Trump koopt loten voor Willem Barentsz

Persbericht

Harlingen, 10 november 2018

Donald Trump koopt 100 loten voor Willem Barentsz

Gisteren werd bekend dat Donald Trump 100 loten heeft gekocht in de loterij voor de Willem Barentsz. De reconstructie van het expeditieschip Willem Barentsz, dat onlangs te water is gelaten, wordt in Harlingen door vrijwilligers gerealiseerd. Om de afbouw en de exploitatie te kunnen bekostigen wordt een loterij georganiseerd. Voor  €96 per lot maakt men kans op een woonhuis aan het Noordijs in Harlingen. Maximaal worden er 9999 loten verkocht, bij 8000 verkochte loten gaat de loterij definitief door en zal de trekking op donderdag 15 november a.s. plaatsvinden. Er moeten nog 2379 loten verkocht worden, dus het spant erom of de trekking door zal gaan.

Donald Trump houdt van schepen. In de zomer van 1989 bestelde de toen 42-jarige Trump bij Amels in Makkum een 128 meter lang plezierjacht van ongekende luxe. Er zouden ondermeer een discotheek, een bioscoop, een theater, zwembaden, bubbelbaden en een congreshal aan boord zijn. In de hal van Amels werd ook ook de Prins Willem gebouwd, het VOC-replica dat nu Holland Village in Japan opsiert. Trump is destijds meerderde malen in Makkum geweest en bezocht bij die gelegenheid ook de oude haven van Harlingen.

Mocht de trekking van de loterij donderdag a.s. doorgang vinden, dan is het nog onbekend of Donald Trump persoonlijk in Harlingen aanwezig zal zijn. 

Lot kopen? Zie hier: 

LOT KOPEN

Reageer

Spreken over terrorisme en psychose

‘Naar aanleiding van uw blog zagen wij dat u het boek geschreven heeft: Jihad of verstandsverbijstering. Wat ons meteen enthousiast maakte is dat u juist vanuit vier invalshoeken, de esthetica, de religie, de filosofie en de psychiatrie deze problematiek van de terreur/ jihadisme beschrijft. U zou dan ook een enorme waardevolle toevoeging zijn naast de andere sprekers! ‘

Dit is een fragment van de mail die ik gisteren ontving van Dorien Hengst, namens de symposium-commissie van studievereniging Ad Informandum. Dat is de studievereniging voor strafrecht en criminologie van de Universiteit van Utrecht. Zij organiseren een symposiumavond met als  onderwerp “Ondergrondse Jihad: de strafrechtelijke aanpak” Dit thema zal van diverse kanten worden belicht.  Dit zal zowel vanuit strafrechtelijk als criminologisch perspectief gebeuren. De sprekers die al vaststaan zijn: Ferry van Veghel, landelijk terrorisme-officier van Justitie en André Seebregts, ervaren strafrechtadvocaat.

En ik mag dus ook een inleiding houden. Dit is al de tweede keer binnen ruim een maand dat ik een uitnodiging krijg om te spreken over mijn boek Jihad en verstandsverbijstering dat een jaar geleden is verschenen. Zie ook  mijn blog: Psychose of Jihad.  Hieronder een passage uit mijn broek Jihad of verstandsverbijstering.  Het is het slot van het eerste hoofdstuk.

***

Het maakt deel uit van de menselijke natuur om te verlangen naar transcendentie. Dat kan worden verwoord als een verlangen naar een bovenmenselijke eeuwigheid, maar ook als een verlangen naar een breekbare vorm van transcendentie met een meer innerlijk en menselijk karakter. Maar hoe je dit verlangen ook de!nieert, in een wereld, waarin elk uitzicht op transcendentie verdwijnt, dreigt er iets te verstikken. De fascinatie voor het intrinsieke kwaad kan een gevolg zijn van dit gevoel van verstikking, van een pijnlijk gemis. De terreurdaad wordt dan een noodsprong naar het absolute. 

De Amerikaanse terrorisme-expert Jessica Stern wijst zelfs op een intrinsiek verband tussen jihad-terrorisme en transcendentie-ervaring. Volgens haar is een gevoel van transcendentie voor jihad-terroristen een van de vele aantrekkelijke kanten van religieus geweld. Het zou zelfs verder gaan dan de aantrekkingskracht van het bereiken van het doel als zodanig. Hedendaagse jonge terroristen streven volgens haar niet alleen het bereiken van hun doel na; het gaat hun ook om het stre- ven op zich. De terroristische aanslagen van 9/11 waren volgens Jessica Stern niet los te zien van een intrinsiek kwaad dat hierin schuil ging. Waarom moesten zoveel onschuldige mensen op zo’n gruwelijke wijze de dood vinden? De verhouding tussen doel en middelen was hier vol- ledig zoek. Stern wilde alle aspecten van deze duistere materie onder- zoeken en sloot daarbij de theologische en metafysische aspecten van het kwaad niet uit.

Voor zover ik kan overzien is de benadering van Jessica Stern een uitzondering. Metafysische en theologische speculaties over de intrinsieke aard van het kwaad worden in het discours over het terroristisch geweld doorgaans doelbewust achterwege gelaten. De begrippen die men bij het denken over het geweld en het kwaad hanteert zijn vaak gebaseerd op relaties binnen een probleemveld dat in rationele en wetenschappelijke termen wordt gede!nieerd. Dat wil zeggen: in ethologische, antropologische, sociologische, sociaalpsychologische of psychoanalytische termen. Daarbij worden begrippen en relaties gehanteerd die ver verwijderd zijn van een andere ratio die bij het terroristisch geweld aan de orde is. Een ratio die zich keert tegen het systeem van het rationele denken als zodanig, het a-nomische, anti-nomische of psychotische geweld, dat zowel in de religie als de waanzin kan opduiken. 

Elke sprong naar het absolute, het heilige, de ‘heilige zonde’ of wel- ke antinomie dan ook, is in wezen een ontkenning van de grondeloosheid van het bestaan. Voor die afgrond staat de westerse mens met al zijn technologie en beschaving nog altijd, ook al wil hij dat ook maar al te graag ontkennen. Die afgrond boezemt angst in en wordt met het verdwijnen van de religie steeds meer ontkend. Anderzijds zien velen religie als zodanig juist als de belangrijkste oorzaak van de epidemische uitbarstingen van geweld. Zij vergeten daarbij vaak onderscheid te maken tussen het hybride karakter, dat een gezonde religie heeft, en de hang naar het absolute, dat de ongezonde geloofsbeleving gemeen heeft met het absoluut ontkennen van elke vorm van transcendentie. 

Het zou de taak van elk weldenkend mens moeten zijn om deze absolute aanspraken aan beide zijden van het spectrum te bestrijden. Dat wil zeggen: niet alleen de hang naar fundamentalisme en geweld, die eigen is aan de religie als zodanig, maar ook het demonische dat schuil kan gaan in een extreem seculiere cultuur die te kampen hee” met een leegte en een verlies van horizon.

Die leegte van een extreem seculiere cultuur is een heel andere leegte dan die welke Paul Tillich ervoer als veldpredikant in die ene verschri kelijke nacht op een slagveld van de Eerste Wereldoorlog. De seculiere leegte is verstikkend, de leegte van Tillich schrikwekkend. In de ene leegte verdwijnt alles, zelfs elke herinnering aan de fundamenten van het bestaan. In de andere leegte keert de transcendentie terug in een nieuwe en afschuwelijke gedaante: de horror, de terreur en de panische angst.

Het maatschappelijk systeem is gefundeerd op een heilig geweld, maar de ervaring van een bodemloze leegte brengt een nieuw soort ‘heilig geweld’ voort. De oorsprong van het nieuwe terreurgeweld ligt niet in een bliksemslag uit een goddelijke hemel, maar in iets goddelijks dat verstopt zit in de motor waar het hele systeem op draait. Het is het heilige geheim van het oergeweld dat in de terreurdaad weer opduikt in een nieuwe, sacrale gedaante. Alleen leegte creëert terreur. Alleen uit leegte ontstaat het heilig geweld. De vraag is alleen, waar is die leegte ontstaan? En, hoe kan er sprake zijn van een leegte als die niet als zodanig ervaren wordt?

De logica van fundamentalistisch terrorisme zet de wereld op zijn kop, zoals ook de waan van de psychose een omgekeerde wereld laat zien. Het heilig worden van het ontheiligde, het goed worden van het kwaad, de omkering van de omkering. Telkens weer duikt er in het vertoog over fundamentalisme en terrorisme een antinomie op, dat wil zeggen: het buiten werking stellen van het geldende wetssysteem. Een belangrijk symptoom van het fundamentalisme is volgens Karen Armstrong het extreem formaliseren, wat zich uit in het letterlijk lezen van heilige boeken als Bijbel, Koran en Thora. De extreme formalisering van het fundamentalisme is volgens Armstrong in wezen modern, zelfs positivistisch, omdat het zelf ook duidt op een verlies van ontvankelijkheid voor de waarden van symbool en mythe. Als het gaat om de politisering van de islam komt de Oostenrijke politicoloog Thomas Schmidinger in zijn boek Jihadisme (2016) tot een vergelijkbare conclusie. Deze politisering is niet alleen een afweerreactie, maar ook het resultaat ven de secularisering: ‘Dat maakt de politieke islam in alle opzichten een moderne reactie op de moderne tijd, maar wel een reactie die zich deels bedient van islamitische tradities, hoe selectief ook.

Kortom, fundamentalisme wordt niet primair gekenmerkt door irrationaliteit, maar door een surplus aan rationaliteit. Teveel ‘logos’ is telkens weer de reactie op het verdwijnen van de ‘mythos’. In deze ‘om- kering van de omkering’ is misschien wel het mechanisme te vinden dat niet alleen het diepste geheim van de hedendaagse jihadterrorist, maar ook van elke suïcidale geweldpleger verklaart. Het brengt het Bij- belverhaal van de blinde Samson in herinnering, die nog één keer zijn verwoestende kracht toont en de tempel vernietigt. Het is de absolute doorbraak van het heilige, waar de religie naar uitkijkt, maar dat nu alsnog verschijnt als het zwarte licht bij een totale eclips. De God van het monotheïsme kan immers ook een wrede God zijn. Het kwaad kan zelfs in het goede verscholen zitten. Het dualisme van goed en kwaad kan plotseling tevoorschijn komen achter de relativistische ontkenning van het kwaad als zodanig.

Tot slot. Als alle denkwegen onbegaanbaar blijken om enig licht te brengen in deze materie, is het wellicht een omkering in de richting van het denken die uitkomst kan bieden. Psychiaters begrijpen het denken van de zelfmoordterrorist alleen in termen van autonomie en vrijheid, en niet in termen van een grenservaring op de rand van het niets, een ervaring waar de autonomie van het individu grenst aan de heteronomie van het goddelijke of demonische. Hoe dan ook van iets anders – iets hogers of wat dan ook – iets dat ingrijpt in de ervaring van vrijheid en de wil overneemt in een daad van geweld. 

Zowel in de psychotische toestand als in de grensgebieden van de re- ligie kunnen krachten vrijkomen die de ratio te boven gaan. Het is de terra incognita van de menselijke geest, waar de ontsporingen van het geweld en de vernietiging, maar ook genezing en genade hun oorsprong vinden. In die afgrondelijkheid van het bestaan kan ook ‘het niets’ opduiken. Zowel een psychoticus als een jihadterrorist ervaren wellicht juist in dat niets een ultieme ervaring van vrijheid en transcendentie. 

Maar wat betekent dit grensgebied voor de psychiatrie? Als weten- schappelijke discipline is de psychiatrie hopeloos geïsoleerd geraakt. Die positie van splendid isolation verhindert het zicht op nieuwe, uiterst bedreigende fenomenen in het grensgebied tussen geestesziekte en terroristisch geweld. Deze recente manifestaties van het kwaad leiden ertoe dat de vraag wat geestelijke gezondheid betekent in een tijd van secularisatie en terreur wellicht opnieuw moet worden gesteld. 

Ik wil dan ook pleiten voor een herformulering van wat het woord ‘geest’ in het begrip ‘geestelijk welzijn’ vandaag de dag inhoudt, vooral ook in relatie tot transcendentie of het plotseling verdwijnen daarvan. Na de razendsnelle secularisering van de jaren zestig lijkt er in Nederland iets onbenoembaars te zijn veranderd. We lijken te snel te zijn ontstegen aan een religieus wereldbeeld. Dat levert vreemde bijver- schijnselen op, onbegrip bijvoorbeeld voor religieuze gevoelens, maar vooral ook geheugenverlies. Nederland was ooit een theologisch volk, maar tegenwoordig heerst alom een theologisch analfabetisme. Om meer zicht te krijgen op de problematiek van het terroristisch c.q. het psychotisch geweld, heeft de psychiatrie een injectie nodig van andere manieren van denken, omkeringen in de benadering, bewijzen uit het ongerijmde, denkwijzen die afkomstig zijn uit andere disciplines die voorheen ook wel ‘geesteswetenschappen’ werden genoemd. Sterker nog, ook na de dood van God zou de psychiatrie nog best een theologische injectie kunnen gebruiken.

(Onderstaande video werd gemaakt door Martin en Inge Riebeek in het kader van het project The Essentials dat vorig jaar was te zien in het Fries Museum)

Reageer

De deconstructie van de tijd

Schermafbeelding 2015-03-11 om 12.31.54

Vandaag is het 29 jaar geleden dat de Berlijnse muur viel. Dat was 9 november 1989. De val van de Muur heb ik nauwelijks beleefd, hoewel ik me de negende november van 1989 nog goed kan herinneren. Die datum staat nog altijd op een kleine ets die ik in 1991  kreeg  van Alfred Schmidt in Potsdam, een kunstenaar wiens huis zich dichtbij ‘Der Mauer’ bevond. Sinds de oprichting van de Muur in 1961 had hij elke dag een etsje gemaakt van de Muur, met een datum erop. Daar was hij mee doorgegaan totdat de Muur viel. Ik kreeg er een mee van hem, samen met een stukje prikkeldraad en beton van de Muur.

Op 9 november 1989 was ik zelf een dagje in Amsterdam, omdat de instelling waar ik destijds werkzaam was – De Fryske Kultuerried – een personeelsreisje naar Amsterdam had georganiseerd. Zo kon het gebeuren dat ik pas de volgende dag het nieuws uit Berlijn hoorde. Voor mij was die negende november in alle opzichten een perfecte dag. Ik heb rondgedwaald door Amsterdam. ’s Middags bezocht ik nog even mijn schoonvader in het bejaardentehuis in de Roeterstraat, waar later Ramses Shaffy terecht zou komen.

Ik kocht een boek bij De Slegte in de Kalverstraat. Het was een splinternieuw boek en het verbaasde mij dat het hier al bij De Slegte lag. De titel: The Donstruction of Time en het was geschreven door een zekere David Wood die als senior lector verbonden was aan de universiteit van Warwick. Het boek ging over de tijd bij Husserl, Heidegger en Derrida. Die avond gingen we met zijn allen naar Carré, waar Freek de Jonge optrad met zijn nieuwe onemanshow. De running gag van zijn optreden was een liedje dat steeds weer op het toneel gedraaid werd: Perfect Day van Lou Reed. Ook Freek wist niet dat die avond in Berlijn de Muur zou vallen.

Ik heb het boek The Deconstruction of Time daarna gelezen, maar dat was geen gemakkelijk opgave. Het thema fascineerde mij omdat het iets te maken had met mijn dagelijkse obsessie: schrijven. Al decennia lang ben ik elke dag aan het schrijven, en sinds 12.5 jaar op internet. Zoals de kunstenaar Alfred Schmidt in Postdam elke dag een ets van de Berlijnse muur maakte, met een datum erin, zo schrijf ik nu elke dag een blog. Bloggen is voor mij een manier om de demonen uit te drijven. Elke dag plaats ik een eindige tekst in een denkbeeldige ruimte zonder begin of eind.

Alfred Schmidt, 9 november, ets, 1989

Ooit ben ik met bloggen begonnen omdat in mijn brein de balans tussen de input en de output van woorden verstoord was geraakt. Het is een kwestie van spijsvertering. Wat erin komt moet er ook weer uit, zij het in een andere vorm. Zo niet, dan krijg je verstopping en dat moeten we niet hebben. Lang heb ik gedacht dat je iets op moet schrijven, als je het wilt onthouden. Veel mensen denken nog altijd dat dit zo is. Zo maken ze aantekeningen van alles en nog wat. Sommigen houden zelfs een dagboek bij om te voorkomen dat ze vergeten wat ze meegemaakt hebben.

Zelf heb ik ook jarenlang een dagboek bijgehouden, maar bij het teruglezen merkte ik dat ik vrijwel alles vergeten was, juist omdat ik het had opgeschreven. Ik durf dan ook met een gerust hart de stelling te poneren, dat mensen dingen niet opschrijven om te onthouden, maar om te vergeten. Zodra iets op papier staat, wordt de inhoud van het genoteerde uit het geheugen gewist. Schrijven is primair een ontlasting van het brein. Letterlijk zelfs. Wie schrijft is aan de schijterij. Door te schrijven worden de mentale ingewanden gereinigd. Wat resteert is het opgeluchte gevoel dat ook een goede stoelgang teweeg kan brengen.

Soms denk ik wel eens dat het schrijven door de mens is uitgevonden vanuit een behoefte om te vergeten. Het geheugen heeft zich niet geformeerd bij de geboorte van het schrift, maar omgekeerd: de eerste schrifttekens waren rituele markeringen die bedoeld waren om een geestelijke inhoud uit het brein te verdrijven. Het schrift is ontstaan uit een diep gevoelde drang om de ‘demonen van de geest’ uit te drijven. Het schrift is dus in wezen een excorcistisch ritueel. Deze magische oorsprong van het schrift lijkt door sommige antropologische ontdekkingen bevestigd te worden. De eerste tekens stonden in dienst van de tovenarij. Het teken zuigt iets van de geest in zich op om een ‘betekenis’ te kunnen worden en als zodanig aan het brein te ontsnappen.

Taal zit in ons brein. Het is een mentaal gebeuren. Dat wil zeggen, dat taal in onze cultuur verbonden met is met wat je ‘mentalisme’ zou kunnen noemen, een manier van denken die we hebben geërfd van de oude kerkvader Augustinus. Mentalisme houdt in dat alle uitdrukkingen van de taal een verwijzende functie hebben, maar tegelijk dat dit verwijzen een proces is dat zich afspeelt in de geest. Taal is voor een groot deel geestelijk. Of beter gezegd, onze geest is taal. Door de taal hebben we een binnenkant. Maar ook natuurlijk een buitenkant. Woorden staan voor dingen in de werkelijkheid. En als je woorden aan elkaar plakt krijg je volzinnen die staan voor situaties opgebouwd uit allerlei dingen uit de werkelijkheid.

Voordat het eerste teken kon gaan ‘betekenen’, moest er een brug geslagen worden tussen de binnenwereld van de mens en iets dat zich daarbuiten zou bevinden. Of beter gezegd, met iets dat door het betekenen van het teken een ‘buiten’ werd. Een teken slaat geen brug tussen de geest ‘binnen’ en het betekende ‘buiten’, maar de brug zelf is gedeeltelijk ook geest. Het proces van het betekenen is in oorsprong magisch. In het teken wordt iets van de geest naar buiten geworpen. De act van de taal is een ‘extasis’. Het teken steekt uit in de wereld. De geest komt uit de fles.Tekenen is betekenen, dat wil zeggen: het beheksen van de wereld met taal.

In dit licht bezien wordt elke gedachte die ik opschrijf een ontsnappings
poging uit mijn eigen brein. De binnenwereld van mijn brein is even werkelijk als de 
buitenwereld, maar toch blijven het twee gescheiden continenten die niet met woorden, die in de taal hun eigen werkelijkheid hebben, 
overbrugd kunnen worden. Alleen een gedachte, die in taal wordt verwoord, zou een brug te 
kunnen slaan, hoewel geen enkele gedachte tot nog toe de pijlers van die brug tussen binnen en buiten in beeld heeft kunnen brengen. Ook vandaag de dag weet niemand wat er 
werkelijk in ons brein gebeurt bij het verwoorden van een gedachte. Laat staan, bij het verwoorden van een nieuwe gedachte, iets wat nog nooit eerder gedacht is.

Ik ben geboren in een tijd waarin men dacht dat alles nieuw en echt moest zijn. Sterker nog, het nieuwe viel samen met de tijd zelf. Het nieuwe was een voortdurend proces van presentatie. Met het postmodernisme kwam de grote ommekeer: het nieuwe werd opeens het besef dat juist de herhaling altijd weer iets nieuws oplevert. Het nieuwe werd dus voortaan de re-presentatie. Evenals de Barok was het postmodernisme in diepste wezen een fase van rouw om een verdwenen samenhang, een eindeloos proces van recycling van fragmenten en brokstukken.

De nostalgie, zo ontdekte men, is een ideale drijfveer om die brokstukken samen te voegen tot een nieuw verband, ook al is er niets veranderd. Ook het woord van Prediker krijgt voor mij dus een nieuwe betekenis: ‘Hetgeen er geweest is, hetzelve zal er zijn, en hetgeen er gedaan is, hetzelve zal er gedaan worden; zodat er niets nieuws is onder de zon.’ Die woorden betekenen voor mij zoiets als het volgende: Ruimte open laten voor een gevoel van verwondering dat er toch iets nieuws onder de zon is. Iets dat er altijd al was, maar juist in de herhaling voor een moment niet verklaard en nauwelijks beschreven kan worden.

In las in die tijd, zo rond 1990, ingewikkelde boeken over kwantummechanica en het differentie-denken van Derrida en ik probeerde mij te verdiepen in zulke ongrijpbare zaken als ‘zelf-referentie in taal en teken’ en ‘de onvolledigheidstelling van Gödel’. Ik dacht dat die twee iets met elkaar van doen hadden. En om het helemaal ingewikkeld te maken (want ik hield in die tijd van ingewikkelde dingen): Ik verkeerde in de veronderstelling dat bij het zoeken naar God de wiskunde meer zekerheid kan bieden dan welke religie dan ook. Maar laat ik bij het begin beginnen.

In 1991, het jaar waarin ik Alfred Schmidt in Potsdam ontmoette, nam ik deel aan een essay-prijsvraag die was uitgeschreven door het ECI. Het thema was: ‘De lezer tussen woord en beeld.’ Ik vond dat een intrigerend gegeven. Wat gebeurt als de lezer leest? Het lezen van een tekst kost een zekere tijd. De tijd verstrijkt, terwijl je leest. Terwijl u deze tekst leest, tikken de seconden weg. Elk woord is weer een fractie van een seconde en zo kruipt de tijd door de taal. Of beter gezegd, zonder de tijd zou de taal niet kunnen bestaan.

De tijd is een uitbreiding van de geest, waardoor we de taal kunnen spreken en consumeren. Een tekst is daarom en loper van woorden, die in de tijd is uitgerold. Vanuit die gedachte begon ik schema’s en formules te tekenen voor mijn essay. De inzendtermijn was 15 januari 1991. Die datum kan ik me nog goed herinneren, omdat de dag daarop de Eerste Golfoorlog uitbrak. Het ultimatum aan Saddam Husssein om Koeweit te verlaten was verlopen en de eerste kruisraketten vlogen richting Bagdad. Er kwamen ook nog een paar Scud-raketten op Tel Aviv terecht, maar dat was uitstel van executie.

De weken daarvoor was ik druk aan het schrijven geweest. Ik had een nogal ingewikkeld verhaal op papier gezet, uitgaande van de gedachte dat alles er al is. Alle teksten, die je kunt bedenken, zijn al geschreven. Bovendien bestaat er niet zoiets raadselachtigs als ‘tijd’. Tijd wordt door het bewustzijn zelf geconstitueerd en specifiek door toedoen van de representatieve functie die in ‘taal’ aanwezig is. Taal en tijd zijn dus intrinsiek met elkaar verweven. Daarover ging mijn verhaal.

Ik wilde die verwevenheid zichtbaar maken en vervolgens elimineren. Kortom, ik wilde een tekst schrijven die zich verplaatst als een een golf in een reeds bestaand ‘taal-zwembad’. Dat wil zeggen: een vertoog zonder ‘uitstel’ en ‘verschil’, de basiskenmerken van de representatie. Een tekst ook zonder tijd en zonder ruimte. Een tekst die een leegte zichtbaar maakt. Een vertoog dat tegelijk analyseert en vertelt. Deze tekst zou moeten variëren op iets wat er al is, en tegelijk een herhaling zijn van iets wat er al was. Maakt u geen zorgen, als u dit alles niet begrijpt. Ik vraag me nu af, of ik het zelf destijds wel begreep.

Hoe dan ook, bij deze procedurele manier van schrijven kwamen de woorden als vanzelf. Ik werd mij ervan bewust, dat er altijd een denkbeeldig oog is dat naar mij kijkt op het moment dat ik iets schrijf. Je zou dit ‘het oog van de cycloop’ kunnen noemen. Het verhaal ging over het ontstaan van het verhaal, en dat was het verhaal. Ik verzon een list om aan de cycloop te kunnen ontsnappen. Om aan de representatie te ontsnappen. Om te ontsnappen aan de tijd die in de taal zelf aanwezig is. Ik zocht naar ‘a concept of time that theoreticaly embraces the necessarily intrusion of representation.’ Ik weet niet meer van wie die zin is, maar ik denk dat ik hem gelezen had in het boek The deconstruction of time van David Wood.

Dat boek gaf mij een uitgebreid overzicht van het postmoderne denken over taal en tijd, voortkomend uit de fenomenologie van Husserl, het existentie-denken van Heidegger en uitmondend in het deconstructie-denken van Derrida. Maar wat ik werkelijk gehoopt had, bleef uit. De auteur legde geen enkel verband tussen het denken van deze filosofen en de bevindingen over het fenomeen ‘tijd’ in de hedendaagse natuurkunde. Alle natuurkundige theorieën over tijd deed hij al in de inleiding af als zijnde irrelevant. Dat waren ‘verruimtelijkingen’ van de tijd. Tijd is geen ruimte, zo beweerde hij. Tijd is een proces van verschijnen en verdwijnen dat zich voortdurend in je bewustzijn voltrekt. Dat is het ware kenmerk van de tijd. Tijd zit dus tussen je oren.

Daarom begon ik te fantaseren. De tijd is een glijbaan naar de dood, zo bedacht ik bij mezelf. Taal is een vluchtpoging om aan die glijbaan te ontsnappen. De taal creëert een schijnbaar permanente ruimte van aanwezigheid door de werking van het teken dat het ‘nu’ herhaalbaar maakt. Taal stelt de dood telkens weer uit door het opschorten van een verdwijnende aanwezigheid. Zo ontstaat een voortdurende, ideale schijn-situatie, waarin de dood wordt ontkend.

De aanwezigheid is de grondtrek van het Zijn. Sinds Aristoteles is deze grondtrek van het Zijn gecorrumpeerd. In zijn denken over Zijn en tijd probeerde Heidegger de authenticiteit van het Zijn te redden door middel van de existentie, maar is het wel mogelijk om de representatie, die voortdurend in de taal werkzaam is, uit te sluiten?  De late Heidegger vatte het Zijn op in termen van een gebeuren: ‘Es gibt Ereignis.’ Maar de taal is doorboord met afwezigheid, zo beweert Derrida. De tegenwoordigheid van het tegenwoordige komt voort uit een voortdurende herhaling – het verglijden van de tijd – en niet omgekeerd.

Tegenwoordigheid ontstaat bij de gratie van het voortdurend wegglijden in het verleden. De taal drukt uit en wijst aan, maar volgens Derrrida is er geen verschil tussen expressie en indicatie. Er is geen authentieke oorsprong in de taal. Geen ‘ik’ als zuivere bron, waar de zinnen uit opborrelen. Het ‘ik’ is een schijn-constructie. Het wordt voortdurend gegenereerd door de relatie tussen het uitstel – dat in het teken werkzaam is – en de dood.

Het spoor, dat de tekens nalaten, is een effect zonder oorzaak. Derrida is voortdurend op zijn hoede om niet terug te vallen in de metafysica. De taal is in zijn optiek als een vloeistof zonder fles, maar je hebt wel een fles nodig om over de vloeistof te kunnen vatten. De metafysica is als een oplosmiddel dat ook de fles oplost, waar de vloeistof in zit. De grootse angst, die met een psychose gepaard gaat, wordt door de filosofie van Derrida bevestigd. Er is geen ‘ik’. Er is alleen ‘leegte’. Elke vorm van kennis is zoiets als het zien van je eigen voetsporen die je telkens weer tegenkomt als je in cirkels rondloopt.

Slide02-e1295524189410-41

Ik heb de ECI-prijs in 1991 niet gewonnen, mede omdat mijn inzending niet aan de criteria van de prijsvraag voldeed. Eigenlijk was het helemaal geen essay, dat ik geschreven had, maar iets tussen een verhaal en een beschouwing in. Daarna ben ik er opnieuw aan gaan schaven. Van de week vond ik een notitieboekje terug met allemaal schema’s die ik destijds getekend heb, voordat ik met schrijven begon.

Het verhaal is uiteindelijk wèl gepubliceerd, zij het in een wat uitzonderlijk vorm, in het nulnummer van het periodiek Praktikabel, podium per post, dat in juli 1992 verscheen. De titel werd uiteindelijk De taalmachine van Tinguely. Gerard Groenewoud had de tekst vormgegeven op de wijze waarop Willem Sandberg dat zou hebben gedaan. Het werd afgedrukt op bruin pakpapier met een foto van de tentoonstelling Bewogen beweging op een transparant inlegvel.

Met het verschijnen van deze tekst was een traditie in gang gezet. Veel van mijn teksten verschenen sindsdien niet in de vorm waarvoor ze ooit waren bedoeld.  Als een tekst in een ander medium – of zelfs in aan ander format of een ander lettertype verschijnt – dan kan er iets nieuws aan het licht komen, iets dat eerder niet in de tekst aanwezig was. De inhoud van een tekst is nooit statisch, maar altijd veranderlijk al naar gelang de veranderende context. Elke tekst evolueert in de tijd en keert telkens weer terug in een andere gedaante, in een andere laag van verbanden, waarin de wereld die er ooit was opeens een andere werkelijkheid wordt. Zo komt niet alleen in het proces van de herinnering, maar ook in dat van jet sxchrijven telkens weer een eenheid tot stand tussen binnen en buiten, heden en verleden.

De creatio ex nihilo is een illusie. Elke scheppingsdaad komt voort uit een laag van herinneringen waardoor voortdurend nieuwe interacties ontstaan, niet alleen tussen het brein en de werkelijkheid, maar ook tussen toen en nu, tussen toen en toen, tussen ooit en nooit. Tot op zekere hoogte is het schrijven nooit anders dan een proces van herinnering dat niet als herinneren wordt herkend. Scheppen is een vorm van cryptomnesie. De tekst die zich als nieuw aandient, was altijd al ergens aanwezig, anders kan het brein zich hem letterlijk niet ‘her-inneren’. Schrijven gaat ‘als vanzelf’. Schrijven is her-schrijven, tot je er bij neervalt.

Zo verschijnen mijn teksten vaak opnieuw en soms ook in een andere vorm. Dat wordt dan een vorm waarvoor ze oorspronkelijk niet bedoeld waren. Ook deze tekst van vandaag is herschreven en zo ‘als vanzelf’ ontstaan. Dat geldt overigens voor vrijwel al mijn blogs. De meeste daarvan zijn bewerkingen van eerdere teksten. Ze zijn herschreven, in een andere context geplaatst, ontdaan van overbodigheden of aangevuld met nieuwe gezichtspunten. Schrijven is herschrijven en dit weblog is één totaaltekst in een voortdurende staat van wording.

Op weg naar het einde…

En tegelijk draai ik in cirkels rond. Er gaat iets rondtollen, rondtollen, rondtollen….tollen…. ollen…..0….0….0…..Ω….Ω….Ω…. Nu ik me daarvan steeds meer bewust word, kom ik telkens weer terug bij af. Dat wil zeggen, bij de gedachte dat alles er al is. Ik wil niets meer publiceren, want alles is al gepubliceerd. Om iets nieuws te creëren hoef ik het bestaande alleen maar te herordenen door een golfbeweging in het water te laten ontstaan. Ik beweeg mijn vinger door het water en schrijf: ‘Ik beweeg mijn vinger door het water en schrijf.’

Ik schrijf niet. Ik word geschreven. Ik verzamel gedachten, niet alleen van mezelf maar ook van anderen die ik citeer. Dit is een eindeloze, onzinnige onderneming die 
tegelijk zin en einde heeft. Immers de complete verzameling van alle 
gedachten is zelf een gedachte en kan dus nooit een 
complete verzameling zijn. Hier wringt iets. Gödel niet op Derida. Er moet één gedachte zijn die niet past in de complete 
verzameling van alle gedachten. Maar alle 
gedachten zitten in potentie binnen in mijn brein.

Waar zit dan die ene gedachte die niet past binnen die complete verzameling van alle gedachten? Binnen, buiten, in beide of geen van beide? Wellicht zou 
die ene gedachte de pijlers van de brug tussen binnen en buiten in beeld kunnen brengen. Onderwijl blijf ik voortbloggen als een koorddanser op het slappe koord. Telkens weer bezwerend. Alsof ik uit wil breken. Weg van deze wereld. Weg van de demonen van de geest. Op weg naar een wereld die volmaakt is, een wereld zonder muren. Op weg naar een perfecte dag…

1 Reactie

Ids was als kind al een kunstenaar

Bovenstaande foto is een paar jaar geleden gemaakt. Ids Willemsma en ik in een mallotige bui. Gisteren was ik weer eens in zijn atelier. We spraken over van alles. Over zijn komende tentoonstelling in februari a.s. in het Paviljoen Obe van Tresoar, maar ook  over het probleem van zijn roestende Dijktempel dat van de week in alle Friese media breed werd uitgemeten (zie: hier en hier). In de grote exposietieruimte boven zijn atelier had Ids alle maquettes uitgestald voor de monumentale opdrachten die hij in de loop der jaren heeft uitevoerd. Daartussen stonden kleine sculpturen die hij maakte als veertienjarige. Zelfs etsen maakte hij al op die leeftijd. In de jaren negentig scheef ik onderstaand verhaal over hoe Ids een kunstenaar werd. Of beter gezegd, over hoe hij als kind al een kunstenaar is geweest.

Terug naar het eerste begin

4 april, 1980(3)0001

Als kind al kende Ids Willemsma de natuur als zijn broekzak. Op zijn achtste maakte hij houten beeldjes van dieren. Nog voor zijn twintigste kreeg hij zijn eerste monumentale opdracht. ‘Wat goed is komt snel’ geldt niet alleen in de sport, maar soms ook in de beeldende kunst. Ids Willemsma is een natuurtalent dat letterlijk bij de natuur in de leer is geweest.

De vensterbank van Ids Willemsma is 
een verzamelplaats van snuisterijen en 
kleine objecten. Tussen een paar oude 
kaatsbanen, een stukje steen van de 
Berlijnse muur en een kitschbeeldje uit 
Rusland, staan ook een paar dieren, ge
sneden uit hout. Eén daarvan is een 
hond. Je ziet hem van opzij, als een uitgezaagde tekening. De oren zitten niet naast maar achter elkaar. De ogen zijn  gemarkeerd door een spijkerkop en op het hout zijn potloodstrepen zichtbaar, die ooit het hele beeldje moeten hebben bedekt. Het is een markant object, plat 
en plastisch tegelijk. De gestalte van 
een hond is teruggebracht tot zijn essentie. Het zou een vroeg werk van Brancusi kunnen zijn. Maar het is ‘een 
Willemsma’, gemaakt toen de kunstenaar acht jaar oud was.

Boven op een vlonder in het atelier 
staan nog meer van dit soort kleine 
dieren, maar dan van metaal. 
Sommige zijn in elkaar gesoldeerd, 
andere uitgezaagd. Ook hier weer die 
opmerkelijke hang naar eenvoud. Een 
oud schetsboek uit de tijd van de lagere 
school laat tekeningen zien, waarin 
vooral de vogels zijn uitgewerkt. Maar 
er zijn ook graspollen, een bootje, spelende kinderen in de vrije natuur …. 
Het is de omgeving van Akkrum in de 
jaren vijftig, gezien en gefantaseerd 
door een kind van een jaar of zes.

In deze vroegste tekeningen is van 
enige abstractie nog geen sprake. Alles 
wordt heel precies weergeven en ingekleurd. Het zijn echte kindertekeningen, die bij mij een oude herinnering 
wakker roepen. Opeens zie ik alles 
weer voor me, wat ikzelf op die leeftijd 
getekend heb. Dat waren geen vogels of bootjes, maar vooral cowboys en indianen. Toch is de tekentrant haast 
identiek. Zelfs het merk schetsboek 
komt mij bekend voor. Het is de kinderwereld van Caran d’Ache, met een 
regenboog van kleurpotloden en de 
geur van een puntenslijper. Pas later ontstaan er mensen die ik niet meer 
herken. Het hondje op de vensterbank 
bijvoorbeeld, maar ook een prachtige 
houten schildpad die in één enkele vorm is gevat.

lds wie eins al keunstner foardat hywat makke hie‘, schreef ooit Thom 
Mercuur. Als je deze eerste beeldjes 
van dieren ziet, besef je hoe waar die 
woorden zijn. Stap voor stap. komt 
hierin aan het licht hoe de natuur letterlijk als leermeester heeft gefungeerd. 
De kernachtige organische vorm lag 
voor lds als kind voor het oprapen. Hij 
zag het met eigen ogen, niet alleen in 
de natuur zelf, maar ook in de sierlijke 
ronde lijn van een schaats of de boeg  van een praam.Naast liefde voor de natuur is de kennismaking met de geometrie bepalend 
geweest voor het ontstaan van zijn 
latere vormentaal. Nog voor de academie volgde hij een technische opleiding aan de ambachtsschool. Daar 
moet de kennis van de natuur zich verenigd hebben met een sterke belang
stelling voor heldere constructies, gevoel voor precisie en het ambachtelijke respect voor materialen, dat hij al 
van huis uit had meegekregen.

De leerjaren op de Academie Vredeman de Vries hebben daar 
weinig aan toe kunnen voegen. Sterker 
nog, het kunstenaarschap was grotendeels uitgekristalliseerd op het 
moment dat alles nog moest beginnen. 
In een ladekast op liet atelier ligt nog 
een stapel tekeningen uit de begintijd 
van de academie. Hierin is duidelijk te 
zien hoe de trefzekerheid toen al volop 
aanwezig was. Dieren zijn met een 
paar lijnen direct ‘naar het leven’ getekend. Bij de bevalling van een kalf 
wordt angstvallig gezocht naar die ene 
lijn waarin de eerste wankele houding 
kan worden gevangen. Vogels in hun volière  worden letterlijk platgeslagen, met  
een paar krabbels. Terug naar de bron, 
de kern, het eerste begin dat is telkens 
opnieuw het devies.

Met uiterst sobere middelen wordt gestreefd naar het summum van expressie. Zelfs het tekenmateriaal 
wordt volledig in dienst van deze onderneming gesteld. Het krijt wordt op 
zijn kant gelegd. Een takje, dat ter 
plekke. is gevonden, kan als pen worden gebruikt. En een enkele keer 
wordt met de muis van de hand direct op het papier ‘geprint’. De 
kleur zie je stilaan verdwijnen. Eén 
gouache laat schapen zien in het 
maanlicht: donkergrijs op zwart. 
Bezoekers van een begrafenis worden 
bijna betrapt in een paar vluchtige 
schetsen, getekend vanachter een heg. 
De hele iconografie van het latere 
oeuvre is hier al in een notendop aanwezig, de fascinatie voor de dood, de oer
vormen van het leven, de gestalte van 
man en vrouwen niet te vergeten, de 
dieren.

Zoals Mondriaan zijn idioom van 
haakse lijnen stap voor stap distilleerde 
uit het schilderen van een boom, zo 
lijkt bij Willemsma het dier als matrix 
voor zijn vormentaal te zijn gebruikt. Het raster van rechte lijnen 
wordt in het vroege werk langzaam zichtbaar. In monotypes worden de 
contouren van bokken en geiten opgebouwd uit een paar rechthoekige 
vormen. Soms wankelt de voorstelling 
op de rand van het herkenbare. Maar 
een bok blijft altijd een bok, ook al lijkt 
de organische vorm langzaam maar 
zeker door een geometrische zeef te 
worden geperst.

Ook in het vroege ruimtelijke werk zijn
 nog duidelijk vogels herkenbaar. Hun 
metalen vleugels waaieren uit in een 
abstract ritme van pure vormen. Later 
zou dit rudiment van een voorstelling 
plaats gaan maken voor het louter manipuleren van begrippen als maat, 
volume en schaal. Maar de verbondenheid met de natuur zou nooit 
geheel verdwijnen. Zelfs in het meest concrete monumentale werk is nog vaak een subtiele verwijzing afleesbaar naar een natuurlijke vorm. Het constructivisme van Willemsma heeft van 
begin af aan zijn wortels in de natuur.

En dan, in 1970, komt opeens de een 
monumentale opdracht: het oorlogsmonument in Akkrum. Ids Willemsma kreeg die opdracht als negentienjarig student aan de Academie. 
’Een jong en veelbelovend kunstenaar’, 
schreef destijds de Leeuwarder 
Courant. Achteraf beschouwd is het 
op zijn minst opmerkelijk, dat zo’n gedurfd ontwerp in die tijd, op die plek 
gerealiseerd kon worden. Friesland 
had nog nauwelijks kennis kunnen 
nemen van nieuwe ontwikkelingen in 
de monumentale kunst. en jaar eerder werd in Weidum een aluminium 
plastiek van Harmen Abma geplaatst, 
dat ook baanbrekend was door zijn 
sobere vormen. Maar voor de rest bleef 
de monumentale kunst in de contreien 
voornamelijk beperkt tot anekdotische beelden en decoratieve toevoegingen 
aan de architectuur.

Ids Willemsma ontwierp voor 
Akkrum een krachtig, geometrisch-abstract metaalplastiek, dat tegelijk de gedachte oproept van een in elkaar gedonderd hakenkruis. Ook nu nog is 
het een beeld dat volledig overtuigt in 
zeggingskracht, ook al heeft de tuttige 
bestrating, die achteraf in het plantsoen 
is aangebracht, enigszins afbreuk 
gedaan aan de radicale werking van 
liet geheel. Het monumentale oeuvre, dat nadien 
is ontstaan, wordt gekenmerkt door 
helderheid, eenvoud en consequentie 
in stijlopvatting. Dat soort begrippen 
zijn in de kunst van vandaag niet wat 
je noemt ‘in de mode’. Als we de tijdgeest moeten geloven is kunst een ‘vrij spel’ aan het worden, dat zich afkeert 
van strakke regels en in plaats van 
diepgang vooral het luchtige oppervlak zoekt. De wind, die Ids Willemsma 
in de zeventiger jaren volop in de 
zeilen kreeg, lijkt zich nu soms tegen hem te keren. Maar hoe vaak is de tijd
geest geen windvaan gebleken? Grote kunstenaars als Brancusi en
 Mondriaan hebben altijd hun eigen 
koers gevaren. Wat dat betreft heeft 
het roer van zijn praam nog altijd stevig in handen.

Reageer

Goldstein en de kracht van het leven

Ik heb me altijd verbaasd over het simpele feit dat elke boom in de vorm van een boom groeit. Sterker nog, als je een groepje bomen bij elkaar ziet staan in een open landschap dan zie je altijd een doorlopende contourlijn die het geheel omsluit.  Niet eerst een hoge boom en dan een lage en vervolgens een middelgrote en dan weer een hele hoge… nee, elke boom voegt zich qua lengte in zijn omgeving. Er zullen wel hele slimme verklaringen voor zijn. De hoeveelheid licht bijvoorbeeld voor een willekeurige boom is altijd verwant aan de hoeveelheid licht die de boom in de directe nabijheid voor zijn groei te verwerken krijgt.

Misschien zijn het ook wel wiskundige formules die deze structuurdrift kunnen verklaren. Een zwerm spreeuwen blijft ook altijd in patronen vliegen waarvan het algoritme onmogelijk in het hoofd van elke spreeuw aanwezig kan zijn. Elke spreeuw volgt zijn eigen route volgens een code die voor elke spreeuw gelijk is , maar omdat de uitgangspositie voor ieder verschillend is volgt er een steeds wisselend patroon dat in zijn steeds wisselende totaliteit een opmerkelijke ordening vertoont. Dit soort processen zijn non-lineair.  Ze worden aangedreven door een oorzaak die zich op een ‘hoger’ niveau bevindt dan het niveau waarop de samenstellende delen afzonderlijk zich bevinden. Het resultaat heeft iets holistisch. Het geheel is meer dan de som der delen.

Maar er lijkt ook een doel te zijn, waarop het systeem zich richt. Een eindvorm waar het voortdurend naar op weg is. Anders gezegd, het holisme in de natuur heeft iets teleologisch. Een plant wil een plant worden, een boom een boom, een bos een bos en een mens een mens. Deze immanente structuurdrang, die in elk organisme aanwezig lijkt, wekt telkens weer verwondering. Wie ooit met aandacht de kleine vingertjes van een pas geboren baby heeft bekeken, weet waarover ik het heb. Hoe is het mogelijk dat die vijf kleine vingertjes uit één zaadcel en één eicel zijn voortgekomen?  Zelfs als dit hele gebeuren stap voor stap te verklaren zou zijn – van atoom, molecuul, DNA, genen etc etc … dan blijft het een wonderbaarlijk proces waarvan het einddoel al in de kiem aanwezig lijkt.

Is er soms een ordenend principe in  de natuur dat dit soort processen aanstuurt? Heeft elk organisme misschien zoiets als ‘een ziel’ in zich, een immanente eindvorm die het groeiproces richting geeft op weg naar zijn ‘natuurlijke bestemming’. Is de ziel soms een sturend beginsel dat in een levend organisme besloten ligt? is de ziel een ‘vorm’ die de materie een richting geeft. Aristoteles dacht van wel. Als zoon van een arts was Aristoteles een biologisch denker. Hij ontwikkelde  als eerste een biologisch model van de ziel. Elk levend organisme heeft een doel waarnaar het wordt voortgedreven.

Maar wat is dan de eindbestemming  van de mens, ‘het onbepaalde dier’ zoals Nietzsche hem noemde. Is de mens op weg naar niets, of is er toch een hoger doel dat in het ‘wezen’ van de mens – in zijn ‘ziel’ – besloten ligt.  Of is het tegendeel het geval? De mens kent juist geen immanente bestemming. Moet de mens zijn eigen bestemming juist zelf ontwerpen?  Sterker nog, is ‘het project mens’  het onderwerp bij uitstek van de menswetenschap. Het meest onbestemde organisme, dat de natuur heeft voortgebracht, moet voor zichzelf een bestemming ontwerpen. Misschien was dat wel een foutje van de natuur. De mens heeft als taak om zijn eigen gebrek te herstellen.

Gedachten over bestemming van de mens gaan vaak samen met gedachten over de bestemming van de geschiedenis. Toen de klassieke beschaving op zijn eind liep, zijn dat soort gedachten binnengeslopen in het christendom. Vooral Augustinus heeft de geschiedenis belast met een teleologische lading. De mens zou op weg zijn naar een eindspel in de tijd, wanneer het Rijk Gods gaat samenvallen met het Rijk op aarde. De bestemming van de geschiedenis was eigen aan een lineaire tijdsopvatting die haaks stond op de circulaire tijdsopvatting van de Grieken.

Maar met het einde van de geschiedenis kwam ook het verval van de beschaving in beeld. De geschiedenis kreeg een plot, een richting, een bestemming.  Dat is wat Hegel en Marx van Augustinus hebben overgenomen. Maar de geschiedenis heeft geen ‘plot’, zo stelde Popper in zijn boek The open society and its ennemies (1945). En de mens dus ook niet. Maar dat zijn gedachten die voor velen ook in de wereld van vandaag moeilijk te aanvaarden zijn. Het lijkt nog altijd ‘natuurlijk’ voor de mens om te denken dat alles een doel heeft, niet alleen de mens zelf, maar ook de geschiedenis.

In de tijd van de wijsgerige antropologie, die nog niet zo ver achter ons ligt, werd gedacht dat ‘het project mens’ een opdracht was voor de menswetenschap. De wijsgerig antropologen beschreven organische systemen – van cel tot maatschappij – waaruit bleekt dat structuurdrift, zelforganisatie, samenwerking en interactie de basis vormen van al het leven op deze planeet en niet alleen de wetten van de jungle, zoals die ooit door Darwin waren geformuleerd. De wetenschap van de mens moest een richting hebben, een intentie, een focus, of beter gezegd een ideëel mensbeeld dat voor de mens zelf een  baken kon zijn waarop hij al zijn doen en laten zich kon richten. In feite was de wijsgerige antropologie gebaseerd op het zielsbegrip van Aristoletes. Het organisme ‘mens’ had immers een immanente structuurdrift waardoor uit één eicel een lichaam voort kon komen.

Zo ook moest de mens op het niveau, dat de biologie te boven gaat, zijn eigen structuur ontwerpen, een eigen doel waarnaar hij op weg is. Een ‘doeloorzaak’ zou Aristoteles zeggen. Een mens is een gelaagd wezen, dat zich vanuit het anorganische, via het organische uitstrekt tot in het psychische. Die ‘gelaagde mens’ kan zijn wereld van binnenuit begrijpen door de organische samenhangen, die hij waarneemt en verinnerlijkt, te ordenen, te rubriceren, te toetsen aan de werkelijkheid en in grotere gehelen te plaatsen. De vraag die zich dan aandient luidt als volgt: hoe kun je op het terrein van de wijsgerige antropologie tot objectieve waarheden komen?  Dat probleem vormde een onneembare barrière waarop de wijsgerige antropologie uiteindelijk gestrand is. Methodologisch was het een warboel. In de jaren zestig werd er gehakt van gemaakt. Exit het project mens.

Toch dient de vraag zich aan of de ontwikkelingen die daarna zijn gevolg niet zijn doorgeslagen in het andere uiterste.  De hersenwetenschap van tegenwoordig zou een kleine injectie vanuit de wijsgerige antropologie best kunnen gebruiken. Anders gezegd: iets meer Aristoteles en iets minder Dick Swaab. Onlangs stuitte ik op het werk van de Duitse neurowetenschapper Kurt Goldstein die al voor de oorlog een opmerkelijk boek schreef: Der Aufbau des Organismus. Dit boek van Goldstein, dat in 1934 bij Uitgeverij Nijhoff in Den Haag verscheen, bleek in de bibliotheek van Tresoar aanwezig te zijn. Zo te zien nog ongelezen, als een kostbare schat uit een vervlogen tijd.

Goldstein  onderzocht de herstelprocessen van zwaar gewonde soldaten uit de Eerste Wereldoorlog.  Maar ook het herstelproces van baby’s die al in hun eerste levensjaar getroffen werden door een hersenbloeding. Een volwassene, die getroffen wordt door een hersenbloeding in het taalcentrum van zijn brein, zal lange tijd moeten oefenen om elders in zijn brein opnieuw het taalvermogen  te creëren. Een baby doet dat vanzelf. Kortom, er lijkt een structuurdrift in het brein aanwezig te zijn die dit soort zware blessures als vanzelf kan herstellen.

Had Aristoteles dan toch gelijk met zijn organisch begrip van de ziel? Is de transcendentie die het christendom – de navolging van Plato – buiten of boven de wereld heeft geplaatst, niet eigen aan de natuur zelf? Dat is de filosofische vraag die Goldstein oproept. Heeft de mens een doel in zichzelf, een bestemming, zoals ook de geschiedenis uiteindelijk een bestemming heeft?

Bestaat er een impliciete structuurdrift, niet alleen in de mens, maar ook in de geschiedenis of zelfs in de evolutie of de wording van het heelal? En zo ja, hoeveel messiassen en revolutie-predikers moeten er nog vermoord worden voordat die eindbestemming is bereikt? Hoe vaak moet de waarheid nog gesmoord worden in een aperte leugen? Hoeveel onrecht moet er nog worden begaan, voordat het recht zal zegevieren. Hoeveel kometen moeten er nog inslaan op de aarde, voordat alle leven op deze planeet is uitgestorven? Hoeveel zonnen moeten er nog uitdoven? Hoeveel sterrennevels moeten nog in zwarte gaten verdwijnen? En toch, wat er ook moge gebeuren aan aardse of kosmische kalamiteiten, de vraag die uiteindelijk bovenkomt is de volgende.

Zal de kracht van het leven niet altijd sterker zijn, op weg naar een eindbestemming?

Misschien is dit inderdaad zo, maar dan wel met deze kanttekening dat de mens zich deze eindbestemming niet mag toe-eigenen, want dan volgen weldra de moord en de doodslag, waarmee de geschiedenis tot nog toe bezaaid is geweest. Niet alleen omwille van welke god dan ook staan mensen elkaar naar het leven, maar ook omwille van de richting van de geschiedenis. Op weg naar het einde wisselen de slaaf en de meester elkaar af op slagvelden en strijdtonelen. We hebben wellicht een doel, maar we mogen het niet weten, laat staan daarnaar handelen. Zo bezien is het lot van de mens een tantaluskwelling. Hij weet van een bestemming die hij nooit te weten zal komen. Liefde is blind zoals ook de geschiedenis. Of zoals Roland Holst ooit dichtte:

Ik zal de halmen niet meer zien
noch binden ooit de volle schoven,
maar doe mij in de oogst geloven
waarvoor ik dien…

Geen reactie mogelijk