
kom, doe maar net of u niets 
gehoord heeft. Neem nog een
 borrel. Nee heus, die gorilla 
bijt niet. En trouwens, al zou 
hij bijten, ’t is ook maar een 
mens. Gelukkig maar.

Hubert Ca(m)ous

***

Commentaar

Als ik er nu op dit hervonden verhaal terugkijk, lijkt het op het eerste gezicht it een onschuldige pennenvrucht van een studentikoze gymnasiast. Maar bij nader inzien brengt deze tekst bij mij ook nu nog een lichtelijk gevoel van gêne teweeg. De eerste twee alinea’s zijn een zeer herkenbare karikatuur van de gezinsituatie waarin ik destijds opgroeide. Ik was de jongste in een gezin van vier aanmerkelijk oudere zusters. De oudste was 16 jaar ouder dan ik en de jongste 4 jaar ouder. Alle vijf scheelden we ook precies vier jaar in leeftijd. Mijn ouders hadden kennelijk geen last gehad van de klerikale dictatuur ten aanzien van de gezinsplanning. Mijn vader was net zo lang doorgegaan totdat er een stamhouder kwam. Dat was ik dus. In 1965 was mijn vader – destijds een gepensioneerd PTT-beambte –  67 jaar oud. Het jaar daarop zou hij overlijden. Mijn moeder was 60 (ze was 42 toen ik geboren werd). Ik had dus redelijk oude ouders.

Mijn zusters zaten allemaal in het maatschappelijk werk en/of de verpleging. Een enkeling was zelfs maatschappelijk werkster én verpleegster. Dat was dan ook voortdurend het gespreksonderwerp bij ons thuis, een conversatie waar ik geacht werd geen verstand van te hebben. Thuis werd mij trouwens over weinig zaken verstand toebedacht. Ik was de jongste en zou dat blijven. Eens een kind, altijd een kind. Dat wil niet zeggen, dat ik mijn oren niet open hield en mijn ogen niet de kost gaf. Ik was een vroegwijs kind, vooral omdat ik alles observeerde en veel in mij opnam. De zwager die sinds enige jaren het gezelschap had aangevuld, was getouwd met mijn oudste zus. Zij was al 33 toen ik dit schreef. Mijn zwager was toen 41. Hij was geen liftboy in een bejaardentehuis, maar directeur. Bovendien was hij opgeleid als Benedictijn, maar kort voor zijn priesterwijding uitgetreden, waarna hij – zoals hij vaak vertelde – flink de bloemetje had buitengezet.

Ik schets mezelf als en pacifistisch egoïst. Wat ik daarmee precies bedoelde, weet ik niet meer. Wellicht doelde ik op een zekere stoïcijnse houding. Ik was nogal stil en introvert in die tijd en keek vaak de kat uit de boom. Dat ik daarvoor anders was geweest en met Pasen en Kerstmis altijd een flink pakket kaarten in de wacht sleepte, slaat op mijn – door de jezuïeten aangemoedigde – drang om te excelleren. Een paar jaar lang was ik de beste van de klas geweest. Als model-leerling sleepte ik elk trimester een flink aantal ‘kaarten’ (lees: prijzen) in de wacht. Dat ik ze nu als toiletpapier gebruikte, moet de paters jezuïeten niet echt leuk hebben gevonden. Hiermee identificeerde ik me wellicht nog het meest met de hoofdfiguur van La chute, ooit een gevierd advocaat, maar aan lager wal geraakt. Waarom identificeerde ik me juist met hem, zo vraag ik me nu af. Kennelijk vond ik mijn hele bestaan iets zinloos hebben. Ik conformeerde me aan alles en iedereen, tot groot genoegen van mijn opvoeders, zowel thuis als op school, en bovendien had ik daar ook nog veel succes mee. Het was een gevoel van leegte dat mij bekroop.

Toch was wat mij overkwam niet alleen terug te voeren tot ‘het drama van het begaafde kind’, zoals Alice Miller dat later zo treffend beschreven heeft. Er speelde ook een bredere problematiek die eigen was aan dit specifieke tijdsgewricht: het midden van de jaren zestig.  Wat dat aangaat is ‘het lijk van Hitler’ dat ik de badkuip had liggen als substituut voor het gestolen paneel met de ‘Rechtvaardige Rechters’ misschien nog het meest onthullend. Ik suggereerde een schuld, die eigenlijk te schandelijk was voor woorden. Die schuld had mijn zelfrespect aangetast. Schuld is een centraal thema in het boek van Camus en deze problematiek vermengde zich kennelijk met mijn eigen puberale schuldcomplexen, waar menig gymnasiast op het Ignatiuscollege mee behept was destijds, maar die bij mij existentiële proporties aannamen. Ik belandde in een spagaat tussen een als hypocriet ervaren geloofsopvatting en een als ondraaglijk opgepikte levensbeschouwing van het absurde. Het katholicisme om me heen stond op instorten, maar geen haan die daarnaar kraaide. Dat alles nam ik kennelijk zeer hoog op, hoger dan de badinerende toon van dit verhaal doet vermoeden.

Behalve mijn psychiater achteraf, heeft niemand in mijn directe omgeving dit verhaal als een signaal opgevat voor dat er iets grondig mis was, niet alleen met mijzelf, maar ook met mijn hele omgeving. Ook mijn psychiater wilde alles het liefst herleiden tot iets wat specifiek bij mij tussen de oren zat. ‘Boekjes lezen is één ding, maar gek worden is wat anders’, zei hij wel eens. Dat mag dan wel zo wezen, maar hoe groter de afstand wordt in de tijd, hoe meer verbanden ik nu ga zien. ‘Ik sta voor een diepe afgrond, la chute moet nog komen.’ Dat waren profetische woorden van de 17-jarige jongen die ik ooit ben geweest. Acht maanden later zat ik letterlijk in een gekkenhuis. Wellicht begreep ik zelf niet precies wat ik destijds met deze woorden bedoelde. Ook niet de les wellicht, die ik mijn fictieve toehoorder meegaf. Het waren woorden die misschien meer voor mijzelf waren bedoeld en die overigens nog altijd opgaan:

‘Ik  hou werkelijk niet van mensen, die zichzelf voortdurend 
identificeren met de navel van
 de wereld, en die in hun jeugd altijd een aanleiding zien tot 
een drama, of een voorwendsel voor leegloperij.’

Geen reactie mogelijk