Het jaar van de totale eclips

‘In ons brein schijnt een bijzonder gebied te bestaan dat je het poëtisch geheugen zou kunnen noemen en dat registreert wat ons heeft betoverd, ontroerd, wat ons leven mooi heeft gemaakt. ‘ Dat schrijft Milan Kundera in zijn boek De ondraaglijke lichtheid van het bestaan. De tijd is zo met ons bewustzijn verweven, dat wij haar niet apart kunnen nemen. En toch is het dat laatste, wat we telkens weer proberen te doen als wij in gedachten terugkeren in het verleden. In een oververzadigde oplossing van herinneringen kan een kleine 
ingreep het effect teweegbrengen van een entkristal. 
Plotseling vormen zich de wonderlijke, kristallijnen figuren van de herinnering, dwars door de tijd en dwars door de ruimte. 

Het is juni 1999. Ik sta op een kade in Rotterdam. We waren daar op het personeelsreisje van Keunstwurk. ‘s Avonds liepen we rond op De Parade en zagen een voorstelling van Loes Luca. We gingen een mooie zomer tegemoet, waarin ik overigens gewoon door zou werken. In september ging immers de manifestatie In Verbelinge in Ooststellingwerf van start, waaraan ik anderhalf jaar had gewerkt en waarvoor ik vanuit Keunstwurk werd ingehuurd. Voor een kleine plattelandsgemeente met 25.000 inwoners was een kunstmanifestatie met een budget van ruim zeveneneenhalve ton (in guldens) en met deelname van kunstenaars van internationale naam geen alledaags gebeuren. Het was de grootste kunstmanifestatie die tot dan toe in Friesland was gehouden, schreef Karin de Mik in de NRC. Voor mij was het vooral een mooie tijd.

Misschien was het wel de mooiste tijd die ik hier in Friesland heb beleefd. Ik sloeg weinig acht op intriges en achterklap om me heen, want er broeide heel wat. Het jaar 2000 stond voor de deur en sprak bij menigeen tot de verbeelding. Er waren mensen die dachten dat de wereld zou vergaan of alle computers stil zouden vallen. Anderen vonden dat het niet zo goed ging met de wereld, zoals de anti-globalisten die zich roerden bij de Battle of Seattle.

Alles was aan het veranderen en veel mensen gingen op zoek naar identiteit, naar iets wat houvast kon bieden in een tijd van verloren thuisgevoelens en mondiale stroomversnellingen. Transitie’ noemen ze dat tegenwoordig. Dat gaf ook kansen voor culturele vernieuwing. Jos Thie en ik vonden dat ook. Samen schreven we een vurig pleidooi daarvoor in de Leeuwarder Courant: ‘Verandering goudmijn voor Friese cultuur.’

Ik las in die tijd veel over rituelen en pelgrimage, want overal ter wereld maakten Friezen om útens zich op voor een grote bedevaart naar it heitelân. Het was het ‘Het Lourdesgevoel van Sinmer 2000’. Maria bleef me al  achtervolgen, terwijl Gerard Reve nog ver weg was. Vlak voor de Kerst kreeg ik via via een verzoek uit het Vaticaan. Het beeld van de Madonna van Sevenwolde in de Friezenkerk in Rome was nodig aan een nieuw kroontje toe. Of ik ook een Friese kunstenaar wist die zo’n zilveren kroontje voor de Heilige Maagd kon maken. Ik ben nooit wezen kijken of de operatie ook is gelukt.

Er gebeurden meer rare dingen dat jaar. Op 11 augustus werd het zelfs donker rond het middaguur. De maan kroop even tussen de zon en de aarde. Maximaal 143 seconden was er sprake van een totale zonsverduistering, een eclips zoals dat heet. In Nederland was een zonsverduistering te zien van ca. 95 procent. Maar het effect viel tegen. In grote delen van het land benamen de wolken het zicht op de zon of werd het minder schemerig dan velen verwachtten. Hoe dan ook, de hemel was even verduisterd dat jaar. Het hart soms ook, want er ging ook wel eens wat mis. De samenwerking tussen het Frysk Festival en Simmer 2000 verliep zeker in het begin niet altijd even soepel.

Kees ’t Hart zat als denktank in het bestuur van Simmer 2000. ‘Voor succes moet worden gevreesd,’ zo liet hij zich eens een keer ontvallen. Die woorden zouden school maken. Volgens mij heeft Kees nooit goed geweten of hij dit feest nou leuk vond of niet. Al sinds een paar jaar had hij de redactie van Praktikabel ingeruild voor die van het prestigieuze literaire tijdschrift De Revisor. Hij had mij zelfs gevraagd of ik een verhaal voor dat blad wilde schrijven. Voor het eerst dompelde ik mij helemaal onder in mijn orthodox-katholieke jeugd op zoek naar de kronkels die ik daarvan had overgehouden. Ook dat zou een goudmijn worden, zo ontdekte ik in de komende jaren. Het was in Nevers, zo luidde de titel van mijn verhaal.

De redactie van De Revisor vond het maar niks. Het ging ook over Albert Camus en die zou pas na de aanslagen van 9/11 weer in de mode komen. Met Wim Bors, destijds druk in de weer als directeur van het Media Art Festival, ben ik nog bezig geweest om er een videofilm van te maken. Maar ook dat liep op niets uit. Mijn God wat heb ik allemaal niet ondernomen om eindelijk eens met mijn kruin boven dat Friese maaiveld uit te komen. Maar het wilde maar niet lukken. Zoiets moet je ook niet willen, zo realiseer ik me nu. Uiteindelijk verscheen mijn verhaal alsnog, maar nu in het Friese Trotwaer. Soms voelde ik me hier een gestrande vogel met olie op zijn veren. Maar zelfbeklag was iets wat er bij mij altijd weer werd uitgeramd. Mijn vader had het al als levensmotto, de woorden van Paulus: ‘Als ik wil roemen, wil ik roemen op mijn zwakheden.’  

Mooi gezegd, ik weet het. Ik ben niet zo. Ik ben zo ijdel als de neten. Op die zwakheid wil ik roemen. Dus … ik lijk toch een beetje op mijn vader. Papa! Ik lijk steeds meer op jou! Ach, bullshit! Maar terug naar het jaar voorafgaande aan de milleniumwende. Aan mijn mede-redactieleden van Praktikabel stelde ik voor om een aantal bekende Nederlanders uit te nodigen om een preek te schrijven voor de komende duizend jaar. Een nieuwe toekomst, 2000 jaar na de geboorte van Christus. We stelden een lijst op en zo kwamen op namen als Mient Jan Faber, Bernard Delfgauw. Jan Foudraine, Lolle Nauta, Hessel Miedema, Prof. L A. Diepenhorst, Pierre Jansen, Roel van Duijn, Willem Aantjes, Prinses Irene, Simon Vinkenoog, Pater van Kilsdonk… en nog wat van dit soort  vogels van diverse pluimage.

Zeven van hen zijn destijds ook inderdaad per brief uitgenodigd om een preek te schrijven. Het project ging uiteindelijk niet door omdat er te weinig toezeggingen binnenkwamen. Pater van Kilsdonk, die ik nog kende uit mijn tijd op het Ignatiuscollege, antwoordde met een vriendelijke brief die ik nogal altijd heb bewaard. In mijn jonge jaren had ik hem ooit beticht van intellectuele prostitutie, maar dat alles was nu vergeven en vergeten. (zie: En God schiep de vrouw) Pater van Kilsdonk overleed in 2008 op 90-jarige leeftijd. Als er een hemel zou bestaan, dan mocht deze ketterse jezuïet van Petrus zeker naar binnen, daar twijfel ik niet aan. Maar hij zou er al gauw weer terugverlangen naar dit tranendal beneden.

De hemel was ver weg in die tijd. Alleen de bomen groeiden tot in de hemel in die eindeloze jaren negentig die nu dan eindelijk op hun eind liepen. Aan de dood dachten wij niet, laat staan aan wat ons daarna nog te wachten zou staan. Wat zou je daar trouwens moeten doen in die hemel? Je kunt er niemand begraven. Je kunt er geen troostende woorden spreken bij een graf. Niemand heeft verdriet in de hemel. Het moet daar dodelijk saai zijn. Je zou er misschien wel heimwee krijgen naar een gebroken hart. De hemel is zo troosteloos.

Reageer

Jung en het obscurantisme

‘De breuk met Freud stortte Jung in een diepe depressie. In die tijd had hij allerlei merkwaardige dromen en visioenen. Maar eenmaal bevrijd van Freud en zijn theorieën besloot hij op ontdekking te gaan in zijn eigen onbewuste. Wat hij daar aantrof zou de basis worden van Liber Novus. Jung wekte hallucinaties bij zichzelf op en beschreef de beelden en verhalen die hij zag in zwarte cahiers, die hij redigeerde en herschreef in een groot rood boek. Het resultaat was een soort heldendicht: een man op zoek naar zijn ziel, met wat vleugjes Dante en Nietzsche in de mix. In het verhaal reist Jung onder meer door het dodenrijk, ontmoet hij de duivel en wordt hij verliefd op zijn zus.’

Aldus Arthur Eaton in De Groene Amsterdammer van vorige week naar aanleiding van het verschijnen van de Nederlandse vertaling van Liber Novus, het Rode Boek van Jung. Na de dood van Jung werd dit boek op last van zijn erfgenamen opgeborgen in een Zwitserse bankkluis. Daar bleef het liggen, tot 1997. Ik wist van het bestaan van dit boek af, maar ik had het nooit gelezen. Gisteren heb ik besloten het toch maar te kopen en te gaan lezen. Al was het maar om te weten wat die visioenen van Jung nu eigenlijk voorstelden. Waren het de symptomen van een psychose? Of waren het beelden die van elders kwamen? En zo ja, wat of waar is dat ‘elders’ dan?  

Je mag aannemen dat het leven groter is dan we denken dat het is. Wij zien slechts een fragment van een veel groter geheel dat zich uitstrekt buiten de grenzen van ruimte en tijd. Dat vermoeden heb ik altijd al gehad. Ik weet nog goed dat ik in de vijfde klas van het gymnasium voor het eerst geconfronteerd werd met het feit, dat er in de wiskunde veel meer dimensies bestaan dan de drie die wij kennen in het dagelijks leven. Ik begon thuis met ijzerdraad een driedimensionale figuur te maken, dat je als het ware kon ‘uitklappen’ in de vierde dimensie. Zoals een triangulum (driehoek) de kleinste tweedimensionale figuur is die je uit drie lijnstukken kunt formeren, en een tetraëder (viervlak) uit vier driehoekige vlakken te maken is, zo zou – dacht ik – de hypertetraëder (vijfruimte), d.w.z.: de kleinste vierdimensionale figuur, te construeren zijn uit vijf tetraëders. Door die vijf viervlakken alvast tegen elkaar aan te monteren, zouden ze alleen maar ‘uitgeklapt’ hoeven te worden in de vierdimensionale hyperruimte.

In mijn verbeelding was een mentale doorbraak nodig, om me deze operatie te kunnen voorstellen. Daarom hing ik het draadfiguur van de vijf viervlakken boven mijn bed, zodat ik het elke ochtend als eerste kon zien als ik wakker werd. Op een dag, zo dacht ik, zou ik met dit hulpmiddel in mijn verbeelding de sprong  naar de vierde dimensie kunnen maken. Zo zou ik voor mijn geestesoog kunnen aanschouwen, dat het leven veel groter is dan dat wij normaal ervaren. Groter dan de ruimte. Groter dan de tijd. Het heeft nooit zo mogen zijn. De draadfiguur heeft de tijd niet overleefd. Maar had ik ongelijk? In zijn autobiografie Herinneringen, dromen, gedachten beschrijft Jung een visioen dat hij had bij een ziekenhuisopname in 1944:

Van de schoonheid en gevoelsintensiteit die de visioenen vergezelden, 
kan men zich geen voorstelling maken. Zij waren het meest overweldigende, dat ik ooit heb beleefd. En dan de grote tegenstelling: de dag! Ik 
voelde me dan gefolterd; mijn zenuwen waren volkomen op. Alles irriteerde mij. Alles was te stoffelijk, te grof, te zwaarwichtig, ruimtelijk en 
geestdijk beperkt, tot onbegrijpelijke, doeleinden kunstmatig versnipperd, 
en toch bezat dat alles een’ soort hypnotische kracht, die geloof, afdwong  als was het waarlijk de werkelijkheid, terwijl men toch haar onbelangrijkheid duidelijk had doorzien. Welbeschouwd ben ik sindsdien, hoewel 
mijn geloof aan het bestaande zich herstelde, nooit meer geheel ontkomen
aan de indruk. dat het ‘leven’ slechts een existentie-fragment is, dat zich
 in een daartoe bestemd driedimensionaal wereldstelsel afspeelt.’

Anders gezegd, wij ervaren het leven slechts in drie dimensies, met de tijd als een andersoortige uitgestrektheid, die zich in het bewustzijn formeert, of andersom, die door het bewustzijn zelf wordt gegenereerd. Maar is er niet meer tussen hemel en aarde? In de jaren zestig was ik niet de enige die vermoedde dat er letterlijk méér was. We stonden op de drempel van een nieuw tijdperk: The Age of Aquarius. Het heeft alleen niet zolang mogen duren.

Begin jaren zeventig las ik Het avondrood der magiërs (1970) van Rudy Kousbroek. Het gaf me een gevoel van verbijstering. Met één klap was het ideeëngoed van een aantal idolen uit mijn boekenkast van tafel geveegd. Kousbroek deelde een kaakslag uit aan de goeroes uit de tijd van de flowerpower. Wetenschap was wetenschap en had niets met dit moderne bijgeloof van doen. Onder ‘modern bijgeloof’ verstond Kousbroek een geloof in het bovennatuurlijke dat op een of andere manier probeert aan te sluiten met de moderne wereld van wetenschap en techniek. Deze softe vorm van para-wetenschap vormde voor menigeen in die tijd een laatste vluchtheuvel voor de religie.

‘De voornaamste preoccupaties van de gevestigde godsdiensten,’ zo beweerde Kousbroek, ‘bestaan eruit de mens in harmonie te brengen met een wereldbeeld dat niet meer bestaat; de pogingen om zin te geven aan de recentste manifestaties van techniek en wetenschap zijn zo rudimentair, zo archaïsch, zo bij de feiten ten achter, dat het moeilijk is om er zich werkelijk druk over te maken.’

Het betoog van Kousbroek was dodelijk, vooral door zijn superieure toon vol intellectueel dedain en rationalistische arrogantie. Het boek dat een bundeling was van artikelen, die al in 1967 en 1968 in Vrij Nederland en het Algemeen Handelsblad waren verschenen, heeft school gemaakt in Nederland. Het was voor velen niet alleen de doodsteek voor het ‘moderne bijgeloof’, maar ook de doodsteek voor het geloof in God. Sindsdien werd Kousbroek de voorman van een stoet geharnaste atheïsten die het bestrijden van religie als een onwankelbaar geloof praktiseren. De ‘Handelsblads Rede’ – zoals Willem Jan Otten die heeft bestempeld – daalde neer in het correcte denken van intellectuelen en academici.

Religie werd niet alleen iets doms, maar bovendien werd iedereen die ooit een poging had gewaagd om de kloof tussen religie en wetenschap in het denken te overbruggen – of hij nu Jung heette, Teilhard de Chardin of Aldous Huxley – op één hoop gegooid met wetenschappelijke charlatans als Timothy Leary en de het duo Pauwels en Bergier. Hun boek De Dageraad der Magiërs, dat in 1960 was verschenen, heb ik zelf ook eind jaren zestig met rode oortjes helemaal stuk gelezen. Het is een boek, dat nog altijd ergens in mijn boekenkast staat, maar waar ik nu niet meer met goed fatsoen uit zou durven citeren.

Maar geldt dat ook voor Jung? Maakt Kousbroek – achteraf bezien – zich niet schuldig aan grove simplificaties? De pogingen om de kloof tussen de natuurwetenschap en geesteswetenschappen te dichten hebben een lange traditie die teruggaat tot het begin van de negentiende eeuw. Randfenomenen als alchemie, occultisme, spiritisme en parapsychologie hebben tot ver in de twintigste eeuw de aandacht gehad van vooraanstaande wetenschappers.

Er zijn tijden geweest dat bijgeloof en wetenschap helemaal niet zo vijandig tegenover elkaar stonden als men nu zou geloven op grond van wat Kousbroek te melden heeft. Uit historisch oogpunt is de belangstelling voor alchemie en occultisme niet meewarig af te doen als een primitieve reactie op de natuurwetenschap. Deze esoterische terreinen van kennis vormden ook een inspiratiebron voor deze natuurwetenschappers zelf, die hun nieuwe revolutionaire ontdekkingen vaak moeilijk konden plaatsen binnen hun eigen wetenschappelijk wereldbeeld.

De alchemie heeft lange tijd de metaforen geleverd om de moderne wetenschap begrijpelijk te maken voor het brede publiek. In de sciencefiction werd de alchemie ingezet om de gevolgen van atoomfysica en kwantummechanica te verkennen.  In de eerste decennia na 1900 bestond er een levendig debat tussen natuurwetenschappers enerzijds en een bont gezelschap van alchemisten, occultisten, spiritisten en theosofen anderzijds. Zij ontmoetten elkaar in vooraanstaande verenigingen en genootschappen en niet zelden waren het de wetenschappers zelf die betrokken waren bij spiritistische en alchemistische experimenten.

Deze halfvergeten geschiedenis in het grensgebied van de moderne natuurwetenschap wordt prachtig beschreven in een boek van de Engelse wetenschapshistoricus Mark S. Morrison, dat ik onlangs las: Modern Alchemy, Ocultism and the Emergence of Atomic Theory (2007). Morrison bedrijft een nieuwe vorm van wetenschapsgeschiedenis, die in Engeland ook wel boundary-work wordt genoemd. Dat wil zeggen: onderzoek in het grensgebied van wetenschappelijke disciplines, maar vooral ook op de grens waar de wetenschap in strijd raakt met zijn eigen paradigma.

De demarcatielijnen van Popper, die wetenschap streng afgrensde van andere vormen van kennis, worden hierbij uit methodisch oogpunt juist genegeerd. Niet alleen populaire cultuur en ‘moderne bijgeloof’ komen bij deze benadering uitdrukkelijk in beeld, maar ook onverwachte grensgebieden zoals de populaire beeldvorming van de nieuwe atoomtheorie  die de alchimistische gedachte over de maakbaarheid van goud opnieuw tot leven wekte. Dat schrikbeeld had zelfs invloed had op de theorieën over de moderne economie, die in het begin van de twintigste eeuw worstelde met de consequenties van het goud als internationale standaard voor de valuta.

De moderne atoomtheorie bracht allerlei collectieve angsten voort, maar zat ook dringend verlegen om nieuwe metaforen om het intrinsieke verband tussen geest en materie – die in de kwantummechanica aan het licht kwam – in epistemologisch opzicht een plaats te geven. Veel natuurwetenschappers waren van mening dat de laat middeleeuwse alchemisten weliswaar fout zaten in hun wetenschappelijke methodiek, maar wel een diepere intuïtie hadden over de aard van de werkelijkheid. Historisch gezien blijkt de alchemie telkens weer de metafoor bij uitstek te hebben geboden voor het doorbreken van denkbarrières.

In dit verband kan zelfs sprake zijn van een kruisbestuiving tussen esoterische kennis en harde wetenschap. De wetenschappelijke ontdekkingen van rond 1900 – zoals de radioactieve straling, het verval van atomen en de mogelijke transformatie van het ene element in het andere – had grote gevolgen voor het spirituele denken, zoals dat in die tijd bij theosofen, Rozenkruizers, alchemisten en spiritisten in zwang was. Ook in deze kringen ging men zich opeens objectiever en wetenschappelijker met het eigen spirituele gedachtegoed bezighouden. Geheime genootschappen werden openbaar en streefden naar herhaalbare experimenten die voldeden aan de eisen van de moderne wetenschap. Er werden hybride takken van wetenschap uitgevonden zoals een ‘occulte chemie’ en een ‘fysica van de helderziendheid’. Omgekeerd hadden natuurwetenschappers het idee dat ze iets misten in hun wereldbeeld.

De beoefenaars van de natuurwetenschap zouden iets fundamenteels uit het oog hebben verloren, waardoor zij op de grenzen van hun eigen kennis waren gestuit. De fundamentele verwevenheid tussen wetenschappelijke experiment en spirituele zelfverheffing, die voor de middeleeuwse alchemist van cruciaal belang was geweest, was in de moderne wetenschap losgelaten. Die alchemistische transformatie van het innerlijk was in de moderne tijd als oogmerk van de onderzoeker verdwenen. Daardoor konden ook morele overwegingen bij het wetenschappelijk onderzoek niet meer van belang zijn.

Ook in de economie ging het voortaan alleen maar om de los gezongen woekering van virtuele waardevermeerdering en niet meer om de directe omzetting van menselijke inspanning in een op maat gesneden ruilwaarde. Tussen het puntvormig ‘ik’ en de objectieve kennis van de wereld verdween eerst God en daarna ook de kennis van de ziel. De moderne wetenschap was ‘een vlucht vooruit’ geweest, maar ook ‘een storm uit het paradijs’ die – zoals Walter Benjamin suggereerde –  de engel met zijn wijd uitgespreide vleugels niet had kunnen keren.

Zo was met de objectivering van de wetenschap, die zich in de zeventiende eeuw voltrok, ook een heel scala van menselijke kennis verdwenen, die in het begin van de vorige eeuw in de meest basale structuren van de werkelijkheid opnieuw in beeld leek te komen. Het vermoeden keerde terug dat er niet alleen een symbolische, maar ook werkelijke correspondentie bestond tussen alle registers van de werkelijkheid – van het minuscuul kleine tot aan het gigantisch grote.

Bovendien gloorde er een nieuw zicht op een oud vergezicht: een vergeten verbond tussen  ‘binnen’ en ‘buiten’. De onderzoeker en het onderzochte behoren immers tot dezelfde werkelijkheid, waarin geest en materie intrinsiek verbonden waren waren op een wijze waar de alchemisten wellicht meer van wisten moderne wetenschappers. Zolang de ether-theorie nog geldig was en de gedachte van Maxwell opgeld deed, dat materie slechts een dwarrelende kring (vortex-ring) in de ether was, konden wonderlijke fantasieën ontstaan over de verwevenheid van geest en materie.

Die gedachte heeft decennialang de drijfveer gevormd in allerlei pogingen om niet alleen wetenschap opnieuw te betoveren, maar ook de werkelijkheid zelf. Het occultisme ontkent niet alleen het toeval, maar ook de grens tussen psyche en werkelijkheid. Maar wat was dan het wezenlijke verschil met de diepste inzichten van de kwantummechanica?

Jung schreef in 1944 zijn misschien wel belangrijkste boek Psychologie und Alchemie, waarbij hij zich liet inspireren door de ideeën over spirituele alchemie van de Oostenrijker Herbert Silberer, die al in 1914 in zijn boek Probleme der Mystik und Ihrer Symbolik een alchemistische interpretatie had gegeven van Freuds psychoanalytische ideeën. Freud verwierp deze benadering, wat volgens sommigen in belangrijke mate heeft bijgedragen aan de zelfmoord van Silberer in 1923.

Ook Jung heeft na zijn breuk met Freud lange tijd geworsteld met een diepe depressie, maar hij herstelde zich en probeerde in de jaren dertig en veertig alsnog tot een nieuwe synthese te komen. In de jaren vijftig werkte Jung nauw samen met een andere beroemde Zwitser, de mede-ontdekker van de kwantummechanica, Wolfgang Pauli. Hun gezamenlijke conclusie over de intrinsieke samenhang tussen geest en materie kreeg zijn beslag in een ander werk van Jung, dat sterk door de alchemie geïnspireerd was: Mysterium Coniunctionis (1954).

Het schema van Pauli en Jung

Al met al valt uit de studie van Morrison te concluderen dat er een lange traditie heeft bestaan in de geschiedenis van de wetenschap die veelal wordt genegeerd in de officiële handboeken. Spectaculaire ontdekkingen op het terrein van de natuurkunde vielen doorgaans samen met een oplevende belangstelling voor archaïsche vormen van kennis, niet zozeer als reactie, maar vooral als poging om de begrenzing van het eigen denken beter te kunnen doorgronden en wellicht ook te doorbreken.

In het verloop van de twintigste eeuw is er een golfbeweging te herkennen van ‘modern bijgeloof’ die de vooruitgang van de wetenschap alleen maar ten goede is gekomen. Ze vormde zich een brede bedding van esoterische ideeën, waarin het rationele onderzoek van de wetenschap juist zijn weg kon vervolgen. De jaren zestig waren waren niet alleen een tijd van snelle secularisering, maar ook van herlevende aandacht voor spirituele tradities en esoterische subculturen. 

Achteraf bezien waren de tirades van Kousbroek een krampachtige poging om een extreem en beperkt rationalistisch wereldbeeld overeind te houden tegen een vermeende vloedstroom van obscurantisme. Jung had duistere kanten, maar met de kritiek van Kousbroek doe je hem tekort, denk ik. Maar misschien ga ik daar anders over denken als ik zijn Rode Boek helemaal uitgelezen heb. (als me dat lukt)  

1 Reactie

De eeuw van Deleuze en het virus

Fred Landsman in zijn atelier in Holwerd, gistermiddag 14.00 uur

‘Als je zin hebt te komen kijken, van harte. Afstand houden is hier prima te doen. Zat vanmiddag met een mondkapje in de bus naar Dokkum om een paar boeken op te halen. Ben geraakt door het werk van Jon Fosse, zegt je dat iets? ‘

Aldus schreef Fred Landsman mij een paar dagen geleden. Gisteren was het zover. Op de fiets naar Holwerd, op atelierbezoek bij Fred. Ik zag zijn nieuwe werk en vooraf raakten we aan de praat. Ondermeer over het werk van Jan Fosse – dat ik niet ken, maar waar ik wel naar nieuwsgierig naar werd. Een van diens boeken gaat over een schilder die langzaam zijn contact met de werkelijkheid verliest. ‘Jij moet weten hoe dat is,’ zei Fred. In het boek Tegen de tijdgeest, terugzien op een psychose heb ik dat proces beschreven, hoe het mezelf overkwam toen ik achttien was. Het boek verscheen in 2012 en op het omslag staat een werk van Fred afgebeeld. Terugfietsend naar Leeuwarden bleven er vragen door mijn hoofd spoken. Wat is dat eigenlijk een psychose? Is er een overeenkomst tussen een psychose en deze tijd van corona?  

Een psychose is een verstoring van de bestaande orde 
die kan uitmonden in het scheppen van nieuwe ordening. De 
gemeenschappelijke basis van het ‘gezond verstand’ met zijn gedeelde kennis, gedeeld 
gedrag en gedeelde waarden, wordt door de de psychoticus achtergelaten en zo komt het brein in een chaotische wereld terecht die gekenmerkt wordt door een permanente vlucht vooruit.

Er ontstaat een gevoel van voortdurende beweging, een onbeperkte vrijheid in een onbegrensde wereld van tekens die nooit hun bestemming bereiken, maar zich steeds weer verknopen met andere tekens. Als 
er geen regels meer voor taal en teken bestaan, vloeit alles in elkaar over. Zo ontstaat de toestand van de extase, het uitsteken buiten jezelf, waarna een nieuwe quasi-ordening ontstaat in de wereld van de waan. 

Deze beschrijving van de psychose als een gedachtevlucht, die het karakter krijgt van een stroom, brengt het rizomatisch denken van Gilles Deleuze (1925-1995) in herinnering. Ik ontdekte Deleuze eind jaren tachtig, toen ik voor het eerst over hem las in het boek van Arie Graafland: Esthetisch vertoog en ontwerp, theorie en methode van betekenisverlening in architectuur en kunst (1986). Daarna ben ik boeken van Deleuze zelf gaan lezen. Dat is geen gemakkelijke opgave, want Deleuze is geen heldere denker, om het zacht te zeggen.

Samen met Felix Guattari schreef hij in het begin van de jaren zeventig Anti-Oedipus: Capitalism ean Schizophrenia (1972). Maar zijn hoofdwerk verscheen in 1980 wederom met Guattari als co-auteur: A Thousand Plateaux, Capitalism & Schizophrenia (1980). Vijfhonderd pagina’s loodzware kost. Ik ben er vaak in begonnen, maar ik moet eerlijk zeggen dat ik het boek nooit helemaal heb uitgelezen. Het lezen van Deleuze bezorgt je koppijn. Soms stijgt er een soort mist op in je hoofd die maar niet op wil trekken.

Ook met Louis Le Roy sprak ik wel eens over Deleuze. Niet dat Le Roy ooit iets van Deleuze gelezen had, maar hij wist wel heel veel van wortelstelsels en organische netwerkstructuren. Als hij voor het raam in zijn atelier zat, kon hij soms wel een uur lang uitweiden over de wortelstructuren die ondergronds voortwoekerden in zijn achtertuin. Le Roy was eigenlijk nog het meest geïnteresseerd in wortels en vogels. Beiden hadden voor hem iets ongrijpbaars en fascinerends.

Toen ik jaren geleden gastcolleges gaf op de avond-academie van Minerva hadden mijn verhalen over Deleuze altijd veel succes. Studenten wilden er alles van weten. Ik herinner me nog dat iemand eens na afloop van mijn verhaal uitriep: ‘Eindelijk een filosoof waardoor ik iets van mezelf begrijp. Zoiets heb ik hier op de kunstacademie nog nooit van iemand gehoord!’ Het rizomatische denken van Deleuze past bij de kunst. Mensen, die van nature creatief zijn, begrijpen zijn ideeën vaak veel beter.

Wat is een rizoom? Volgens Deleuze verbindt een rizoom voortdurend semiotische schakels met elkaar en is vergelijkbaar met een onderaardse stengel die bestaat uit grote en kleine wortels. Het rizoom is niet onderworpen aan een structureel of generatief model. Het is een metafoor die past bij de ‘decentrering’ in het denken, die in het postmodernisme school zou maken. Door de afwezigheid van een centrum 
of oorsprong kan alles een discours worden.

Er is geen middelpunt. Geen macht. Geen vertrekpunt en geen bestemming. In tegenstelling tot het hiërarchische en gecentraliseerde denken heeft het rizomatische denken geen centrum, maar een gedecentreerde ‘non-locatie’, waardoor een oneindige uitwisseling 
van tekens plaats kan hebben. Voor Deleuze is het verlangen intrinsiek verweven met het rizomatische denken, dat altijd beweeglijk en voortdurend productief is. 

Deleuze is de filosoof van het mengen, besmetten, verknopen en koppelen. De gevolgen van de corona-pandemie zijn in wezen deleuziaans van aard.  Opeens worden we ons bewust van het feit dat wereldwijd alles met alles te maken heeft. Het is niet de mens die vanuit zijn centrum stuurt en bestuurt, maar een ongrijpbaar virus op de grens van leven en niet-leven, dat mensheid als een wereldwijd web van organismen bedreigt en besmet.

De grens tussen het organische en het anorganische is daarmee aan het vervagen. Maar vooral ook de geen tussen subject en object. Het is niet het menselijk subject dat centraal staat met zijn concepten van de wereld. Ook dit subject wordt gestuurd door de organische substraat van het lichaam dat bij uitstek vatbaar is voor besmetting. Wij zijn zelf de natuur net als het virus, niet meer en niet minder. Die natuur ‘natuurt’ als de natura naturans van Spinoza. Wij zij niet ‘wat’. De natuur is niet ‘wat’. Wij zijn ‘dat’, net als de natuur. Wij zijn deel van één en dezelfde branding van golven die onophoudelijk komen en gaan. 

Het rizomatische denken verzet zich tegen de macht van de staat die zichzelf representeert in theorie en ideologie. Alleen al daarom zijn de ideeën van Deleuze omstreden. Ze worden verguisd als cryptisch en duister of bewonderd als profetisch en visionair. ‘De volgende eeuw zal deleuziaans zijn’, zei Foucault. Hoe het ook zij, Deleuze verzette tegen elke vorm van totaliserend denken. Tegenover het westerse redeneren in termen van hiërarchie, identiteit en oorsprong plaatste hij de filosofie van de nomade, het verschil en het centrum-loze netwerk. Door de corona-crisis zijn we met een schok in dat centrum-loze netwerk terechtgekomen. 

Veel hedendaagse gedachten over de vruchtbare ‘besmetting van culturen’, het mixen van traditie en experiment, van het allochtone en autochtone zijn van oorsprong deleuziaans. De meltpot van beeldcultuur en nieuwe media is een ‘rizomatisch universum’ dat een nieuw soort intelligentie vereist. Als je Deleuze nu herleest en opnieuw kennis neemt van zijn radicale verzet tegen het totaliserend en hiërarchisch denken, dan is het moeilijk om je daar de politieke consequenties van voor te stellen. Toch zouden die volgens Deleuze vanzelf gaan  komen.

Zo niet goedschiks, dan kwaadschiks. Linksom of rechtsom, Deleuze wist dat hij vanzelf gelijk zou krijgen, want de westerse structuren van de macht passen niet bij de ontwikkeling die ook in het westerse denken zelf gaande is. Bij totalitaire stucturen al helemaal niet. Deleuze zette Nietzsche opnieuw op de troon van de filosofie. Hij zag de grote leugen die aan ons rationele denken ten grondslag ligt en vreemd genoeg zag hij juist in de recente ontwikkeling van de wetenschap een bevestiging van zijn eigen ‘rizomatische denken’.

Deleuze dacht ook na over de verknoping van ruimtes, reële en virtuele ruimtes, openbaar en privé, niet alleen in de semiotiek, maar ook in de virtuele wereld van de nieuwe media. Een rizomatisch proces is  zeer complex. Het bestaat uit een soort verknopingen die voortwoekeren in de actualiteit, zoals ook een psychoticus voortdurend bezig is betekenissen uit de echte wereld en een waanwereld met elkaar te verknopen. In aansluiting hierop introduceert Deleuze begrippen als ‘synchroniciteit’ en ‘veelvoudigheid’ (multiplicity). Hij neemt daarmee afscheid van het lineaire denken en omarmt de non-lineaire denken.

Ook in de wetenschap dienen zich nieuwe benaderingen aan, waarbij het permanente proces van verandering en verknoping centraal komt te staan. Of in de woorden van Deleuze:

‘De wetenschap richt zich hoe langer hoe meer op de beschrijving van feiten, in plaats van structuren. Zij stippelt lijnen en trajecten uit, zij maakt sprongen, in plaats van axioma’s op te stellen. De verdwijning van de boomvormige schema’s ten gunste van rizomatische bewegingen is hiervan een teken. De geleerden houden zich steeds meer bezig met bijzondere gebeurtenissen van onstoffelijke aard, en die zich effectueren in lichamen, lichaamstoestanden en onderling volledig heterogene koppelingen (vandaar interdisciplinariteit). De wetenschap zal steeds meer als gras zijn, in het midden, tussen de dingen en te midden van andere dingen, hun vlucht vergezellend.’

Kortom, zelfs de wetenschap wordt psychotisch. Foucault had gelijk: onze eeuw zal deleuziaans zijn. De coronacrisis heeft die ontwikkeling alleen maar een extra zetje gegeven, want het onderliggende proces was al langer bekend.  We leven in een psychotische tijd. Ook dat wisten we allang. Dit zal niet alleen de eeuw van Deleuze, maar ook de eeuw van het virus zijn. 

1 Reactie

Here comes the sun !

Al twee keer eerder baarde hij opzien met aankondigingen van de wederkomst van Christus: in 2005 was het over 50 tot 75 jaar. Tien jaar terug werd het ‘uiterlijk 2035’. Bottenbley verwacht het nu – in zijn studie ‘De coronacrisis in het licht van Gods masterplan en de eindtijd’ – nog eerder.’ (…)

‘Anderen durven deze uitspraken niet te doen. De kritiek zal blijven. Ik probeer de Schrift te volgen en in de wereldgeschiedenis te plaatsen, leg verbanden. Ik ga nu uit van de periode tussen nu en 2032, de wederkomst staat werkelijk voor de deur!’

Bron: Leeuwarder Courant, 7 juni 2020

***

BOTTEN BLIJ

De Dood is schuw, je komt hem zelden tegen
Wat moet je hem ook zeggen? Hallo Hein?
Leuk je weer te zien! Of: doe je aan de lijn?
Wat ben je stil. Je bent toch niet verlegen?

Vannacht zag ik hem lopen in de regen
Ik dacht, als ik maar niet zijn rust verstoor
De maan scheen door de hoge bomen door
Je zag de wolken langs de lucht bewegen

Zo liep hij als een dooie diender door de nacht
Zijn afspraak in de ochtend hield hij nog verborgen
We liepen even samen, zwijgend zij aan zij

Kop op, zei ik, jij bent ’t die het laatste lacht
want op een trieste, troosteloze morgen
maak ik jou nog eens met mijn botten blij

***

Luister ook naar: Duo Von Däniken

Reageer

Herboren in de Infirmerie

Van rechts naar links: Nynke Doele, Anneke Holwerda (op de rug), Oeds Westerhof, Geert Duintjer en ikzelf, bij de opening van het project Exorcisme in De Infirmerie.

Soms denk ik er nog aan als ik in een melancholische stemming ben, mijn wedergeboorte in de Infirmerie. We schrijven augustus 2003. Ik was pas sinds een paar weken weer aan het werk. Vier maanden was ik uit de roulatie geweest. Na een tweede acute astma-aanval in februari was ik wederom in het ziekenhuis beland. De conclusie werd onontkoombaar. Ik had een burn-out. En bovendien ook nog eens een arbeidsconflict.

Naar de bedrijfspsycholoog dus van de ARBO. Eén ding werd me duidelijk: vertrouw nooit een bedrijfspsycholoog van de ARBO. Ze worden daar betaald door je werkgever en zullen je – als het puntje bij paaltje komt – altijd achter je rug om belazeren. Gewoon aan het werk dus maar weer. Mijn ziekte had me niet milder gemaakt. Eerder strijdbaarder. Dit zou me geen derde keer overkomen, zo had ik mezelf beloofd.

Toen ik ziek was schreef ik Het stille afscheid van de pijn, dat jaren later het slothoofdstuk zou worden in mijn bijdrage aan het boek Tegen de tijdgeest terugzien op een psychose (2011) Keunstwurk was inmiddels verhuisd naar de Infirmerie, waar het CBK van start moest gaan. Oeds Westerhof, mijn directeur destijds, nam plotseling ontslag. Hij had zoveel plannetjes op elkaar gestapeld dat hij er uiteindelijk zelf onder bedolven werd.

Ik organiseerde een aantal excorcistische rituelen op om de boze geesten uit het pand te verdrijven. Dat leverde nog een relletje op, want de christenen in de politiek dachten dat ik de duivel aan het bezweren was. Voor orthodoxe christenen is alles wat met het occulte van doen heeft taboe. Ze moeten gedacht hebben dat ik  – door kunstenaars exorcistische rituelen te laten uitvoeren – niet de duivel zou verdrijven, maar juist tevoorschijn zou roepen. Pleased to meet you. Hope you guess my name….

Helemaal ongelijk hadden die godvrezende politici overigens niet. Kort daarop zou blijken dat er inderdaad kwalijke spoken rondwaarden in de Infirmerie (zie: hier). Deuren vlogen zomaar open en er vielen schilderijen van de muur. Sjoerd de Vries plakte een plakkaat op de voordeur: HUUB MOUS, ELITAIRE MISLUKTE “KUNST”- PAUS EN BERUCHTE DUIVELUITDRIJVER.

En ik? Ik voelde me herboren.

Reageer