Gesjoemel op Zaailand opnieuw bezien

Het is 17 juni 2002. In de Avero-Passage in Leeuwarden vindt een discussie plaats onder leiding van Gryt van Duinen. Onderwerp: het legaat van Abe Bonnema. Van links naar rechts zitten Jaap Eenhuistra van Bonnema architecten, ikzelf, Harm Addens van de Abe Bonnema Stichting, Wim van Krimpen, voormalig directeur van het Fries Museum en destijds van het Haags Gemeentemuseum, Peter Karstkarel, Cees van ’t Veen, destijds directeur van het Fries Museum en Bertus Mulder, destijds gedeputeerde van cultuur. Niet te zien op de foto: Ab Timmermans, directeur van Hûs en Hiem en Marga Waanders, wethouder van Leeuwarden.

Het ging er stevig aan toe die middag. De discussie was een week later te zien op televisie bij Fryslân Dok op Nederland 1. Ik herinner me nog dat Wim van Krimpen er voor pleitte om het Fries Museum gewoon op de Turfmarkt te laten, met dan wel een nieuwe ingang en een museumboekwinkel aan het Zaailand. Ikzelf pleitte ervoor om eerst een inhoudelijk plan te maken, alvorens al dan niet aan een verhuizing te denken.

Afgelopen woensdag, voorafgaande aan de workshop over Louis Le Roy, werd ik aan deze discussiemiddag herinnerd. Een van de deelnemers aan de workshop was Dave Wendt, Hij is voormalige medewerker van de stichting ARCAM, het architectuurinstituut van Amsterdam. Momenteel werkt hij aan een publicatie over de hedendaagse architectuur in Leeuwarden. Hierbij wil hij ook ingaan op de wijze waarop destijds de bouw van het Fries Museum op het Zaailand tot stand is gekomen, En zo stuitte hij op mijn blogs die ik hierover geschreven heb.

Ik herinner me nog dat Gryt van Duinen voorafgaande aan het debat bij mij thuis is geweest. Zij gaf mij toen een aantal stukken, zoals de statuten van de Abe Bonnema Stichting. Ik heb gisteren nog zitten zoeken op die stukken nog ergens in een map kon vinden, maar helaas, ik heb ze niet meer. Wat in dat debat destijds aan de orde kwam was heel interessant. Het ging om het zinnetje ‘op of aan het Zaailand’ dat in de statuten van de Bonnema-stichting zou staan. Ik zie nog Hendrik ten Hoeve, die in het publiek zat, zwaaien met dezelfde tekst van de statuten. Maar het ging ook over een bijlage van het legaat dat niet openbaar mocht worden gemaakt. Ra ra, hoe was dat mogelijk?

In de jaren daarop volgden is de discussie over de museum-kwestie meerdere malen weer opgelaaid. Nu eens ging het over het Zaailand, dan weer over het nieuwe Fries Museum, maar altijd waren de meningen verdeeld. In december 2002 schreef ik een artikel in De Moanne met als titel: Een Tropenmuseum op het Zaailand.

In 2008 kwam ik in mijn blog nog eens terug op de vraag wat de ware bedoelingen van Bonnema zijn geweest. Het heeft er alle schijn van dat hij een nieuw Fries Museum op het Zaailand nooit heeft gewild. Al die ‘potten en pannen’ hadden – als het aan hem had gelegen – gewoon op de Turfmarkt achter kunnen blijven. Bovendien was het Bonnema te doen om een architectuurmuseum, en dat idee is nadien volledig onder het tapijt geveegd.

Al met al is deze hele kwestie nu een gepasseerd station. Het Fries Museum staat er al jaren en niemand vraagt zich meer af hoe het ook anders had gekund of zelfs gemoeten. Toch wil Dave Wendt zich opnieuw in deze zaak gaan verdiepen. Al was het maar omdat het gesjoemel, waarvan destijds duidelijk sprake is geweest, een schril licht werpt op de wijze waarop grote projecten tot stand komen door congsies van projectontwikkelaars en bestuurders. Alleen al om die reden is het wellicht een aardig idee om mijn blogtekst ‘De wraak van Bonnema’ nog maar eens te herhalen.

*

Op 9 augustus 2001 overleed Abe Bonnema. Midden in de zomer kneep hij er zomaar tussenuit. Het nieuws van zijn overlijden sijpelde langzaam door in Friesland. Iedereen zat met zijn kop ergens anders of was met vakantie. Slechts weinigen hebben toen kunnen bevroeden dat de grootse bouwmeester, die Friesland heeft voortgebracht, it heitelân nog jarenlang in zijn greep zou houden. Abe Bonnema werd begraven in zijn geboorteplaats Stiens. Ik ben er niet bij geweest op die stille augustusdag, want ik was zelf ook op vakantie. Ik heb Bonnema niet heel goed gekend, maar hij belde me wel eens op, vooral als hij het eens was met iets wat ik had beweerd.

Op zondagochtend hing hij dan soms wel een half uur aan de lijn. Vooral in de jaren tachtig, toen ik eindredacteur was van het architectuurtijdschrift BOUD, moest ik vaak van hem horen wat hij van dat blad vond. Het was geen gemakkelijke man, maar ook niet onsympathiek. Hij bemoeide zich overal mee. Ook met zaken waar hij eigenlijk niets mee te maken had. In december 1998 stuurde hij me nog de monografie over zijn oeuvre toe, die dat jaar bij uitgeverij 010 was verschenen, met prachtige foto’s van Jan Versnel. ‘Het essay is geschreven door dr. Marijke Martin en lees je niet als een Bruintje Beerboekje,’ liet hij me in een kort briefje weten.

4 april, 1980(3)0001

De uitvaartdienst van Bonnema in de Grote Kerk had geen christelijk karakter, want hij was geen kerkelijk mens. Hij lag opgebaard bij de ingang van de kerk met een tekenpotlood in de hand. In zijn toespraak bij de dienst liet Aegon-topman Kees Storm zich ontvallen dat Bonnema het grootste deel van zijn nalatenschap een museale bestemming wilde geven, waarin plaats zou zijn voor architectuur. De toenmalige burgemeester Loekie van Maaren wist nog van niets en reageerde verbaasd. Een paar dagen later meldde de Leeuwarder Courant dat er een architectuurmuseum in Leeuwarden zou komen volgens de laatste wens van Bonnema.

Over de plek van het museum zou nog met het stadsbestuur onderhandeld gaan worden. En op het Stadskantoor wachtte men met gepaste terughoudendheid de verdere ontwikkelingen af. Zo werd het tenminste voor de buitenwacht duidelijk. Jaap van Oene, de bureaumanager van Bonnema Architecten, ging er vanuit dat er een nieuw gebouw voor het architectuurmuseum zou moeten komen, maar zeker was dat toen nog niet. ‘Het bureau uit Hurdegaryp zou dat zelf kunnen doen, maar het kan ook best zijn dat een hele goede vriend van Bonnema de opdracht krijgt’, zo liet Jaap van Oene letterlijk weten.

4 april, 1980(3)0001

Voorpagina-nieuws Leeuwarder Courant, 15 augustus 2001

Daarna werd het een hele tijd stil. Niemand die het nog had over dat architectuurmuseum in Leeuwarden. In januari 2002 – vijf maanden het overlijden van Bonnema – kwam het verrassende nieuws dat het Stedelijk Museum in Alkmaar een tentoonstelling had georganiseerd over het werk van Abe Bonnema. Daar waren al die mooie foto’s te zien van Jan Versnel. Bij de opening spraken Peter Struycken, die de kleurstelling van de tentoonstelling had bepaald, maar ook Kees Storm en Bonnema’s opvolger Jan van der Leij. Verder werd er een filmpje getoond dat gemaakt was door Johan van der Zee, ‘Ode aan Abe’, waarin nog meer sprekers over Abe aan het woord kwamen. Opmerkelijk was dat deze tentoonstelling in Alkmaar zijn première kreeg en niet in Leeuwarden.

Ook in Alkmaar staan heel wat gebouwen van Bonnema. In het geruchtencircuit deed het bericht de ronde dat er een strijd was ontstaan tussen Leeuwarden en Alkmaar over de nalatenschap van Bonnema. Leeuwarden wilde die wel aanvaarden, mits het nieuwe museum gecombineerd zou mogen worden met het project Nieuw Zaailand, waar al plannen bij de gemeente voor bestonden. Bovendien zou het Fries Museum alleen willen participeren in het project, als het eigen museum in zijn geheel naar het Zaailand zou mogen verhuizen en dus afgezien werd van een architectuurmuseum.

Schermafbeelding 2013-08-29 om 16.02.23

Fries Museum op het Zaailand, beeldmontage Bauke Tuinstra, 2002

Fries Museum-directeur Cees van ’t Veen liet in de LC van 28 januari 2002 weten dat het zuiver toeval was dat de tentoonstelling over het werk Abe Bonnema eerst in Alkmaar was te zien. Later dat jaar – in april – zou de tentoonstelling alsnog in het Fries Museum worden getoond, maar niemand sprak toen nog over een nieuw Fries Museum op het Zaailand. Pas op 15 mei 2002 kwam het grote nieuws naar buiten dat Abe Bonnema 18 miljoen Euro had nagelaten voor een uitbreiding van het Fries Museum aan op het Wilhelminaplein.

De opdracht voor de het ontwerp zou volgens de laatste wens van Bonnema worden gegund aan Hubert-Jan Henket. In tegenstelling tot wat aanvankelijk werd gedacht, werd de nieuwbouw geen architectuurmuseum. Volgens Herman Addens, van de Abe Bonnema stichting, was het Fries Museum vrij om met de nieuwbouw te doen wat het wilde, maar hij voegde daar meteen aan toe: ‘Al ligt het wel in de rede, dat daar ook aandacht zal zijn voor architectuur.’ Voorzitter Jan Weitenberg van het Fries Museum sloot die museale aandacht voor architectuur ook niet uit, al had het niet de eerste prioriteit volgens hem. De kerntaken van het museum waren immers de beeldende kunst, de Friese cultuur en het verzetsmuseum.

Daarna is het stil geworden rond de gedachte aan een architectuurmuseum in Leeuwarden. Wat zich in die eerste maanden na de dood van Abe Bonnema allemaal achter de schermen heeft afgespeeld zal nooit duidelijk worden. Net zo min als we nooit zullen weten, wat nu precies de laatste wensen waren van Bonnema, zoals die naar voren kwamen in een gesprek, dat hij een paar dagen voor zijn dood heeft gevoerd met een delegatie van de Abe Bonnema stichting. De bijlage van de stichtingsakte, dat een verslag van dit gesprek bevat, ligt nog altijd achter slot en grendel.

Het architectuurmuseum werd het kind van de rekening. Het verdween geruisloos van het toneel, omdat het niet paste in een moeizaam verworven bestuurlijke consensus die door regenten en pommeranten in achterkamers werd bereikt. Je kunt je afvragen wat Bonnema hier achteraf van gevonden zou hebben. Als hij nu nog leefde, dan zou hij me morgenochtend vast en zeker opbellen om zijn mening te geven over deze kwestie. Want zijn eigen mening stak Bonnema nooit onder stoelen of banken, ongeacht of dat door anderen nu wel of niet werd gewaardeerd.

De heftige discussies, die in de afgelopen jaren over het project Nieuw Zaailand zijn gevoerd, gingen over alles behalve een architectuurmuseum. Een provincie als Friesland, waar de aandacht voor architectuur en ruimtelijke kwaliteit tegenwoordig hoog in het vaandel staat, mist een museale voorziening op dit terrein. Iedereen in Friesland heeft de mond vol over de kwaliteit van de ruimte, maar slechts weinigen willen daar ook echt iets voor doen. Een lobby voor Bonnema’s idee is nooit van de grond gekomen. Een echt architectuurbeleid heeft de gemeente Leeuwarden ook nooit gehad. En bij de provincie wilde Anita Andriessen haar collega-gedeputeerde Bertus Mulder niet voor de voeten lopen.

Ook de stichting ARK Fryslân (Architectuur en Ruimtelijke Kwaliteit Fryslân) heeft nooit een lans gebroken voor een architectuurmuseum op het Zaailand. Een drijvend ‘Ark-je’ van Gunnar Daan, verder reikten de ambities niet van deze muffige regentenclub, die ook nooit een bijdrage heeft geleverd aan het debat over het project Nieuw Zaailand. Zelfs op de Nacht van de Architectuur werd jarenlang gezwegen over deze materie, omdat sommige leden van het bestuur van ARK Fryslân met meerdere petten waren behept.

Een museaal centrum voor architectuur en ruimtelijke kwaliteit zou een aanwinst zijn voor het museale aanbod in de hele noordelijke regio. Een podium voor allerlei activiteiten, debatten, films, tentoonstellingen, symposia, publieke kunst, culturele planologie en alles wat te maken heeft met de vormgeving van de ruimte in de ruimste zin van het woord, niet alleen in de stad maar ook op het platteland, waar Friesland zo rijk aan is. Zo’n centrum moet Abe Bonnema voor ogen hebben gehad. Hij had het schetspotlood nog in de hand, maar het is er nooit van mogen komen. Het tragische van Bonnema is dat iedereen nu denkt dat hij met zijn legaat postuum wraak heeft genomen op de stad Leeuwarden, waar hij altijd zo’n problematische relatie mee had, terwijl die stad juist zijn ware erfenis heeft veronachtzaamd.

De museale voorziening die straks op het Zaailand verrijst zal midden in de samenleving moeten staan, anders wordt het een Fremdkörper in de stad en daar zit niemand op te wachten. Daarvoor is niet alleen een ingrijpende verbouwing nodig van de parkeergarage, maar ook van een mentaliteit tussen de oren die tot nog toe teveel op de stenen en het cement was gericht en te weinig op een inhoudelijke visie. Architectuur, stedenbouw en ruimtelijke ordening kunnen een eyeopener zijn voor een breed publiek. De tentoonstellingen, die Jean Leering in de jaren zestig en zeventig in het Van Abbemuseum in Eindhoven organiseerde, begaven zich op het grensvlak van kunst, architectuur en stedenbouw op een wijze die veel mensen aansprak. Maar hoe je het ook wilt zien, de laatste wens van Bonnema is inmiddels verdwenen in een dichte mist van chauvinisme, provincialisme en de geest van middelmatigheid, waar Bonnema zelf zijn leven lang een gruwelijke hekel aan heeft gehad.

sitestat

Reageer

Een probleem van deze tijd

Gisteren werd bekend dat de familie van de verdachte 31-jarige Malek F., die op 5 mei bij de Haagse Hogeschool in het wilde weg drie mensen neerstak, de GGZ-instelling Parnassia voor de rechter gaat slepen. Malek F. werd na zijn geweldsdaad door de politie neergeschoten. Was hier sprake van een terroristische aanslag of van verstandsverbijstering bij een verwarde man?

De meningen lopen hierover uiteen. Wederom staat de psychiatrie met lege handen. Psychiaters zijn kennelijk niet in staat om dit soort gevaren in te schatten, laat staan te voorkomen. De familie had vele malen tevergeefs om hulp gevraagd voor Malek die paranoïde gedachten ontwikkelde.

Op 25 april j.l. werd bekend dat  de CSU in Beieren een hoogst omstreden wstsvoortstel heeft ingediend dat controle van politie en justitie op psychiatrische patiënten moet vergroten. Het wetsvoorstel moet de bevolking beschermen tegen ‘psychisch verwarde’ aanslagplegers.

Kortom, de grenzen tussen jihad en verstandsverbijstering lijken allengs te vervagen. Die constatering komt mij bekend voor. Jihad of verstandsverbijstering, was dat niet de titel van mijn boek dat nog half weer geleden verscheen? Dit boek heeft tot nog toe nauwelijks aandacht gekregen in de landelijke media. Het is ook geen makkelijk boek. Maar één ding kun je inmiddels wel concluderen. Het is wel een actueel boek, waarin een problematiek aan de orde wordt gesteld die alleen maar actueler wordt.  

Vorig jaar zomer heb ik in het kader dit boek de Adriaan Jansen geïnterviewd. Hij is voorzitter van de Raad van Bestuur van GGZ-Friesland en auteur van het rapport Oproep aan de politiek: investeer in de geestelijke gezondheidszorg. Toen dit rapport in maart 2017 verscheen, was dat voor mij een verrassing, omdat dit naar mijn weten de eerste keer was dat er vanuit de gesloten wereld van de psychiatrie een signaal naar buiten kwam, waarin bezorgdheid doorklonk over deze problematiek.

‘Terrorisme is een gelaagd fenomeen dat lastig te ontrafelen valt en dat niet los gezien kan worden van andere vormen van ontsporing en destructie,’ zo wordt gesteld in de inleiding van dit rapport, dat bedoeld was als een wake-up call voor de politiek aan de vooravond van de verkiezingen. 

Graag had ik in december j.l. het eerste exemplaar van mijn boek Jihad of verstandsverbijstering aangeboden aan Adriaan Jansen. Maar dit kon helaas  niet doorgaan. In november j.l. liet hij me weten, dat de GGZ- Friesland, alles overwegende, er voor gekozen had om geen rol bij de presentatie van mijn boek te vervullen. ‘De GGZ ligt onder een vergrootglas,’ zo stelde Adriaan Jansen, ‘zaken worden snel uit hun verband gerukt en het grootste risico is gelegen in het feit dat onze positie “politiseert”.’

Zover is het dus al gekomen, dat GGZ-instellingen bang zijn dat deze kwestie politiseert. Ondertussen gaat het grote zwijgen door, vooral binnen de psychiatrie. Er worden ook geen nieuwe behandelingen ontwikkeld, laat staan nieuwe technologische middelen ingezet. Een van de conclusies van mijn boek luidde als volgt: 

‘Zo bezien is het opmerkelijk dat er nu (zomer 2017) nog geen ‘e-Health-achtige’ modulen ontwikkeld zijn voor de preventie en radicalisering van jongeren, en ook niet voor het proces van de-radicalisering. Navraag bij de belangrijkste ontwikkelaars van dit soort e-Health-modulen  – in Nederland zijn dat Karify Connecting Care in Utrecht en Minddistrict in Amsterdam – deed blijken dat dergelijke modulen inderdaad nog niet zijn ontwikkeld.’

Negen maanden later zijn die nog steeds niet ontwikkeld. Er moeten kennelijk eerst doden gaan vallen voordat deze problematiek daadwerkelijk op de agenda komt. 

Reageer

What a beautiful day !

(foto: Peter Wouda)

Tja, dat was me wat gistermiddag. Bij de workshop over het ecohathedrale denken van Louis Le Roy had Oeds Westerhof op de valreep afgezegd. Het gevolg: Peter Wouda en ik moesten nu ieder anderhalf uur vol lullen in plaats van een uur. In zo’n situatie denk ik altijd: God zegen de greep. Uit de losse pols begon ik te improviseren over de filosofie van de tijd bij Henri Bergson en de invloed daarvan op het denken van Louis Le Roy, en dat doorspekt met allerlei anekdotes en persoonlijke herinneringen aan ‘de wilde tuinman’ uit Oranjewoud die bij leven ook wel ‘de Billy Graham van het onkruid’ werd genoemd. Maar ook Billy Graham is al dood. De tijd hâldt gjin skoft, zogezegd.

Maar wat is er met Oeds aan de hand? In mijn eigen mailbox had ik eerder al een cryptisch mailtje aangetroffen met de volgende mededeling:

‘Door onvoorziene omstandigheden (voor de duidelijkheid, heeft niks met waterpistolen te maken), kan ik aanstaande woensdag niet aanwezig zijn.’

Daar word je ook niet veel wijzer van. Zou het dan iets te maken hebben met mijn verdachtmaking dat Oeds er op uit is om de.nieuwe directeur van een provinciaal kunststituuit te worden, waarin alle medewerkers van CH 2018 een plek zouden vinden? Daarmee zou niet alleen de ‘legacy’ van CH 2018 zijn veilig gesteld, maar ook Oeds’ eigen positie na dit gebeuren. Vorige week had Oeds in de Leeuwarder Courant laten weten dat wij ons hier geen zorgen over hoeven maken. Naar aanleiding van een lezing meldde de LC het volgende: :

‘Westerhof hield de 30 aanwezigen voor dat Friesland de komende jaren moet blijven investeren in cultuurtoerisme. Daar horen incidenteel ook grote producties bij. Tevens zou er een organisatiestructuur moeten komen om voor voldoende impulsen te zorgen. Zelf zal hij daarin geen rol spelen, benadrukte hij.’

Oké, dat weten we dan. Maar welke rol gaat Oeds dan wél spelen als het doek is gevallen en iedereen zijn koffers heeft gepakt? Blijft de ervaring en expertise van Oeds voor Fryslân behouden? Anders gezegd: kiest hij voor it heitelân, of voor het grote geld elders?

In mijn lezing over Louis Le Roy memoreerde ik nog het feit dat Le Roy ooit het aanbod kreeg om een groot project uit te voeren tijdens de Documenta in Kassel. Daarvoor werd hem een budget van enkele tonnen aangeboden. Le Roy  weigerde echter dit uiterst lucratieve aanbod omdat men hem niet de garantie kon geven dat hij bij de uitvoering van dit project onbeperkt de tijd zou krijgen. Jaren daarvoor had een andere beroemde Fries, Abe Lenstra, een blanco cheque van AC Milan geweigerd, omdat hij het heitelân niet wilde verlaten. Maar dat waren andere tijden. Wie kiest er nu nog voor Fryslân als het grote geld lonkt?

Gisteren hoorde ik de ware reden waarom Oeds bij de workshop verstek moest laten gaan. Hij was op het laatste moment uitgenodigd door het organisatiecommitee dat in Hannover werkt aan den verkiezing van de stad tot culturele hoofdstad van Europa. (zie: hier) De ‘legacy’ waar Oeds aan werkt ligt wat hemzelf betreft dus eerder in Europa dan in Fryslân. Dat mogen we nu wel concluderen.

Het was een prachtige dag gisteren, een workshop met fantastische cursisten uit alle uithoeken van het land. Maar Oeds stond op de luchthaven van Hannover en dacht bij zichzelf: ‘What a beautiful day!’

Hoe je het ook wendt of keert, het blijft een wonderkind die Oeds. Zo’n talent moet toch voor Fryslân behouden blijven! Zeg nou zelf.

Maar ach, geef hem ook eens ongelijk. Straks mag hij in Brussel nog komen adviseren hoe het nu verder moet met het cultuurbeleid in de Europese Unie. En anders wel over het Europese landbouwbeleid. Bijvoorbeeld over de prangende vraag hoe je een deuk in een boterberg moet slaan.

(zie ook mijn blog: Het pakje boter van Oeds)

Reageer

Ik ben nou nog springlevend

kleine mus.jpg

Nog niet zo lang geleden kwam er een mus bijna bij mij binnen vliegen. Hij bleef zitten op de knop van het raam en leek even te twijfelen. Zou er dan toch iets zijn wat geen mus is? Iets heel anders? Een Mous bijvoorbeeld? Eigenlijk wilde hij wel verder komen, maar hij aarzelde nog even. Stel je voor dat die grote mus daar, geen mus is, maar zoiets als een Mous. Wat is dat dan, een Mous? Hoe zou het zijn, denkt die mus, om een Mous te zijn? Misschien is dat wel veel leuker!

Ik heb geprobeerd hem uit de droom te helpen. In mijn beste mussentaal heb ik deze mus vaderlijk toegesproken. Luister eens mus, Mous zijn is ook niet alles. Helemaal niet als je een Mous bent geworden door een typefout van de Schepper. Mous en Mus, het scheelt maar één letter. Wees jij nou maar lekker een mus. Vlieg op! Je bent nou nog springlevend, straks ben je dood!

Maar deze mus wilde niet luisteren. Hij bleef daar maar zitten op de rand van mijn Mousen-domein. Misschien wachtte hij wel tot ik weg was. Wie weet wat hij dacht. Waarschijnlijk dacht hij helemaal niets.

Niets denken, wat zou ik dat graag willen. Ik denk teveel, veel te veel. Soms denk ik wel eens: waarom? En dan zit ik weer een tijd te denken. Hoe zou het zijn als ik een dag niet zou denken, gewoon niets doen, niet schrijven ook. Gewoon wat liggen in de zon. Vandaag moet ik weer aan de bak, want ik moet een lezing geven in Heerenveen bij de workshop over ‘het ecokathedrale denken’ van Louis Le Roy.

Het is al weer zes jaar geleden dat Louis Le Roy midden in de zomer overleed. Ik heb hem goed gekend. Bij mij op het toilet hangt nog altijd een foto, die hij me ooit toestuurde. Her is een uitvergrote krantenfoto van mij. Met hele kleine letters had hij daarop het volgende geschreven: ‘Oui, c’est moi ami.’ Zelf had ik hem nooit ‘mijn vriend’ durven noemen. Ik zag tegen hem op, en tegelijk ook weer niet. Vooral dat laatste waardeerde hij. Dat ik hem nog wel eens van repliek diende.

Zo af en toe gaf Le Roy mij een wijze raad. Zo raadde hij me ooit aan om alles op te schrijven wat mij in mijn leven in de weg heeft gestaan. Een verhaal dus over alle dingen die mij belemmerd hebben om te doen wat ik diep in mijn hart altijd had willen doen. maar nooit gedaan heb. Kortom, het verhaal over mijn blokkades.

Le Roy had begrepen dat ik graag mijn aandacht eens op één ding zou willen richten. Soms noemt hij mij ‘de dolende ridder’. Ik vond dat een benaming waar ik wel vrede mee kon hebben. Een dolende ridder doet me denken aan Don Quijotte. Dat is misschien wel de grootste romanfiguur uit de geschiedenis, terwijl hij niet was bedacht om dat te worden. De figuur Don Quijotte was oorspronkelijk een parodie, een karikatuur op de in verval rakende ridderverhalen. Soms is een karikatuur zo scherp dat hij zijn doel voorbijschiet en zelf een nieuwe werkelijkheid wordt.

Over die wijze raad had Le Roy goed nagedacht. Zelf was hij heel lang geleden opgehouden om allerlei dingen tegelijk te doen. Hij richtte zich voortaan op één ding. Met die ene activiteit, die zich sindsdien al decennia lang dagelijks voortzette in de tijd, heeft hij tot ver buiten de landsgrenzen bekendheid verworven.

Daar was het hem overigens niet om te doen. Zijn bedoeling was het om aan te tonen wat één mens in zijn leven tot stand kan brengen. De tijd zelf werd ingezet in een gevecht tegen de tijd. Of beter gezegd, in een gevecht om te ontsnappen aan het tijdverslindende ‘nu’ dat je altijd weer weerhoudt om te doen wat je kunt doen. Soms kun je tijd stelen van de tijd zelf. Er is geen creatievere tijd dan gestolen tijd.

Deze ontsnappingstruc van Le Roy was mooi bedacht, maar ik was bang dat deze ingenieuze strategie niet aan mij besteed was. Is het niet zo, dat ik elke dag doe, wat ik moet doen, omdat ik denk dat ik dat moet doen. Terwijl ik zelden doe wat er werkelijk gedaan moet worden. Kortom, ik zit mezelf in de weg.

Zo bleef de wijze raad van Le Roy vaak in mijn hoofd rondspoken. Het verhaal over mijn blokkades, wat moest ik daarmee? Waarom zou ik alles op papier zetten wat een belemmering is geweest? ‘Het leven moet vooruit geleefd worden, en niet achteruit begrepen.’ Was het niet Kierkegaard die dat zei?

In het laatste jaar van zijn leven had Le Roy de gewoonte om geregeld een stapel boeken te kopen van een boek dat hij zelf heel erg mooi of belangrijk vond. Die boeken gaf hij dan weg aan mensen die het moesten lezen als een verplicht huiswerk. Hij schreef er ook een persoonlijke opdracht in.

Een paar weken later belde hij die mensen dan op, of ze het boek inderdaad gelezen hadden en wat ze er van vonden. Ik had het voorrecht om tot dat groepje mensen te behoren. Zo fietste ik zowat elke maand naar Oranjewoud om mijn boek op te halen. De hele middag kreeg ik dan een preek te horen, waarom juist dit boek zo belangrijk was.

Het waren meestal boeken over milieu en ecologie, zoals als Al Gore, De wereld in de waagschaal (1993) of Alain Wesman, De wereld zonder ons (2007). Het laatste boek dat ik van Louis cadeau kreeg was: Aanschouwt de vogels, wie zijn zij en wat doen zij? (2009), geschreven door Colin Tudge. Le Roy vond dit eigenlijk het allerbelangrijkste boek. Zelf kon hij in zijn laatste jaren uren door het raam naar buiten zitten kijken. Dan aanschouwde hij de vogels.

Vaak herinnerde hij mij eraan, dat het toch wonderbaarlijk is dat een mus – zonder op of om te kijken – recht op een takje aan komt vliegen en daar dan in één beweging op gaat zitten. ‘Hoe doet dat kleine ding dat?’, vroeg hij zich dan af.

Mussen hebben geen kapsones. Mussen zijn gewoon mussen. Soms zou ik willen dat ik een mus was. Maar stel dat ik gewoon ‘mus’ was geworden. Ik zou dan niet weten wat het is om een Mous te zijn. Een mus weet niet beter of alles wat leeft is een mus. Grote mussen, kleine mussen, meer is er niet. Nee, mus zijn is ook niet alles. Ik kies ervoor om Mous te zijn, want een huismus zal ik nooit worden. Nee dat nooit! Of, zoals Frans Halsema ooit zong:

Ik wil bergen beklimmen, conventies verbreken
Gewoontes fiskeren uit elk reglement
Voordat de ouwe dag er een stok voor komt steken
En m’n lusten verlamt en m’n beetje talent
En als het wil lukken dan ga ik steeds verder
Ik breek met de kudde en leef in het groot
Verrek met je schapen, val dood met je herder
Ik ben nou nog springlevend maar straks ben ik dood

Geen reactie mogelijk

CH 2018 betekent einde van Keunstwurk

Koos van der Sloot (met pet) en ik, bij de tewaterlating van Het schip, de lading van Marten Winters op 11 september 2011. (fotograaf onbekend)

‘Als het gaat om de hernieuwde evaluatie van wat het modernisme betekend heeft, dan is het perspectief vanuit de regio, het regionalisme en zijn veranderende manifestaties – en het daarin soms sluimerende nationalisme – tot nog toe relatief weinig belicht. Dat gegeven, zoals ik in het eerste hoofdstuk formuleerde, was voor mij aanleiding om de late vorm van modernisme, die in Friesland in de jaren zestig tot ontwikkeling kwam, nog eens tegen het licht te houden.’  Ik deed dat mede in het naderend perspectief van de manifestatie CH 2018 en de vragen die dit gebeuren oproept over het begrip ‘mienskip’ en de eventuele maakbaarheid van de Friese identiteit in tijden van belevingscultuur en regiomarketing. Na 2010, toen het streven om culturele hoofdstad van Europa te worden allengs vastere vormen aannam, leek er een nieuwe geest in Friesland neer te dalen. Het ideaal van een maakbare toekomst leek opnieuw in beeld te komen. Die nieuwe tijdgeest werd in 2010 – bewust of onbewust – nog het fraaist verbeeld in het schip vol dromen dat bij het project Het schip, de lading van Marten Winters uit de voormalige gevangenis de Blokhuispoort omhoog werd gehesen. Vijftig jaar na het begin van een decennium, waarin de verbeelding aan de macht wilde komen, leek men de vlag van de verbeelding in Friesland weer in top te hijsen.

Aldus schreef ik in het slothoofdstuk van mijn boek De Fries die in de toekomst sprong, Fries modernisme in de jaren zestig (2016). Inmiddels zijn we acht jaar verder. De Culturele Hoofdstad is al weer een paar maanden geleden van start gegaan. Het pikefel-gevoel waar de bedenkster van dit gebeuren ooit van droomde is nog niet neergedaald. Soms loop ik door de stad en denk ik, wat is hier eigenlijk te doen? Je ziet wat meer toeristen dan normaal, en zo af en toe vraagt iemand je de weg in het Duits of het Frans zodat je je talen weer wat kunt ophalen. Maar verder? De droom is nog niet uitgekomen, en eerlijk gezegd denk ik dat dat er ook niet meer van zal komen. 

De organisatoren van CH 2018 hebben het onderschat wat het betekent om een jaar lang een stad in een festivalsfeer te brengen. Daarvoor is meer nodig dan een paar mooie theatervoorstellingen die binnen kortste keren zijn uitverkocht. De permanente zichtbaarheid van de Culturele Hoofdstad beperkt zich tot het goed bedoelde aanbod van de bestaande instellingen. Tresoar heeft zich uit de naad gewerkt met zijn taalpaviljoen Obe, Lân fan Taal  en andere presentaties in en om het eigen gebouw. Mooie initiatieven, maar voor de Friese taal kom je niet naar de culturele hoofdstad van Europa.

Het Fries Museum heeft de grafiek van Escher in de etalage gezet, maar daar word ik niet vrolijk van. Het is een obligate presentatie geworden van prenten die je al duizend keer eerder hebt gezien. Ze zijn zo bekend dat je ze bijna niet meer kúnt zien. De fontein van Plensa staat nog altijd niet in de mist. Deze twee obligate kinderkopjes lijken het symbool te worden voor een mislukt project. Eleven Fountains is vooral een voorbeeld van risicoloze namedropping zonder enige relatie met de couleur locale en de genius loci.

Destination Art, zo noemt Anna Tilroe dit prestigieuze project. Maar de destination van deze opgefokte cliché-fonteinen richt zich vooral op haar eigen honorarium. Wie heeft er allemaal niet verdiend aan de organisatie van de Culturele Hoofstad? Dat blijft de grootste vraag die komt bovendrijven. Het is een programmering zonder bezieling. Een van bovenaf gedropt megaproject dat de harten van de mensen nooit heeft geraakt en ook nooit zal raken. 

De grootste fout is misschien wel dat men het belang van de beeldende kunst in de programmering heeft onderschat. Men heeft dit overgelaten aan de staf van het Fries Museum, die alleen maar gefocusd is op risicoloze blockbusters. En daarnaast aan een gastcurator als Anna Tilroe, die grote verdiensten heeft gehad in het verleden, maar wier houdbaarheidsdatum inmiddels is verstreken.

Waarom is er geen grandioze beeldententoonstelling te zien in het Park Vijversburg? Waarom geen overzicht van het internationale neo-constructivisme dat in Friesland zo veel sporen heeft nagelaten? Waarom geen ontdekkingsreizen langs de monumentale kunst in Friesland? Waarom geen nieuwe variant van de tentoonstelling ’11 steden, 11 landen’ met paviljoens van architecten en kunstenaars uit Noord-Europa? Waarom geen museaal overzicht van de naoorlogse beeldende kunst in deze provincie? Waarom geen grootscheepse manifestatie over het modernisme in Friesland, waarin het werk van Ids Willemsma en Abe Bonnema wordt gepresenteerd in een internationale context?

Dat gemis is tragisch te noemen, maar ook wel begrijpelijk. Als ze ziet hoe de planvorming voor CH 2018 in de laatste jaren is verlopen dan bekruipt je het gevoel, dat het om alles ging behalve de inhoud. Wat waren de dromen in het schip van Marten Winters? Ze zijn weggevlogen in de wind, gekaapt door zakkenvullers en carrièrejagers. En wat blijft er van over? Niks noppes nada.

‘Het schip, de lading’ van Marten Winters (zie ook: Een rite de passage)

Oeds Westerhof is als ‘directeur legacy’ van CH 2018 druk bezig om die erfenis veilig te stellen. Het zou me niet verbazen als hij op slinkse wijze al een plan heeft beraamd om zijn naaste medewerkers van CH 2018 in de nabije toekomst bijeen te brengen in een nieuw instituut, waarvan hij dan zelf directeur wordt. Dat nieuwe provincale cultuurinstituut zou dan de plaatsvervanger worden van Keunstwurk.

Daarmee zou Oeds twee vliegen in een klap slaan. De legacy is veilig gesteld, want de ervaring en expertise, die bij de organisatie van CH 2018 zijn opgedaan, kunnen dan voor deze provincie behouden worden. Daarnaast neemt hij dan ook nog eens persoonlijk wraak op zijn weinig eervolle aftocht als directeur van Keunstwurk in 1997.

Het lijkt ver gezocht deze gedachte, maar ik heb hem al in meerdere varianten horen rondzingen, vooral bij mijn oud-collega’s van Keunstwurk. De pensioenen zijn daar in zicht en de dagen zijn geteld. Dus ze zijn er niet eens rouwig om. Het schip is gestrand en de lading is gaan schuiven. Maar ook de droom van CH 2018 is voorbij, terwijl we nog niet eens op de helft zijn. De rekening kan nu al worden opgemaakt. Let op mijn woorden, we krijgen nog kippenvel, maar niet van de dromen die zijn uitgekomen. It’s all over now, baby blue…

Reageer