Crazy Love

Het is juli 1979. Marijke en ik woonden sinds twee jaar in een veel te groot huis in de Leeuwarder nieuwbouwwijk Aldlân-Oost. Wilgenroosje 33, dat was het adres. Haar ouders waren een weekendje op bezoek. We hadden ruimte genoeg, drie grote slaapkamers en een grote zolder over het hele huis. Verder een tuin voor en achter en een grote bijkeuken. Toch hadden we het hier niet naar onze zin. Marijke vond het maar niks die stilte daar. We namen een hond, een middenslag-schnauzer en Marijke volgde de moedermavo, waar ze uitstekende cijfers haalde. Ze wilde weer aan het werk, een baan in de zorg, dat leek haar wel wat. Toen werd ik ziek.

De zomer van 1979 was de laatste keer in mijn leven ik in een waanwereld belandde. Ik kreeg toen last van achtervolgingswaan en dacht dat agenten van de CIA en de KGB achter mij aanzaten. Ik verkeerde in de veronderstelling dat ik een technologische ontdekking had gedaan die zeer bedreigend was voor het evenwicht tussen de beide grootmachten in de Koude Oorlog. De CIA – zo meende ik – had een satelliet gelanceerd ter grootte van een tennisbal, waardoor alle elektronische communicatiesystemen op aarde in één keer aan elkaar gekoppeld waren. Alle apparaten, die tv-signalen konden ontvangen, waren ineens ook camera’s geworden. Zo kon de CIA in alle huiskamers naar binnen kijken via het scherm van de TV. Ook de radio werkte op een vergelijkbare manier. Ik hoorde stemmen op de radio die daar niet thuis hoorden. En op de tv las ik in de ondertiteling van films verborgen boodschappen die exclusief voor mij bedoeld waren.

In de wijk Aldlân-Oost, dicht bij het van Harinxmakanaal, gebeurden daar de raarste dingen die mijn waanwereld leken te bevestigen. Ik zag opeens overal grote antennes op de daken staan die er eerder niet stonden. Bovendien werd er die zomer huis aan huis kabel aangelegd voor de tv, wat mijn vermoeden bevestigde dat er iets grondig mis was. Op een zondagochtend was ik het zat. Ik heb toen het boek Apocalyps Revealed van Swedenborg, dat ik in 1969 had gekocht bij een boekenstalletje in de Oudemannenhuispoort in Amsterdam, met een grote boog in het Van Harinxmakanaal gegooid, ter hoogte van de Froskepôlle.

Mijn wanen dreven weer over, mede door de doortastende houding van Marijke die een opname in een psychiatrisch ziekenhuis voor mij wist te voorkomen. Zo’n opname – die de tweede in mijn leven zou zijn geweest – zou funest hebben uitgepakt. In plaats daarvan organiseerde Marijke een spoedberaad van een kleine kring goede vrienden van ons die met elkaar een traject uitstippelden. Ook al was ik knettergek, Marijke bleef van mij houden. Wat je noemt: crazy love.

Laatst las ik een boek van de psychiater Jim van Os, die zich bezig houdt met de vernieuwingen van de geestelijke gezondheidszorg en precies dit soort oplossingen aanbeveelt in crisissituaties van mensen die in een psychose raken of dreigen te raken. De nieuwe baan van Marijke is er op deze wijze wel bij ingeschoten. Ze kwam in een soort mantelzorg terecht. De twee jaar die volgden heb ik geworsteld met een diepe depressie. Zonder Marijke had ik het nooit gered om daar weer bovenop te komen.

Eergisteren liep ik met Renate en Rikkert over de kleine katholieke begraafplaats Sint Barbara in Amsterdam-West. Daar ligt niet alleen Ida Peerdeman begraven, waar ik gisteren over schreef, de zieneres van de Vrouwe van alle Volkeren, maar ook de ouders van Marijke. Haar moeder overleed op 30 november 1981. Marijke was toen hoogzwanger. Vijf dagen later zou ze bevallen van haar eerste kind, Jurriaan. We konden niet naar de uitvaart. Marijke lag nog in het ziekenhuis en ik was nog steeds zwaar depressief.

Haar vader heeft in de jaren tachtig veel bij ons gelogeerd. Hij heeft zelfs een half jaar bij ons gewoond toen zijn huwelijk uiteindelijk strandde. Marijke heeft haar beide ouders tot het laatste toe bijgestaan, ook toen zij elkaar niet meer zagen. Haar vader overleed op 2 november 1990, op Allerzielen. Hij stierf  in het Sarphati-huis in de Roeterstraat, waar later Ramses Shaffy zijn laatste dagen zou slijten. Het lot wilde het zo dat ik de laatste was die hem een paar uur voor zijn dood bezocht. Hij was toen al niet meer bij kennis.

Onlangs las ik het nieuwe boek van Robert Lemm Valse Schaamte over De Vrouwe van alle Volkeren, dat vorige maand is verschenen. Aan het slot van deze studie op basis van nieuw archiefmateriaal dat beschikbaar is gekomen, legt hij verbanden tussen deze Mariaverschijningen in Amsterdam en de bijna- doodervaringen zoals beschreven werden in het boek Eindeloos bewustzijn van Pim van Lommel. ‘Bestaat er leven buiten ons bewustzijn en buiten wat mij met onze zintuigen waarnemen?’ zo vraagt Robert Lemm zich dan af. Ik heb geen antwoord op die vraag. Juist omdat je een reden hebt om te geloven wordt het geloven minder geloofwaardig.

Zelf heb ik meerdere malen een visioen gehad in mijn leven, maar ik durf nog altijd niet te zeggen of die beelden van binnenuit kwamen of van buitenaf. Misschien heeft een mens wel twee geheugens. Het ene voor de buitenwereld van de zintuiglijke ervaringen, en het andere voor wat zich in de diepte van de ziel kan aandienen over alles wat er meer is tussen hemel en aarde. De bestaansruimte voor dat tweede geheugen is tegenwoordig niet zo groot, om het maar zacht te zeggen. Maar is daar ook alles mee gezegd?

Op de grafsteen van Marijke haar ouders werd ik nog eens herinnerd aan hun geboorte- en sterfdata. Marijke haar vader werd bijna 74. Haar moeder 67. Marijke heeft beide leeftijden niet gehaald. Ze was nog pas 65 toen ze overleed. Haar grootouders van vaderszijde zaten in de diamanthandel, zo werd wel eens gezegd. Van moederszijde waren het varkensslachters. Parels voor de zwijnen, zo zei Marijke vaak gekscherend. Hoe dan ook, haar voorouders waren Amsterdammers pur sang. De humor en haar snelle geest had ze van haar moeder. De trots en het grote hart van haar vader.

Reageer

Begraafplaats Sint Barbara

Gistermiddag bij het graf van Ida Peerdeman, zieneres van de Vrouwe van alle Volkeren op Begraafplaats Sint Barbara in Amsterdam (foto: Renate Mous)

En dan die wonderbaarlijke Mariaverschijningen in Amsterdam, nota bene in de Rivierenbuurt, op een steenworp afstand van de Jozef Israëlskade, waar het huis van De Avonden (1947) zich bevond. Daar zou Maria van 1945 tot 1959 zesenvijftig keer zijn verschenen aan de Amsterdamse kantoormedewerkster Ida Peerdeman (1905-1996). Aanvankelijk werd er niet veel aandacht besteed aan haar uitzonderlijke ervaringen. Ida Peerdeman was een wonderlijke vrouw, die al in haar jeugd geplaagd werd door allerlei paranormale verschijnselen en demonische krachten. Men dacht aan boze geesten of bezetenheid door de duivel. Er werden door haar biechtvader zelfs exorcistische rituelen uitgevoerd.

De verschijningen vonden plaats in de Thomaskerk in de Rijnstraat, maar ook bij Ida Peerdeman thuis in de Uiterwaardenstraat. De laatste verschijning was op 31 mei 1959. Op 11 september van datzelfde jaar overleed de moeder van Gerard Reve. Later verklaarde Reve herhaaldelijk dat na de dood van zijn moeder zijn belangstelling voor het katholicisme en met name voor Maria als Vierde Persoon Gods pas goed is begonnen. Jung, zo had hij gelezen, zou dit alles voorspeld hebben. Er zou een nieuw Mariadogma op komst zijn.

Onder katholieken deed eind jaren vijftig het gerucht de ronde dat het laatste geheim van Fatima betrekking zou hebben op de rol van Maria als Medeverlosseres. Er werd zelfs gesproken over het naderend einde van de wereld. Hoe dan ook, de boodschap dat Maria Medeverlosseres was, had deel uitgemaakt van hetgeen Maria bij haar verschijningen in Amsterdam heeft meegedeeld. Ook zou Maria bij die gelegenheid hebben aangegeven dat ze ‘Vrouwe van alle volkeren’ genoemd wilde worden. Haar belangrijkste boodschap was dat er een dialoog moest komen tussen de verschillende wereldreligies.

De kerkelijke autoriteiten stonden lange tijd zeer kritisch tegenover de verschijningen in Amsterdam. Juist na de oorlog kwam het wetenschappelijk onderzoek op gang naar fenomenen als godsdienstwaanzin en religieuze vormen van bezetenheid. In de menswetenschap wilde men een brug slaan tussen zeer uiteenlopende disciplines als psychiatrie en theologie, antropologie en godsdienstwetenschap. Nieuwe vragen dienden zich aan. De religieuze openbaring heeft van oudsher veel van doen met de psychotische waan, maar is zij daarom per definitie onwaar? Openbaring is het beleven van een apodictische evidentie als ware het een existentiële evidentie. Dat alles maande tot grote terughoudendheid als het ging om het fenomeen Mariaverschijning.

Ida Peerdeman zelf werd in 1955 dan ook uitgebreid onderzocht. Zo moest zij zich onderwerpen aan een onderzoekscommissie, waarin onder anderen de latere kardinaal dr. J. Willebrands en de katholieke psychologe J.M. Perquin-Gerris zaten. De zieneres werkte mee, maar ze had ook haar bedenkingen. Deze commissie adviseerde de bisschop om Ida Peerdeman nog eens extra grondig te laten onderzoeken door een psychiater. Dat laatste onderzoek werd uitgevoerd door dokter J. de Smet, die in 1954 geneesheer-directeur was geworden van de Sint-Willibrordusstichting in Heiloo, dat in die tijd een grote naam had opgebouwd met nieuwe behandelingstechnieken van psychiatrische patiënten.

De psychiatrie was midden jaren vijftig volop in beweging, niet in de laatste plaats door de introductie van psychofarmaca, zoals largactil, dat in 1955 in Heiloo voor het eerst op psychiatrische patiënten werd toepast. De Smet zou tot 1968 als geneesheer-directeur aanblijven in Heiloo. Hij stond bekend als een verlicht psychiater met progressieve ideeën. Zo wilde hij het gesticht verlossen uit haar isolement en weer in het centrum van de maatschappij terugplaatsen.

Ook het oordeel van De Smet over Ida Peerdeman was negatief: haar openbaringen hadden geen bovennatuurlijke oorsprong. Ikzelf heb De Smet nog meegemaakt als directeur van de Sint-Willibrordusstichting in Heiloo, de inrichting waar ik in 1966 als psychiatrisch patiënt terecht kwam, na mijn visionaire ervaringen in het benedictijnenklooster De Slangenburg in Doetinchem. Maar ik heb De Smet nooit persoonlijk ontmoet. Hij heeft me ook nooit onderzocht, voor zover ik weet. Wel werd ik mede behandeld door de psychiater, die De Smet in 1968 als geneesheer-directeur zou opvolgen, dr. A.J.A.M. Wijffels, die naam verwierf met zijn castratiepraktijken bij seksueel ontspoorde priesters en seksuele psychopaten.

Ida Peerdeman werd ook nog eens onderzocht door professor Carp, die eveneens een negatief oordeel velde over de bovennatuurlijke aard van haar verschijningen. Dat alles kon niet verhinderen dat er in 2002 opnieuw een wonder gebeurde, maar nu van heel andere aard. Bisschop Punt van het bisdom Haarlem erkende de bovennatuurlijke oorsprong van de Mariaverschijningen in Amsterdam. Sindsdien pleitte deze bisschop al diverse malen voor het afkondigen van het vijfde Mariadogma.

Deze gang van zaken is wellicht typerend voor wat er na de oorlog met het katholicisme in Nederland is gebeurd. Onder invloed van de menswetenschappen en de ‘nieuwe theologie’ voltrok zich aanvankelijk een spectaculaire ontwikkeling van snel toenemende modernisering. Visioenen en verschijningen werden gezien als aberraties van de psyche. Na het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) sloeg deze ontwikkeling om in een tegenbeweging die haar climax nog altijd niet heeft bereikt. Een verschijning kan dus weer van bovennatuurlijke origine zijn. De katholieke kerk in Nederland – of wat er nog wat over is – heeft zich volledig teruggetrokken achter de conservatieve bolwerken van vóór het Concilie, en haar standpunten worden in het openbaar alleen nog verkondigd door mediagenieke tv-priesters met witte boorden en een hoog folkloregehalte.

Achteraf bezien vormen de verschijningen in Amsterdam het sluitstuk van een lange reeks van Mariaverschijningen die in het begin van de negentiende eeuw een aanvang namen. Robert Lemm bespreekt ze allemaal in zijn boek De Vrouwe van alle volkeren. Amsterdamse verschijningen van bovennatuurlijke oorsprong (2003). Evenals bisschop Punt is ook Lemm van mening dat deze verschijningen inderdaad van bovennatuurlijke oorsprong zijn geweest. Hij verzet zich fel tegen het katholieke modernisme dat de Maria-cultus op de schroothoop van de geschiedenis wilde gooien. Het katholicisme zou al in negentiende de greep zijn geraakt van het filosofisch idealisme van Immanuel Kant en zijn navolgers en daardoor de oorsprong van de religie steeds meer binnen de menselijk geest hebben gelegd. Zelfs paus Benedictus XVI was volgens Lemm met deze moderne denkbarrière behept.

Maar er is iets anders dat hij onvermeld laat. De periode van de Mariaverschijningen viel ook samen met het modernisme in de theologie. In de negentiende eeuw werd het idee van de homo religiosus direct gekoppeld aan de homo psychologicus. De opkomst van de godsdienstpsychologie was in feite een modern fenomeen, dat niet alleen zijn repercussies had op de wijze waarop de religie voortaan werd opgevat, maar zelf ook een gevolg is geweest van een ingrijpende verandering in de religie zelf. Vanuit dat perspectief bezien zou je de lange reeks van Mariaverschijningen ook kunnen opvatten als symptoom van een ‘psychisch-theologisch conflict’, een archetypische kortsluiting in het brein die zich bij wankele figuren zoals jongens en meisjes in de puberteit gemakkelijk aandient.

Ontwikkelingen in de Mariadogmatiek lopen opvallend parallel met het historisch fenomeen van deze Mariaverschijningen. Het dogma van de Maria Onbevlekte Ontvangenis van 1854 vond in 1858 zijn weerklank in de verschijningen van Lourdes, en in zekere zin liepen de Amsterdamse Mariaverschijningen van Ida Peerdeman parallel met de afkondiging van het dogma van Maria ten Hemelopneming in 1950, en zelfs op het nog niet afgekondigde dogma van Maria als Vierde Persoon Gods, waar Rome nog niet rijp voor zou zijn, maar dat al voorspeld werd door Carl Gustav Jung.

In zijn boek Antwoord op Job (1952) had Jung gewezen op het toenemende aantal Mariaverschijningen in de voorgaande decennia. Het waren veelal kinderen, waaraan Maria verscheen, waaruit Jung de conclusie trok dat het collectieve onbewuste hier aan het werk was geweest. Zelfs paus Pius XII, zo beweerde hij, had naar aanleiding van het dogma meerdere visioenen van de Moeder Gods gehad. Men kon al sinds geruime tijd weten dat er een diepe wens in de massa leefde, dat de bemiddelaarster en mediatrix eindelijk haar plaats bij de Heilige Drie-eenheid zou mogen innemen.

Zo dient een onmogelijk vraag zich aan. Wat zou er gebeurd zijn als Ida Peerdeman in 1955 psychiatrisch onderzocht zou zijn door Carl Gustav Jung? Zo’n rare gedachte is dat niet, want Jung stond in de jaren vijftig hoog aangeschreven, ook bij katholieken. In zijn boeken Aion (1951) en Antwoord op Job had hij ruime aandacht besteed aan de katholieke dogmageschiedenis, maar ook aan de overeenkomsten tussen de waanwereld van zijn patiënten en de katholieke dogmatiek. Al vroeg had hij geconstateerd dat veel psychische kwalen van zijn patiënten hun oorzaak vonden in het feit dat mensen – door hun kinderlijke passie voor de ratio – blind waren geworden voor hun eigen religieuze behoeften.

Katholieken, zo dacht Jung, waren doorgaans geestelijk gezonder dan protestanten, die in veel mindere mate konden beschikken over de bescherming van christelijke symbolen, die als ‘hitteschilden voor het sacrale’ in de dogma’s van de Kerk waren vastgelegd. Voor de protestanten gold alleen de openbaring in de Heilige Schrift – sola scriptura. Zij hadden daardoor een nogal kille en verarmde religie overgehouden, die teveel nadruk legde op de rationele en onbarmhartige Vader en geen oog had voor de moederfiguur van Maria, zij die ‘alles bewaarde in haar hart’ en daarom uit dieptepsychologisch oogpunt zo belangrijk was voor de geestelijke gezondheid van de gelovige.

( fragment uit: Modernisme in Lourdes, Gerard Reve en de secularisering, 2013)

Reageer

After midnight

Wat is dat toch, de melancholie van de herinnering? Het is de gedachte aan een geluk dat misschien wel nooit heeft bestaan. Een fata morgana in het brein, een spookbeeld op het podium dat wij ‘het geheugen’ zijn gaan noemen. Maar al te graag hang ik in dat theater rond, terwijl ik weet dat het illusies zijn die mij worden voorgetoverd. Dan sluip ik geruisloos tussen de coulissen. Soms zit in de frontloge, dan weer op het bovenste balkon en een heel enkele keer in de bak van de souffleur als mijn geheugen zijn tekst kwijt is. Dan wordt het stil op het toneel. De rest van mijn leven zal ik moet leren leven met die leegte die op Zen-achtige wijze tegelijk vol is. Als een afwezigheid die volledig aanwezig is. Mijn geheugen is het schouwtoneel van het leven dat Marijke en ik met elkaar deelden.

Een gezamenlijk uitzicht achterom, dat is er niet meer. Bijna een halve eeuw ging ons leven gelijk op. Het midden van de nacht is inmiddels voorbij. Toch wil ik dat dit leven terugkeert in de herinnering en opnieuw, maar nu in een sentimentele variant, wordt opgevoerd. Het gevoel kruipt waar het niet gaan kan. Ik overdrijf. Ik ga schmieren in een draak van een toneelstuk. In ben mijn eigen dubbelganger, een komediant zonder gezelschap, een acteur tussen de schuifdeuren. Het nu vermengt zich met het toen. De tijd splitst zich elk moment in tweeën: in de feiten en het gevoel. Het is een niet-passieve vorm van gelatenheid, een voortdurende verdubbeling van de werkelijkheid die vervolgens door elkaar gaat lopen als de inkt in een aquarel.

Opnieuw zie ik een foto. Marijke in het voorjaar van 1977. Ze staat in de Saffierstraat. Nummer 109 éénhoog, dat was ons laatste woonadres in Amsterdam. Wij woonden hier van augustus 1976 tot augustus 1977. Architectonisch gezien is het een mooie buurt, de Diamantbuurt. Misschien wel de mooiste buurt van Nederland. Alleen om te wonen was het zo’n jaar of wat geleden een stuk minder geworden. In 2004 moest een jong echtpaar, dat op het Smaragdplein woonde, halsoverkop hun huis verlaten, nadat ze waren weggepest door Marokkaanse jongeren die ’s avonds voor het badhuis op het plein rondhingen.

Als klap op de vuurpijl kwam daar een paar jaar later de affaire met het kinderdagverblijf Het Hofnarretje daar nog over heen. Het Hofnarretje, dat tegenwoordig De Vlinderhof heet, bevindt zich op de rand van de Diamantbuurt, aan de Van Woustraat, maar er is ook een dependance op het Smaragdplein. Op dat plein rust dus geen zegen.

De kamers van ons huis waren wat donker. Dat kwam vooral door de hoge vensterbanken. Er wordt wel eens beweerd dat deze destijds bewust zo hoog gemaakt waren, om de arbeiders te beletten om de hele dag bij het raam naar buiten te hangen. De architect van deze woningen was Jop van Epen. Zijn huizen hadden markante bakstenen gevels en de kozijnen waren in typerende kleuren donkergroen en donkergeel geschilderd. Deze zogeheten ‘Amsterdamse School-woningen’ uit de jaren twintig waren destijds gebouwd als ‘paleizen voor de arbeiders’, maar in 1977 waren ze nodig aan een opknapbeurt toe.

We hadden een driekamer-woning, en dat was al heel wat in die tijd. De inrichting was helemaal ‘seventies’. Rotan en grenen meubeltjes, blauw en bruin geverfde muren, zelf-gehaakte gordijntjes, een Genemuider rieten vloerbedekking, antieke lampjes en veel kamerplanten. In de keuken stond een behangtafel die we blauw hadden geverfd. Daar ontbeten we altijd. En in de vensterbanken aan de achterkant bloeiden de geraniums.

Vanuit de Saffierstraat liep je zo de stad in. Onze boodschappen deden we op de Albert Cuyp en de tapwijn kwam van een slijter in de Van Woustraat. Elke week hadden we wel vrienden te eten, want iedereen woonde dichtbij in de buurt. Hoe vaak hebben we in dat laatste jaar in Amsterdam niet doorgezakt tot diep in de nacht. After midnight kwam de Saffierstraat voor ons pas goed tot leven. Marijke was een nachtvlinder en ik paste mij aan.

Onze bovenbuurman, mijnheer Evenhuis, vond dat minder leuk, want de woningen waren nogal gehorig, Hij woonde er al sinds het eind van de jaren twintig. Eerder had hij in Betondorp gewoond, waar de Algemene Woningbouwvereniging ook veel woningen had, evenals De Dageraad en Eigen Haard. De familie Van het Reve, die om de hoek woonden aan Jozef Israelskade, toen zoon Gerard in 1947 De Avonden schreef, kwam ook uit Betondorp.

Mijnheer Evenhuis was weduwnaar. Zijn vrouw was al jaren daarvoor met de fiets verongelukt in de Van Woustraat. Zelf had hij het Nederlands elftal nog zien voetballen bij de Olympische Spelen in 1928, waar hij ook de legendarische speler van Uruguay, José Andrade, nog met eigen ogen had gezien. De familie Van het Reve, die in 1939 om in deze buurt kwam wonen, moet mijnheer Evenhuis ook zeker gekend hebben, maar ik heb hem er nooit naar gevraagd.

Marijke werkte destijds als bejaardenverzorgster in Sint Jacob aan de Plantage Middenlaan, tegenover Artis. Ze had het daar zeer naar haar zin. Toen we in augustus 1977 naar Leeuwarden vertrokken heeft ze Amsterdam met pijn in het hart verlaten. Er heerste die maand een hittegolf in de stad. We hadden drie katten in die tijd. De rieten mat op de vloer hebben we laten liggen met als gevolg dat er een vlooienplaag uitbrak in het door ons verlaten huis.

Meneer Evenhuis heeft toen de hele woning laten ontsmetten door de woningbouwvereniging, waardoor wij de borgsom voor onze huur op onze buik konden schrijven. Dat was het laatste wat ik me nog herinner van de Saffierstraat. Voor de rest was het een gelukkige tijd, dat laatste jaar in de stad waar we beiden geboren en getogen waren. In Friesland heeft Marijke nooit echt kunnen aarden. Ze vond het maar een raar volk die Friezen. Ze had graag terug gewild, maar dat is er nooit van gekomen. Hoe vaak hebben we daar niet over gesproken samen. After midnight.

Reageer

Les Dentelles

‘In ons brein schijnt een bijzonder gebied te bestaan dat je het poëtisch geheugen zou kunnen noemen en dat registreert wat ons heeft betoverd, ontroerd, wat ons leven mooi heeft gemaakt.’

Aldus schrijft Milan Kundera in zijn roman De ondraaglijke lichtheid van het bestaan. Ik zou dat gebied op een hersenscan wel eens in beeld willen zien. Dan zou ik kunnen nagaan of het samenvalt met mijn herinneringen aan de eindeloze jaren zeventig. Back to the seventies, dat is in  tegenwoordig. Van de week zag ik in het Historisch Centrum Leeuwarden de tentoonstelling van fotograaf Paul Janssen met beelden uit die roerige periode. Dankzij de jaren zeventig zijn we nu vertrouwd met fenomenen als inspraakprocedures, studentenacties, vrouwenemancipatie, het openbare groepsdebat en de permanente educatie.

Samen met al die bakkebaarden van toen zijn ook heel wat idealen verdwenen. Het was een tijd van polarisatie. De bomen groeiden nog tot in de hemel. Er bestond nog een alternatief. Tegenwoordig lijkt elke uithoek van het bewustzijn te worden gekoloniseerd door het mondiale spektakel van nep-nieuws. En toch, ook the seventies kenden hun benauwenis. Het was ook een tijd van nostalgie, ondanks alle vernieuwingsdrang. ‘Still crazy after all those years’, ‘Killing me softly’, ‘Vluchten kan niet meer’, schreef Annie M.G. Schmidt. En elke zondagmiddag daalde laag boven Buitenveldert gierend een DC 9.

Op de foto hierboven is het juli 1975. Marijke en ik brachten onze vakantie door in een huisje in Rasteau. Dat is een dorp op de top van een heuvel, even ten noorden van Carpentras en vijf kilometer ten oosten van Vaison-la-Romaine. Zo’n twintig kilometer verderop ligt Le Poët-Laval, waar Gerard Reve destijds druk aan het bouwen was, niet ver van zijn Geheime Landgoed op de berg. Maar dat wist ik toen nog niet. Ik had in die tijd helemaal niets met Reve. We waren met de trein gekomen en het laatste stukje met de streekbus. Zo reden we ook door Châteauneuf du Pape, een onooglijk plaatsje waar de mooiste wijnen van Frankrijk vandaan komen.

Rasteau is een idyllisch dorpje, gebouwd op een heuvelrug met uitzicht op een riviertje. Het heeft een kerkje, een begraafplaats en eindeloze wijngaarden in de omgeving. Elke dag gingen we het paadje de heuvel af, op weg naar de rivier waar forellen zwommen in de sterke stroming. Uit het slaapkamerraam kon je in de verte een kant-achtige bergkam zien, die heel toepasselijk Les Dentelles heet. Het gebergte bestaat uit meer dan duizend smalle uitstekende pieken, waardoor het gemaakt lijkt uit ‘kant’ (dentelles). Ook het truitje van Marijke is afgezet met kant, waardoor een wonderlijk beeldrijm is ontstaan.

Ze draagt een zilveren collier dat is ingelegd met emaille. Het heeft de vorm van een pelikaan. Ook dit sieraad kocht ze in het zilverwinkeltje in de Langebrugsteeg waar ze graag kwam. De leren riem om haar schouder hoort bij een eenvoudige leren tas. Die had ze van ’t Honk, een Deens design-winkel in de Linnaeusstraat die mooie spullen verkocht in die tijd. Ze was gehecht aan die tas. Toen hij versleten was kocht ze precies dezelfde, ook bij ’t Honk.

Er was maar één restaurantje in het dorp, maar daar serveerden ze tussen de middag wel een maaltijd van zestien gangen. Zodra de wijn op was kwam er een nieuwe karaf op tafel, en als het geregend had kregen we verse slakken die zo uit de wijngaarden kwamen. ’s Avonds gingen we samen het dorpje in om nog wat te drinken in een cafeetje op het plein. Bij elk glas wijn werd het Frans van Marijke vloeiender. Ze had trouwens nooit moeite om zich in Frankrijk verstaanbaar te maken. Ze sprak de taal van het hart en die is universeel.

Als we terugliepen kwamen we altijd een oud mannetje tegen dat op een stoel zat voor zijn huis. ‘Bonsoir,’ zeiden we dan. Dat zei hij dan ook, en elke avond klonk zijn antwoord luider en luider. Marijke had het hart van alle dorpsbewoners gewonnen, ook van deze. Eén voor één, huis voor huis….

Reageer

My Lady d’Arbanville

Hoe komt het toch dat foto’s uit een bepaalde tijd achteraf allemaal op elkaar gaan lijken? Allereerst natuurlijk door de kleuren die mettertijd gaan vervagen en stilaan exact de juiste patina krijgen die hoort bij de Zeitgeist. De foto, die hierboven is te zien, hoort bij het midden van de jaren zeventig, om precies te zijn: voorjaar 1975. Marijke zit op een stoel bij het raam in onze tweekamerflat in Diemen. We waren net een jaar getrouwd. Die laarzen had ze gekocht tijdens onze huwelijksreis in Parijs. De jurk was tweedehands, de speld van haar oma en de zilveren armband kwam uit een zilverzaakje in de Langebrugsteeg.

Boven Marijke hangt een tekening van mijzelf aan de muur. Je kunt hem op deze foto niet zien, maar op een andere foto is hij wel bewaard gebleven. Je ziet de spookgestalte van een vrouw, meer dood dan levend. My Lady d’Arbanville, zo heette het, genoemd naar dat mooie liedje van Cat Stevens die hiermee een dode geliefde tot leven wilde wekken. Ik was in die tijd nogal surrealistisch bezig.

We hadden goedkope meubeltjes. Een grenenhouten salontafel gekocht bij een houthandel op de Weesperzijde. De fauteuiltjes kwamen van een meubelwinkel uit de Molukkenstraat. ‘Willem Drie’ heette die geloof ik. Ze waren niet zo sterk, want een jaar later zou de stoel, waar Marijke nu op zit, het begeven, nota bene tijdens een televisie-uitzending van Uri Geller. Hij wilde dat alle kijkers thuis een lepel in de lucht hielden en samen met hem krachtig zouden denken dat hij dan krom ging buigen. Ik heb aan dat experiment meegedaan. De lepel bleef recht, maar ik zakte wel door de stoel.

Op tafel staat een citroengeranium. Dat was helemaal in in die tijd. Je kreeg stekjes van iedereen. Er was zelfs een kunstenaar die daar kunst van maakte: Hans de Vries met zijn De geschiedenis van een citroengeranium (1973). Het gele gietertje heeft de tijd niet doorstaan, evenals het antieke kruisbeeld dat tegen de muur staat. Op tafel staat een keramisch nijlpaardje met twee jongen en daarnaast een scarabee die wij van mijn zus Trees hadden gekregen na haar reis naar Egypte.

Onder de tafel rechts ligt behoorlijk wat troep: tijdschriften, boekjes en ik zie een glimp van een fles die waarschijnlijk half gevuld is met sherry van Albert Heijn. De tinnen tabakspot op tafel is van mijn vader geweest en staat nu nog altijd bij mij op de schoorsteen. De sierfles daarachter is waarschijnlijk ooit gevuld geweest met drank. Ik zou niet weten waar hij gebleven is. En het mandje met citroenen. Tja, dat is een mandje met citroenen. Het is wat het is. Meer is het niet. We zouden die zomer naar Frankrijk gaan. Naar Rasteau, een klein plaatsje in De Provence.

Hoe graag zou ik nog één keer willen afdalen in dat duistere labyrint van haar ziel. Daar waar ze ongrijpbaar en onbevattelijk was, ook voor mij. Waar we elkaar vaak hebben vervloekt, maar ook altijd weer de weg terug vonden naar elkaar. Achter haar eeuwige lach ging een triestheid schuil die ik nooit geheel heb kunnen wegnemen. Misschien waren we in die duisternis wel het diepst aan elkaar verwant. We verlangden beiden naar het licht, naar het leven….

‘My Lady d’Arbanville, why do you sleep so still?

Reageer