Jacques Presser en zijn Ondergang

Ongetwijfeld schreef Presser in de oorlog een 
dagboekroman, maar ik vraag me af of Homo 
submersus zoals het nu voor ons ligt, niet een la
ter bijgewerkte versie daarvan kan zijn. Net als 
’De nacht der Girondijnen’ over Westerbork kan de
ze versie gefungeerd hebben als aanloop naar 
’Ondergang’ en geschreven zijn met de kennis die 
hij tijdens zijn onderzoek daarvoor vergaarde. 
Was bijvoorbeeld in 1943 in brede kring bekend 
dat de naar Polen afgevoerde Joden in gaska
mers werden vernietigd? Geruchten daarover 
worden in de roman door onderduikers bespro
ken op 27 juni van dat jaar. En wat te denken 
van Kobus’ oordeel over de leiders van de Joodse 
Raad, dat vrijwel identiek is aan dat van Jacques 
Presser in ‘Ondergang’ 22 jaar later?  ‘Homo submersus’ laat mij achter met twijfels. Het is geen authentiek dagboek, maar ook geen 
geslaagde roman. Het is een voorafschaduwing 
of afgeleide van ‘Ondergang’ en als zodanig voor 
namelijk voor onderzoekers de moeite waard.

Dat schreef Elsbeth Etty tien jaar geleden naar aanleiding van het verschijnen de roman Homo submersus (de ondergedoken mens). Het is een gefingeerd dagboek dat Jacques Presser in de late oorlogsjaren zou hebben geschreven, toen hij ondergedoken zat op de Veluwe. In het boek roept een uiterst negatief beeld op van de mensen die Presser onderdak hadden geboden. Later dook het typoscript op, maar er rijzen vragen over de authenticiteit. Werd dit boek inderdaad in de oorlog geschreven of pas veel later? Heeft Presser misschien gebruik gemaakt van bronnen die hij onder ogen kreeg tijdens zijn onderzoek naar de Jodenvervolging in Nederland? Hoe betrouwbaar was eigenlijk de historicus Presser bij het gebruik van deze bronnen? Heeft hij zijn eigen dagboek kort na de oorlog inderdaad aangeboden aan een uitgever? Nico Markus, de bezorger van de tekst, beweert van wel. Hij zou zelfs over een afwijzingsbrief beschikken, maar de uitgever wordt door hem niet met name vermeld. De biograaf van Presser – Nanda van der Zee – is het oorspronkelijke typoscript van Homo submersus op last van Presser door diens weduwe destijds verbrand. De uitgave van het boek komt volgens de biograaf als een volkomen verrassing. Bij haar weten is het typoscript door Presser nooit aan een uitgever aangeboden en bestaat er dus ook geen afwijzingsbrief.

In 1970 zag ik de documentaire Dingen die niet voorbijgaan van Philo Bregstein over Jacques Presser op tv. Presser was twee weken daarvoor overleden. Het was een lang en indrukwekkend gesprek dat later ook in boekvorm is uitgegeven. Zelf heb ik in 1968 nog colleges gevolgd bij Presser en hem zo van nabij mogen meemaken. In die colleges vertelde hij over de totstandkoming van zijn boek Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945.  Toen dat boek in 1965 verscheen sloeg het in als een bom. Binnen acht maanden waren er al 140.000 exemplaren van verkocht. Pas vanaf toen werd de impact van de oorlog in Nederland allereerst geassocieerd met het drama dat de Joden overkomen was. 

Hoe is het om zo’n boek te schrijven, waarvoor je eerst een grote emotionele blokkade moet overwinnen? In het interview dat Bregstein met Presser had kwam de aap uit de mouw. Het uitbreken van de oorlog betekende en enorme schok voor hem. Presser deed zelfs een zelfmoordpoging. Zijn baan aan het Vossiusgymnasium in Amsterdam moest hij opgeven en hij werd tijdelijk leraar aan het Joods Lyceum. Daar – zo vertelde hij in een van zijn colleges – heeft hij korte tijd ook Anne Frank als leerling gehad, totdat de familie Frank in 1942 onderdook in Het Achterhuis.

De vrouw van Presser werd begin 1943 betrapt met een vals persoonsbewijs en via het doorgangskamp Westerbork als strafgeval naar het vernietigingskamp Sobibor getransporteerd, waar ze om het leven werd gebracht. Presser zelf dook daarna onder en overleefde op wonderbaarlijke wijze de oorlog. Het verlies van zijn vrouw heeft hem voor zijn verdere leven getekend. In het interview met Bregstein kwam het gesprek onherroepelijk op deze dramatische gebeurtenis. Presser probeerde het kort en sober te vertellen, maar zoals zo vaak gebeurt, als een oorlogsslachtoffer zijn ervaringen voor de camera moet prijsgeven, het lukte niet. Hij brak. De camera moest stoppen en Presser probeerde het opnieuw. Maar wederom brak hij in tranen uit bij de zin: ‘Ik heb haar laten gaan…’

Na de televisie serie De Bezetting van Lou de Jong heeft juist het boek Ondergang van Presser veel bijgedragen aan de bewustwording van Nederlanders van wat er eigenlijk was gebeurd in de oorlog. Het sprookje van een dapper Nederland dat zich als één man had verzet tegen de Duitsers werd definitief ontmanteld. Jan Blokker heeft ooit beweerd dat Pressers geschiedenis van de Jodenvervolging de rebellie inluidde van de jaren zestig, een opstand tegen elke vorm van loos gezag. Ik weet niet of die laatste bewering van Blokker klopt. Hij lijkt me wat over de top, eerlijk gezegd. Hoe het ook zij, het sprookje van destijds over het dappere Nederland heeft inmiddels plaatsgemaakt voor een ander verhaal. Het verhaal van het Nederland dat niets deed en de joden zomaar liet wegvoeren zonder een poot uit te steken. Ik heb de oorlog niet meegemaakt, dus ik kan er ook niet over oordelen. Ik ben afhankelijk van anderen, op wiens oordeel ik af moet gaan. Op het oordeel van Presser bijvoorbeeld, wiens boek Ondergang.

Presser was door zijn oud-leerling Lou de Jong al in 1950 gevraagd of hij een boek over de Jodenvervolging wilde schrijven. Hij was niet de eerste kandidaat voor die opdracht, juist omdat hij zijn vrouw in de oorlog had verloren. De Jong had ook lang getwijfeld of hij het wel moest doen. Het was ook zeer de vraag of hij voldoende wetenschappelijke distantie tot het onderwerp zou kunnen behouden. Presser heeft jarenlang met een writersblock te kampen gehad. Dan zat hij doelloos uit het raam te staren in het toenmalige Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie aan de Herengracht in Amsterdam. Er kwam geen letter op papier. Hij had alleen maar stapels dossiers voor zich. Pas nadat hij in 1957 De nacht der Girondijnen schreef – een novelle op basis van persoonlijke herinneringen aan het kamp Westerbork – kon hij met het schrijven van Ondergang beginnen.

Onlangs vond ik mijn collegedictaten van Presser uit 1968 terug en ben ik die nog eens na gaan lezen. Maandenlang sprak Presser elke week twee uur lang over het schrijven van Ondergang. Het eerste uur over de methodologische aspecten van een dergelijke onderneming, over het gebruik van schriftelijke en orale bronnen bijvoorbeeld. Het tweede uur over de persoonlijke aspecten. Op een keer had Presser hij Lou de Jong uitgenodigd om in het tweede uur te vertellen over zijn methodisch ervaringen bij het schrijven van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, waarvan in 1969 het eerste deel zou verschijnen en pas in 1994 het laatste. Ook kwam het voor dat er mensen aanwezig waren met een bandrecorder die de colleges van Presser opnamen. Vooral toen hij vertelde over zijn ervaringen met Anne Frank, wat opnieuw heftige emoties bij hem opriep.

Film still van Anne Frank op het Merwedeplein ( zie hier

Anne Frank woonde in het begin van de oorlog in de Rivierenbuurt, achter de zogeheten ‘Wolkenkrabber’ op het Merwedeplein. Gerard Reve heeft haar misschien ooit wel gezien want hij woonde destijds niet ver hier vandaan aan de Jozef Iraëlskade. Zowel Gerard Reve als Anne Frank hebben in ieder geval van dezelfde leraar geschiedenisonderwijs gehad. Zoals gezegd, Jacques Presser gaf les op het Vossiusgymnasium, waar Reve op school zat, en in het begin van de oorlog op het Joods Lyceum, waar Anne Frank haar lessen volgde. Reve schrijft in Moeder en Zoon (1980) overigens niet zo positief over Presser, die een overtuigd atheïst was en ooit in een les te keer ging toen hij in een enquete over geloof en ongeloof had gelezen dat er ook ‘maanaanbidders’ bestonden. 

Mijn college-aantekeningen van Presser heb ik geprobeerd samen te vatten in onderstaande tekst.

*

De eerste taak van het Nederlands Instituut van Oorlogsdocumentatie was van heuristische aard en bestond uit het bijeen brengen van bronnen, het ordenen en beschrijven daarvan en vervolgens het gebruiken van dat materiaal. Lou de Jong is meteen na de oorlog begonnen om de alle officiële documenten bijeen te zoeken. De archieven van Nazi-Duitsland lagen kort na de oorlog voor het grijpen. Er moest een bibliotheek worden aangelegd. Zo werden zo’n 15.000 boeken en een kleine 10.000 brochures en soortgelijk werk bijeen gebracht. Voorts kwamen zo’n 12000 dagboeken boven water, een grote collectie waarvan het merendeel betrekking had op ervaringen in concentratiekampen. De vereiste afstand van de historicus die zich bezig houdt met hedendaagse geschiedenis is een moeilijke zaak, temeer als hij zelf nauw betrokken is geweest bij het gebeuren. De historicus heeft als taak om als een soort ‘zwarte kunstenaar’ de doden de bezweren, om ze als het ware tot een dialoog op te roepen. Etre fuite ce n’est pas vivre, c’est survivre. De doden mogen niet de mond gesnoerd worden door de ‘overlevenden’ die daar belang bij hebben. De historicus spreekt dan ook mede namens de doden. Hij moet zich realiseren dat hij alle dingen waardoor hij geschokt wordt door de hele geschiedenis heen al eens eerder zijn gebeurd. Hij moet dus relativeren.

Joden houden over het algemeen minder dagboeken bij dan andere mensen. Het dagboek is een fenomeen dat vooral in de Europese cultuur zich heeft aangediend. De eerste dagboeken dateren uit het eind van de Middeleeuwen. Ook in Japan kwamen in vroeger eeuwen al dagboeken voor, vooral van hofdames. Presser verbindt de opkomst van het dagboek met een veranderende beleving van de tijd. De tijdsbeleving is vroeger anders geweest dan nu. Henri Bergson spreekt van la durée, de natuurlijke tijd, de tijd van de seizoenen die iedereen anders ervaart en le temps, de wereldse tijd, de tijd van klokken en van zakagenda’s, de tijd ook van koopwaar – time is money.

Aan het eind van de Middeleeuwen werden de mensen gekoppeld aan de voorgeschreven tijd. Tegelijk met deze doorbraak kwamen de kalenders, de precieze dateringen, de scheepsjournaals en de dagboeken in de wereld. In situatie van extreem isolement is een mens eerder geneigd om een dagboek te gaan schrijven. In het getto van Warschau bijvoorbeeld zijn tientallen dagboeken geschreven. In de twintigste eeuw zijn er relatief veel Joodse dagboeken geschreven. In de negentiende eeuw veel minder. Philip Mechanicus schreef een dagboek in kamp Westerbork (het kamp waar ook de vrouw van Presser in  terecht kwam). Het bekendste dagboek uit de oorlogsjaren is het dagboek van Anne Frank. De Anne-Frank-cultus die daaromheen ontstond is niet los te denken van emoties en sentimenten.

Belangrijk voor de historicus  is de manier waarop getuigen aan het spreken worden gebracht. Het gaat daarbij niet alleen om de ooggetuigen, maar ook de doden te laten spreken. Sijes is dit gelukt in zijn publicaties over de Februari-staking en de razzia’s in Rotterdam. De onderzoeker moet afgewogen beslissing nemen over zijn methodiek van interviewen. De vraag dient zich aan of hij aantekeningen moet maken in steno of gebruik moet maken van een bandrecorder. Aan beide methoden zijn voor- en nadelen verbonden en afhankelijk van de situatie moet een keuze worden gemaakt. Met een bandrecorder hoor je mensen hakkelen en schreeuwen. De emotionele impact van de getuigenis wordt op deze wijze ook vastgelegd.

Ook stelt Presser zich de vraag in welke mate belletrie in het algemeen als bron kan worden gebruikt. Daarbij doelt hij niet op de historische roman, de histoire romancée, zoals Salammbô van Flaubert, die zeer nauw de historische feiten volgt. Die feiten worden echter verzacht en geromantiseerd. Huizinga sprak in dit verband van ‘sacharine.’ Wat de oorlog betreft zijn een aantal romans van belang. Presser noemt daarbij Bevrijdingsfeest en Pastorale van Simon Vestdijk, De laars op de nek van Maurits Dekker, De donkere kamer van Damocles van W.F. Hermans. Een gedicht over ervaringen in Auschwitz’ van Gré van Amstel, De dreiging van Helma W. Kats, De sterrenkinderen van Clara Asscher-Pinkhof, Het wilde feest van Adriaan van der Veen, De ondergang van de familie Boslowits van G. K. van het  Reve en Het bittere kruid van Marga Minco.

*

Tot zover een greep uit mijn aantekeningen van destijds. Het is moeilijk om hieruit een conclusie te trekken die enig licht werpt op de  kwestie omtrent Pressers eigen oorlogsdagboek. Al met al kun je uit Pressers woorden concluderen dat feit en fictie voor de historicus nooit geheel te scheiden zijn. Hij heeft met beide te maken als hij naar bronnen zoekt, wat natuurlijk niet wil zeggen dat je de feiten naar je hand mag zetten door fictie tot feit te promoveren. Het is niet gezegd dat Presser dit destijds bij het schrijven van zijn boek Ondergang heeft gedaan, maar de uitgave van zijn eigen oorlogsdagboek roept wel een paar ongemakkelijke vragen op.

Tot slot nog deze andecdote die Presser ooit tijdens zijn colleges vertelde. Het gaat over een periode dat hij te kampen had met een writersblock. Op een dag zat hij aan het raam in zijn werkkamer van het NIOD. In het grote grachtenpand aan de overkant was ook een kantoor gevestigd. Er waren drie grote ramen daar. Links zat – elke dag weer — een vrouw achter een bureau, rechts een man. In het raam in het midden was niets te zien. Elke dag weer was er nauwelijks beweging te bespeuren in dit strakke, symmetrische patroon. Op een dag echter, dat Presser weer uit het raam zat te staren, zag hij opeens beweging aan de overkant. De man en de vrouw stonden beiden gelijktijdig op, liepen naar het midden en gaven elkaar een kus. Ze bleven even daar staan, voor het middelste raam, om vervolgens weer terug te keren en hun bureauwerk te hervatten. Presser noemde het als een absurd voorval dat hem nog lang was bijgebleven. Het was ogenschijnlijk niets bijzonders, maar voor hem betekende het heel veel. Toeval of niet, dit moment markeerde het einde van zijn writersblock. Het was of zich een wonder voltrok.

2 Reacties

Hitler en de secularisatie

‘Als tussen 1938 en 1945 paus Pius XII, geheel gehuld in het wit en met zijn bekende gespreide armen, in een pausmobiel aan de poort zou hebben gebonsd van Dachau, Auschwitz of Theresienstadt, dan zouden velen daarbuiten en velen daarbinnen de woorden hebben geroepen waarmee allen op die Romeinse Synode in 495 paus Galesius toejuichten: ‘Vicarium Christi te videmus!’ (Wij zien u als plaatsbekleder van Christus).’

Deze woorden van de jezuïet Jan van Kilsdonk worden aangehaald door Jan Bank in zijn boek God in de oorlog, De rol van de Kerk in Europa 1939-1945. Het is een doorwrochte studie van meer dan 700 pagina’s die in 2015 is verschenen. Hierin wordt niet alleen ingegaan op de rol van de Katholiek Kerk, maar ook op die van de oosterse orthodoxie, het lutheranisme en het calvinisme. En dat in alle uithoeken van Europa: van Spanje tot Finland, van de Balkan tot Noorwegen. Dit boek heeft mijn blik verruimd als het gaat om de relaties tussen het christendom en de Tweede Wereldoorlog. Toch kwam er gaandeweg ook een vraag bij mij bovendrijven. In de inleiding schrijft Bank het volgende:

 ‘Dat er zo’n vergelijkende synthese nog niet eerder is gepubliceerd, kan wellicht ook samenhangen met het feit dat de secularisatie in de jaren zestig van de vorige eeuw afbreuk heeft gedaan aan de relevantie van het onderwerp.’

Alweer die jaren zestig. Soms lijkt het wel of dit roerige decennium, waarin heel Nederland op de schop ging en God zelfs uit Jorwerd verdween, nog belangrijker is geweest dan de oorlogsjaren, zeker voor de generatie van de babyboomers. Voor alle duidelijkheid: Jan Bank is geen babyboomer. Hij is zeven jaar ouder dan ik en werd geboren op de dag dat de Duitsers ons land binnenvielen, op 10 mei 1940. De latere historicus moet dit als een voorteken hebben gevoeld. In een interview in het Historisch Nieuwsblad (juni 2000) verklaarde hij dat hij opgroeide in een ‘klein katholiek gezin, in het chique Amsterdam-Zuid tegenover het Concertgebouw.’

Met die kennis in het achterhoofd ben ik dit boek anders gaan lezen. Net als Jan Bank zat ik zelf ooit ook op het Ignatiuscollege in Amsterdam-Zuid, waar jezuïeten als Jan van Kilsdonk en Huub Oosterhuis godsdienstles gaven. De vader van Jan Bank was koordirigent in de nabijgelegen Obrechtkerk en gaf les in de klassieke talen aan het Nicolaas-lyceum, waar ik zelf ook nog een blauwe maandag in de schoolbanken zat. Drie leraren van het Nicolaaslyceum, Bank, Pijls en Veldman, die een volle neef was van mijn vader, hadden hun zonen op het Ignatiuscollege.

Vooropgesteld moet worden dat ik God in de oorlog met belangstelling en soms ook met bewondering heb gelezen. Jan Bank deed geen nieuw archiefonderzoek, maar beperkte zich tot de reeds bestaande literatuur. Toch moet het een titanenonderneming zijn geweest om al die historische gegevens tot een synthese samen te voegen. Waarom begin je aan zoiets? De verborgen vraag van dit boek raakt een heikele kwestie. Hebben de christelijke kerken zich wel genoeg verzet tegen het uitmoorden van de Joden in Europa? Jan Bank lijkt zelf geen morele oordelen te willen vellen, maar hij laat de feiten voor zichzelf spreken. Het lijkt mij niet toevallig dat in bovengenoemd citaat dat morele oordeel aan een ander wordt overgelaten, in casu zijn oude godsdienstleraar pater van Kilsdonk.

Na de geruchtmakende affaire rond het toneelstuk Der Stellvertreter van de Duitser Rolf Hochhuth in 1963 kon paus Pius XII voor menigeen geen goed meer doen. De jaren zestig zorgden ook in dat opzicht voor en boedelscheiding. Hoe was het mogelijk dat ‘de plaatsbekleder van Christus op aarde’ zo vaak gezwegen heeft? Werd zijn uiterst prudente houding, waarmee hij erger wilde voorkomen, uiteindelijk niet het symbool voor een moreel bankroet van het christendom dat zich in de Tweede Wereldoorlog heeft aangediend? Die basale vraag wordt door Jan Bank niet expliciet gesteld, maar zijn boek roept hem wel op. Het is ook een vraag die mij persoonlijk al tijden bezig houdt.

Jan Bank laat zien dat Pius XII niet de enige geweest die zich behoedzaam heeft opgesteld. ‘Geen van de kerkelijke opperbevelhebbers van Europa heeft direct en onomwonden geprotesteerd tegen de Jodenvervolgers,’ zo luidt zijn belangrijkste conclusie. Maar dat wil niet zeggen dat er uit zijn boek een eenduidig beeld oprijst. Het hing er sterk vanaf welke rol de Duitse bezettingsmacht opeiste of juist overliet aan bondgenoten en welke ruimte aan de kerkelijke instituties nog geboden werd. 

In Oost-Europa was de situatie heel anders dan in het Westen. Het nationaalsocialisme is niet te begrijpen zonder de aanhoudende dreiging van het bolsjewisme na de Russische Revolutie. Bovendien waren het volgens velen juist de Joden geweest die niet alleen het mateloze materialisme in de hand hadden gewerkt, maar ook het zaad van de bolsjewistische revolutie hadden gezaaid.

De kerkvervolging van Stalin was meedogenloos geweest totdat hij de kerken zelf nodig had. Angst voor het goddeloze bolsjewisme is bij kerkelijke leiders groot geweest, en zeker ook bij paus Pius XII. Het hemd was dan ook vaak nader dan de rok. Men was bang voor de eigen instituties die diep in de maatschappijen verankerd waren. Jan Bank meldt in zijn inleiding dat er in dat verband wel gesproken wordt van ‘het Tweede Confessionele Tijdperk in Europa’ (het eerste was dat van de Reformatie). Zowel Hitler en Stalin hebben die maatschappelijke verankering van het christendom totaal willen vernietigen, naar dat kon niet op stel en sprong. Men had de bevolking nodig zolang de oorlog duurde. Juist die wederzijdse gijzeling leidde bij kerkelijke leiders niet zelden tot een ‘dans met de duivel’ met alle morele dilemma’s van dien.

Daar kwam bij dat in veel landen de Kerk verbonden was geraakt met de staat, wat wonderlijke conjuncties teweeg bracht tussen enerzijds de staats- en leidersidolatrie in het nationaalsocialisme en het fascisme en anderzijds een hiërarchische en corporatieve ideeën over de inrichting van de maatschappij die met name het katholicisme had voortgebracht. Democratie werd door het Vaticaan pas omarmd op aandrang van de geallieerden, toen duidelijk was geworden dat Hitler de oorlog niet meer kon winnen.

En dan zijn er nog de theologische blokkades die veel protestants-christelijken moesten overwinnen om in verzet te komen tegen het staatsgezag of om geweld te legitimeren. Wie de Bijbel al te letterlijk las kon al gauw op een dwaalspoor komen, vooral als het ging over de Joden die een historische schuld zouden hebben aan de kruisiging van Christus. In Mattheus 27:25 stond immers geschreven: ‘En al het volk antwoordde en zei: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen.’

Ondanks al die belemmeringen waren er ook vormen van heroïsch verzet die juist door het christendom geïnspireerd werden. Zo was er de Bekennende Kirche in Duitsland met Dietrich Bonhoeffer als inspirerend voorbeeld. In Noorwegen bood de lutheraanse bisschop Eivind Berggrav hardnekkig weerstand. Er waren ook katholieke bisschoppen die protest aantekenden zoals Clemens von Galen van Münster en Konrad von Preysing van Berlijn. Zelfs aartsbisschoppen zoals Jules-Gérard Salièges van Toulouse en Johannes de Jong van Utrecht lieten de stem van het geweten spreken. En tenslotte waren er ook mystici die de weg naar het verzet vonden, zoals Titus Brandsma en Edith Stein. Ze stierven als nieuwe martelaren in de concentratiekampen, zoals ook de Poolse pater Maksymillian Kolbe. Illustratief in de studie van Jan Bank zijn de intermezzo’s met korte biografieën van dit soort lichtende voorbeelden.

God in de oorlog is een boek dat je niet loslaat ook al valt het vaak zwaar om te lezen hoeveel wreedheden er nog niet zo lang geleden zijn begaan in alle uithoeken van het Avondland. ‘Dit was mogelijk in Europa’, schreef Menno ter Braak. We kunnen er nu aan toevoegen: ‘Dit was mogelijk terwijl de Kerken vaak hebben gezwegen’. Het christendom is in de oorlog geen gewaarborgd kompas gebleken voor het morele handelen. Omgekeerd heeft de Kerk juist in die benarde jaren voor velen een houvast geboden, al was dat misschien vooral als vluchtoord voor het verlangen naar normaliteit. De kerken zaten vol, niet in de laatste plaats omdat men daar een ander geluid kon horen, een geluid dat zicht bood op een nieuwe wereld in een tijd dat de oorlog voorbij zou zijn.

Bij het lezen van dit boek dwaalden mijn gedachten onwillekeurig af naar mijn eigen jeugd. Ik moest denken aan de vroege jaren zestig, toen ik in de schoolbanken zat op het Ignatiuscollege, waar mijnheer Fontaine ons op indringende wijze verhalen vertelde over de oorlog. Jan Bank (1940) moet toen ongeveer net met zijn universitaire studie zijn begonnen. Even heeft hij nog overwogen om geneeskunde te gaan studeren, maar – zo verklaarde hij in hetzelfde interview in het Historisch Nieuwsblad – mede onder invloed van diezelfde mijnheer Fontaine koos hij uiteindelijk voor geschiedenis. Jan Bank was overigens de eerste auteur die benaderd werd om de geschiedenis van het Ignatiuscollege te schrijven. Dat werd uiteindelijk ’n eeuw IG, het Ignatius in de jaren 1895 tot 1995, het boek waaraan onderstaande foto is ontleend. Jan Bank was echter te laat voor de grote IG-reünie van 1995, en toen heeft Paul Verberne het op het laatst overgenomen.

Docentencorps, Sint Ignatiuscollege 1966 (nummer 30 is Piet Fontaine)

Maar terug naar mijnheer Fontaine. Hij was een kleurrijke man die later professor zou worden en die bij zijn overlijden in 2012 door Willem Otterspeer ‘de geleerdste man van Nederland’ werd genoemd. Fontaine had ook een zesdelig leerboek voor het middelbaar onderwijs geschreven: Van oermens tot wereldburger, waarvan er – volgens Otterspeer – door de jaren heen zo’n 75.000 exemplaren zijn verkocht. De geschiedenis was in zijn ogen een bijna Bijbels epos met eschatologische dimensies. Later schreef hij een doorwrochte  studie over het historisch dualisme van goed en kwaad, die in 21 delen door de jaren heen het licht zag: The Light and the Dark: a Cultural History of Dualism. Als de ‘allesweter’ Willem Otterspeer iets niet weet, haalt hij nog altijd een deel van deze reeks uit de kast om het op zoeken.

Wonderlijk is dat Jan Bank in zijn boek nergens verwijst naar het werk Fontaine. Ander historici die over vergelijkbare onderwerpen publiceerden deden dat wel. Jan Oegema bijvoorbeeld besteedt in zijn boek Een vreemd geluk, publieke religie rond Auschwitz (2003) wel degelijk aandacht aan de Hitler-studie van Fontaine. Oegema wijdt zelfs een heel hoofdstuk aan ‘De God van Hitler’. Al moet gezegd dat Oegema het Hitler-boek van Fontaine wel wat wonderlijk interpreteert. In zijn optiek zou Fontaine de mythos van de publieke religie rond Auschwitz rechtstreeks op Hitler hebben overgeplant door hem neer te zetten als ‘een faustiaanse theoloog’.

Dat is iets teveel eer voor Fontaine, die veeleer wilde wijzen op de religieuze wortels van de met een zondebesef opgevoede Adolf Hitler, die uiteindelijk ‘het menselijk geweten’ wilde afschaffen als een Joodse uitvinding, maar achteraf bezien pas in 1934, na de moordpartij in ‘De nacht van de lange messen‘, zijn eigen geweten definitief aan de kant schoof. ‘God in de oorlog’ heeft dus ook alles met Hitler te maken. Hoe dan ook, als de veronderstelling van Jan Bank serieus valt te nemen, dat de secularisatie van de jaren zestig mogelijk afbreuk heeft gedaan aan de relevantie van het onderwerp ‘God in de oorlog’, dan zou op zijn minst een minimale verwijzing naar zijn oude geschiedenisleraar op zijn plaats zijn geweest.

Het was immers juist Fontaine die heeft aangetoond dat de secularisatie onze blik op de Tweede Wereldoorlog heeft vertekend. Hij heeft daar in zijn boek Hitler verklaard (1992) opmerkelijke dingen over beweerd. Fontaine spreekt dan over de geschiedenis als een ‘positivistisch, rationalistisch en geseculariseerd bedrijf’. Buiten de grenzen van dit ontheiligde domein waagt de historicus zich doorgaans niet. Daardoor heeft hij hij geen oog voor wat Fontaine noemt ‘het tragische, de mythe, het mysterieuze, de religie, het esoterische’.

Dat alles leidt ertoe dat bij het ‘fenomeen Hitler’ juist de kern van de zaak onzichtbaar blijft. Ik denk dit niet alleen op gaat voor Hitler, maar voor meer onbenoembare krachten die meespeelden bij de totale ontsporing van de moderniteit in de eerste helft van de twintigste eeuw. Hitler was van huis uit katholiek en had degelijk katholiek onderwijs genoten – net als Jan Bank en ik – tijdens dat ‘Tweede Confessionele Tijdperk’ dat tot midden jaren zestig heeft geduurd. Ook Stalin was nog opgevoed met God en gebod. Het kon zelfs zo zijn, zo stelt Jan Bank, dat elf jaar onderwijs in kerkelijke scholen en op het seminarie bij Stalin een zorgvuldig verborgen ontzag voor de Kerk had achtergelaten. Toch wilde Stalin – evenals Hitler – bij al zijn dadendrang voor alles het geweten van de mens afschaffen.

Het gaat niet alleen om wat we als historicus kunnen beschrijven en zo mogelijk rationeel kunnen verklaren, maar ook om wat wel ‘het sublieme karakter van de Holocaust’ wordt genoemd, het on-representeerbare, datgene wat zich aan al ons begrip onttrekt. Door mijnheer Fontaine ben ik uiteindelijk gaan beseffen dat de religie in al zijn – al dan niet demonische – verschijningsvormen en vaak verhuld in de schaduw van een totalitaire ideologie, een drijvende factor is geweest in het drama van de Tweede Wereldoorlog in het algemeen en de Holocaust in het bijzonder.

Fontaine beweert dat Hitler een nieuwe religie wilde stichten en een soort kosmische omkering van de geschiedenis en wereldorde nastreefde. Daarvoor moest de transcendente, monotheïstische God, die de Joden hadden uitgevonden, verdwijnen. Zoals gezegd, met deze God hadden de Joden het geweten gecreëerd, het besef van goed en kwaad. De Holocaust had dus in diepste wezen een theologisch motief. Hitler wilde eerst de Joden vernietigen en daarna zouden de christenen aan de beurt komen. De paus zou uiteindelijk worden opgehangen op het Sint Pietersplein in Rome, zo had Hitler beweerd. Maar eerst moest met de Joden het kleed onder het christendom vandaan worden getrokken.

Maar juist dat apocalyptisch doembeeld ontbreekt in de zorgvuldige en feitelijke analyses van Jan Bank. Toen ik zijn boek had dichtgeslagen heb ik lange tijd uit het raam zitten staren. Vreemde vragen schoten mij opeens door het hoofd. Hoe zouden wij ons nu gedragen in een oorlog zonder God? Is de snelle secularisatie van de jaren zestig niet onbedoeld de bekroning geweest van het ideaal dat Hitler voor ogen stond: een wereld zonder transcendente God die verankerd ligt in het geweten van de mens? Had mijnheer Fontaine dan toch gelijk? 

Uiteindelijk besloot ik om Jan Bank een mail te sturen met de vraag waarom hij mijnheer Fontaine niet heeft genoemd, zelfs niet in een voetnoot. ‘Neemt u zijn ideeën bij nader inzien niet meer serieus?’ vroeg ik. ‘Het is maar een vraag, die overigens niets afdoet aan de vele nieuwe inzichten die u mij met uw boek heeft bijgebracht.’ Daarnaast vroeg ik aan Jan Bank, waarom hij in zijn lijvige boek zo weinig aandacht had besteed aan Adolf Hitler, die – als we Fontaine mogen geloven – erop uit was geweest om een nieuwe religie te stichten. ‘Uit Parsival bouw ik mijn godsdienst’ had Hitler ooit gezegd. Alleen daarom al zou hij het betoog God in de oorlog een plaats verdienen.

Ik hoefde nog geen dag te wachten of ik kreeg antwoord. Jan Bank liet weten dat hij goede herinneringen bewaart aan zijn beide leraren geschiedenis op het Ignatiuscollege. Naast mijnheer Fontaine was er ook nog mijnheer Rooymans, die een echte onderwijzer was met een manifeste voorkeur voor de eenheid der Nederlanden en de Groot-Nederlandse gedachte. Piet Fontaine was in zijn ogen een bijzondere docent die hij ook later nog regelmatig heeft ontmoet. Dankzij zijn assistent Willem Otterspeer zou Fontaine in de media enigszins bekend zijn geworden. Maar eenmaal op de universiteit werd Fontaine in de ogen van Jan Bank overvleugeld door de hoogleraar Presser die indrukwekkend college kon geven en bij wie hij uiteindelijk is afgestudeerd. En wat Hitler betreft kon Jan Bank kort zijn:

‘Het boek “De onbekende Hitler” heb ik niet gebruikt. Dat geldt eigenlijk ook voor andere biografieën. De reden is, dat ik mij concentreerde op collectiviteiten in de godsdienst; in plaats van personen de breedte. Ik heb bij wijze van interruptie van het betoog wel zo nu en dan kleine biografieën geschreven van personen, die een zeker voorbeeld zijn geworden. Maar Hitler was daar niet bij.’

Zo kwam ik dat ik Hitler in zijn boek heb gemist. God in de oorlog zonder Hitler, dat blijft volgens mij een wat wonderlijke zaak. Het zou me niet verbazen als ook dit verband juist door de secularisatie uit beeld is geraakt. Juist dat had Piet Fontaine al in het begin van de jaren negentig beweerd. Tegen de tijdgeest in, dat wel. De secularisatie vaagt uiteindelijk alles weg, zelfs de herinnering aan zichzelf, als een ijsbeer die met zijn staart zijn sporen wegwist in de sneeuw.

(Deze tekst is een bewerking van een artikel dat verscheen in De Moanne in 2015)

Reageer

In de schaduwen van Hitler

Al weer zo’n maand of twee, drie ben ik mij aan het verdiepen in het fenomeen Adolf Hitler. In mijn werkkamer stapelen de boeken zich op die ik inmiddels verzameld heb. Over Hitler zijn hele bibliotheken volgeschreven, maar wonderlijk genoeg lijkt dit onderwerp anno 2020 niet echt in de mode. De meeste boeken over hem zijn tegenwoordig antiquarisch voor een habbekrats te koop. Of we dat nu leuk vinden of niet, Hitler is een cliché geworden. Of beter gezegd: een archetype.

Dit archetypische beeld is losgeweekt van de persoon Hitler en een eigen leven gaan leiden. Het beeld staat inmiddels voor heel iets anders: het absolute kwaad, de onontkoombaarheid daarvan, de fatale attractor die als de rattenvanger van Hamelen onschuldigen in het ongeluk stort en al het kwaad van de wereld naar zich toe trekt, de geesteszieke tiran die een golf van menselijk lijden over de wereld uitstort… en ga zo maar door.

Ondertussen kruipt Hitler elke dag meer in mijn gedachten. Soms denk ik wel eens, wat moeten de mensen wel denken: ‘Gaat het wel goed met die jongen?’ Nog even en ik zie Hitler overal, alsof hij zomaar weer de hoek om komt lopen, zoals in de film Er ist wieder da! Je moet ook oppassen om niet overal gelijkenissen met Hitler te gaan zien. In de waanzin van Donald Trump bijvoorbeeld, of in het narcissme van Thierry Baudet…. een foute vergelijking is zomaar gemaakt en voortaan ben je lijstduwer in plaats van lijsttrekker. Hoe dan ook, het fenomeen Hitler werp nog altijd zijn schaduwen over wereld. Toch zijn weinigen er zich van bewust hoe lang die schaduwen wel niet zijn.

Dat was in de jaren dertig wel anders. Van de week ben ik begonnen met het herlezen van het boek In de schaduwen van morgen van Johan Huizinga. Eigenlijk zou je dit boek elk jaar opnieuw moeten herlezen, al was het maar omdat het nog altijd actueel is, misschien zelf steeds actueler wordt. Huizinga schreef het in 1935, twee jaar nadat Hitler aan de macht kwam en het was in veel opzichten een profetisch boek, want Huizinga voorspelt de ramp waar het nazisme op uit zou lopen. Alleen al de openingszin bevatte een voorspelling:

‘Wij leven in een bezeten wereld. En wij weten het. Het zou voor niemand onverwacht komen, als de waanzin eensklaps uitbrak in een razernij, waaruit deze arme Europese mensheid achterbleef in verstomping en verdwazing, de motoren nog draaiende en de vlaggen nog wapperende, maar de geest geweken.’

In 1999, het jaar waarin de hele wereld in de ban was van de komende millenniumwende heeft de redactie van het toenmalige periodiek PRAKTIKABEL deze beroemde openingszin van Huizinga voorgelegd aan een aantal prominente Nederlanders. De woorden moesten als inspiratiebron dienen voor een preek voor het nieuwe millennium. Deze preken zouden in januari 2000 in de Grote Kerk van Leeuwarden vanaf de kansel worden uitgesproken. Maar het is er nooit van gekomen. Hoewel er positieve reacties binnenkwamen van bevlogen mensen als pater van Kilsdonk S.J. en Louis le Roy was er uiteindelijk toch te weinig animo. Jaap de Hoop Scheffer, Hans van Mierlo en tal van andere politici, schrijvers en kunstenaars waren om verschillende redenen verhinderd.

Het boek In de schaduwen van morgen werd een paar jaar geleden opnieuw uitgegeven. Uitgeverij Aspekt vond het tijd de klassieker te laten bewerken en van een nieuwe inleiding te voorzien. Dat werd gedaan door George Harinck, hoogleraar geschiedenis aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Kennelijk had het boek ook voor hem nog altijd – of wellicht wederom – een actualiteitswaarde. Het zijnniet fascisme of nationalisme die nu de schaduwen van morgen vormen, maar wel de beklemmingen van het neoliberalisme, die de mens reduceert tot een robot in dienst van de economische groei en alle morele waarden daaraan ondergeschikt lijkt te maken. De onderwerping als lustbron, dat was het adagium van het fascistisch sadomasochisme. Maar de onderwerping aan het primaat van de economie is de hedendaagse SM, waar de mens zich lustvol aan overgeeft.

Vooral wat Huizinga te berde brengt over de metafysische dimensie van de cultuur is belangwekkend. Het is de vraag, zo stelde hij, ‘of eenige hooge cultuur stand kan houden zonder een zekere mate van oriënteering op den dood.’ Het zoeken naar een antwoord op de grote levensvragen is een verdwijnend fenomeen aan het worden. Dat proces begon toen de moderne tijd zijn intrede deed. Metafysica en transcendentie werden steeds meer ingekapseld door een wereld van functionele rationaliteit en economisch winstbejag. De enige filosofie die nog lange tijd stand hield was de levensfilosofie, maar daarin werden de oude existentiële vragen over goed en kwaad, over lijden en dood, stilaan verdrongen door een vitalistische verheerlijking van het leven zelf.  De twintigste eeuw kende misschien wel een teveel aan vitaliteit. Het was een tijd die in een te hoge mate doorbloed was met het leven. In het pure existeren werd de zin van alles gezocht, zelfs de zin van het kwaad en het lijden.

Die onderneming leidde al gauw tot de ontkenning van het kwaad en een onvermogen om het menselijk lijden te aanvaarden als iets dat eigen is aan het bestaan. Toen Nietzsche het christendom aan de kant schoof, bleef er een vacuüm achter waarin vragen omtrent de oorsprong van het kwaad en de zin van het menselijk lijden in zichzelf gingen rondtollen. Desondanks bleven christelijke noties over het kwaad en het lijden vaak heimelijk voortbestaan of kwamen in een seculiere gedaante opnieuw tot leven. Toch is er in de moderne tijd weinig begrip meer voor het bestaan van het absolute kwaad, laat staan voor de vraag waarom het kwaad in de wereld is terechtgekomen. Met kwantumcomputers kunnen we straks alles verklaren, maar nooit de vraag beantwoorden waar het kwaad voor nodig was toen de wereld ontstond. We leven niet in ‘de best mogelijke van alle mogelijke werelden’, zoals Leibniz dacht.

Er zou best een beter universum mogelijk zijn geweest, waarin het kwaad niet in voorkwam. Een wereld zonder pijn en lijden. Waarom niet? Waarom moest het een wereld worden met zoveel ellende, haat en heksenpijnen. Vooral het lijden van onschuldige kinderen is iets onbegrijpelijk. Het christendom heeft de verklaring voor dat probleem gezocht in een God die straft of in een God die liefheeft, maar altijd weer bleef er iets wringen. Of je komt uit bij een schuldig aanvaarden van het menselijk lijden, dat door een almachtige, maar in feite sadistische God wordt aangericht. Of je komt uit bij een God die zelf lijdt en daardoor niét almachtig is. Wie nadenkt over het probleem van het kwaad komt linksom of rechtsom altijd weer uit bij de vragen van Job. Maar de moderne tijd kent geen Job meer. Zijn vragen zijn verstomd toen de machines voor ons gingen denken.

Zo werd het moderne leven steeds meer opgevat in termen van strijd en overleving, the survival of the fitest, de oerwet van de natuur zelf. Daar komt nog bij dat het begrip ‘levensstrijd’ zich steeds meer heeft verplaatst vanuit het persoonlijk geweten naar het domein van de openbaarheid: de samenleving, de politiek, de cultuur. Juist door die categorieverschuiving van het leven als strijd is het ethisch gehalte van het bestaan grotendeels vervluchtigd. De levensstrijd werd voortaan als een lot of een plicht aanvaard. Ethisch besef werd zoiets als een politieke overtuiging of een ‘cultuurtaak’. Maar deze struggle for life, die zich voortaan op alle terreinen afspeelde, had geen verankering meer in een mensvisie of een innerlijk leven. Wat aan verklaringsruimte voor het kwaad en het lijden overbleef werd ingenomen door het noodlot. De metafysica maakte plaats voor de filosofie van het casino. Shit happens. De een krijgt de ellende op zijn dak en de ander niet.

Maar het christelijk begrip van het kwaad en het lijden was juist gebaseerd op de afwijzing van iedere vorm van lotsbesef. Het christendom kende nooit een amor fati. Er bestaat geen christelijk noodlot waaraan de mens in totale onmacht is overgeleverd. Het kwaad had een plaats in de metafysica. Het lijden bood een mogelijkheid om zich te verzoenen met God. Wanneer het lijden als een noodlot wordt gezien, ontstaat vroeg of laat een levenshouding die het lijden tot elke prijs wil ontvluchten of ontkennen. We leven dan ook in een wereld van pijnbestrijding en euthanasie. Maar daarmee wordt er geen oplossing geboden voor de kernvraag van het menselijk bestaan: de vraag waarom het kwaad en het lijden er überhaupt zijn. Elke vlucht voor het lijden mondt uit in apathie. Alleen 
als het lijden als iets wezenlijks in de mens zelf wordt aanvaard, kan er een consequente houding ontstaan waarin de mens ook het lijden van anderen wil verzachten en het kwaad wil bestrijden.

Omgekeerd is het zo dat juist het christendom eeuwenlang zichzelf heeft verloochend door het menselijk lijden op te vatten als iets onvermijdelijks, iets dat theologisch te legitimeren valt. ‘God heeft het in zijn ondoorgrondelijke wijsheid zo gewild.’ Zoiets zeg je niet tegen iemand die lijdt. ‘Troost je met de gedachte dat er een eeuwig leven is na de dood.’ Dat zijn obscene woorden als ze worden uitgesproken tegenover een moeder die zojuist haar enig kind heeft verloren. Juist de christelijke legitimering van het kwaad en het lijden hebben maar al te vaak een alibi geboden om niet daadwerkelijk iets te doen om het kwaad te bestrijden en de ellende te verzachten. In haar boek Lijden (1973) verwoordt de theologe Dorothee Sölle het als volgt. ‘Bijna alle christelijke interpretaties echter loochenen de onderscheiding tussen het lijden dat wij kunnen beëindigen en een lijden dat wij niet kunnen beëindigen.’

In de schaduwen die Hitler nog altijd over de wereld werpt is ook het denken over het kwaad en het lijden intrinsiek van gedaante veranderd. Hoe? Dat is de vraag. De enige die het zou kunnen weten, is Hitler zelf. Als hij weer op zou duiken in deze wereld, zou hij het meteen zien en zich hogelijk verbazen dat wij het niet zien.

Reageer

Het Wenen van Hitler

De keuze om me om me op de jonge Hitler te concentreren en hem vanuit de historische context te bezien, brengt ontegenzeggelijk problemen met zich mee. De later Hitler, de dictator, politicus en misdadiger, is in deze jonge jaren niet terug te vinden. De jonge Hitler heeft niets waardoor hij opvalt in de massa’s die de Weense mannenpensions bevolken, geen bijzondere gave en geen criminele inslag. Integendeel, hij hoort zelfs in deze kringen tot de onbekwaamsten. Hij laat zich meevoeren en brengt nauwelijks de energie en werkkracht op om met zijn schilderwerk het hoofd boven water te houden, laat staan dat hij zijn levensdoel om ooit architect te worden zou weten te realiseren.’

Aldus Brigitte Hamann in haar boek De jonge Adolf dat ik momenteel aan het lezen ben. De oorspronkelijke titel dekt meer de lading: Hitlers Wien, Lehrjahre eines dictators. In 2014 verscheen dit boek al eens eerder in een Nederlandse vertaling als Hitlers Wenen, een titel die kennelijk teveel aan een ander boek deed denken: Het Wenen van Wittgenstein. (Zie mijn blog: Het “ondenkbare” denken).

In feite geeft het boek van Brigitte Hamann een andere visie op het Wenen rond 1900, de moderne metropool met al die creatieve genieën als Karl Kraus, Hugo von Hofmansthal, Robert Musil, Arthur Schnitzler; Sigmund Freud, Gustav Klimt, Oscar Kokoschka, Egon Schiele, Gustav Mahler en Arnold Schoenberg. Dat ‘Wenen van Wittgenstein’ was ook een smeltkroes van troebele politieke ideeën en sociale onrust, maar vooral ook van opkomen antisemitisme en de gestage teloorgang van de democratie. 

In Mein Kampf gaat Hitler in een uitgebreid hoofdstuk in op deze onbestemde periode uit zijn leven. Zo vertelt hij dat hij geregeld ging kijken naar het de bijeenkomsten van het parlement en zich daar bont en blauw ergerde aan het opportunistisch gezwam van de parlementariërs. In onze naoorlogse tijd is de democratie heilig geworden, althans voor weldenkende mensen. Het is daarom ook moeilijk voor te stellen dat dit ooit niet zo is geweest. Dat is een van de dingen die Brigitte Hamman in haar boek duidelijk maakt. Wie iets van Hitler wil begrijpen, moet ‘het Wenen van Hitler’ leren kennen.

Jeroen Buve en ‘het Wenen van Wittgenstein’.

Ik kan me herinneren dat in de jaren tachtig Jeroen Buve mijn achterbuurman was. Deze in 2017 overleden filosoof had een bijzondere belangstelling voor ‘het Wenen van Wittgenstein’. Op een dag kwam hij bij mij op bezoek en vertelde me dat hij een grootscheepse culturele manifestatie wilde organiseren over ‘het Wenen van Wittgenstein’. Of ik daarover mee wilde denken. Samen met mijn toenmalige overbuurman Julius Wijffels heb ik destijds nog een plan ontwikkeld om de destijds spraakmakende kunstenaarsgroep De Wiener Aktionisten naar Leeuwarden te halen. Dat was een groep kunstenaars rond Otto Muehl, Hermann Nitsch en Rudolf Schwarzkogler die zeer schokkende performances opvoerden, waarbij alle denkbare taboes rond lichaam en seksualiteit doorbroken werden. Vooral Herman Nitsch met zijn Orgien Mysterien theater wekte destijds veel opschudding.

Overigens heeft deze beweging rond Otto Muehl in Nederland in de jaren zeventig in de kringen van radicaal linkse en autoritaire groeperingen nog enige aanhang gevonden. Het waren immers kunstenaars die in het spoor van Wilhelm Reich de mens wilde bevrijden uit de autoritaire kluisters van de burgerlijke opvoeding die de seksuele lust gevangen hielden. De radicale ontgrenzing van het libido moest in de anti-autoritaire opvoeding zijn beslag krijgen. Kinderen mochten opeens met hun eigen poep spelen. De piemel werd even belangrijk als de duim of de pink.

Seks werd een daad van persoonlijke bevrijding. Het persoonlijke werd politiek en het politieke persoonlijk. Achteraf is de fascinatie voor lichaam en seksualiteit een van de kenmerken geweest van ‘het Wenen van Wittgenstein’, dat ook ‘het Wenen van Hitler’ was. Er lopen grillige lijnen tussen de gedeformeerde lichamen van Egon Schiele en de bloederige performances van Herman Nitsch. Alleen moest Hitler niets van moderne kunst hebben, laat staan van het doorbreken van seksuele taboes. De taboes die Hitler nadien zou doorbreken hadden eerder betrekking op dood en geweld.

Seks en geweld. Achteraf rijst de vraag of de kloof tussen die twee soorten taboes werkelijk zo groot was. En zo niet, wat was dan het verband tussen ‘het Wenen van Wittgenstein’ en ‘het Wenen van Hitler’?  Dat is voor mij een vraag zonder antwoord. Net zoals de vraag waarom ik zo gefascineerd ben door ‘de mens Adolf Hitler’. Ik weet het niet. Misschien is het alleen maar een vreemd soort nieuwsgierigheid. Misschien ben ik op zoek naar een geheim dat er niet is. Zoals de man die roepend in een diepe put telkens maar weer zijn vraag herhaalt en steeds weer de echo hoort van zijn eigen stem:  

Waarom…. Waarom…aarom… arom….om…..

Reageer

De geschiedenis is een misverstand

Canadezen op de Harlingerstraatweg in Leeuwarden, 16 april 1945.  (Foto: Beeldbank HCL) 

De laatste tijd word ik bezocht door een droom die steeds weer terugkeert. Vannacht was hij er weer. Ik zit gevangen in een computerspel. Ik niet, maar mijn ziel. Vluchten kan niet meer. Mijn ziel bevindt zich in het huis waar ik nu woon en de Tweede Wereldoorlog is net voorbij, tenminste op de plek waar ook mijn ziel woont. Canadase pantserwagens komen voorbij rijden. Iedereen kijkt beteuterd in het rond. Ik ook. Dat wil zeggen: mijn ziel. Ik denk dat het maar een spelletje is, maar het is ernst. Het is vrede. Mooie vrede. De grens tussen goed en fout bestaat niet, zo bedacht mijn ziel in mijn droom. Wat was de vrede mooi, toen er nog oorlog was! 

De oorlog gebeurde, het overkwam je gewoon, zonder dat je er er verder veel aan kon doen. Als je niet opgeroepen werd om te gaan werken in Duitsland of anders onderdook, was het primair zaak om in leven te blijven. De keuze voor het verzet was niet in de laatste plaats ook een egoïstische manier om te overleven. Heldendom ontstaat vooral achteraf in de ogen van de overwinnaars die net zo goed verliezers hadden kunnen zijn.

Ik weet het – en dat het is het rare van deze droom – het is een film die ik ooit eerder heb gezien. Of beter gezegd, die mijn ziel eerder heeft gezien. Niet alleen in vorige dromen maar ook in het echt. Dat wil zeggen: in het leven van mijn ziel dat ik kan terugzien in de bioscoop. Het is ook een leven  zoals het beschreven staat in allerlei boeken en dagboeken. In mijn droom speel ik dus mee in een computerspel dat in feite een film is die al bestaat. Die film is de film van mijn ziel. Alles is al eens eerder gebeurd en toch moeten alle scènes telkens weer van voren af aan worden gespeeld en opgenomen. Herhaald en nog eens opgenomen. En dan bekeken en nog eens bekeken. Ad infinitum. 

Het spelletje is dus een film die telkens weer wordt vertoond. Ik zit op de eerste rij en mijn gedachten dwalen af. Wat ik zie is echt en onecht tegelijk, een gefingeerde werkelijkheid die allang gebeurd is en toch opnieuw gebeuren moet. Juist dat is het beklemmende. Een déjà vu in het kwadraat. Ik weet ook donders goed hoe de droom van mijn ziel afloopt. 

Ik zie het graf van een bekende. En nog een bekende, en nog een… Iedere dode die ik ken lijkt hier begraven te liggen. Achteraan het middenpad staat een gigantische crucifix met aan weerszijde twee beelden: Maria en Johannes. Het wordt onrustig om me heen. Ik breek met bovenmenselijke kracht de een na de andere grafsteen uit de grond. De doden staan op en komen uit hun graf. De skeletten kletteren in een danse macabre. Het is kermis in de hel en carnaval op het kerkhof.

Hoe vaak moet ik deze droom nog dromen? De geschiedenis is een misverstand. Net als mijn ziel waarvan gezegd wordt dat hij niet bestaat. Tien jaar geleden verscheen het boek Wij zijn ons brein van Dick Swaab. Daarin beweerde hij dat de ziel is een misverstand is. ‘Het universele voorkomen van het begrip ziel,’ zo stelde hij, ‘lijkt slechts gebaseerd op de angst van de mens voor de dood, de wens overleden geliefden weer terug te zien en het misplaatste, arrogante idee dat wij zo belangrijk zouden zijn dat er wel iets van ons moet overblijven na het overlijden.’ 

In feite zei hij het hier nog netjes. Hij bedoelde eigenlijk te zeggen: alleen domme mensen gaan er vanuit dat er zoiets als een ziel bestaat. Dat zijn mensen die zich niet laten overreden door de logica van redelijke argumenten. Om zijn stelling te onderbouwen gaf Swaab een reeks voorbeelden die waren ontleend uit het dagblad De Telegraaf of anders wel aan andere bedenkelijke bronnen zoals obscure tijdschriften of populair-wetenschappelijke boekjes.

Zo ging Swaab uitvoerig in op het geloof dat de ziel in het hart zou schuilen, wat veel mensen tegenwoordig nog altijd denken. Maar ook op de vergeefse pogingen in het verleden om het gewicht van de ziel te wegen. Of het moment vast te stellen waarop de ziel zich met de ongeboren vrucht verenigt, en vooral ook de wijze waarop de ziel bij de dood het lichaam zou verlaten.

Het geloof in de ziel lijkt bij Swaab nauw verbonden te zijn met een geloof in een voortbestaan na de dood. Hij deed in zijn boek geen enkele poging om een filosofisch kader te schetsen, waarin het begrip ‘ziel’ nader gedefinieerd en begrepen kan worden, laat staan dat hij de historische verandering van dat filosofische kader uiteenzette. Wat Plato over de ziel dacht, kom je in het boek van Swaab niet tegen, en ook naar de opvatting van Aristoteles zul je vergeefs bij hem zoeken. Als het gaat over zoiets achterlijks als de ‘ziel’, dan leest Swaab De Telegraaf en anders wel populairwetenschappelijke niemendalletjes.

Die arrogantie is veel exacte wetenschappers eigen. Zij wanen zich in een ivoren toren van onweerlegbare kennis die zij en hun kompanen bijeen hebben vergaard. De filosofie is een vak voor dromers en mensen die niet helder kunnen denken. Maar ook dat is een vooroordeel. Er zijn heel immers heel wat filosofen geweest die bij hoog en bij laag beweerden dat er géén leven is na de dood.

Neem nou Bertrand Russell, toch niet de eerste de beste. Van de week zag ik een stukje van een tv-interview met hem uit 1959. Hij werd ondervraagd door een welwillende mevrouw over het onderwerp religie. Russell liet de – wellicht geschokte – kijkers destijds weten dat hij al tussen zijn 15de en zijn 18de jaar alle christelijke dogma’s op hun waarde had onderzocht. Toen hij 18 werd, was hij er mee klaar en kon hij het laatste dogma met de vuilnisman meegeven. Ik denk dat dit verhaal exemplarisch is voor hoe het met veel weldenkende is gegaan. Sterker nog, ook ikzelf heb mij tussen mijn 15de en 18de levensjaar met een dergelijk onderzoek bezig gehouden, en op mijn 18de was ik klaar. Ik kan mij dat moment zelfs nog exact herinneren.

Het rare is echter dat dit onderzoek voor mij niet het einde was van een exercitie, eerder het begin. Sindsdien ben ik gefascineerd geraakt door alles wat met religie van doen heeft, hoewel die fascinatie na mijn veertigste jaar pas goed op gang kwam. Toen Russell gevraagd werd naar een voortbestaan van de ziel na de dood, was zijn antwoord kort maar krachtig: ‘That’s nonsens!’ Vooral met dat woord ‘nonsens’ liet hij blijken dat hij er na zijn 18de jaar eigenlijk nooit meer echt goed over nagedacht had. Natuurlijk had bij best nog Plato en Aristoteles gelezen, maar hij las toch liever Whitehead en Wittgenstein. Russell schreef zelfs een dik boek over de geschiedenis van de filosofie. Die geschiedenis was voor hem voor het overgrote deel de geschiedenis van een misverstand.

Ik vrees dat voor Swaab hetzelfde geldt. En wat dan nog, de geschiedenis is een misverstand. Net als die droom van mijn ziel. 

Reageer