De tijd van de tijdmachines

Slide1

‘Stationair in de Tijd zijn betekent daarom, met vrijwaring reizen door alle lichamen, bewegingen of krachten waarvan de ‘locus’ het punt in de ruimt zal zijn dat gekozen wordt door de Reiziger als vertrekpunt van zijn Machine van Absolute Rust, ofwel: de Tijdmachine. Of men kan denken dat men zelf door deze gebeurtenissen ‘doorlopen’ wordt, als een projectiel dat een leeg venster passeert zonder het te beschadigen, of als ijs dat weer dichtvriest na door een ijzeren draad doorsneden te zijn, of als een organisme dat geen litteken toont nadat het door een steriele naald geprikt is.’

Aldus Alfred Jarry in zijn handzame inleiding Commentaire pour servir à la construction pratique de la machine à explorer le temps (1899). De tijdmachine, die hij in gedachten had, is een vreemd soort gyroscoop die een absolute stasis teweegbrengt in het hier en nu, waardoor het reizen door de tijd mogelijk wordt. Vanuit dit stationair rondtollende ‘nunc stans‘ kan de tijdreiziger de tijd zien ontrollen als een verschuivend panorama, als hij de blik naar links of naar rechts wendt. Voor de tijd is dat vooruit of achteruit. De tijdreiziger ziet dan ‘landschappen van tijd’. Vanuit de tijdmachine bezien ligt het verleden achter de toekomst. De tijd keert zich om en wordt een ruimte die begaanbaar is naar beide kanten.

De tijd is volgens Jarry altijd en overal nu, want ruimte is bepaald door gelijktijdigheid. Elk gelijktijdig segment van de tijd kan daarom geëxploreerd worden door een machine die je doet reizen door de tijd. Ook tijd is immers niets anders dan een vreemd soort geometrie, zoals ook de ruimte door geometrie wordt bepaald. Die stelling gaat op voor elke ruimte, van welke ruimte je ook spreekt: de Euclidische of driedimensionale ruimte, de vierdimensionale of Minkowskiruimte, waarin tijd en ruimte geïntegreerd zijn, de Riemann-ruimte, die – als een bol – gesloten is, omdat de cirkel de geodetische lijn is op de bol van dezelfde omtrek, en tenslotte, de hyperbolische of Lobatchevski-ruimte, waarin het vlak gekromd is. Jarry stelt:

‘Wij bewegen in de richting van de Tijd met dezelfde snelheid als de Tijd, terwijl wijzelf deel van het Heden zijn. Als wij de onbeweeglijke, absolute Ruimte om ons heen zouden kunnen behouden terwijl Tijd wegvalt, anders gezegd, als wij onszelf konden insluiten in een machine die ons isoleert van de Tijd (behalve van de kleine en normale ‘snelheid van de duur’ dat bij ons blijft vanwege de wet van de traagheid), dan zouden alle toekomstige en voorbije ogenblikken achtereenvolgens geëxploreerd kunnen worden.’

De dadaïst Jarry was de uitvinder van de patafysica, een soort schaduw-wetenschap die grenst aan het absurde. Maar hoe absurd is deze tijdmachine waarvan hij de constructie heeft bedacht? Ik heb niet zoveel verstand van natuurkunde, dus ik kan het niet beoordelen. Maar ik heb zo’n donkerbruin vermoeden dat het in principe mogelijk moet zijn om een dergelijke machine te bouwen. De gedachte aan een tijdmachine kwam op in negentiende eeuw toen wetenschap en techniek snelle vorderingen maakten. Zo ontstonden de meest wonderlijke  toekomstbeelden in de hoofden van fantasievolle geesten zoals Jules Verne, maar ook doemscenario’s over de rampen die de techniek voor de mensheid in petto zou hebben.

De tijdmachine is eigenlijk de ultieme bekroning van vooruitgang en techniek: ‘de machine der machines’. De waardering van de machine in het algemeen en de tijdmachine in het bijzonder is sterk is sterk afhankelijk van economische omstandigheden. Toen de eerste gevolgen van de industriële revolutie hadden geleid tot tot een bevolkingsexplosie en allerlei sociale wantoestanden, kreeg het beeld van de machine duivelse trekken. Shelley’s Frankenstein verschijnt in 1816, en er zijn tal van voorbeelden in de vroege negentiende-eeuwse literatuur, waarin de machine wordt vergeleken met Milton’s Satan. Dit proces herhaalt zich tijdens de economische malaise in de jaren dertig van de vorige eeuw, en kwam tot uiting in films als Modern Times, de eerste verfilmingen van Frankenstein en in de literatuur o.a in werken van Huxley en Bordewijk.

explor6

Rond 1900 werd de techniek juist eerder als een uitdaging ervaren. Alfred Jarry stelde dat de mens sterker moet zijn dan de machine, zoals hij ook de baas is geworden over het dier in zijn Sûrmale (1902). Vaak werd de machine ironisch gedegradeerd of gebruikt in erotische metaforen, zoals bijvoorbeeld door Duchamp, Picabia en Man Ray. Jarry had zich voor zijn tijdmachine waarschijnlijk laten inspireren door het beroemde boek The Time Machine, een sciencefictionroman van de Britse schrijver Herbert George Wells uit 1895. Die klassieker is driemaal verfilmd, en diende als inspiratiebron voor vele latere werken over tijdmachines. Na de Eerste Wereldoorlog keerde het tij en traden de doemscenario’s weer op de voorgrond. De tijdmachine wordt dan een metafoor om aan het heden te ontsnappen. De tijdreiziger wordt een romanticus op weg naar verre kusten.

In zijn roman Het leven op aarde (1934) vertelt Slauerhoff het verhaal van een zekere Cameron die reis onderneemt naar China. Die verdwaalt daarbij  niet allen letterlijk in de tijd – zijn ziel verenigt zich met een de ziel van Portugees dichte die al eeuwen dood is – maar voert uiteindelijk ook een bijna magisch experiment uit met het moderne medium radio. Cameron krijgt van de Chinese autoriteiten de opdracht een radiotoestel  te bouwen, waar hij wonderwel in slaagt, ook al heeft hij nauwelijks materiaal voor handen, zelfs geen elektriciteit. Tijdens de demonstratie van het apparaat wordt het nieuws bekend, dat er dat er een gele vloed uit de waterbron spuit die in opdracht van Cameron was aangeboord. De radio lijkt betoverd te zijn en moet dan ook terstond vernietigd worden. Er klinken allerlei geluiden, de stemmen van dictators bijvoorbeeld en een Duitse symfonie. Het is alsof Slauerhoff wil laten zien dat de radio het medium bij uitstek is voor eigentijdse dictators. De opkomst van het fascisme ging gepaard met de doorbraak van radio. Zonder radio was Hitler geen Hitler geweest.

Wonderlijk genoeg doen de signalen, die bij deze experimentele radio-uitzending ontvangen werden, sterk denken aan de film Contact (1997). In deze film is een astronoom – gespeeld door Jodi Foster – op zoek naar signalen van buitenaardse oorsprong. Als kind al had ze een radiotoestel waarmee ze experimenten uitvoerde om met haar overleden vader in contact te komen. Dit experiment zet ze door nu ze de beschikking heeft over radioscopen die tot in de uithoeken van het heelal signalen kunnen opvangen. Bij het eerste contact dat ze krijgt komen oude filmopnamen in beeld van een toespraak van Adolf Hitler tijdens de Olympische Spelen in 1936. Uiteindelijk blijkt dat in deze opnamen versleutelde codes bevinden voor een bouwtekening voor een tijdmachine, een transportmiddel naar een plek in het heelal, die zich lichtjaren ver in het verleden bevindt. Toen ik de film laatst terugzag, verbaasde ik mij over het archetypisch karakter van dit gegeven. Elk nieuw medium roept de illusie op dat we ons op een bijna magische manier kunnen verplaatsen in de tijd.

Tegenwoordig doen we haast niets anders meer dan ons verplaatsen in de tijd. Dat is mogelijk geworden door de tijdmanipulaties die het internet te bieden heeft. De woorden ‘Uitzending gemist’ lijken zo een metafoor te worden voor de ingrijpende ervaring dat niets voortaan meer te missen valt. Alles is voortaan altijd en overal voor handen. Vroeger kon je nog wel eens zeggen dat je iets per ongeluk gemist had, maar dat kan niet meer. De technologie van de nieuwe media heeft elke vluchtweg afgesneden. Je kunt de telefoon niet meer uitzetten, want een e-mail komt altijd aan. Alleen lees je het bericht op een ander moment, zoals je ook een uitzending bekijkt op een tijdstip dat het je uitkomt. De media doen aan ‘tijdspreiding’ met het gevolg dat er geen tijd meer resteert waarin niets meer gebeurt. De 24-uurs economie heeft elk uur productief gemaakt. Alles gebeurt tegelijk, en nooit meer synchroon op één moment. De gelijktijdigheid van het ongelijktijdige splijt de wereld in een oneindig pluralisme. Er is niet langer één werkelijkheid, maar er zijn voortaan talloze werkelijkheden naast elkaar. De wereld versplintert en wordt één. Dat is de vreemde paradox die de nieuwe media teweeg brengen.

Beam me up. Scotty’ van Star Trek is de ultieme droom van de techniek die wellicht in de nabije toekomst gerealiseerd gaat worden. Er bestaat straks geen afstand meer. Je kunt dan tot in de verste uithoeken van het heelal gelijktijdig opduiken, door je eigen lichaam radiografisch te laten ‘verzenden’ in de ruimte. Aanwezigheid in het hier en nu is slechts een golfpatroon van elementaire deeltjes dat heel goed overgeplaatst kan worden naar elders. Het gevolg is dat er geen pauze meer zal bestaan. Met de ultieme verdwijning van de reistijd zal ook elk moment van rust uit de wereld verwijderd zijn. ‘De wereld gaat aan vlijt ten onder’, zoals Max Dendermonde al in de jaren vijftig voorspelde. Met andere woorden, de ‘gelijktijdigheid van het ongelijktijdige’ is niet een nieuw fenomeen, maar er is wel iets nieuws mee aan de hand. Het fenomeen grijpt steeds meer om zich heen. Uitzending gemist is een metafoor voor de nieuwe ervaring dat het ‘hier en nu’ zijn urgentie verliest. Je kunt alles zien wat geweest is. Vluchten kan niet meer. We leven in een tijd waarin het heden voor eeuwig blijft voortbestaan.

explor2

Er zijn vreemde verwantschappen tussen onze moderne tijdservaring en de waanzin. In zijn boek Madness and Modernity, Insanity in the Light of Art Literature and Thougt (1992) behandelt Louis A. Sass ook de tijdmachine van Alfred Jarry. Hij ziet in deze machine niet alleen een metafoor voor de waanzin van onze moderne tijd, maar trekt ook vergelijkingen met de verstoorde tijdervaring van schizofrenen die vaak ook gewag maken van een ‘rondtollende bewegingloosheid’ in de tijd, waardoor de tijd verstart en ruimtelijk wordt. De innerlijke ervaring versnelt dan exponentieel, terwijl de wereld rondom stilvalt en verstijft. Dat is de waanzin ten top die in het modernisme bewerkstelligd wordt. De verstoringen in de ervaring van ruimte en tijd, die in de kunst en de literatuur van het modernisme tot uiting komen, hebben volgens Sass opvallende gelijkenissen met het ziektebeeld schizofrenie. Kort gezegd: waanzin is de mentale tijdmachine van de moderne tijd, de tijd van de tijdmachines.

In zijn boek Pure waanzin (2004) spreekt ook Wouter Kusters over de statische, verstarde opvatting van tijd, die de filosoof John McTaggart in zijn boek The Unreality of Time (1908) stelde tegenover de dynamische opvatting van tijd. In de dynamische opvatting is er altijd sprake van verleden, heden en toekomst. De tijd wordt dan gezien vanuit een het moment en is daarom altijd relatief. De dood van Kennedy  vond plaats ná de dood van Paus Joannes XIII. Maar in 1960 leefden beiden nog en zouden beiden in de toekomst – na het nu – gaan sterven, waarbij het nog helemaal niet duidelijk was wie eerder of later zou sterven. Sterker nog, Paus Johannes XXIII was een stuk ouder dan Kennedy, dus lag het meer voor de hand dat hij later zou sterven. De meetlat van de dynamische tijd is dus betrekkelijk.

De meetlat van de statische tijd is niet betrekkelijk. Daar gelden alleen maar de termen ‘eerder’ en ‘later’, zonder afstand vanuit het nu. Maar daarnaast is er nog een derde meetlat, waarbij er helemaal geen sprake is van ‘eerder’ en ‘later’. Volgens die derde meetlat heeft de tijd geen richting en kan hij net zo goed vooruit of achteruit lopen. In feite vindt dan alles tegelijk plaats en is er alleen sprake van onderlinge afstanden tussen de gebeurtenissen. Die drie meetlatten, zo concludeerde McTaggart, hebben iets willekeurigs. Het zijn conventies die in je hoofd zitten. Net zoals de getallenreeks 12345678910… een conventie is. Je kunt ook anders kunnen tellen, bijvoorbeeld: 19283746501…. maar dat is niet gebruikelijk.

In feite is tijd iets wat tussen je oren geconstrueerd wordt volgens bepaalde conventies die zitten ingesleten in je brein of misschien wel eigen zijn aan het brein. In een psychotische toestand worden die conventies opzij geschoven en buitelt alles door elkaar heen. Het verschil tussen de drie meetlatten van McTaggart wordt in een psychose opgeheven, en het resultaat is een ratjetoe. De psychoticus zweeft door een nog onbekende ruimte, waarin de tijd zijn vertrouwde trekken verloren heeft. De psychoticus creëert zelf een chaotisch tijdcontinuüm, waarin alles door elkaar heen loopt: eerder, later, toen, nu, heden, verleden en toekomst. Getallen verbinden zich dan op een andere wijze met taal. Tijdstippen krijgen nieuwe betekenissen buiten de normale conventies.

Slide1

De gedachte dat de tijd een illusie is die door het brein zelf gecreëerd wordt heeft mij altijd gefascineerd. In mei 1975 – dat is inmiddels al weer bijna 40 jaar geleden – was ik het in slot Nymphenburg bij München. Ik was daar met een groep studenten bij een excursie in het kader van mijn studie kunstgeschiedenis. Op een of andere manier kreeg ik het gevoel dat ik hier al eens eerder was geweest. Ik had een déja vu zoals dat heet. Raar, want in werkelijkheid was ik hier nooit eerder geweest. Ik had het slot ooit wel eens gezien, maar niet in werkelijkheid. Later las ik, dat de film  L’Année dernière à Marienbad (1960)  – een klassieker uit de tijd van de nouvelle vague – hier in Nymphenburg is opgenomen. De cineast Alain Resnais heeft zich daarbij laten inspireren door de schilderijen van Paul Delvaux, waarop vergelijkbare, bijna slaapwandelende figuren voorkomen die bevroren lijken in de tijd. Somnambulisme heet dat. Je bent er en je bent er niet. Je dwaalt door de tijd, terwijl je bewustzijn slaapt. Zoiets.

Hoe dan ook, opeens had ik ook zo’n ervaring. Ik liep daar rond in die prachtige classicistische tuin met her en der van die verstilde namaakbeelden uit de klassieke oudheid en ik had het idee dat ik hier als eens eerder had rondgelopen. Toevallig had ik het jaar daarvoor mijn kandidaatsexamen gehaald met een scriptie over werk van Paul Delvaux. (zie: De fenomenologie van het schaamhaar)  ‘Verleden jaar in Mariënbad’ was dus voor mij ‘Verleden jaar in de schilderijen Paul Delvaux’. Mogelijk heeft dat onbewust een klik teweeg gebracht, zodat ik de film L’Anneé dernière à Marienbad in mijn herinnering niet herkende, terwijl ik die film toch echt gezien had tijdens een nachtvoorstelling in Cinétol, die rare bioscoop in de Tolstraat in Amsterdam, ergens eind jaren zestig. Toch meende ik dat ik hier in Nymphenburg al eens eerder was geweest. De tijd liep in cirkels rond, zo leek het. Ik was er en ik was er niet. Ik was hier al eerder geweest en toch ook weer niet. In beleefde de gelijktijdigheid van het ongelijktijdige, en tegelijk liep ik alleen maar rond in het hier en nu. Ik droomde met de ogen open.

Tijd, gedroomde tijd en de tijd van de herinnering lopen voortdurend door elkaar heen. Déja vu en jamais vu, voorschouw en flash back, ons brein is een organische tijdmachine die permanent op volle toeren draait als een tollende gyroscoop. De gedachte dat het recente verleden te ordenen is berust grotendeels op een illusie. Dat geldt evenzeer voor de geschiedenis als voor het persoonlijk leven. In zijn roman La nausée (1939) verwoordt Jean-Paul Sartre het als volgt:

‘Maandag, dinsdag, woensdag. April, mei juni, 1924, 1925, 1926. Dat is het leven. Maar wanneer men het leven vertelt, verandert alles; het is alleen een verandering die niemand merkt: het bewijs is, dat men over ware verhalen spreekt. Alsof er ware verhalen konden bestaan; de gebeurtenissen voltrekken zich in een volgorde en wij vertellen ze in omgekeerde volgorde.’

‘Vóór Kant waren we in de tijd, sinds Kant is de tijd in ons’, schreef Schopenhauer. De tijd is iets wat we zelf creëren in steeds nieuwe ervaringen. De ervaring van een gevangen zijn in een gespleten heden, dat telkens weer wegglijdt in het verleden, staat haaks op die andere gewaarwording, het voortdurend verwikkeld zijn in een innerlijke monoloog van het gelijktijdige van het ongelijktijdige, het verleden in het heden. Maar in die aanhoudende monoloog kan zich ook een ervaring aandienen die boven de tijd uitgaat en als het ware bovenhistorisch wordt. Zo verlang ik wel eens naar zo’n bovenhistorisch moment. Een positie in tijd en ruimte, waarin alles, maar dan ook alles, zichtbaar wordt. Mijn hele leven in één terugblik, zoiets wat je – naar men zegt – overkomt op het moment dat je sterft, alsof je naar beneden valt vanaf een wolkenkrabber en alle jaren ziet voorbijschieten als etages, schillen in de tijd, concentrische lijnen op de bol van de eeuwige gelijktijdigheid.

Als er een tijdmachine bestaat, dan zou ik een retourtje willen nemen naar het jaar 1966. Ik zou dat hele jaar nog eens opnieuw willen beleven met een tweede blik, alsof er een chip in mijn brein geïmplanteerd was die alles – minuut voor minuut – zou kunnen vastleggen. Vervolgens zou ik terugkeren in het heden en de film van dat hele jaar afdraaien op mijn pc. Ik zou alle geluiden horen, maar ook al mijn gevoelens voelen. Misschien zou ik daarna iets kunnen begrijpen van wat er allemaal is veranderd, niet alleen in mij zelf, maar ook in de wereld om me heen. Of zoals Slauerhoff schreef in zijn laatste zin van Het verboden rijk: ‘Een der nimmer bewusten van de miljoenen te zijn  – welk een geluk: of  als dat onbereikbaar is, een die alles weet, alles achter zich heeft en toch voortleeft.

9 Reacties

De drukfout in mijn DNA

Portret van mijn vader, geschilderd door mijn zus Cornelie

Elke tekst heeft een incubatietijd gehad in het brein van een schrijver en is een tijdlang onzichtbaar aanwezig geweest in een onwerkelijk
 schemergebied. Een architect kent achteraf het gelukkige gevoel zijn eigen ideeën in steen verwerkelijkt te zien, zoals een schrijver spreekt 
van ‘la joie de se voir imprimé’. Maar in alles wat gedrukt wordt kan heel wat misgaan.  If anything can go wrong, it will. Dat geldt alle voor dingen tussen hemel en aarde, maar vooral voor het fenomeen van de drukfout.

Mijn vader had de wet van Murphey als lijfspreuk. Hij was een Pietje Precies en dacht altijd dat als er ooit ergens iets mis kon gaan, dat ook inderdaad mis zou gaan. Dat ging het dus ook, want hij kreeg een zoon die de grootste sloddervos zou worden die het geslacht der Mousen heeft voortgebracht. Kennelijk zat er één chromosoom verkeerd in het zaad van mijn vader. Er zat een drukfout in mijn DNA. Dat ene foute chromosoom werd het noodlot van de wet van Murphey. Ik werd, ik was en het is gedaan… Ik ben letterlijk de belichaming van die fatale wet, waarin mijn verwekker heilig geloofde. Ik ben de zoon waarin alles mis ging, omdat er iets, iets, iets… ooit… waar dan ook ….. mis kon gaan en dus ook….  Ach, alles is voorbeschikt. alsof alles al ergens gedrukt staat voor het gedrukt is. Er is niet nieuws onder de zon. Niets. Ook niet boven de zon.

En toch, soms overkomt me iets vreemds. Dan kan ik ‘s nachts opeens wakker worden en mijn blog van de volgende dag al in zijn geheel voor mijn geestesoog zien verschijnen. Dat is natuurlijk een wonderlijk fenomeen. Het suggereert dat een tekst – op een bijna occulte wijze – al in de geest of in de ziel van een schrijver aanwezig is, alvorens hij in de creatie of de fantasie ontstaat. De woorden hoeven alleen maar bevrijd te worden, zoals Michelangelo zijn beelden niet als nieuw creëerde, maar verloste uit het marmer, waarin zij tevoren al aanwezig waren. Dit is het neoplatonisme van de Renaissance. Alles is er al. Elk verhaal, elke tekst… dat wil zeggen: elke tekst met drukfouten en al… 

Ik heb ooit eens een verhaal geschreven dat als titel droeg Over de grondslagen van een drukfout. Het ging over de wet van Murphey: ‘Als er ergens iets mis kan gaan, dan gaat het ook mis’. Dat is een wet die oorspronkelijk in de praktijk van het boekdrukken is ontdekt. Elke drukker weet dat de zetduivel opduikt op de meest onverwachte momenten. Als je alles drie keer gecontroleerd denkt te hebben, zit er toch nog een drukfout of typefout. Gisteren had ik het met iemand over ‘hakfouten’. De grafsteen van mijn grootmoeder bevat een hakfout. Dat is geen goedkope zaak om die te herstellen. De steen is van Portugees Rosselino marmer, maar dat terzijde. Er is iets raars aan de hand met druk- en typefouten. Er zijn fouten waar de schrijver zelf een blinde vlek voor heeft. Je kijkt er soms wel drie of vier keer overheen. Laatst zag ik een boek waarop een woord op de voorzijde anders was gespeld dan op de rug. Nu was het niet een alledaags woord, Cybiont of Cybyont. Het scheelt maar één letter, maar toch, het staat niet netjes.

Tot voor een paar jaar terug had je aan weerszijde van de Oosterstaat in Leeuwarden een beddenzaak. Aan de ene kant hing een lichtreclame aan de muur met het woord WOONCOMFORT. Aan de andere kant een vergelijkbare lichtreclame. Maar nu anders gespeld als WOONKOMFORT. Gelukkig bestaat de beddenzaak inmiddels niet meer. Het rare is dat je eigen verblinding voor een type- of drukfout voor anderen niet opgaat. Het gebeurt me geregeld dat ik in een stuk getypte tekst meteen de drukfout zie die anderen was ontgaan. Het is alsof je oog dan de tekst niet leest maar ‘scant’, en je zo in één opslag de onregelmatigheid in het patroon signaleert.

Er zijn mensen die deze eigenschap in sterke mate bezitten. Ze hebben een bijzonder talent om een druk- of typefout in één oogopslag te herkennen. Ik heb ooit een directeur gehad die uiterst begaafd was in deze tak van sport, het zogeheten typefout-scannen. Je hoefde hem maar een brief of tekst voor te leggen en zijn vinger ging onmiddellijk met een razende snelheid naar de plek waar de typefout zich bevond. Soms verdacht ik hem ervan dat hij de vinger al bewoog nog voordat hij de tekst überhaupt gezien had. 

Hoe dan ook, mijn verhaal  Over de grondslagen van een drukfout ging over een drukfout in de dissertatie van L.E.J. Brouwer, Nederlands meest beroemde wiskundige. De eerste druk van deze dissertatie, die in 1907 verscheen en als titel draagt Over de grondslagen der wiskunde, bevindt zich in de Provinciale Bibliotheek van Tresoar. De drukfout in dit boek was ik op een eigenaardige wijze op het spoor gekomen, maar dat terzijde. In mijn verhaal citeerde ik uit een artikel van Hans Freudenthal dat verscheen in De Groene Amsterdammer van 17 december 1966. Freudenthal was een leerling van Brouwer en zijn artikel in De Groene was geschreven als een in memoriam na het overlijden van Brouwer bij een auto-ongeluk kort tevoren in Baarn. Ik kende die hele Freudenthal niet. Zijn in memoriam had ik gevonden door het lezen van een artikel van Gerrit Krol dat gewijd was aan Brouwer.

Wat wil het toeval, want nu kom ik to the point. Even later zag ik bij boekhandel De Tille, waar Michael Zeeman destijds nog de schappen vulde, een boek staan dat zojuist was verschenen. Het was een autobiografie van Hans Freudenthal en had als titel Schrijf dat op Hans, knipsels uit een leven (1987). Ik sloeg het boek open en u zult het geloven of niet, maar mijn oog viel op een passage die geheel was gewijd aan het blindelings herkennen van drukfouten. Het kostte me gisteren enige moeite om die passage nog terug te vinden, maar ik heb hem gevonden. Hij luidt als volgt:

‘Van negen tot vijf in de bibliotheek zitten, dacht Sjaak, jongen, jongen, zou je dat vroeger hebben gedaan? Er waren er nog meer die geregeld daar kwamen werken, maar geen zat daar zo lang als hij – vertelde Sander – bijvoorbeeld een erratoloog (zo noemde Sander hem voor de grap), dat wil zeggen iemand die drukfouten en dergelijke verzamelde al bouwstenen voor een diepgaande en wijdvertakte psychologie van zetters en stenotypisten. Hij hoeft een boek maar even open te doen en hij ontdekt meteen de drukfout – Nederlandse of Spaanse – of wat dan ook; het deed er niet toe – en verklaarde de drukfout volgens een schema dat tot nu toe nooit gefaald heeft. Sinds een maand of drie had de erratoloog het Huis der Beelden als werkterrein gekozen en daar werkte hij alle boeken in tijdschriften door die hij niet reeds elders onder handen had gehad. Op de afdeling redactie zijn ze verguld met hem, want hij neemt hun hele correctiewerk waar. Kort geleden heeft hij toen hij een stuk in handen kreeg dat net naar de zetter moest, de drukfouten voorspeld (onder voorwaarde dat één bepaalde zetter het stuk moest zetten, en die zetter kreeg dan ook de opdracht). Zijn voorspellingen zijn vrij aardig uitgekomen.’

U kunt zich voorstellen, beste lezer, dat ik na deze bizarre ontdekking destijds in boekhandel De Tille, waarbij het toeval drie keer om zijn eigen as tolde, even stil voor mij uit heb zitten staren. Nu ik de betreffende passage herlees, merk ik dat ik in de aanloop van mijn verhaal iets verteld heb dat in verkapte vorm ook in de passage zelf te vinden is. De errataloog als ‘voorspeller’ van drukfouten komt overeen met mijn herinnering aan mijn voormalige directeur die de drukfout ok leek te ‘voor-spellen’. Mogelijk is dit een specifiek geval van ‘cryptomnesia’, het fenomeen dat je zelf iets denkt te verzinnen wat je in feite eerder elders gelezen hebt. Cryptomnesia staat aan de basis van veel gevallen van vermeend plagiaat. Diefstal is vaak geen diefstal, maar een manco van het geheugen.

Mijn verhaal Over de grondslagen van een drukfout verscheen in november 1986 in het tijdschrift BOUD, architectuur en vormgeving in  Friesland. Het boek van Freudenthal verscheen in 1987. Dit gebeuren moet dus een andere verklaring hebben. Misschien bestond het als een vorm die alleen nog gematerialiseerd moest worden in de werkelijkheid. Misschien is hier sprake van een soort ‘platonische morfogenese’. Dat wil zeggen: het ontstaan van een vorm of een structuur gedurende een ontwikkeling of een proces, terwijl die vorm of structuur allang als een Idee aanwezig was in de duistere kelders van het Zijn. ( Bent u er nog?) 

De mens is een wonderlijk wezen. In zijn chromosomen ligt een gigantische reeks van informatie opgeslagen, waarin de ontwikkelingsgang van onze soort voor de komende generaties en geslachten ligt vastgelegd. Wij zijn slechts een raadselachtig en op zichzelf overbodig doorgeefluik van genetische gegevens. Onze ‘zelfzuchtige genen’ gebruiken ons vlees en bloed als een tijdelijke omballing voor een eindeloos spel dat louter en alleen is gericht op het voortbestaan van de soort en de overleving van de sterkste. Een mens is dus niet meer en niet minder dan een minieme schakel in dienst van de evolutie, dat wil zeggen: het grote gebeuren, waar wij allen deel van uit maken en waar we in wezen geen weet van hebben, noch waar het vandaan komt, noch waar het naar op weg is.

En nu kom ik waar ik waarlijk wezen wil met een laatste, onvermoede gedachtensprong. Misschien is de voortgang van de evolutie wel te danken aan onvoor-spel-bare, dat wat niet te spellen is, dat wil zeggen: de telkens weer opduikende drukfouten in het DNA. Elke vooruitgang berust wellicht op een fout. Een drukfout, een spelfout, of een tikfout…. Zo bezien is zelfs God een sloddervos. Als hij een Pietje Precies was geweest, was het nooit wat geworden met die schepping van Hem.

Als dat waar is, ben ik weliswaar een drukfout in het DNA van mijn vader, maar wel een waar Gods zegen op rust. God zegene de slordigheid, de laksheid, de morsigheid, de onzorgvuldigheid, de fout in al zijn onooglijke en onmogelijke gedaanten…. en met name de drukfout. De wereld draait op de drukfout. Hallelujah! Prijs de Heer! Ook al is er helemaal geen Heer en Meester tussen hemel en aarde. Ook al is er niets wat daar op lijkt.

1 Reactie

Stemmen uit het naderend najaar

De klok van mijn vader bovenop de boekenkast, gisteren 12.30 uur

Ik kijk op de klok en zie dat het halfeen is. Dat wil zeggen: het is niet twaalf uur en ook niet één uur, maar iets precies daartussenin. Een tussentijd zogezegd. Niet het een en niet het ander, maar daarmee evenwaardig als zowel het een als het ander. Met een stelling die zichzelf in de staart bijt zou je kunnen beweren dat er twee categorieën van mensen bestaan: mensen die de dingen altijd in twee categorieën verdelen en mensen die dat niet doen. Mensen die dat niet doen zullen het wellicht niet eens zijn met deze stelling. Maar als ze iemand tegenkomen die dat wèl doet – en die kans is niet gering – dan zullen ze hun eigen standpunt moeten herzien.

Anderzijds kun je ook beweren dat de bonte verscheidenheid van de wereld altijd op twee manieren te ordenen is. We kunnen de verschijnselen onder één noemer brengen, maar we kunnen ze ook contrasteren. Door ze onder één noemer te brengen ontstaan categorieën als ‘huis’,’ boom’, ‘beest’ en andere verzamelwoorden. Maar we zetten de verschijnselen ook tegenover elkaar af, zoals: warm-koud, traag-snel, mooi-lelijk, hard-zacht, werkelijk-onwerkelijk. Die tegenstellingen zijn doorgaans niet absoluut, want ze gaan als dag en nacht meestal vloeiend en geleidelijk in elkaar over. Sommige mensen zetten de dingen liever in een scherp contrast tegenover elkaar. Anderen daarentegen vatten de dingen liever samen onder één noemer.

Ikzelf behoor tot de laatste categorie. Ik heb de neiging om de dingen als een eenheid te zien. Ik zie meestal ook allerlei verbanden, ook als ze er helemaal niet zijn. In een onsamenhangende droom bijvoorbeeld herken ik doorgaans al vrij snel de onderliggende symboliek, waardoor alles met alles samenhangt in een irrationele logica, waarbij de uitersten elkaar niet hoeven uit te sluiten. Integendeel, de uitersten horen bij elkaar als dag en nacht, als zin en onzin, als waarheid en fictie, als de vulgairste kitsch en de hoogste vormen van oorspronkelijkheid.

Maar vandaag lukt me dat niet, want ik had vannacht wel een heel chaotische droom. Er is letterlijk geen touw aan vast te knopen, wat bij dromen toch al niet makkelijk is. Het begon met een tentoonstelling van opgezette paarden. Dat is niet zo raar. Gisteren hoorde ik iemand zeggen, dat in Engeland een man is overleden nadat hij anaal gepenetreerd was door een paard. Het zou in de krant hebben gestaan. Je leest de gekste dingen in de krant tegenwoordig. Onzinnige berichten waar niemand op zit te wachten, maar die wel in je kop blijven hangen. Zulke dingen nestelen zich in het onbewuste en gaan vervolgens een eigen leven leiden in je dromen.

De tentoonstelling van opgezette paarden was te zien in de Beurs van Berlage. Ik wilde er naar toe, ging op weg, maar ik heb die tentoonstelling nooit kunnen vinden. Juist toen ik besloot om terug te keren naar huis, bevond ik me opeens op het spreekuur bij mijn huisarts. Ik werd van boven tot onder onderzocht, maar ik mankeerde niets. “Waarom krijg ik de laatste tijd toch van die rare dromen?” vroeg ik. Niet dat het antwoord me echt interesseerde, maar nu ik haar toch zag, wilde ik het wel eens weten. De dokter keek me doordringend aan, zweeg een tijdje en schreef vervolgens een recept uit. “Drie maal daags innemen en over twee weken terugkomen,” hoorde ik haar zeggen.

Ik liep de spreekkamer uit en belandde opnieuw in de wachtkamer, waar ik nog net uit mijn ooghoek zag hoe iemand een plastic zak behoedzaam uit zijn aktetas haalde. Er zaten een paar boeken in die onder meer Die Welt als Wille und Vorstellung van Arthur Schopenhauer. Dat boek, zo las ik gisteren, had ook Hitler in zijn rugzak zitten, toen hij in 1914 in de loopgaven vocht bij de slag om de Marne. De wachtkamer zat overigens vol met Friese schrijvers en dode dichters. Het leek wel een geriatrische kliniek waar de griepprik werd uitgedeeld. Ik ging weer zitten en wachtte op de dingen die komen gingen.

“Niet veel goeds,” zo zei een dode dichter naast mij. “Wie leeft moet strijden en wie niet strijdt verdient dit leven niet, maar mensen die liefhebben sterven nooit.” Zo, dacht ik, nu hoor je het eens van een ander. Maar mijn aandacht werd weldra volledig in beslag genomen door wat zich op het podium voltrok. Thierry Baudet, die tegenwoordig overal verstand van heeft, hield een lezing over de dreiging van nucleair terroristisch geweld in de wereld van vandaag. Thierry nam het luchtig op, maar deed ook een beetje geheimzinnig. Soms was het, of hij zijn gehoor voor het eerst zag. Dan weer trok hij zijn mond gek scheef tot een rimpelig tuitje, als probeerde hij iets voor te zeggen wat wij moesten herhalen.

“Deze man is onvervangbaar,” hoorde ik de dode dichter zeggen. Onvervangbaar? Ik liep naar buiten en opeens was het nu echt fris geworden. Mensen hadden weer een jas aan op straat en zelfs een kat kon op het schuine dak, dat naar de tuin leidde, zijn evenwicht amper bewaren. Ik zag het in een flits gebeuren. Open voor indrukken, dat was ik altijd al geweest. Maar hoe nu verder? Ik zag uit naar nieuwe vriendschappen… probeerde, wild en verward mijn leven anders in te richten. Maar bij tijden verveelde alles mij. Ik deed eigenlijk niets meer. Niets zinnigs in ieder geval. Ik droomde alleen maar en schreef die dromen op, dag in dag uit. “Vroeg opstaan maakt sterk,”‘ zei de dode dichter. Ik geloofde hem maar al te graag. En dat deed ik dus ook, vroeg opstaan.

Voor het eerst zou ik gaan luisteren naar een concert van de componist Pierre Boulez, maar ik hoorde op de radio dat hij al een paar jaar geleden overleden was. Boulez experimenteerde met het toeval in de muziek, maar dat nam niet weg – zo zei de dode dichter – dat hij zijn leven lang aan diepe depressies leed, al wist hij dat voor vrijwel iedereen verborgen te houden. In de periodes dat hij niet depressief was legde hij een manische productiviteit aan de dag en componeerde de ene geniale compositie na de andere. Tenminste, voor wie van experimentele muziek houdt. Voor mij klonken al die chaotische melodieën doorgaans als ‘meer van hetzelfde’. Overdaad schaadt, dat geldt ook voor het toeval, zeg nou zelf. Alle muziek is heimwee. Geef mij maar de stilte. De stem van de stilte, dat is de ware muziek, wat heet: de late zomermuziek!

Veel componisten hadden met een bipolaire stoornis te kampen. Neem nou Mahler. Freud kon hem genezen, maar Mahler wilde niet, wetend dat hij dan zijn muze kwijt zou raken. De dode dichter zweeg en dacht na, zo het leek. Overigens wisselde ook Vestdijk diepe depressies af met uiterst productieve, manische periodes, waarin hij vaak ook nieuwe amoureuze avonturen aanging, wat dan weer leidde tot aanvallen van diepe jaloezie bij zijn echtgenote. Van zijn echtgenote of huisgenote – Ans Koster – is bekend dat zij haar loopse man bedreigde met spiritistische experimenten en telepathische wraakacties. Voodoo in Doorn, maar het mocht niet baten. De wegen van de melancholie zijn duister en ondoorgrondelijk.

Plato zei het al: ‘Wee degene die aan de poort van de muze klopt om binnengelaten te worden, zonder dat hij door de waanzin is bezeten.’ Zelf heb ik in het verleden vaak met een depressie te kampen gehad. Om die te overwinnen was heel wat wilskracht nodig geweest, en ik bezegelde deze zelfoverwinning meestal door na afloop wekenlang ’s morgens om halfzeven fluitend door het huis te lopen. De heerlijke ochtendstemming maakte fris, maar tegen tien uur kreeg ik dan al weer slaap. Toch werd het weer stilaan zachter, ondanks de harde wind die maar bleef fluiten om het huis. Soms meende ik in dat soort periodes zelfs stemmen te horen. Waren dat dode zielen die niet tot rust konden komen in deze onverwachte koudegolf, waar niemand op zat te wachten?

Zelfs de katten werden wel eens depressief en wilden niet meer naar buiten. Niettemin verdween de koudegolf in mijn gevoelswereld altijd weer, zelfs als de gevoelstemperatuur die ver onder het gemiddelde lag van wat  gebruikelijk was in deze tijd van het jaar. Een onverklaarbaar geluksgevoel besloop me, als ik eindelijk weer eens een  middag in de tuin op de ligstoel kon liggen, zo lang zelfs dat ik van onderen tot boven helemaal koud werd. Kom, ik sta op, dacht ik dan, want het wordt fris, en ik ging met mijn glas op mijn bord naar binnen en deed de tuindeur achter me dicht. De nevelen van mijn droom trokken op in een sombere vertelling over het naderende najaar. ‘Traag zijn de namiddag uren, en de zon kookt laag en rood.’ Dat schreef Leo Vroman, half aangeschoten door de najaarsmelancholie, in zijn gedicht Indian Summer.

Het recept van de dokter bracht ik nog even naar de apotheek, waar ik te horen kreeg dat ik niet moest wanhopen. Dit was pas het begin. De echte kou in mijn hart moest nog komen. Ik kreeg een handvol kattendrop mee, en schonk die in een onbeschrijfelijke opwelling van vrijgevigheid aan de misdaadverslaggever van de Leeuwarder Courant, met wie ik nog nooit een woord gewisseld had, en in  wiens mallotige blotebillengezicht ook niet de minste dankbaarheid of verrassing te bespeuren viel. Veel oude boeken en bouwvallig speelgoed werden deze zomer door mij weggedaan aan het Leger des Heils. Mijn huis raakt leeg. De ziel is er uit. Ik leef tussen twee werelden. Tussen twee seizoenen…

Van een nieuw avontuur droomde ik van een verre vriend die me ergens mee naartoe zou nemen. En tegelijk waakte ik nauwgezet over de gecastreerde kater die mij ooit door mijn dochter in bewaring is gegeven maar die daarna nooit meer uit huis is gegaan. Ik maakte met hem – die verre vriend dus – lange wandelingen op de zeedijk, waar ik luisterde naar de stemmen om mij heen. Het waren de stemmen van de dode dichters. Niet zelden moest ik de verleiding weerstaan om op de vloedlijn te gaan lopen, precies op de grens tussen land en water, met links de golven en rechts de keien van basalt.

Het werd al een beetje najaar, jazeker, maar het zou zeker ooit ook weer voorjaar worden. Dat zeiden die stemmen van dode dichters. Ik hoorde ze fluisteren, luider en luider. Ik keek op de klok en zag dat het nog steeds halfeen was. Niet twaalf uur dus, en ook niet één uur, maar iets precies daartussenin. Altijd precies daartussenin. Zo gaat dat met het hier en nu. Nooit dit. Nooit dat. Alsof de herfst altijd en eeuwig in aantocht is.

Reageer

What’s in a name?

Beminde kunstbroeders en zusters. Namens degene die mijn naam draagt, de enige ware en waarachtige Hubertus Johannes Mous, heet ik u van harte welkom in het schimmenrijk waar niets meer echt is en alles slechts schijn. Aan mij – als voorganger vandaag – is de schone taak toebedeeld het voorwoord uit te spreken dat voor deze gelegenheid werd geschreven door de drager van mijn naam. Ik ben slechts zijn schaduw, zijn alter ego, zijn look-alike. Ik ben alleen maar zijn naam. Hij is mijn herder, ik slechts zijn herdershond. Mijn naamdrager had hier graag willen zijn, maar hij is er niet meer. U zult het voortaan met zijn naam moeten doen. Met mij dus. Huub.

Ik weet niet of u het al weet. Ook Huub is tegenwoordig ‘Huub’ niet meer. Ik zal beginnen met het verhaal van mijn naam. Dat wil zeggen, het verhaal dat een ander dan ik ooit heeft bedacht. Het is niet mijn eigen verhaal. Nee, dit verhaal komt uit de koker van de drager van mijn naam. Let wel, deze tekst wordt niet gemarkeerd door lees- of aanhalingstekens of door markerende woorden door mij uitgesproken zoals ‘begin of einde citaat.’ Het is aan u om uit te maken waar het verhaal van mijn naam begint en dat van mijn naamdrager ophoudt. Anders gezegd: waar het Huub weer ‘Huub’ wordt en omgekeerd. Waar ligt de grens tussen het teken en het betekende, tussen de naam en de drager van de naam?

Waar ik u vandaag over wil spreken is het wonderijke fenomeen van de naam. What’s in a name? Niets en toch ook weer heel veel. Neem mijn naam bijvoorbeeld: Hubertus Johannes. Een ziel krijgt bij de geboorte een woonplaats en een naam. Ik heb Hubertus altijd meer een naam voor een schuttersvereniging in Zuid-Limburg gevonden. Wie heet er nou Huub? Ja, Huub Oosterhuis, de Paus van Amsterdam, maar zo wil je toch niet heten. Niks mis met die man, behalve de naam natuurlijk. Paus Huub, dat kan niet. Dat klinkt ketters in de oren. Je hoort de naam Huub ook steeds minder. Hij bekt niet lekker. Mensen houden niet van een dubbele u in een naam. Guus, Luuk, Ruud, allemaal namen die steeds meer in onbruik raken.

Het schijnt dat mijn vader heeft gewild dat ik Huub zou heten, omdat hij nogal op Limburg was gesteld. Huub is immers een echte Limburgse naam. In Limburg wilde mijn vader altijd nog eens terechtgekomen op zijn ouwe dag, maar ik vrees dat door mijn geboorte die wensdroom definitief achter de horizon verdween. Hubertus was ooit de laatste bisschop van Maastricht. Hij leefde in de vroege Middeleeuwen en werd beroemd door zijn bekering tijdens de jacht, toen hij tussen het gewei van een hert een kruis had zien oplichten. ‘Twee reebruine ogen die keken de jager an…’ En daarna was Hubertus verkocht. Hij was ook de uitvinder van de Jägermeister, zo heb ik me wel eens laten vertellen, en dronk het alleen als het ijs- en ijskoud was. Maar dat is een ander verhaal.

‘Twee reebruine ogen die keken de jager an.’ Let op: an. Niet: aan, want dan rijmt de vervolgzin niet meer: ‘Twee reebruine ogen die hij niet vergeten kan.’ Anders krijg je: ‘niet vergeten kaan.’ Hoe vaak heb ik die plaat niet gehoord als kind? Het liedje werd gezongen door de Selvera’s, twee zusters uit Limburg. Hun grootse hit was ‘De Postkoets’. Ook die plaat werd bij ons thuis grijsgedraaid. ‘Ver over berg en dal klonk er het hoorngeschal. Steeds als een blij signaal voor allemaal.’ Je had trouwens meer van die zingende zusjes, de Limbra Zusjes bijvoorbeeld. Die zongen ook veel over jagen. ‘Het oude Jagershuis’ en ‘Jagers in het bos’. Limburg, jagen en Hubertus zijn sinds mensenheugenis nauw met elkaar verweven en dat bracht in de jaren vijftig tal van fraaie liederen voort.

Zelf heb ik overigens niets met die Heilige Hubertus. Ik hou niet van de jacht en van Jägermeister al helemaal niet. Wel heb ik als kind  de datum van mijn verjaardag een tijdlang verplaatst naar mijn naamdag. Ik ben op 1 december jarig en ik was de mening toegedaan dat deze feestdag zo vlak voor Sinterklaas per saldo minder cadeautjes opleverde. De naamdag van Hubertus valt op 3 november, dus dat bleek een geschikt alternatief. Met de datum van je verjaardag moet je natuurlijk niet gaan rommelen. Met je naam trouwens ook niet. Ik werd dan ook door het lot gestraft, want mijn enige zoon werd prompt op 5 december geboren. Verjaardagen zijn heilig en daar moet je zuinig op zijn. Namen ook. Een naam mag je dus niet veranderen. Hij is het anker van je ziel en gaat een leven lang mee. Een naam mag je ook nooit verhaspelen. Hij moet altijd en overal correct worden gespeld. Een verkeerd gespelde naam voelt als een inbreuk op je identiteit. Het getuigt niet van respect en het kan zelfs als een belediging worden opgevat.

Hitler schreef Schopenhauer als Schoppenhauer, zo las ik onlangs in de ochtendkrant. Gelukkig wist hij Nietzsche wel juist te spellen. Hoe vaak lees je immers niet Nietsche, Nietszche of Nietzche? Die Duitstalige filosofen hebben ook lastige namen. Bij Wittgenstein moet ik altijd oppassen dat ik de medeklinkers goed doseer. Witgenstein zie je even vaak als Witgensteinn of Wittgensteinn. Allemaal fout dus. Mijn eigen achternaam wil ook nog wel eens misverstanden opleveren: Mouse, Maus, Mousse of nog erger: Moes. Maar de mooiste verbastering van een naam komt op naam van Barack Obama. Die schijnt af te stammen van de het Friese geslacht Obbema. Nooit van gehoord die naam. Wel Hobbema natuurlijk. De schilder met een eigen kade in Amsterdam waar ik ooit mijn schooltijd heb door mogen brengen. Hobbema… Obama, waar blijft de tijd!

Ook bij het uitspreken van een naam is altijd voorzichtigheid geboden. Het dient uiterst zorgvuldig te gebeuren, zo niet dan moet het ergste worden gevreesd. Zo heeft Edward Kennedy ooit in een toespraak Barack Obama per ongeluk Osama Bin Laden genoemd. Het was ook meteen de laatste toespraak die hij gehouden heeft. Nomen est omen. Het lot van ons leven ligt in onze naam besloten. Wat mij betreft is die  naam van mij het enige wat nu nog over is. Bloggen is het achterlaten van je naam. Namedropping, meer is het niet. Je naam is slechts een omhulsel van een paar lettertekens. Het is een kleed dat je af moet leggen om waarlijk als mens geboren te worden. Ook sterven is niets anders dan het verliezen van je naam. Would you know my name, if I saw you in heaven?  Nee dus. De eeuwigheid kent geen namen. Het hiernamaals is er wel, maar het is naamloos.

De drager van mijn naam zal, zoals gezegd, voortaan verstek laten gaan. Ik ga door onder mijn eigen naam, maar ikzelf ben er niet meer. En toch, ik blijf de illusie koesteren dat de drager van naam wel degelijk blijft voortbestaan. Dat hij eens terugkomen zal, zomaar op een dag, een dag als deze, een dag waarop hij ogenschijnlijk afwezig is, maar uiteindelijk neerdaalt in de geest van mijn beminde kunstbroeders en kunstzusters. Dan zal de drager van mijn naam weer onder ons aanwezig zijn in het hier en nu. Voelbaar, tastbaar, aanraakbaar. Laten wij hem tot dat moment van wederkomst gezamenlijk gedenken.

Alles komt goed met de drager van mijn naam. Ook met de drager van uw naam. Hoop doet leven. Wie goed doet goed ontmoet. Laten wij dat indachtig tot slot overgaan tot het zingen van ‘Het Gezang van de Naam’ dat in naam van ons allen geschreven is. Alles verdwijnt. Zelfs onze namen… Je wordt naakt geboren en je gaat naakt de kist in. So what? Voorwaar, voorwaar, ik zeg het u nogmaals: what’s in a name? Niks, noppes, nada… In naam van Hitler en Hannibal… In naam van Boeddha en Boudewijn de Groot… In naam van de Vader en de Zoon en alle namen die ik bedenken kan… U zijt gezegend… Dat u het weet! Maar uw naam? Die zal ik zijn vergeten als ik u ooit nog eens tegenkom in hier-naam-maals.

Reageer

Springlevend

Boekenkast met ingelijste foto van Dolph Kessler uit de serie ‘Art Fairs’, 2009.

Reageer