Verdwaald in Hilversum

In mijn droom vannacht was ik op reis, maar mijn eindbestemming was ik vergeten. Ik dwaalde doelloos rond door Hilversum langs de onbekende straten en zag alle huizen van Dudok. Bij Grand Hotel Gooiland ben ik nog even naar binnen gegaan, maar alles was veranderd in een bowlingbaan. De vier studio’s zag ik terug: de AVRO, de NCRV, de VARA  en de KRO… Alles was hier nog net als vroeger, toen elke omroep nog zijn eigen vlag had die fier wapperde in beeld voordat de uitzending begon. Ik zag Hannie Lips en zwaaide terug. Dappere Dodo kwam voorbij. Paulus de Boskabouter, Coco en de vliegende knorrepot, Morgen gebeurt het…. Mijn gedachten dwaalden door oude programma’s en ik begon in mezelf te praten. De wereld was één groot archief geworden van beeld en geluid.

Opeens hoorde ik een stem van een verslaggever ver boven mij: ‘Gij zult niet hebben en tegelijk zijn.’ Ik vroeg mij af wat die mededeling te betekenen had. Weer hoorde ik die stem. Hij kwam hoog uit het grijze wolkendek. Ik vroeg nu luidop: ‘Wat heeft dit te betekenen?’ Nu sprak de stem nog luider, zodat ik er een beetje bang van werd: ‘De waarheid kan zich voordoen of zijn, maar niet eerst geweten worden en pas daarna geschieden.’ Ik vervolgde mijn pad op weg naar niets, want nog steeds wilde de ware bestemming van mijn bezoek aan Hilversum mij niet te binnen schieten.

Ik heb geen zicht op mijn eigen geheim, zo dacht ik bij mezelf. Een mens kan per definitie zijn eigen geheim niet vatten. Je moet dat geheim zijn. Zoiets moest het zijn, wat de stem had bedoeld te zeggen. Ik was gedoemd tot dwalen in een stad, die mij heel in de verte bekend voorkwam, maar die ik niet meer thuis kon brengen. Ik sloeg de hoek om en stond plotseling voor het Raadhuis. Het was gigantisch groot en opgebouwd uit talloze smalle, gele steentjes.

Ik wilde naar huis, maar de treinen reden niet meer. De machinist had de stekker eruit getrokken. Ik hoorde de stem van de verslaggever ver boven mij: ‘Het verleden is er niet meer.’ En opeens zag ik weer mijn elektrische trein waar ik als kind mee speelde. Maar dat niet alleen, ik zag al die beelden uit mijn kinderjaren traag door een oneindige duisternis gaan.

Reageer

Aan deze kant van de spiegel

‘Verdomd de dood is werkelijk een einde. Maar wat weten wie dood zijn van einde? Zij zijn immers dood. Ze weten niets meer. Nooit komt er een einde, nooit, er komt alleen een einde in de ogen van wie leven blijven, die zelf nog niet geëindigd zijn. Maar voor mij komt er nooit een einde.’

W.H. Hermans, Ik heb altijd gelijk, 1951

Vanochtend  in de badkamer merkte ik opeens dat mijn spiegelbeeld verdwenen is. Ik zag mezelf niet in de spiegel, maar de muur achter mij. Ik heb even in mijn wang geknepen, maar verder was er niets mis. Ik kan nu in paniek raken, dacht ik bij mezelf, maar daar schiet ik niets mee op. Ik deed dus maar net of er niets aan de hand was. Eigenlijk is er ook niets aan de hand. Alles loopt gewoon vandaag. Ik moet alleen niet in de spiegel kijken. Niemand hoeft het door te krijgen, zo heb ik bedacht, als ik maar niet samen met een ander voor een spiegel ga staan. Dat zal ik dan ook niet doen. Ik heb mijn verlies geïncasseerd en afscheid genomen van mijn spiegelbeeld.

Maar opeens realiseerde ik mij dat mijn spiegelbeeld meer is dan een virtuele gestalte achter een spiegelend stuk glas. Mijn spiegelbeeld zit ook in mijn hoofd. Sterker nog, het zit in de hoofden van alle mensen om me heen. Als ik met iemand spreek, ga ik er vanuit, dat hij of zij een beeld heeft van mij. Dat is ook een spiegelbeeld. Ik spiegel mijzelf voortdurend in de ander. Het kan zelfs zo zijn, dat ik met anderen spreek om mezelf in de spiegel te zien. Klopt mijn spiegelbeeld nog steeds met het beeld dat ik er zelf van heb? Door het contact met de ander controleer ik mijn spiegelbeeld. Zou het zo zijn, dacht ik, dat ook dit spiegelbeeld verdwenen is? Hebben de anderen geen beeld meer van mij? Kijk ik voortaan in een lege spiegel, als ik met een ander spreek?

Die gedachte begon mij te benauwen. Met een lege spiegel in de badkamer valt best te leven, maar met een ander zonder beeld van mij kom ik de dag niet door. Ik moet weten wat een ander van mij denkt. Misschien is dat zelfs de drijfveer van al mijn doen en laten. Als dat spiegelbeeld wegvalt, dan valt de bodem uit mijn bestaan. Dan ben ik voortaan alleen op mijzelf aangewezen, als ik mijn spiegelbeeld zou willen zien. Ik kan voortaan alleen mijn eigen geest als spiegel voor mijzelf gebruiken. Maar wat, zo dacht ik bij mezelf, als ook dat spiegelbeeld verdwenen zou zijn? Stel, er is helemaal geen spiegelbeeld meer, niet in de spiegel, niet bij de ander en niet in mijzelf. Nergens. Ik bevind mij voortaan in een ontspiegeld universum. Ik ben helemaal alleen. Al mijn spiegelbeelden hebben mij verlaten.

Ik keek uit het raam en zag hoe de laatste blad aan de boom in de achtertuin weerstand bood om te vallen. De herfst maakt zich op voor de winter. Ook de vogels voelen dat. De vinkachtigen, die anders veel opduiken deze maand, schijnen al weg te zijn. Mogelijk zijn ze dit jaar eerder zuidwaarts getrokken, zo las ik vanochtend in de krant. Zelfs de mollen zitten dit najaar opvallend goed in hun vacht. Het wordt een strenge winter. Alles keert terug, dacht ik. Hoe vaak heb ik dit al eens eerder beleefd? De natuur is het spel van de cirkel. Zou mijn spiegelbeeld ook ooit weer eens terugkeren? Het is de natuurlijke loop der dingen dat niets blijft zoals het is.

Toch kon deze gedachte mij niet echt gerust stellen. Ik moet er rekening mee houden dat mijn spiegelbeeld voorgoed verdwenen is. De gevolgen van deze verandering kan ik nog niet overzien. Misschien besluit ik binnenkort wel om met dit weblog te stoppen. Waarom zou ik ook nog doorgaan? Mijn spiegelbeeld is er niet meer. Misschien sluit ik mij wel voorgoed op in mezelf. Aan deze kant van de spiegel, daar waar het leven geen einde heeft. Mijn dood is geen einde. Eindigen, dat doen alleen anderen. 

Reageer

Pauze

Dinsdag j.l. op weg naar Alkmaar

Reageer

Trees en ik

Tussen mijn zussen Trees (links) en Lucie.

‘De herinnering aan de pijn van de pubertijd, het niet-begrijpen en niet-kunnen-ordenen van de eigen impulsen, onthouden wij echter meestal beter dan de eerste trauma’s die zich vaak verbergen achter het beeld van een idyllische kindertijd achter een vrijwel volledige amnesie aangaande de kinderjaren.’

Aldus schrijft Alice Miller in haar boek Het drama van het begaafde kind, op zoek naar het ware zelf. Dit boek, dat ik voor het eerst las in de jaren negentig, heb ik onlangs herlezen en ik herkende er veel in van mijzelf. Die herkenning zit niet zozeer in het woord ‘begaafd’ in de titel – in het boek zelf komt dit woord nauwelijks voor – als wel in de problematiek die hierin behandeld wordt.

Het gaat om de verloren herinnering aan de vroegste kinderjaren bij kinderen die zich al te zeer hebben aangepast aan het ideaalbeeld dat de moeder van hen heeft gehad. Ik groeide op als een braaf kind, altijd gehoorzaam, nooit opstandig. Ik werd alom geprezen om mijn gedrag en kon bovendien goed leren, waarvoor ik nooit een aanmoediging nodig had. Mijn ouders hadden letterlijk ‘geen kind aan mij’ en soms zeiden ze dat ook openlijk.

Voor mijn jongste zus Trees, die dinsdag j.l. overleed, lag dat anders. Ze moet niet blij zijn geweest met mijn komst als broertje. Het verhaal gaat dat ze mij uit pure jaloezie ooit van de commode heeft gegooid. Van die vroege val als baby heb ik – voorzover ik kan nagaan – geen noemenswaardig letsel overgehouden. Trees werd er nadien nog vaak aan herinnerd. Of ze zich achteraf schuldig heeft gevoeld, waag ik te betwijfelen.

Ik was de langverwachte jongen, de benjamin tussen vier oudere zussen. Stamhouder bovendien. Dan word je als jongste dochter meteen gedegradeerd tot ‘één van de vier’. De jongen kreeg voortaan alle aandacht. Trees moest haar eigen weg zien te vinden. En dat deed ze met verve, met een ijzersterke wil, heftig en onstuimig, zo nu en dan zelfs opstandig, vooral tegenover mijn vader. Ze leek ook meer op mijn moeder dan mijn vader. Trees was geen echte Mous, eerder een Sanders.

Er is een theorie dat je karakter sterk bepaald wordt door de positie je als kind innam in het gezin. Trees heeft haar hele werkzame leven gewerkt met moeilijk opvoedbare kinderen of kinderen met sociaal gerelateerde leerproblemen. Wellicht heeft ze in die rol nog wel eens teruggedacht aan haar eigen kinderjaren, die niet echt makkelijk zijn geweest. Als klein kind had ik ook nooit zoveel contact met haar. Of het moeten onze veelvuldige en heftige ruzies zijn geweest. Pas toen ik de jaren des onderscheid bereikte, kwamen Trees en ik on speaking terms

Wij groeiden op in Amerdam-Oost. Mijn oudste zus Mariet, die zestien jaar ouder is dan ik, was in de jaren vijftig werkzaam als maatschappelijk werkster in Amsterdam-Zuid. In die hoedanigheid had zij mijn moeder weten te overtuigen, dat de scholen in Amsterdam-Oost niet goed waren. Dus moesten Trees en ik naar de Peetersschool in de Richard Holstraat in Oud-Zuid, op het eind van de Jacob Obrechtstraat. Dat betekende elke dag drie kwartier samen met de bus heen en terug.

Na de lagere school ging Trees naar het Fons Vitae, waar ze gymnasium Alpha volgde. Ik deed vier jaar later gymnasium Bèta op het Ignatiuscollege. Als ik weer eens vast kwam te zitten met een vertaling Grieks of Latijn, was Trees mijn steun en toeverlaat. Zo werd Trees stilaan mijn lieve zus. We trokken steeds meer met elkaar op, gingen samen naar de film of het toneel. Zij kreeg een brommer, een Solex. En even later ik ook, een Honda. Eind jaren zestig maakten we samen nog al eens tochtjes. De Schellingwouderbrug over, op weg naar Monnickendam of Holysloot. 

De laatste dagen is Trees bijna onophoudelijk in mijn gedachten. Alsof ze deze wereld nog niet wil verlaten. Loslaten, ook ik heb daar moeite mee. Het loslaten van het verleden is misschien wel de moeilijkste opgave van het ouder worden. Zo bezien is het leven een lange en moeizame leerschool om ooit alles te kunnen loslaten. Ars moriendi, dat is het leven.

Reageer

Op weg naar Trees (2)

Trees en ik in 1960.

Stel dat je de ontdekking in de moderne natuurkunde over tijd en ruimte letterlijk neemt en toe gaat passen op de ervaring van je eigen leven, hoe ziet dit leven er dan uit? De tijd is eeuwig en alomtegenwoordig, maar wij zijn gedoemd om de tijd te beleven als iets dat voorbijgaat. Dat is niet zo. De tijd, zoals wij die kennen, is een illusie. Tijd, zo wordt wel beweerd, creëert de benodigde ruimte, zodat niet alles tegelijk gebeurt. We beleven de dingen achter elkaar en dat is maar goed ook, anders zouden we knettergek worden. Tijd is iets wat ons bewustzijn aan de werkelijkheid.  Dit vreemde fenomeen ontstaat door het structurele onvermogen van het brein om de dingen te zien zoals ze werkelijk zijn.

Toen Einstein in 1954, ziek en verzwakt – nog geen jaar voordat hij zelf zou sterven – een condoleancebrief moest schrijven aan de weduwe van zijn oude vriend Michel Besso, kwamen er woorden in hem op die hij als natuurkundige nauwelijks verantwoorden kon. ‘De dood betekent niets’, zo schreef Einstein:

‘This signifies nothing, for us believing physicist the distinction between past, present, and future is only an illusion, even if a stubborn one.’

Als mens moeten wij ons verzoenen met ons tragische lot: de dood met of zonder hoop op een hiernamaals. Dood is dood. Maar er is meer tussen hemel en aarde. Dat is de les die in feite alle religies ons leren, maar die de ook in de natuurkunde van de twintigste eeuw verborgen ligt. Al wordt die raadselachtige realiteit, die eigen is de tragedie van de eindigheid, vaak misverstaan of verminkt door esoterische ideeën over hoe het nu werkelijk zit met dat vreemde, vluchtige fluïdum dat wij ‘werkelijkheid’ noemen. Aan onze gebondenheid aan tijd en ruimte kunnen wij alleen ontkomen door haar te aanvaarden en ten diepste te ondergaan.

Op de foto hierboven zit ik naast mijn jongste zus Trees die vier jaar ouder was dan ik. Eergisteren overleed zij, terwijl ik met de bus naar haar op weg was. De foto stamt uit een andere tijd. Het zomer 1960, in de tuin van mijn tantes in Huissen. Trees had een zware tijd achter de rug. In 1956, toen ze twaalf jaar was, moest ze in het Wilhelmina-gasthuis worden opgenomen, waar ze een zware hersenoperatie moest ondergaan. Mijn moeder vertelde mij later dat zij toen samen met mijn vader een hele nacht op het WG-terrein heeft rondgelopen in afwachting op de uitslag van de operatie. Ze hadden de dood in de ogen. ‘Stien, nu hebben we elkaar nodig‘, moet mijn vader toen hebben gezegd. Waarop mijn moeder hem vermanend antwoordde: ‘Durk, we hebben elkaar altijd nodig.’ 

Er werd een stuk uit de schedel van Trees gezaagd en een jaar later werd dat gat weer gedicht met een stuk bot uit haar zwevende rib. Die operaties, die door een Chinese chirurg werden uitgevoerd, waren voor die tijd zeer gewaagd. Beide keren moest Trees vooraf volledig worden kaalgeschoren. Daar plaagde ik haar wel eens mee. ‘Op de kale kop van Trees, houden de vlooien een een motorrace,’ zong ik dan. Het was een bekend kinderliedje in die tijd, waarbij de kale kop van minister-president Drees het moest ontgelden. Van mijn moeder kreeg ik dan op mijn kop, maar als het even kon zong ik het weer. Kinderen zijn wreed.

De operatie liep beide keren goed af en Trees herstelde volledig. Maar daarvoor is dan ook heel wat gebeden in de familie. Na afloop mocht ze met mijn tantes uit Huissen naar Lourdes met de touringcar van Jacques van Dijk uit Eindhoven. Want voor wat hoort wat. Trees was genezen, met dank aan de Heilige Maagd Maria. Alleen de eerste jaren daarna had Trees nog wel eens last van rare versprekingen. Zo herinner ik mij dat ze op een keer vol bewondering sprak over de film Wilde billen van Ingmar Bergman. Wilde aardbeien, bedoelde zij natuurlijk. 

Na Cornelie in 2014 en Lucie in 2015 is Trees nu de derde zus van mij die overleden is. De dood is een mysterie dat onbegrijpelijk is en dat ik – telkens weer als ik ermee geconfronteerd word – alsnog probeer te begrijpen. Soms realiseer ik mij achteraf dat ik een ervaring heb gehad op het moment dat iemand, die mij lief is, overlijdt. Voor zover ik weet ben ik niet erg bijgelovig. Of ik gelovig ben weet ik niet. Wel denk ik dat er zoiets als paranormale verschijnselen bestaan, maar dat is iets anders dan geloof of bijgeloof. Mijn moeder was nogal bijgelovig en als het over zaken van levensgevaar of de dood ging was ze zelfs lichtelijk paranormaal begaafd. De laatste jaren merk ik dat ik met diezelfde gave soms ook een beetje behept ben. ‘Behept’ zeg ik, en niet ‘begiftigd’, want het is niet altijd prettig om dingen te weten die je niet kunt weten.

Toen ik het bericht van het overlijden van Trees hoorde, passeerde de bus het voormalige klooster van Nieuwe Niedorp, waar voorheen de zusters Clarissen gehuisvest waren. Ik vind dat altijd een wonderlijk gebouw in een lege omgeving, een ogenschijnlijk verlaten monument dat model lijkt te staan voor een verleden dat voorgoed voorbij is: het Rijke Roomse leven. Ik was op dat moment verdiept in een boek van Vestdijk: Het schandaal der blauwbaarden (1968). Dat is een klein dun boekje. Niet de beste roman van Vestdijk. Misschien wel zijn slechtste, maar ik kende het nog niet.

Het verhaal gaat over drie heren die een congres bezoeken in Florence. Op een dag verlaten zij die stad om op weg te gaan San Gimignano, waar een van hen in het archief moet zoeken naar een veertiende-eeuwse Blauwbaard. In een van de torens van die stad – de ‘Duivelstoren’ – willen zij een spiritistische scéance gaan houden om de geest van deze historische Blauwbaard op te roepen. Dat leidt tot allerlei verwikkelingen, maar wat in dit verband van belang is wat de ik-figuur – een romanschrijver in wie duidelijk Vestdijk zelf te herkennen valt – te melden heeft over het spiritisme en het geloof in het voortbestaan na de dood. Zo zegt hij het volgende : 

‘‘Gelovige’ is misschien niet de juiste uitdrukking, al staat de overtuiging van de spiritist zeker dichter bij het geloof dan, laat ons zeggen, bij de stelling van Pythagoras of bij de Italiaanse staatsinrichting in de 19de eeuw. Het spiritisme kan léiden tot geloof in de gebruikelijke betekenis van deze term. Op zichzelf is het een proefondervindelijke wetenschap. Dood is niet dood. De bewijzen hiervoor zijn volstrekt overtuigend, – behalve voor wie niet overtuigd wil worden. Maar tenslotte hoeft ook niet iederéen spiritist te zijn.’

Ik waag te beweren dat Vestdijk er net zo over dacht. Misschien kon hij zijn opvattingen het voortbestaan van de ziel na de dood makkelijker ventileren in een roman-personage dan één op één in een essay. Hoe dan ook, een mens leeft met de niet-levenden aan twee zijden van zijn leven. In het verleden waren de doden rond die ooit geleefd hebben. In de toekomst bevinden zich de niet-levenden die nog geboren moeten worden. Maar wat als de tijd een illusie is? Dan zijn de doden er nog, en wie nog geboren moet worden is al ergens aanwezig. De scheidslijnen tussen heden, verleden en toekomst berusten op een zinsbegoocheling. De doden zijn niet dood. Ze zijn ontwaakt uit het leven. De dood betekent niets.

Zie ook: Hier

Reageer