Dromen in de Indische buurt

Schermafbeelding 2015-04-22 om 15.52.01

Borneostraat 30-34, met rechts het Timorplein. Gezien vanaf de derde etage van de Technische school, Timorplein 21. ( Foto Beeldbank Stadsarchief Amsterdam)

‘Het is of onze jeugdherinneringen zorgvuldig in ons onderbewustzijn opgeborgen liggen als de waardepapieren in de kelders van een bankgebouw. Zij wachten daar rustig totdat een stoutmoedige bankrover hen uit hun isolement verlossen komt. Die bankrover is de ouderdom.’

Aldus schrijft Bertus Aafjes in het boek In de Nederlanden zingt de tijd (1976). Het is een prachtig boek dat voornamelijk gaat over jeugdherinneringen. Dicht bij, want ook Bertus Aafjes werd – net als ik – in Amsterdam Oost geboren. Hij op 12 mei 1914 in de Borneostraat 32 1-hoog in de Indische buurt. Ik op 1 december 1947 in de Johannes van der Waalsstaat (destijds nog Van der Waalsstraat) 33 in de Watergraafsmeer. Daar zit ruim 33 jaar tussen, maar we gingen dezelfde weg naar school. Ook Bertus Aafjes ging naar het Ignatiuscollege aan de Hobbemakade. Elke dag met lijn 3, net als ik. Maar daarvoor moest ik eerst nog wel drie haltes met lijn 9. Overstappen op de hoek van de Linnaeusstraat en de Wijttenbachstraat. Ik weet er alles van.

Bertus Aafjes liep vaak naar huis. Ook dat deed ik wel eens als ik in een poëtische bui was. De Borneostraat is niet de meest vrolijke straat om geboren te worden. In mijn herinnering was het een straat waar je niet dood gevonden wilde worden. Misschien is troosteloosheid wel de grondvoorwaarde voor het ontstaan van poëzie. In de herinnering wordt alles mooier dan het was. Je moet op de wereld zijn gekomen in werkelijkheid die nooit heeft bestaan. Eigenlijk heeft de Indische buurt nooit een goeie naam gehad. Nu nog niet. Er hing een grauwsluier over die huizen daar, vooral in die lange, smalle straten met hoge bebouwing, zoals de Balistraat en 1ste en 2de Atjehstraat.

Die straatnamen, daar werd je ook niet vrolijk van. Je zult geboren moeten worden op het Ambonplein of in de Surabajastraat. God bewaar me. Dan zou ik liever in de baarmoeder blijven. En toch, juist in de meest troosteloze buurten worden vaak dichterlijke geesten geboren. Maar de echte malaise is eigenlijk pas later begonnen. In de jaren tachtig werd de Indische buurt volledig gerenoveerd. De meeste huizen gingen tegen de vlakte. Bertus Aafjes schreef zijn boek in 1976, een jaar voordat ik uit Amsterdam wegging. Hij overleed op 22 april 1993. Over het verval van de Indische buurt schreef hij het volgende:

‘Wat ik wel zag ware de barsten die jaar na jaar in de huizen verschenen. Omdat de bouw van de huizen zo inferieur was vestigde zich daar ook een andere klasse: de arbeidersklasse. Toen op haar buurt de oude Indische buurt verouderde trokken veel middenstanders naar de Watergraafsmeer of elders en zonder nu direct te verpauperen kreeg de buurt in de ogen van de gemiddelde man langzaam maar zeker een veel lagere status die vandaag de dag haar vrucht afwerpt in een terreurgroep als de Hells Angels, die wonende in de Indische buurt, de stad onveilig maakt.’

Schermafbeelding 2015-04-22 om 21.24.55

Flevopark gezien naar het toegangshek. Rechts: de Joodse begraafplaats ( Foto: Beeldbank, Stadsarchief Amsterdam)

Even verderop lag het Flevopark, met daarvoor nog de Joodse begraafplaats met al die grafstenen die schots en scheef naar de hemel wezen. Troostelozer kon het niet. Daar in het Flevopark heb later nog wel eens, vlak na zonsopkomst – waarom weet ik niet – een hele vracht papier in het water gegooid, dagboeken, aantekeningen, teksten over mezelf. Ik schreef en ik schreef. Opeens was ik het zat. Dat weggooien van teksten was een ritueel dat ik mijn hele leven bij tijd en wijle heb herhaald. Weggooien. Bewaren heeft immers geen zin. Om niet, dat is het leven. Ook ben ik in dat park wel eens compleet uit mijn dak gegaan na een van de weinige keren dat ik echt stoned ben geweest na een nacht doorzakken met veel drank en marihuana. Ik raakte daar in hoger sferen samen met Fransje Klink. God hebbe zijn ziel. Ook Bertus Aafjes kwam wel eens op de Joodse begraafplaats. Hij schrijft:

‘Het meest geheimzinnige gebied tussen ons huis en de zee was het Joodse kerkhof, gelegen aan het zwarte weggetje – deze laatste benaming alleen al was geladen met betekenis van mogelijk dreiging. Op het kerkhof plukten wij bossen geurige vlier en keken verbaasd naar het onleesbare Hebreeuws en de Davidster op de verzakte ingevallen grafstenen. Eenmaal opende ik er de deur van een kleine houten schuur, die temidden van de wijdverspreide zerken lag, en bleef ademloos van schrik toekijken. Het schuurtje was geheel gevuld met schedels en beenderen, zij lagen er in zulk een overvloed, dat men er een meterslange dodendans van Dürer mee kon formeren. Voor het eerst drong het toen tot mij door dat dit alles ook in mij aanwezig was – schedels, botten en beenderen – en dat het slechts in mij sluimerde om eens te ontwaken als zaad dat weer ontkiemen zou bij de verrijzenis des vlezes.’

Vorig jaar ben ik nog eens door de Indische buurt gefietst. Het zag er inmiddels weer een stuk beter uit. Ik fietste door de Borneostraat, over het Javaplein naar de Molukkenstraat. Ik ben zelfs nog even wezen kijken bij de Gerardus Majella Kerk, waar Bertus Aafjes als kind naar de Mis ging. Ook ben daar wel eens ter kerke gegaan. In die rare neobyzantijnse kerk met vreemde schilderingen op de muren boven het altaar. In de Molukkenstraat ging ik altijd naar de Openbare Bibliotheek. Daar leende ik mijn eerste boeken van Dostojevski en Camus.

Schermafbeelding 2015-04-22 om 20.56.15

Celebesstraat, met op de achtergrond het Muiderpoortstation (Foto: Beeldbank Stadsarchief Amsterdam)

Vaak droom ik nog van de Indische buurt. Vannacht nog zelfs. Ik liep door de Celebesstraat in Amsterdam, dicht bij het Muiderpoortstation. Opeens realiseerde ik mij dat ik achtervolgd werd. Ik besloot niet om te kijken. Uit de vage geluiden kon ik opmaken, dat het gezelschap met de dronken B. besloten had om niet aan boord te gaan. Ik liep door langs de spoordijk die hier een flauwe bocht maakte. Langzaam kwam een trein voorbij. Ik zag mensen achter de ramen zitten, allemaal verdiept in hun Iphone, Smartphone, BlackBerry of wat er nog meer van dat spul op de markt is tegenwoordig. Ze waren met kettingen aan elkaar vastgebonden, alsof het ging om een stel zware criminelen dat op proefverlof was. Zat ik maar weer in die trein, dacht ik. Dan was alles duidelijk. Dan wist waar ik naar toe ging en waar ik vandaan kwam. Maar tegelijk realiseerde ik mij dit onmogelijk was, een gepasseerd station zogezegd.

O God, laat mijn ziel zich zo ver als mogelijk openen naar de volheid van het mysterie, maar laat het mysterie zich niet vernauwen om in de krochten van mijn brein te passen. Het geluid achter me verstomde. Leo Horn kwam mij tegemoet met een wedstrijdbal onder zijn arm. Ik groette hem en wij raakten in gesprek over de Koptische teksten die ruim honderd jaar geleden in Egypte gevonden waren en nu bewaard worden op de Egyptologische afdeling van een Museum in Berlijn. En naarmate onze conversatie een hoger niveau bereikte, bleven we klimmen, innerlijker denkend en sprekend over de Europacupfinale van 1962 in het Olympisch Stadion, met Puskás, Di Stéfano en natuurlijk Eusébio. De mooiste finale die ooit is gespeeld en nota bene geleid werd door onze eigen Leo Horn, de makelaar in textiel met een winkel in de Jodenbreestraat of wat daar nog van over was.

Ik bewonderde zijn flamboyante stijl van fluiten, zo liet ik hem weten, autoritair en toch met veel gevoel voor de wedstrijd. En zo kwamen wij, Leo en ik, op een nog hoger niveau en overstegen dat, om het buitenaardse spel te bereiken waar zelfs de voetbewegingen van Messi en Maradonna bij in de schaduw vielen en wij bereikten Brazilië, het land de onuitputtelijke overvloed, het carnaval met de schuddende billen en buiken, waar ook het voetbal al sinds mensenheugenis het hoogst denkbare niveau heeft bereikt, voortgestuwd door de ritmische bewegingen op het strand van Rio, bewegingen waar wij stijve Europeanen geen weet van hebben. Het land waar alle schijnbewegingen geschapen worden, ook de dingen die geweest zijn en die zullen zijn, terwijl zij zelf niet worden, maar zo zijn als zij geweest zijn en zo zullen zijn tot in lengte van dagen.

En terwijl wij praatten en naar dat hoogstaande spel van de bal haakten, gaf hij mij een stomp in de buik en wij slaakten een zucht, lieten de bal achter en keerden terug naar dit aardse tranendal, waar de zon noch de dood zich recht in de ogen laten kijken. Ik zag Leo Horn wegwandelen naar het Muiderpoortstation en opeens liep ik langs de vloedlijn van het strand in Rio waar ik stuitte op een jerrycan. Er bleek wijn in te zitten die ooit water was geweest. Hier spreekt de Logos, zo dacht ik bij mezelf. Of was het toch weer de Mythos? Misschien had mijn droom wel ongemerkt een punt bereikt waarop zich een vorm van antinomisch postfundamentalisme begon te ontwikkelen. Hoe dan ook, ik had het gevoel dat niets nog heilig was, zelfs niet deze jerrycan die toch overduidelijk van een wonder getuigde.

Er zijn mensen die water zien branden. Anderen zien de zon in een gele vlek op een schilderij van Vincent van Gogh. Ik zie niets, maar vind wel in mijn droom een jerrycan met wijn, goede wijn nog wel, uit 1950, een heilig jaar, ja zeker, en zomaar aangespoeld op het strand van Rio de Janeiro. ‘O Rio mio! O Dio mio!’ (2 x schudden met de goddelijke billen). Als je dit punt in je dromen eenmaal hebt bereikt, dan kan zelfs het wreedste en meest kwaadaardige gedrag worden gezien als een positief goed.

Ook in de grootste zonde is dan nog een zweem van vroomheid te ontdekken. In elk geval maakte deze ontdekking voor mij duidelijk dat als mensen eenmaal afscheid van de religie hebben genomen, van al die versleten symbolen van het christendom, zij niet zelden een koers inslaan die staat voor een nederlaag van de verbeelding. Des te belangrijker is dat wij leren te aanvaarden wat er schuil gaat achter deze diepe wanhoop en dat wij begrijpen dat aan de religieuze ervaring maar al te vaak eigenschappen worden toegeschreven die in hun uiterste consequentie weldra tot een zondige logica kunnen worden doorgedreven, waardoor de levende deugd in zijn tegendeel wordt gekeerd.

Dit ongetwijfeld belangrijke aspect van de religie zou ons gezonde verstand kunnen verblinden. Alsof de maximale codering van het erotische vuur om dezelfde reden als de verblinding door de zon of de mogelijkheid van de dood zou kunnen leiden tot de deze vergoddelijking van het eigene. Gods volle aanwezigheid kan echter door geen ruimte, geen tijdvorm, geen woord, geen getal, nee door geen enkel concept in deze onvolmaakte wereld worden gevat. Hij is een wezen dat ons aan alle kanten omringt en doordringt, zoiets als een oceaan, een naar alle kanten tot in het onmetelijke enkel maar grenzeloze zee, en alsof dan die zee een spons in zich had.

Dit gezegd hebbende, volgt nu het slot van mijn droom. Een wonderlijk slot, omdat ik er nog steeds geen raad mee weet. Als een slot zonder slot, een open einde zogezegd. Op de terugweg van een bijeenkomst, waarvan ik niet meer weet wie daar aanwezig waren, laat staan waartoe deze bijeenkomst eigenlijk diende, voelde ik een sleutel ik mijn broekzak zitten. Het was de sleutel van een gevangeniscel. Hoe was hij daar gekomen? vroeg ik mij af. Had ik hem misschien per abuis mee naar huis genomen? Maar zo’n sleutel laat je niet slingeren. En dan, wat moet ik er mee? Ik zit niet in de gevangenis. Niemand in mijn kennissenkring die daar iets mee heeft, noch als veroordeelde noch als cipier. Kennelijk had iemand deze sleutel in mijn zak gestopt. Misschien ook was de sleutel al in onbruik op het moment dat hij in mijn bezit kwam. Waarom vind je anders een gevangenissleutel in je eigen broekzak, een sleutel waarvan je niet eens weet op welk slot hij ooit heeft gepast?

aafjesindex

Ook Bertus Aafjes keerde in 1976 – hij was inmiddels 62, acht jaar jonger dan ik nu – terug naar de Indische buurt. Hij wilde het nog wel eens zien allemaal. En bovendien, zijn moeder woonde er nog in het ouderlijk huis in de Borneostraat. Ze was inmiddels al in de negentig. Hij vierde daar Oud en Nieuw en herinnerde zich een oud gebruik uit zijn jeugd, toen iedereen op de veranda’s met pannendeksels kabaal maakte om de geest van het ouwe jaar te verdrijven. Het werd een desillusie. Aafjes schrijft hierover het volgende:

‘Ook dit jaar sloeg ik als een waanzinnige de deksels tegen elkaar, maar tot mijn diepe ontgoocheling, ja schrik, bemerkte ik dat er zich geen levend wezen in de tuinen en op de veranda’s bevond. Achter de gesloten verandadeuren van de lege veranda’s waren slechts blauwe schijnsels zichtbaar, waarin grillige televisiefiguren zich rond de jaarwisseling bewogen. Alleen verweg klonk geluid van vuurwerk, op straat en open plein. Ik sloeg de deksels steeds uitzinniger tegen elkander alsof ik een leemte in de tijd moest vullen. Maar even plotseling als de bezieling gekomen was sijpelde zij in mij weg en ik voelde mij als een wazige halve eeuw die verstreken was. Eerst de volgende dag hoorde ik dat ik zo hard met de deksels tegen elkaar geslagen had, dat zij niet meer op de pannen pasten.’

Reageer

De wereld is een wonder

Slide1

Achter de ruit

O zorgeloos en prachtig Amsterdam
— De ruit is in een aquarel herboren —
En duiven vallen rond de Westertoren
Als dwarrelende bloesem rond de stam.

Een beiaardier, die aan het klokzeel kwam —
“Lief Vaderland, vaarwel” klinkt me in de oren.
Dan jubelen de negen engelenkoren,
En storten schrijlings over Waag en Dam.

De ruit wordt door mijn adem grijs bezet;
Het water stijgt. De zilvren stad loopt onder:
Mensen noch duiven, niemand wordt gered.

Maar met de vinger teken ik een vlonder
En zie, een duif vliegt door het lichtspoor met
Een tak olijf. De wereld is een wonder.’

Dit gedicht Achter de ruit van Bertus Aafjes ken ik nog bijna uit mijn hoofd. Ik heb het ooit gedeclameerd op de middelbare school. We hadden toen de bundel Carillon, een declamatorium voor ons voortgezet onderwijs en voor privé gebruik, samengesteld door dr. Ben Tervoort S.J. en dr. Ph. A. Lansberg. Voor het vak Nederlands moest je geregeld een gedicht uit deze verzamelbundel uit je hoofd leren en voor de klas declameren. De gedichten van Bertus Aafjes waren in die tijd zeer geliefd. Er stonden er maar liefst vier in het Carillon. Eerlijk gezegd was Ballade van Hollands water misschien wel het meest geliefd, maar dat gedicht was een stuk langer. In zijn biografie van Aafjes, In de schaduw van de hemel, citeert Rob Molin Wiel Kusters die dit gedicht voordroeg bij een viering van de 75ste verjaardag van Aafjes op 10 juni 1989 in Venray. Ballade op Hollands water was het eerste gedicht dat hij in de schoolbank las. Ik denk dat dit voor veel mensen van mijn generatie geldt. Door Bertus Aafjes leerden wij de poëzie kennen in de tijd van de wederopbouw.

Ik heb het nog eens nagekeken maar in het Carillon komen nauwelijks gedichten van de experimentelen voor. Lucebert is met twee gedichte vertegenwoordigd (Oogst, en Ik draai een kleine revolutie af) Verder is het vooral J.C. Bloem, Vasalis. Leopold, Nijhoff, Marsman, Jan Campert, Ed Hoornik, Jan Engelman, Gabriël Smit en Guido Gezelle, kortom poëzie die gebloemleesd is met een roomse bril. Bertus Aafjes mocht dan van zijn geloof zijn gevallen maar hij was nog wel ‘een van ons’. En trouwens, zo duidelijk was het ook niet of hij nu wel of niet in God geloofde. Aafjes probeerde het mysterie na de oorlog opnieuw te ontdekken in de wereld zelf. Zijn priesteropleiding had hij afgebroken, maar daarna wilde hij als dichter een ‘hogepriester van de aarde’ worden, een bard die zong over die eros die de Kerk zo veronachtzaamd had. Zijn Voetreis naar Rome was geen pelgrimage naar de eeuwige stad van het katholicisme, maar naar een oord van wereldse schoonheid en erotiek. Die voetreis eindigde ook niet in de Sint Pieter maar in het atrium van de Vestaalse maagden.

De tegenstelling tussen het christendom en het heidense hellenisme was een fase uit de geschiedenis die hem fascineerde. Er was iets voorgoed verloren gegaan toen de bekeerling Paulus op reis trok over de  Middellandse Zee. Aafjes zocht het onpersoonlijke van een, in de natuur verankerde schoonheid die uitging boven de individuele gevoelsexpressie. Heel zijn dichterschap was een zoektocht naar een verloren wereld van zintuiglijkheid en zinnelijkheid. Maar zijn superego was te groot om nog te kunnen ontsnappen aan de angstige beklemmingen van zijn roomse jeugd. Aafjes hoort bij een tijd die een de grote secularisatie van de jaren zestig voorafgaat, maar waarin de het seculiere zelf ook heel even religieus leek te worden. In die zin is zijn poëzie nauw verwant met die van Vasalis. Beiden zochten opnieuw het geheim en het mysterie in een geschonden wereld, waarin schoonheid – als we Lucebert mochten geloven – zijn gezicht had verbrand.

Evenals Vasalis leed Bertus Aafjes aan de cultuur van de moderniteit die in het naoorlogse Nederland was ontstaan. Het was tijd een zonder mystiek, zonder transcendentie, zonder geheim. Ook de dichter als ‘geheimzoeker’ had zijn tijd gehad. De poëzie van Aafjes en Vasalis was out of date geworden en beiden hielden dan ook op met dichten. Het was een tijd waarin poëtische woorden hol begonnen te klinken. De Duitser Hans Magnus Enzenberger sprak over ‘schrijven zonder risico, het afsluiten van een verzekering met een literatuur die niet uitbetaalt.’ Vasalis stopte met dichten omdat zij vond dat haar eigen lot volkomen onbeduidend was geworden. Haar commentaar was voortaan overbodig. Ook Aafjes moet zoiets hebben gevoeld. Hij ging schrijven over zijn reiservaringen, maar waar hij ook kwam in welke uithoek van de wereld dan ook, onderhuids bleef hij een dichter omdat de zinnen die hij schreef iets van het lied van Orpheus behouden hadden.

Het verlies van het geheim, dat gold niet alleen voor de wereld zoals hij na de oorlog was ontstaan, maar ook voor het bestaan op zichzelf. ‘Als er maar één eiwitmolecuul kromstaat in een chromosoom, leeft een kind leeft zijn leven lang ongelukkig’, zo schreef Vasalis die als kinderarts wist hoe tragisch het leven kan zijn. Vasalis vond dat het geen zin meer had haar ‘lucifertje bij de brand af te strijken’. Adorno schreef over het bankroet van ‘het idealistisch plan van de geschiedenis waarin alles ooit in een positiviteit zou opgaan’. De metafysica was kapot. De romantiek was kapot. Dat was voor de oorlog al zo, maar na Auschwitz was zelfs het schrijven van een gedicht volgens Adorno een daad van barbaarsheid geworden. Een nieuwe generatie van denkers en dichters betoonden zich ‘alleen nog solidair met een metafysica in het ogenblik van haar val’. Of zoals Reve in De avonden schreef: ‘Het graf gaapt, de tijd zoemt en nergens is redding.’

Rob Molin besteedt in zijn biografie veel aandacht aan de aanval op de poëzie van de experimentelen die Aafjes in 1953 publiceerde in het blad Elsevier: ‘Lees ik Luceberts poëzie, dan heb ik het gevoel dat de SS de poëzie is binnengemarcheerd.‘ Die woorden sloegen als een boemerang terug op hem zelf. Deze ongemeen harde aanval is hem nog vaak nagedragen. Het werd een trauma, zoals zijn leven meerdere traumatische ervaringen heeft gekend. De vroege dood van zijn vader die niet gedoopt was en dus in ongewijde grond begraven moest worden. Zijn mislukking als priesterstudent waardoor hij de diepe wens van zijn moeder niet kon vervullen, het angstige isolement in zijn onderduikperiode, zijn onvermogen om een vader te zijn voor zijn kinderen… dat alles bij elkaar leidde in zijn latere leven tot diepe depressies.

Meerdere malen werd Aafjes daarvoor opgenomen. Hij ging in therapie en slikte antidepressiva maar de depressies bleven hem bestoken tot het eind van zijn leven. Alleen met Vasalis kon hij daar echt goed over spreken. Hun onderlinge correspondentie hebben zij beiden vernietigd, zo meldt Rob Molin, en dat is misschien maar goed ook. Van een mensenleven hoef je niet alles te weten om de bottomline te kunnen begrijpen. Bertus Aafjes was een tragisch dichter, hoezeer hij ons ook in zijn poëzie vaak van het tegendeel wilde overtuigen. Zijn laatste levensjaren sleet hij samen met zijn vrouw Tine in een klein huisje in het Noord-Limburgse Swolgen. Als Vasalis hem daar nog eens opzoekt schrijft zij:

‘Zij (Tine) brengt de orde aan – zowel in de tijdsverdeling als inrichting van het huis; in niets doet het meer denken aan de chaos en armoede waarin ik hen vroeger aantrof. En dat is voor Bertus, geloof ik, goed, want hij moet het hebben van ongestoord werken om zijn depressie de baas te blijven. Hij is tot zijn 18de, 20ste jaar zo doortrokken geweest van het katholieke geloof, tot in zijn vezels, maar hij is God kwijtgeraakt, zoals hij zegt, en vleugellam geworden. Hij is een wees geworden en weet niet waar hij me zijn religieuze gevoelens heen moet. Wat er allemaal gebeurt in de wereld vervult hem met ontzetting en verbazing, maar het ontbreekt hem ten enenmale aan distantiëring en psychologisering.’

Reageer

What’s in a name?

Het is al weer lang geleden dat ik Freark van der Wal ontmoette bij een opening in het Fries Museum. Hij vertelde mij toen dat ik een boek van de Belgische filosoof Antoon van den Braembussche moest lezen, dat als titel had: ‘Denken over kunst, een kennismaking met de kunstfilosofie’. Daarbij het hem een passage getroffen, waarin de Italiaanse schrijver Cesare Pavese werd geciteerd, die schrijft: 

‘Interessant is de idee dat het gevoel in de kunst het zuiver mimetische deel is, de nauwkeurige beschrijving van de stilte der zee.’

Deze woorden waren bij Freark blijven hangen, temeer omdat Van den Braembussche hieraan had toegevoegd, dat Pavese het woord ‘mimesis’ (dat wil zeggen: de nabootsing van de werkelijkheid) in deze context overdrachtelijk had bedoeld.

Het duizelde mij even bij deze opeenstapeling van moeilijke woorden. Vervolgens ontspon zich tussen Freark en mij een discussie over de ware betekenis van deze uitspraak van Pavese. Bedoelde hij te zeggen, dat het bij de nabootsing van de werkelijkheid niet gaat om de natuurgetrouwheid, waarmee de werkelijkheid in een kunstwerk is weergegeven, maar om het gevoel dat door de kunstenaar in de weergave is gelegd? 

Of wilde Pavese beweren dat er in feite helemaal niet zoiets als ‘mimesis’ bestaat? Elke vorm van nabootsing, hoe natuurgetrouw ook, verraadt immers tegelijk ook het innerlijk van degene die nabootst. De mimesis is uiteindelijk niet meer dan een nabootsing van een beeld dat correspondeert met een innerlijk beeld bij de kunstenaar en niet zozeer met een uiterlijk beeld dat in de werkelijkheid voorhanden is.

Bent u er nog? Deze anekdote moest ik even kwijt. Aan dat gesprek tussen Freark en mij moest ik terugdenken, toen ik van de week samen met hem rondliep op deze prachtige tentoonstelling in het melklokaal. Wij hadden het toen over over hoe ingewikkeld kunstenaars soms over hun eigen werk kunnen theoretiseren. Tot die slotsom waren wij gekomen naar aanleiding van een recentelijke tv-interview van de Belgische schilder Luc Tuymans, een interview dat niet om aan te horen was. Wat kon die man ouwehoeren! 

En terwijl wij zo spraken werd ik getroffen door het betoverende scala van gelaagde kleuren en tinten in de schilderijen en tekeningen om mij heen. Het onderling verband van deze kleuren en tinten leek mij niet in woorden vatten, maar ook dat wonderlijke handschrift in de getekende en geschilderde vormen. Beide – het kleurenpalet en het handschrift van Freark – onttrekken zich niet alleen aan de nabootsing van de werkelijkheid, maar ook aan de weergave in taal.  

De planten en bloemen in Frearks tuin in Zurich, en de zwevende kogels die voortdurend van gedaante veranderen en de gestalte aannemen van lipsticks of wijzende trompetten of wat dan ook. Wat betekent hier het begrip ‘mimesis, de nabootsing van de werkelijkheid? Wat wordt hier eigenlijk nagebootst? Is het een uiterlijk beeld van de werkelijkheid of een innerlijk beeld in de verbeelding van de kunstenaar. 

Ik heb het werk van Freark kunnen volgen sinds het begin van zijn loopbaan in het midden van de jaren tachtig. En telkens weer kwam deze vraag in zijn werk naar voren. Wat is de werkelijkheid waar we naar kijken? Het gaat er niet om wat je ziet, maar hoe je het ziet. Het onderwerp doet er eigenlijk niet zoveel toe. Al vanaf het eerste begin schilderde hij wat direct voor handen was. In zijn kleine huis in Loënga, dat had toebehoord aan Maria van Everdingen, was dat het nabijgelegen kerkhof, in een schilderij waarin niet alleen de kleur en de verf maar ook de zon en de maan op drift leken geraakt. Later, toen hij verhuisd was naar Zurich, waren het de schapen op de dijk en de ondergaande zon die weg leken te drijven in het niemandsland tussen golven en wolken. 

De wisselwerking tussen werkelijkheid en de nabootsing, tussen het origineel en de reproductie daarvan, dat was van begin af aan de rode draad in zijn werk. Het was een thematiek die in de jaren tachtig ook in de filosofie opdook. Bestaat er wel een origineel of is alles representatie? Die vraag kwam centraal te staan in het postmodernisme, een vraag die voortaan ook het leitmotiv werd in het denken over kunst. 

Ook in het denken van Freark over kunst. ‘De val van de reproductie’ zo luidde de titel van een kenmerkend schilderij van hem uit de jaren tachtig. Het zou het motto van zijn gehele oeuvre kunnen zijn. Beelden, afbeelden, uitbeelden, verbeelden… die begrippen lopen in het werk van Freark voortdurend door elkaar. Ze zijn niet te vangen in woorden. Het  antwoord dat je hierop kunt geven is: kijken en nog eens kijken. 

Wat ik nu hier voor u aan het doen ben, is dus pure onzin. Sterker nog, het is geouwehoer. Ik probeer woorden te vinden voor iets wat er niet is. Een waarheid die geen waarheid is, maar alleen maar verf. The truth in painting, zo heette een belangrijk boek van de filosoof Jacques Derrida in de jaren tachtig. Welnu, die waarheid bestaat niet, zoals de filosofie in die tijd tot de ontdekking kwam dat er mogelijk geen enkele waarheid bestaat. 

Alles is representatie. De taal, waartoe wij veroordeeld zijn, is doortrokken van een leegte. De woorden die wij uitspreken zijn doorboord met afwezigheid’. En dat alles vanwege een slippend mechanisme dat in elk verwijzingssysteem werkzaam is. In de taal, maar ook in de schilderkunst. Wat we zien is er niet. Het was er. Wat we zeggen is niet waar. Het was een weergave van wat waar zou kunnen zijn. Maar niets is waar, en zelfs dat niet. We kennen de dingen niet. Weten alleen maar de namen van de dingen. Het uitspreken van woorden is als het schilderen van namen.    

What’s in a name?

Het moet in 1984 zijn geweest, bij de opening van de tentoonstelling van de provinciale kunstaankopen in het Provinciehuis in Leeuwarden, dat ik werd aangesproken door Maria van Everdingen. Zij vertelde mij dat ze een zeer begaafd, jong kunstenaar had leren kennen, wiens werk ik nodig moest gaan bekijken. Freark van der Wal was zijn naam. Who the hell is Freark van der Wal, dacht ik toen. 

Nogmaals, what’s in a name? 

Een paar maanden later, maakte Freark zijn debuut met een solotentoonstelling in het Coopmanshûs, een tentoonstelling die in de Leeuwarder Courant door Rudy Hodel als een ‘droomdebuut’ werd bestempeld. Een mooiere start voor een jong talent leek ondenkbaar. In de jaren tachtig leek de carrière van Freark een hoge vlucht te gaan nemen. 

Vijf jaar later, in 1989, werd ik gebeld door de directeur van het Museum Bommel en van Dam in Venlo. Hij liet mij weten dat men dat jaar de Bommel en Van Dam prijs wilde toekennen aan een talentvolle, Friese kunstenaar, maar dat men bij de eindbeoordeling was blijven steken bij een onmogelijk dilemma. Er waren twee jonge, Friese kunstenaars  die beiden even getalenteerd leken te zijn. Aan mij werd de vraag gesteld wie men moest kiezen. Freark van der Wal of die andere, wiens naam ik hier uit beleefdheid nu niet zal noemen. 

En wederom…  what’s in a name? 

Ik heb destijds bedankt voor de eer en gezegd dat beide namen mij even lief waren en bovendien verwezen naar twee jonge kunstenaars die inderdaad allebei heel veel talent hadden, en dat de jury zich aan geen van beiden een buil zou vallen. Het is uiteindelijk Freark mogen worden. Met die andere jonge kunstenaar is het overigens niet verkeerd afgelopen. Integendeel. Wonderlijk genoeg zijn ze nu beiden, zo’n drie decennia later, bezig net het schilderen van hun eigen tuin. Alsof dat het laatste is wat een begenadigd schilder te doen heeft. 

Maar hoe schilder je je eigen tuin? Zoals ik al zei, van begin af aan heeft Freark nagedacht over het schilderen. De woorden ‘denken over kunst’ – zoals het boek van Antoon van den Braembussche heette, golden voor  Freark zelf als geen ander. In die zin hoort hij beslist niet bij dat selecte gezelschap van Friese kunstenaars die de mythe als een nostalgisch aureool met zich meetorsen en zelf niets over hun werk willen of kunnen zeggen, omdat je de mythe beslist niet moet verbreken. Omdat alles puur intuïtie is. Omdat kunst een kwestie van gevoel of van de onderbuik. De kunst van Freark komt niet voort uit de onderbuik. Waarmee allerminst is gezegd dat zijn schilderijen en tekeningen geen gevoel zouden hebben. 

Freark schildert en tekent, terwijl hij nadenkt en steeds dieper graaft naar hoe je moet schilderen, wat er gebeurt met het schilderen, in het schilderen, door het schilderen… met het mengen van de verf en het aanbrengen van de pure kleur die helemaal niet puur is, maar telkens weer een duizeldun vertakte mengeling van ongrijpbare tinten die zich op het doek aaneenvoegen tot een alchemistische synthese van verf en poëzie…. U begrijpt, ik begin weer te ouwehoeren…

En toch, misschien is dat wel het geheim van deze begenadigde schilder, die zelf – als de persoon Freark van der Wal –  het grootste geheim vertegenwoordigt. 

Wie is Freark van de Wal? What’s in a name? 

Nog altijd is hij het niet volledig ontdekte, grootste talent van Friesland. 

Het wordt hoog tijd dat in dit melklokaal dat best bewaarde geheim nu eindelijk eens wordt onthuld. 

(Deze woorden werden gisteren uitgesproken bij de opening van de tentoonstelling The Green and Bullets in het melklokaal in Heerenveen)

Reageer

The deconstruction of time

venlo0001.jpg

Op dinsdag 8 april 1988 werd besloten om de Fryske Kultuerried op te heffen. Het zou nog drie jaar duren voor het echt zo ver was, maar dit was een onheilsdag. Black Tuesday, zo noemden we die dag destijds. Ik krabde eens achter mijn oren en dacht: ‘Weg wezen hier!’ Het solliciteren werd nu zowat een dagtaak op zich. Overal in het land ben ik komen praten. Steevast eindigde ik op twee of drie. Vriendelijke brieven na afloop, waarin me vooral succes werd gewenst, maar daar schoot ik natuurlijk niets mee op. Zowat een jaar later, op 7 februari 1989, werd ik aangenomen bij de Stichting Kunst en Bedrijf in Amsterdam. Er waren 418 sollicitanten geweest voor de functie van adviseur bij de toepassing van een landelijke percentageregeling. Terug naar Leeuwarden om mijn baan op te zeggen. Een paar dagen later kreeg ik een telefoontje. Het ging niet door, want het ministerie van WVC ging de percentageregeling opheffen. Twee weken later overleed mijn moeder. Ze werd 83. Daarna werd het een grijze lente en ook de zomer ging zomaar voorbij. Op 9 november 1989 viel de Berlijnse muur. Dat gebeuren heb ik nauwelijks beleefd, hoewel ik me de negende november van dat jaar nog goed kan herinneren. Die datum staat nog altijd op een kleine ets die ik in 1991  kreeg  van Alfred Schmidt in Potsdam, een kunstenaar wiens huis zich dichtbij ‘Der Mauer’ bevond. Sinds de oprichting van de Muur in 1961 had hij elke dag een etsje gemaakt van de Muur, met een datum erop. Daar was hij mee doorgegaan totdat de Muur viel. Ik kreeg er een mee van hem, samen met een stukje prikkeldraad en beton van de Muur.

Alfred Schmidt, 9 november, ets, 1989

Op 9 november 1989 was ik zelf een dagje in Amsterdam. Zo kon het gebeuren dat ik pas de volgende dag het nieuws uit Berlijn hoorde. Voor mij was die negende november in alle opzichten een perfecte dag. Ik heb toen rondgedwaald door Amsterdam. ’s Middags bezocht ik nog even mijn schoonvader in het bejaardentehuis in de Roeterstraat, waar later Ramses Shaffy terecht zou komen. Ik kocht een boek bij De Slegte in de Kalverstraat. Het was een splinternieuw boek en het verbaasde mij dat het hier al bij De Slegte lag. De titel: The Donstruction of Time en het was geschreven door een zekere David Wood die als senior lector verbonden was aan de universiteit van Warwick. Het boek ging over de tijd bij Husserl, Heidegger en Derrida. Die avond ging ik naar Carré, waar Freek de Jonge optrad met zijn nieuwe onemanshow. De running gag van zijn optreden was een liedje dat steeds weer op het toneel gedraaid werd: Perfect Day van Lou Reed. Ook Freek wist niet dat die avond in Berlijn de Muur zou vallen. Op 10 december 1989 werd ik door het bestuur van de Jan van Eyck academie in Maastricht uitgenodigd om te solliciteren naar de vacante functie van directeur. Dat deed ik. Kat in ’t bakkie, dacht ik. Ik was immers gevraagd. Mooi niet dus. Om onverklaarbare redenen ging het weer mis. Er ging heel veel mis dat jaar. Maar ook wel eens wat goed. Hierboven sta ik op de foto in het museum van Venlo. Het is eind september. Freark van der Wal had de Bommel en Van Dam prijs gewonnen. Het schilderij – een geschilderd palet – is van hem. Luciano Harms staat achter mij. Hij had een uitwisseling georganiseerd met kunstenaars uit Noord Limburg. Marijke en ik sliepen in Hotel Zeezicht in Venlo. Samen met Luciano en Tjitte waren we daar beland. Nooit de zee gezien daar in Venlo, maar zo’n naam blijft hangen. Het werden een paar mooie dagen. Luciano was een bijzonder mens. Hij overleed zes jaar later, op 11 april 1995. Ik miste hem toen hij er niet meer was. Waar blijft de tijd, denk ik nu nog wel eens. Simple Minds zong in het najaar van 1989 over het kind van Belfast. Wanneer zou het ooit weer gaan zingen?

Reageer

Kwaak!

.

Zie ook: HIER

Reageer