Romantiek, authenticiteit & imitatie

Slide1
Links: Johann Gottfried von Herder. Rechts: Anne-Louis Girodet-Trioson, Ossian begroet de zielen van krijgers in het Walhalla,

‘Het fundamentele belang van de taal voor het denken, de ‘genetische’ methode, de 
’toverstaf’ (Novalis) van de analogie, de ‘poëtische’ benadering van de geschiedenis 
als eschatologie, het dialectische schema van geïdealiseerd verleden, gekritiseerd he
den en een toekomst die een verbeterde versie van het verleden te zien geeft, het geloof in een ander, eeuwig leven, de ‘oneindigheid’ onder het eigen bewustzijn, de 
overtuiging dat de mens in wezen een ‘kunstenaar’ is en de wereld een ‘kunstwerk’, 
het is allemaal niet exclusief aan Herders invloed toe te schrijven, maar de overeenkomsten zijn te frappant om op toeval te berusten. Dat geldt niet minder voor wat 
de belangrijkste invloed is geweest van Herder, en via Herder van Hamann: het bijna totale belang in hun filosofie van het esthetische en poëtische aspect, niet alleen 
in de vroegste tijden, toen de volkeren en naties rondom zingende zieners zouden 
zijn ontstaan, maar ook in het heden, waarin Herder zelf als ‘poëtische’ geschiedfilosoof een soortgelijke rol voor de mensheid op zich nam.’

Aldus een bloemrijke passage in het boek De esthetische revolutie van Arnold Heumakers. Veel aandacht wijdt Heumakers aan Johann Gottfried von Herder (1744-1803), een vaak onderschatte filosoof, wiens ideeën een belangrijke rol hebben gespeeld bij het ontstaan van de Romantiek. Zijn geschrift Von Deutscher Art und Kunst, dat hij samen met Goethe in 1773 publiceerde, betekende het startschot van de Sturm und Drang beweging. Belangrijker wellicht nog is zijn Abhandlung über der Ursprung der Sprache (1772), waarin Herder zijn ideeën over het unieke karakter van de volkstaal uiteen heeft gezet.

Herder heeft er als eerste op gewezen dat ieder volk een eigen ziel heeft die het meest zuiver tot uiting komt in zijn taal. Begrippen als Seele des Volkes en Geist der Nation zijn in oorsprong van hem afkomstig. De taal zou volgens Herder onmiddellijk het wezen van het volk uitdrukken. In feite is dat een moderne gedachte in zoverre er sprake is van onmiddellijkheid. De directe uitdrukking van de ‘ziel van het volk’ in eigen haar taal is geen zaak van representatie pof imitatie, maar van presentatie. De taal is niet alleen ‘het huis van de ziel’, zoals Heidegger later beweerde, maar de taal is ook de collectieve behuizing van de volksziel.

Het nationalisme schoot definitief wortel in de tijd van de Romantiek, nadat Napoleon van Europa een warboel had gemaakt, en de boven-wereldse ruimte van een God die alles naar zijn wetten geordend had, plaats maakte voor de immanente drijfveren van de geschiedenis, dat wil zeggen: het verlangen naar de verte, het verleden, het eigene en het authentieke. Romantiek was ook de periode in de geschiedenis toen de verticale ruimte-as tussen God en wereld zich omkeerde in de horizontale tijd-as van het heimwee naar het verleden en de vlucht vooruit in de toekomst.

‘De hele natuur is een bewusteloos denken,’ stelde Schelling, en zo geredeneerd is het een kleine stap om het idee ‘God’ dan ook niet langer buiten of boven de wereld, maar in de kelder van het onbewuste een plaats te geven. Dat wil zeggen: daar waar de bodem van de menselijke ziel samenvalt met het bloed en de bodem van volk en vaderland. Zo werd ‘de ziel van het volk’ een kracht van de natuur zelf. Romantiek was de tijd van de thuisloosheid en in de Europese regio’s van taalminderheden het verlangen dat daarmee samenhangt in feite nooit verdwenen.

Herder wordt vaak gezien als de romantische pleitbezorger van Blut und Boden. ‘De tijden van het godgelijke weten waren voorbij,’ zo stelt Heumakers. De hele filosofie werd een vorm van antroposofie. De mens zelf kwam centraal te staan en daarmee alles wat het meest eigen is aan de mens, het authentieke en oorspronkelijke, het bloed en de bodem. Herder zocht zijn inspiratiebronnen niet bij het klassieke  ideaalvoorbeeld van de Grieken, maar bij schrijvers en dichters die de ziel van een volk op volmaakte wijze tot uiting hadden gebracht.

Shakespeare bijvoorbeeld, en anders wel Ossian, de mythische Schotse volksdichter, die later een falsificatie bleek te zijn die uit de pen was gevloeid van Herders tijdgenoot James Macpherson. Het onechte grenst aan het echte, dat bleek al meteen bij deze eerste falsificatie van de Romantiek. Als het authentieke verleden niet bestaat of in de geschiedenis te vinden is, dan moet het worden uitgevonden. Later zouden nog heel wat romantische falsificaties volgen tot in alle uithoeken van Europa, met het Oera Linda Boek in Friesland als niet de minste in deze illustere reeks. Als je kopieert of falsifieert, dan moet je het ook goed doen. Niet ‘het boek was beter’, maar de kopie moet minstens zo goed zijn als het origineel. Echter dan echt, dat is de ware kopie.

Het authentieke als kopie

goethe_werther

Toen ik in de jaren zestig op de middelbare school zat, moest je voor het vak Nederlands nog wel eens een tekst samenvatten. Zo herinner ik mij een tekst van de pedagoog M.L. Langeveld over ‘de jeugd van tegenwoordig’. Het ging over het gedrag van pubers en jonge adolescenten dat volgens de auteur steeds onechter werd doordat men in toenemende mate houdingen en gedragingen ging nabootsen uit de film. Het bioscoopbezoek nam na de oorlog sterk toe, vooral onder jongeren, en pedagogen maakten zich steeds meer zorgen over de gevolgen hiervan voor de jeugd. Zo zou bijvoorbeeld het authentieke gedrag dat bij verliefdheid hoort op deze manier verdwijnen, omdat jongeren – als ze verliefd werden – gedragingen van filmsterren gingen imiteren. De film werd de norm voor het echte leven, en het echte leven werd steeds meer een film. Het echte leven werd echter dan echt, door het kopiëren van kopie.

Zo ging het ook in de tijd van de Romantiek. Het authentieke, dat alom werd nagestreefd, was niet zelden een kopie of een falsificatie. Dat kwam niet in de laatste plaats omdat de voorbeelden die gekopieerd konden worden zich almaar vermenigvuldigden. Aan het eind van de achttiende eeuw nam niet alleen het aantal boekuitgaven drastisch toe, ook het lezerspubliek groeide sterk in omvang. Tussen 1750 en 1800 verdubbelde het aantal mensen dat kon lezen. Pedagogen maakten zich in die tijd zorgen over gymnasiasten die teveel boeken lazen. Door het vele lezen zouden de natuurlijke en intuïtieve vermogens van de mens aan kracht inboeten, zo werd gevreesd.

Bovendien werd de literatuur niet alleen een spiegel voor het leven, maar ging men ook het leven zelf in het echt kopiëren zoals het in romans beschreven werd. ‘Wij hangen van literatuur aan elkaar,’ klaagde de jonge Tieck. Goethes boek Die Leiden des jungen Werthers (1774) leidde tot een golf van zelfmoorden onder adolescenten. De literaire suïcide werd gekopieerd in het echte leven. Die kopie moest ook zo exact mogelijk worden uitgevoerd. Zo hadden de jonge zelfmoordenaars in het spoor van de jonge Werther niet het boek van Goethe op tafel leggen, maar het boek dat de jonge Werther zelf in het boek van Goethe op tafel had liggen, toen hij zelfmoord pleegde, namelijk: Emilia Galotti van Lessing

Het authentieke is vaak niet authentiek, maar echter dan echt, en dus nep. Dat is misschien wel de belangrijkste les die we van de Romantiek kunnen leren. Ich kehre in mich selbst zurück und finde eine Welt!’ riep de jonge Werther uit. Maar de authenticiteit die hij in zichzelf ontdekte heeft bij anderen toch vooral kopieergedrag teweeggebracht. In de begintijd van de Romantiek werd levenservaring door de leeservaring verdrongen en het was juist die dramatische ontwikkeling die twee eeuwen daarvoor het thema was geweest van de eerste ‘moderne’ roman: Don Quichot van Cervantes. De dolende ridder van La Mancha was niet echt, maar een levende kopie van een personage die in de ridderromans uitentreuren beschreven was. De esthetisering van het leven, die met de Romantiek definitief een aanvang nam, begon met het kopiëren van de literaire verbeelding in de werkelijkheid, waarna dat kopieerproces in een ‘echte roman’ verbeeld werd.

Herder en de Friese taal

41kyKMbySpL._SX310_BO1,204,203,200_

Maar terug naar Herder, de romantische filosoof van ‘het authentieke’ dat zou zijn terug te vinden in de geschiedenis, maar vooral ook in de taal van een volk. De eigen taal, daar ging het bij Herder om. Zo’n tweehonderd jaar geleden moet dat bij de Friezen als muziek in de oren hebben geklonken. Als ze al van gehoord hadden, maar de ideeën van Herder verspreidden zich razendsnel en kwamen in afgeleide vorm in tal van publicateis terecht.

Ook de Friezen waren na Napoleon hun relatieve autonomie, zoals ze die nog hadden gekend in de tijd van de Republiek, kwijtgeraakt. Het romantische verlangen naar de volksziel in de eigen volkstaal was voor Friezen een schrale troost voor het trauma van een mislukte natievorming. Dat was in Duitsland zo en evenzeer in Friesland. Wat was er unieker en authentieker dan de eigen Friese taal?  Vanuit die romantische radicalisering van het sentiment ontstaat maar al te gauw het nationalisme als compensatie voor een verdrongen minderwaardigheidsgevoel.

Ook anno 2015 wordt nog altijd gesproken over ‘de muzikaliteit van de Friese taal’ die een Fries dichter moet uitbuiten. Een Friese literator zou zich bewust moeten zijn van de bijzondere kwaliteiten die de Friese taal te bieden heeft en juist die kwaliteiten tot uiting moeten brengen. Met andere woorden: het medium is de boodschap. In feite voegt deze opvatting zich in een romantische traditie, waarbij taal de ziel is van een volk.

De ‘taalwerkelijkheid’ van de Friese literatuur is het Fries eigene dat bewaard en voortgezet moet worden in toekomst. Een toekomst die bedreigend op ons afkomt. Een toekomst die de Friese taal en literatuur naar het leven staat. Een toekomst in tijden van ondergang. Nog een stap verder en men ziet de taal als drager van de Friese waarheid, van de Friese bestemming, van het Friese lot, van de Friese lotsverbondenheid. Het idee, dat taal een eigen werkelijkheid creëert, heeft in sinds Herder menigeen op een dwaalspoor gebracht.

Er wordt wel eens beweerd dat het Frans een heldere en logische taal is. Ik heb dat nooit zo goed begrepen. Komt dat omdat Descartes zo helder dacht en daardoor de Franse taal door zijn taalgebruik helder is geworden, of is het zo dat het Frans van zich zelf helder is, omdat het relatief dichter bij het Latijn staat? Het Latijn is een van de meest heldere talen, omdat de grammatica een strakke, bijna logische structuur heeft. Het Duits geldt als duister, maar komt dat door die duistere Duitse filosofen of door de taal zelf? Was Heidegger een andere filosoof geworden als hij Frans als moedertaal had gehad?

En hoe zit het met het Nederlands? Is dat een heldere taal? Ik heb wel eens gelezen dat het Nederlands veel eigenaardigheden heeft die heel moeilijk te vertalen zijn. Zo is het boek van de wiskundige Over de grondslagen der wiskunde van L.E. Brouwer niet in al zijn nuances in het Engels te vertalen. Dat is wonderlijk omdat het boek over logica gaat en niet over gevoel. Sommige nuances blijven steken in het Nederlands. Lost in translation, zoals dat heet. Sein und Zeit van Heidegger is ook niet echt goed te vertalen, omdat veel van zijn woorden in het Duits homoniemen of homofonen hebben die niet in een andere taal zijn om te zetten. Er bestaat zoiets als ‘cultuurrelativisme’. Dat wil zeggen: waarheid is afhankelijk van de culturele context, waarin de waarheid als ‘waarheid’ wordt ervaren. Maar bestaat er ook zoets als ‘taalrelativisme’. Elke taal creëert een eigen werkelijkheid. Om niet te zeggen: een eigen waarheid.

Als het waar is, wat wel eens wordt beweerd, dat de Friese taal een gevoelstaal is, dan geldt dit probleem in het kwadraat. Gevoelens hebben immers niet zo zeer een semantische basis, maar eerder een fonetische. De specifieke klanken van het Fries zijn onvertaalbaar en zijn cruciaal voor de gevoelsoverdracht. Het rare is dat een Hollander altijd denkt dat hij het Fries nog tot op zekere hoogte kan volgen. Daarom klinkt Fries voor Nederlandstaligen als een verbasterde taal, zoals ook het Zuid-Afrikaans klinkt. Het Fries klinkt in de oren van de Hollanders vaak primitief en boers, zoals ook een Duitser vindt dat het Nederlands klinkt als een primitieve taal met allerlei boerse klanken. J.B. Charles schreef over het Fries ooit het volgende :

In Friesland kan men de schoonste geluiden der aarde horen, de conversatie van miljoenen vogels en het klappen van duizend zeilen, maar vlucht zodra er twee Friezen in het panorama stappen, dan stoot daar een staccato van harde en zelfverzekerde klanken alles kapot van wat er zo even nog was. Nu goed, men denkt, deze ene man is door die ander onrecht gedaan, zo luid en verbitterd klonk zijn taal. ‘

Voor een Fransman moet het Fries wellicht veel exotischer klinken. Een soort Noord-Europees Arabisch met al die zangerige dubbelklanken. Ikzelf heb het Fries altijd al als een gevoelstaal ervaren. Er gebeurt iets in het Fries dat moeilijk te omschrijven is. Spreker en ontvanger zitten meteen in eenzelfde gevoelsregister met elkaar. Het Fries transformeert de communicatie. Het Nederlands is veel afstandelijker. Nederlanders spreken meer in geobjectiveerde bewoordingen. Het Fries is ook meer een fysieke taal. Je wordt meteen aangesproken op een bepaalde mate van geïnvolveerdheid in … ja in wat eigenlijk?

Wat het ‘Fries als gevoelstaal’ betreft. Ik zou daar graag wat meer over willen weten, want het fenomeen interesseert mij. Het gaat mij niet eens om de taal op zich, maar om de taal als communicatie-PROCES. Linguïsten zien taal vaak als een statisch corpus en veronachtzamen wat er gebeurt TIJDENS en spreken en luisteren. Het valt mij op dat veel taalkundigen slecht op de hoogte zijn met de nieuwe ontwikkelingen binnen de mediatheorie. Taal is meer dan het traditionele, statische schema ‘zender- boodschap-ontvanger’. Je moet een dynamisch schema als uitgangspunt nemen, waarbij de boodschap als de zender en ontvangen voortdurend transformeren. In het spreken gebeurt er iets dat niet meetbaar is in de reguliere taalkundige categorieën en fenomenen. In de communicatie veranderen zender en ontvanger en dat veranderingsproces is per taal verschillend. Daar ligt volgens mij het verschil tussen een gevoelstaal als het Fries  en een rationele taal als Frans of Latijn.

Als  je twee Friezen met elkaar hoort spreken dan zijn zij anders op elkaar betrokken dan twee Nederlanders of Engelsen.  Het kan zijn dat ik me daarin vergis, maar ik heb stellig die indruk, dart er sprake is van een substantieel verschil. Misschien heeft dit verschil iets te maken met het verschil tussen een taal die meer volkstaal is en een taal die meer gestandaardiseerd of geformaliseerd is. Maar dat is het niet alleen. Het heeft ook met klanken van woorden te maken. Met de wijze waarop de uitspraak in klanken wordt gemoduleerd. Of uitspraak in combinatie met mimiek, de onderkoelde emotie ook van een omkering, ‘It koe minder’ bijvoorbeeld.

Volgens de Sapir-Whorfhypothese zijn de waarneming en de voorstelling van de werkelijkheid sterk afhankelijk van de taal die men spreekt. In wezen is dat een antropologische theorie en niet een taaltheorie. Het is een theorie die zich voegt in het spoor van Herder. In dit soort gedachten zit natuurlijk wel een kern van waarheid. De taal geeft de werkelijkheid weer volgens de specifieke omstandigheden van het gebied waarin de betreffende taal gesproken wordt. Dat verklaart de bekende veertig woorden die een Eskimo voor ‘wit’ ter beschikking heeft en de woestijnbewoner voor ‘bruin’. Elke taal heeft een geografische dimensie. Wie weet zit in de taal inderdaad zoiets wat niet anders te omschrijven is dan met het beladen woord ‘ziel’, een ‘volksziel’, wie zal het zeggen. ‘De taal is het huis van de ziel,’ schreef Heidegger. Daarmee verwoordde hij een opvatting over taal die ooit in de tijd van de Duitse Romantiek is ontstaan. De tijd waarin het hemels baldakijn werd ingeruild voor het verlangen naar de verte, het heimwee naar de geschiedenis en de diepte van de volksziel.

Nationaalsocialisme en Romantiek

Slide1117

Het nationaalsocialisme stoelde op een seculier-religieus gemeenschapsideaal, dat mythisch van karakter was en waarbij er een soort implosie van de waarheid optrad. Het glibberige begrip ‘mienskip’ ontstond door het naar binnen klappen van de taal. Niet de verbeelding maar de mythe kwam aan de macht. Het nihilisme daarentegen is in feite even absolutistisch, omdat elke zin van een moderne gemeenschap daarin a priori wordt ontkend. Tussen die twee uitersten schoot het Europese denken in de twintigste eeuw heen en weer, waarbij de democratie lang niet altijd een afdoende remedie bood. De kern van het probleem – de intrinsieke zinloosheid van de moderne samenleving (‘Gesellschaft’, ‘demos’) – wordt immers ook door de democratie niet opgelost. Democratie creëert nog geen ‘mienskip’ (‘Gemeinschaft’, ‘etnos’).

De vorming van een nationale identiteit is altijd een mimetisch proces. Er wordt iets nagebootst, gekopieerd juist om het authentieke te bereiken. Zoals een kind bij de vorming van zijn identiteit zijn vader nabootst door zich met hem te identificeren, zo wordt door een volk of natie ook een ideaalbeeld nagebootst dat niet zelden in het verleden wordt herkend. Zo is ook het Duitse nationalisme ontstaan, door een identificatie met de Griekse stadstaat, maar ook met een authentieke volksziel die elke Duitser in zich droeg en die tot uiting kwam in zijn taal. De zogeheten ‘Duitse nood’ – het historisch gebrek aan nationale eenheid – viel samen met deze overgangstijd tussen Classicisme en Romantiek, de tijd waarin het originele en authentieke steeds meer waardering ondervond. Met wilde de Grieken nabootsen als de ideale ‘Heimat’, het ‘vaderland van Europa’, maar idealiseerde tegelijk ook de duistere bard die zingend de ziel van het volk vertolkte.

Dat alles betekende: Bildung, humaniteit, de mens in optima forma. Maar het ideaal van de Grieken was niet na te bootsen. Dat hadden de Romeinen al gedaan. Niet het Griekse model zouden de Duitsers dan ook gaan imiteren, maar het model-loze, het natuurlijke, het authentieke van de Grieken. Nagestreefd werd de imitatie van het geniale. ‘Maar het geniale als zodanig is per definitie niet te imiteren,’ zo stelt Frans van Peperstraten in zijn boek Sublieme Mimesis, ‘en in deze onmogelijkheid heeft Duitsland zich aan een psychotisch lot verbonden.’ Een psychose is in wezen een de radicale imitatie van een ideaal dat niet bestaat. De romantische bard die in trance ‘de ziel van het volk’ vertolkt beweegt zich op de grens van de waanzin.

Zo ontstaat een double bind, het imiteren van een ideaal in het verleden, en tegelijk de illusie koesteren dat er een model van dat ideaal zou bestaan dat originaliteit garandeert. Dan sluipt er iets onmogelijks binnen: ‘de mythe van het eigene’ dat eeuwig en onveranderlijk is ongeacht het wegvlieden van de tijd. Het eigene van de eigen identiteit is niet alleen het meest authentieke, maar ook het meest illusoire dat men zich denken kan. Met houdt het voor authentiek, ook al weet men deep down dat het nep is. ‘Nep is echt’, dat is niet alleen de illusie van de Romantiek, maar ook van het nationalisme. Het zijn illusies die gebaseerd zijn op de misvatting dat de identiteit van een volk iets natuurlijks zou zijn. Identiteit is een constructie en nooit natuur,

En toch blijft men denken dat identiteit het meest natuurlijke is dat men zich denken kan: een organon, het dynamische organiek waar alles uit voortkomt en alles als werkelijkheid verschijnt. Identiteit wordt dan een gebeuren. Iets wat moét, dwars tegen alle moderne en nihilistische tegenkrachten in. Identiteit wordt zo ongemerkt iets totalitairs, alsof het ‘ik’ van het individu een geheim verbond heeft gesloten met het lot van het volk, de bestemming, daar waar de geschiedenis als vanzelf naar toe gaat. Als een slaapwandelaar die blindelings zijn weg vindt op weg naar de voltooiing. Het volk wordt dan een ras. En het ras moet gezuiverd worden van vreemde smetten. Het principe van de uitsluiting is eigen aan het denken in termen van identiteit en bestemming. Dat is dan ook meteen de meeste fatale erfenis van de Romantiek. Als het onechte echt wordt moet alles onecht worden, tot de dood er op volgt.

Reageer

De keerzijde van Simmer 2000

simmer 20000001.jpg

Ja, daar sta je dan, midden op de Dam. Het is op een zaterdagmiddag in mei. Om me heen staan allemaal kunstkoeien, maar die kun je gelukkig niet zo goed zien. Een ideetje van Rindert Algra. Wat een gladjakker was dat. We maakten reclame voor de manifestatie Simmer 2000 die in aantocht was. Later op de dag zou Tsjêbbe Hettinga nog optreden bij de Friese Ambassade aan de Leliegracht. We haalden het NOS-Journaal ermee en dat was precies de bedoeling. Het werd een raar jaar met al dat Simmergedoe. Deze maand is het al weer twintig jaar geleden en in de Friese media wordt hier alom aandacht aan besteed. Maar kopt het ook, het beeld dat zij ons voorschotelen.

Gaandeweg in die wonderlijke weken in juli 2000 begon dit feestje me steeds meer tegen te staan. Er ging ook van alles mis. John Körmeling kwam niet opdagen in de Ecokathedraal van Louis Le Roy. Ik kreeg ruzie met Rimmer Mulder die een interview met kolonel Sjaarda uit de krant liet verwijderen toen de persen al zowat draaiden. Met die andere hoofdredacteur – Sybe van der Meulen – kreeg ik het ook aan de stok. Hij strooide nog wat zout in de wond door het project van kolonel Sjaarda compleet af te kraken in een hoofdredactioneel commentaar.

Al die opgeklopte liefde voor it heitelân begon bedenkelijke trekjes te krijgen en er was steeds meer sprake van een nationalistisch gezinde censuur. Ironie en zelfspot werden niet gewaardeerd in de Friese media, om over kritiek van buitenaf maar te zwijgen. Simmer 2000 ontaardde uiteindelijk in een soort massapsychose. Bij het slotfeest in het FEC kreeg ik het spaans benauwd. Op het laatst sprongen mensen op de tafels om uit volle borst Friese liederen te gaan zingen. Ik dacht: wie niet bij deze club hoort zal er ook nooit bijhoren. Verbroedering en uitsluiting gingen hand in hand. Het deed me denken aan een bierhal in München waar ik ooit eens gillend ben weggelopen.

Het is 23 juli 2000. De laatste dag Simmer 2000 en het Frysk Festival. Op een terrasje in Hemdyk staan van links naar rechts: Gryt van Duinen, ondergetekende, Metsje Gerlsma en Peter Karstkarel. Zo zou ik me het Frysk Festival in die zomer van 2000 graag willen blijven herinneren. Als een coproductie van een dreamteam. Even voordat deze foto werd genomen had Hylke Speerstra Gryt van Duinen nog alle lof toegezwaaid als bedenker van dit hele gebeuren. Heel even was er verwarring geweest. Was Speerstra de geestelijk vader van Simmer 2000 of Gryt van Duinen de oermoeder? Maar ere wie ere toekomt!

Het moest een feestelijk gebeuren worden dat van onderop met zijn allen werd opgebouwd. Zo anders was  twee jaar daarvoor de manifestatie Fryslân 500. En twee jaar geleden nog Lwd 2018. Dat waren beide manifestaties die van bovenaf door de strot werden geduwd. Simmer 2000 en Frysk Festival waren anders. Zoiets kon alleen in Fryslân. Tenminste, toen de bezieling er nog was bij bestuurders, medewerkers, vrijwilligers en iedereen die er aan mee wilde doen. Het Frysk Festival was overigens altijd al een zaak geweest van liefhebbers. Nooit van managers. Het doel was de kunst die in alles voorop stond. Het doel is nu city- en regiomarketing. Na 2000 heeft de economie de cultuur gaandeweg gekaapt.

Zo bezien had die zomer van 2000 toch ook iets moois. Er was opeens geld genoeg om grote projecten te organiseren. De bomen leken nog tot in de hemel te groeien in dat jaar vóór 9/11. Bovendien deed iedereen alles nog voor zijn plezier. Het ‘uren schrijven’ was nog niet uitgevonden. Mensen deden dingen omdat ze erin geloofden. Er bestonden nog echte vrijwilligers. Er waren nog geen managers. Bevlogenheid, daar ging het om. Gryt van Duinen was als geen ander een bevlogen aanjager geweest. Ze had een droom gehad en die was uitgekomen. Friesland was een maand lang ’t bêste lân fan ierde.

En toch, de nasmaak van Simmer 2000 had ook iets bitters. Dat was de keerzijde die pas achteraf zichtbaar werd, al raakt hij tot op de dag van vandaag ondergesneeuwd in de herinneringen aan de collectieve euforie. Het verscholen probleem van Simmer 2000 was de vraag hoe in Fryslân tijdens de millenniumwisseling collectief uiting kon worden gegeven aan een gevoel van liefde voor it heitelân, zonder daarbij te vervallen in een bedenkelijk nationalisme met alle gevaren van uitsluiting en zelfverheerlijking

Is die missie achteraf bezien  geslaagd? Zo’n dubbel gecodeerde intentie heeft doorgaans een verlammend effect. Maar bij Simmer 2000 kiepte dit mechanisme plotseling om in een massale explosie van euforie. Alles wat nep is werd ineens echt. Wat zich aandiende was de Friese coming out van hedendaagse volkscultuur in het tijdperk van SBS6, een zich zelf genererende uitbraak van de massahysterie,  die daarnaast – zeker voor  wie zich niet volledig bij deze uitbraak betrokken voelde – een gevoel van plaatsvervangende schaamte opriep.

Zelf had ik nog maanden na afloop last van een kater. Het was een groot feest geweest, maar was het niet ook een vorm van narcistische zelfbevekking? De coördinator van de Simmer, Jaap Castelein, die ooit het Frysk Festival had bedacht, maakte er het jaar daarop er een eind aan. Hij kampte met persoonlijke problemen, maar de kater van de Simmer had ongemerkt ook bij hem toegeslagen, al was hij misschien nog het meest geraakt door alle publieke aandacht die anderen ten deel viel, en niet hem.  In juli 2000 was hij de gangmaker geweest op het verkeerde feest.

Ik ook trouwens. Als artistiek leider van het Frysk Festival 2000 zat ik op een stoel die daarvoor van Jaap was geweest. Zijn zelfmoord heeft me destijds behoorlijk geraakt. Achteraf bezien was er wel degelijk iets mis met Simmer 2000. Maar wat? Dat weet ik nog steeds niet. Tenminste, deep down denk ik dat ik het weet. Maar de ware geschiedenis van Simmer 2000 moet nog altijd geschreven worden.

Zie ook mijn blog: Efkes werom yn Simmer 2000

Reageer

Vliegen in het vlinderseizoen

Gistermiddag op het Zaailand, 14.00 uur

Vannacht droomde ik dat ik een vlinder was op het eiland Koh Tao. Ik weet niet eens of daar vlinders zijn, maar in mijn droom was ik daar als vlinder. Ik ben er altijd vanuit gegaan dat vlinders geen weet hebben van hun bijzondere vermogen om te vliegen waarheen zij maar willen. Wonderlijk genoeg was ik me dat vannacht wèl bewust. Sterker nog, ik was me bewust dat ik droomde. Ik wist dus dat ik eigenlijk helemaal geen vlinder was, maar een mens die droomde dat hij een vlinder was. Ik was in mijn droom getransformeerd in iets anders dat tegelijk toch ook mezelf was. Vreemd, dacht ik, als ik weet dat ik droom en dus niet écht vlieg, waarom ben ik er dan zo zeker van dat ik vlieg? Is het wel vliegen wat ik hier doe? Toch was over dat laatste was geen twijfel mogelijk. Ik bewoog mijn vleugels, steeg op, daalde neer, rustte uit op een bloem en vloog weer verder.

Alles was licht geworden. Alle zwaarte leek uit de wereld verdwenen. En terwijl ik mij verheugde op dit vlinderachtig bestaan, waarvan ik diep in mijzelf wist dat het slechts van korte duur zou zijn, dacht ik terug aan de zwaartekracht die mij straks weer in zijn greep zou krijgen. Ik vroeg me af hoe ik mij dit vlinderbestaan zou herinneren als ik weer wakker zou zijn. Zou ik ernaar terugverlangen of niet? Misschien zou ik wel blij zijn weer met beide benen op de grond te staan. En terwijl ik mijn vlindergedachten zo liet gaan, vloog ik hoger en hoger tot de wind mij meenam naar een oord, waarvan ik helaas geen beelden meer in mijn geheugen terug kan vinden.

Een ding was zeker, zo heb ik als vlinder geleerd: de natuur gaat kwistig met kleuren om. Bloemen en planten maken er helemaal een potje van. Je kunt het zo gek niet bedenken, elke oogverblindende combinatie is uitgeprobeerd. Harmonie? Ho maar! De natuur vloekt. Het is een organische janboel die groeit en bloeit en altijd maar weer de kleuren verknoeit. De evolutie tendeert naar een totale kleurenexplosie van alle denkbare dissonanten. Het kan niet anders of de Schepper moet kleurenblind zijn geweest.

Kun je alle kleuren van de wereld keurig naast elkaar plaatsen als in een doos kleurpotloden van Caran d’Ache en vervolgens van een naam te voorzien? De Eskimo heeft veertig woorden voor wit. De Arabier zestig voor bruin, maar wij moeten ons behelpen met de zeven woorden van de regenboog. Een oneindig spectrum van subtiele schakeringen, verfijnde variaties van toon, timbre, helderheid en verzadiging worden in de taal van alledag teruggebracht tot een paar simpele etiketten.

We roepen maar wat als we de zon zien ondergaan of gewoon uit het raam kijken, naar het licht dat op een schoorsteen valt. Wat het meest voor de hand ligt klopt vaak niet, en dat geldt voor het zien van kleur zelfs in hoge mate. Ongemerkt leggen we voortdurend een grauwsluier over de werkelijkheid. Alles wordt een beetje gedempt, versimpeld, in hokjes geduwd. Alleen de vlinders zien de wereld zoals hij werkelijk is. Daar worden wij aan herinnerd door de kleuren in het vlinderseizoen.

Vannacht vloog ik hoog boven de wereld, boven het eiland Koh Tao.  Twee vlinders vlogen daar. In de verte golven van muziek. Paganini en Bach, afgronden diepten, een giraf en een hinde. Op de dunne lippen de smaak van klaverhoning. Achter transparant cellofaan zag en proefde ik een oceaan van champagne.

Reageer

Heimwee naar de vuurtoren

Zicht op Terschelling, 17 juli j.l.

Ik had een droom vannacht. Aan het voeteneind van mijn bed zag ik een vuurtoren staan. Ik schreeuwde het hele huis bij elkaar. Opeens kwam mijn oude moeder de slaapkamer binnen en deed het licht aan. Ze had krulspelden in en onder haar duster zag ik haar rubbercorset. Ze sprak me geruststellend toe en zei dat ik me veel te druk maak de laatste tijd. Ik moet wat meer op mijn innerlijk licht vertrouwen, zei ze: ‘Keer terug naar de kust!’

‘Maar er staat een vuurtoren in de kamer!’ riep ik. Mijn moeder keek om haar heen en zag niets. ‘Waar dan?’ vroeg ze. ‘Daar!’ riep ik. ‘Daar bij het raam !’ Maar mijn moeder liet me zien dat er geen vuurtoren was. En toch, toen ze het licht weer uit deed en de kamer uitging, stond hij er weer met zijn ronddraaiend licht in de nacht.

Ik weet niet wat Freud hiervan gedacht zou hebben. Voor de surrealisten was de vuurtoren het symbool voor het onbewuste verlangen. Zoiets moet het zijn wellicht, de angst voor het verlangen. Het verlangen dat nooit vervuld kan worden, maar toch blijft bestaan. Tegen beter weten in. Ik verlang misschien iets wat eigenlijk niet kan bestaan. Misschien ben ik bang voor mijn eigen verlangen.

Uiteindelijk sliep ik weer in en droomde van de zee. Ik liep alleen op een pier aan een haven en hoorde het de geluiden van golven die zich mengden met de klaaglijke roep van een misthoorn. Maar ook het geluid van de vuurtoren hoorde ik, dezelfde vuurtoren die ver van deze pier in mijn eigen slaapkamer te horen was…

Of zoals Vasalis ooit dichtte:

En ’t avondland na’t avondeten
– de vaders in het gras gezeten
aan het kanaal dat nauwlijks stroomde
maar zachtjes smakte langs de kant.
En dat het stil werd over ’t land,
de zee zich meer en meer liet horen
soms overstemd door kinderkoren
‘blijf zitten waar je zit en verroer je niet!’
Een ijl en toch doordringend lied –
het einde van een zomerdag.

Gewassen, haar gekamd, in bed gelegd
nog één verhaaltje, nog en nóg een kus,
raam open en gordijnen bijna dicht
en buiten in de straat nog lokkend licht,
voetstappen, af en toe helder gelach
’t gerekte roepen van een kindernaam
die eenzaam zoekend in de lucht bleef hangen
en ons benauwde tot een antwoord kwam –
ons fluistrend praten, lang, van bed naar bed
dan ’t stille kijken naar ’t vuurtoren-licht
dat streek langs het nu donkere plafond.
De witte, zachte vingers, regelmatig
draaiend en dovende en keer op keer,
wisten de dag en veegden ons in slaap
– swish, swish-

M. Vasalis. Uit: De oude kustlijn (2002)

Reageer

Depressie en het grote niets

inqqdex

Silvia Steiger, Black Hole, 2015

‘Verder bereidde hij mij voor op onaangename 
bijwerkingen, want tofranil etc. is heus geen drop, ik vermoed zelfs, dat men door overdosering zijn vijanden er wel mee in het graf kan 
krijgen. Men schijt slecht, heel slecht, men gaat zich niet steeds beter 
voelen, maar men blijft gedeprimeerd. Bovendien heeft men alle vertrouwen in dat fameuze tofranil verloren! Men voelt, men weet zich bedonderd, het slachtoffer van suggestie, van dure farmaceutische 
fabrieken. Alle hoop is verloren, en men is hoogstens nog bereid toe te geven, dat dit nu juist de symptomen zijn van een … depressie! 
Totdat – op welke dag het was weet ik niet meer, – een of twee dagen 
voor of na het tweede bezoek aan de psychiater … -maar, en het moge 
als een wonder geboekstaafd zijn, men voelde zich plotseling genezen, 
men belde de psychiater dankbaar op, nu … kort en goed, men was een 
ander mens, zonder suggestie, hocus pocus of de hand Gods, – want, om eerlijk te zijn, er zijn heus wel momenten geweest, dat men tot 
God gebeden heeft: rotzak, als je bestaat, neem dan deze zwijnerij van 
mij af.’

Aldus Simon Vestdijk in een brief aan Geert Lubberhuizen van 1 augustus 1969. Vestdijk wist als geen ander wat een depressie in wezen is. Het is een toestand waarin men God – als hij mocht bestaan – uit de grond van het hart vervloekt. Letterlijk de profundis. Niets is uitzichtlozer dan een echte depressie. Sterker nog, een depressie is het grote niets. Niet het niets in de zin, waarin we daar doorgaans over spreken, maar het échte niets. Een zwart gat waarin alles verdwijnt. Alles, maar ook echt alles. Om je het echte niets voor te stellen schiet de verbeelding tekort. In het grote niets verdwijnt uiteindelijk ook datgene wat je denkt dat je bent, de instantie die zich überhaupt nog iets kan voorstellen. Het grote niets duldt niets naast zich. Het is het omgekeerde van alles. Het is echt niets. In feite zijn er geen woorden voor. Zelfs het woord ‘niets’ schiet tekort om dit grote niets aan te duiden.

Het grote niets is verbonden met filosofische noties van Sartre en Heidegger. Het lijkt een metafysische constructie, maar het kan zich ook aandienen in de ervaring van het naakte bestaan als zodanig, de existentie, het zomaar er zijn, zonder reden en zonder doel, zoals de zinnen die ik nu schrijf zich ogenschijnlijk doelloos aaneenrijgen. Waarom? Waarvoor? Waarom doe ik dit? Wat heeft dit in godsnaam voor zin? Het grote niets is een ervaring die – als zij zich eenmaal heeft aangediend –  blijft doorzeuren als een knagende zielenpijn die van geen wijken weet. Het grote niets is een diepe afgrond, waartoe iemand met hoogtevrees zich onstuitbaar voelt aangetrokken. Het grote niets lost alles op. Het is een verlossing, maar ook een afschuwelijk en monsterachtig inferno.

In de gewaarwording van het grote niets valt de ervaring van ‘het zijn’ stil. Er is geen voortgang meer. De gewoonste dingen uit het leven van alledag verliezen opeens hun vanzelfsprekendheid. Het is een gevoel onder een glazen stolp te leven en dat niets meer er toe doet. Een gevoel dat zomaar kan ontstaan, bijvoorbeeld door een doodse blik van een vreemde, waarin de ultieme leegte zich toont als een gapend niets. Het is de aanblik van de kop van Medusa die elk gevoel van leven doodt. Wat hier zich openbaart is the black hole van de depressieve psychose, de ultieme singulariteit van de zijnservaring, die wellicht raakt aan het grote niets van de mystiek. Hier geen extase of hogere sferen, maar de leegte en niets dan de leegte. Het is het niets dat geen ontkenning is van het iets, maar een eigen onpeilbare leegte onthult die zich bevindt aan de bron van de tijd. Wie ooit een depressie heeft gehad heeft mogelijk iets van dit grote niets kunnen ervaren.

Ikzelf heb begin jaren tachtig een diepe depressie gehad die twee jaar lang heeft geduurd. Niets hielp, zelfs de zwaarste antidepressiva niet. Ik heb toen geprobeerd om een tijdje een dagboek bij te houden, maar per dag kon ik niet meer dan twee, drie zinnen schrijven, zinnen waarin telkens weer het woordje ‘niets’ voorkwam. Er kwam gewoon niets in mijn hoofd op. Alsof mijn gedachtestroom volledig was stilgevallen. Leegte, alleen maar leegte. Dat gevoel begon ‘s ochtends al bij het opstaan en verdween pas als ik ‘s avond laat in slaap viel. Slapen was ook het enige wat verlichting bracht. Het leven was een tunnel geworden zonder licht aan het einde. Ik had geen ziel meer, zo dacht ik bij mezelf, en dat was ook het enige wat ik nog denken kon. Die gedachte draaide in een cirkel rond. Een cirkelgang waar geen eind aan kwam. De tijd zelf zat op slot, ook al kroop hij voort, dag na dag, week na week, maand na maand…

In de gedichten van Vasalis gaat het vaak over de tijd die stil staat, een beeld dat door de tijd heen breekt alsof er een gat in de dag valt. Soms levert die verstilde tijd een idyllisch beeld op, een ‘eeuwige’ herinnering aan een gelukkig moment in de jeugd, soms ook is het een afgrondelijke leegte. Alsof het geraamte van de tijd door de ribbenkast van het heden steekt. Een doodskop schemert door in het verglijden van de tijd. Het leven in de poëzie van Vasalis is het geboren worden van de dood. Maar wat is daarmee gezegd? De verschijning van het tijdloze – je zou het een epifanie kunnen noemen – is een illusie die haar poëzie teweegbrengt. Is die illusie niet eigen aan de tijd zelf?

Als we Rudy Kousbroek mogen geloven – in zijn essay Het Mössbauereffect in het boek Anathema’s 1 (1969) – hebben dichterlijke ontboezemingen over de tijd vaak iets belachelijks. “O temps suspends ton vol!‘ (O tijd, onderbreek uw vlucht!), dichtte Lamartine, waar Kousbroek laconiek de vraag aan toevoegde: ‘Voor hoe lang?’ Vasalis is volgens Kousbroek een dichter die de neiging heeft om het mysterie te verwarren met een denkfout. Alles wat zij in haar gedichten over tijd te melden heeft zou op een misverstand berusten. Haar gedichten zouden meer thuishoren in ‘het genre suikergoed en marsepein dan literatuur’. Maar wat valt er eigenlijk buiten de poëzie voor zinnigs over de tijd te zeggen? Onze blinde vlek is de tijd zelf.

Hoewel de taal de illusie wekt de werkelijkheid te weerspiegelen, is er in feite iets anders aan de hand. De taal is structureel door het verlangen geïmpregneerd. De taal opent onze blik, maar dekt de werkelijkheid tegelijk ook af. De taal is doorboord met afwezigheid, maar de taal beschermt ons ook voor het scherm-loze, het reële, het schrikwekkende niets dat we niet onder ogen kunnen zien. Het reële zou ons totaal verblinden als een flits van verschroeiende hitte, of juist de doodse kilte van de totale leegte. De taal is het koude- en hitteschild voor de ziel. De taal houdt voortdurend de schijn in stand dat er niet niets is. Zonder de symbolische orde van de taal zou elk brein hopeloos zijn overgeleverd aan de chaos van de totale paniek.

Vasalis was naast dichter ook kinderpsychiater. Haar gedichten gaan niet alleen over tijd, maar ook over een structureel gemis dat eigen is aan de tijd. Een gemis dat vooral in de moderne tijd aan het licht is getreden, als een gat in de ozonlaag dat zich ongemerkt heeft gevormd. De ziekte waar de moderne wereld aan lijdt is het verval van de verstilling, het beeld van de stil gezette tijd. In de poëzie van Vasalis openbaart zich de taal van het verdrongene. Er stijgt iets op dat zich verzet, zoals de ‘vreselijke vogel’ in haar het gedicht De vierde wereld. Die vreselijke vogel lijkt een beeld te zijn van een onbekende oerkracht de die van binnenuit de schaal van het bewustzijn is heen gebroken. In dit gedicht weet Vasalis als geen ander ‘de schermloze toestand’ van het psychotisch bewustzijn 
op te roepen. Een psychose is in dit gedicht in alle betekenissen van het woord: ‘een ziekte van de tijd’.

DE VIERDE WERELD

psychose

Ook zonder oorlog, honger of discriminatie
genoodzaakt om te bedelen, onvrij te zijn,
bevoogd te worden, krom te lopen van de angst, de pijn.
Om ´t allerlaatst het allerkleinste plaatsje in te nemen
niet ópziend, hopend niet gezien te worden.
Antwoorden, als ´t moet, met een heel zachte stem.
Zelfs door vernederingen nog te veel geëerd, te zeer aanwezig
en ´s avonds in het park in de verwarde mist
met tenen in de schoenen opgetrokken, voeten naar elkaar gekeerd
te wachten – er verandert niets, geen hulp kan komen –
buiten ´t bereik van de zo moederlijke bomen
te wachten tot de vreselijke vogel binnenin de schaal verbreekt
en uitkomt. En dan twee te zijn: de vreselijke vogel
de lege schaal – zonder verband, alleen een samengaan.
Dan leeg, onwezenlijk maar zeer behoeftig iedereen
die maar een vinger uitsteekt vast te pakken, te omhelzen
tot op het bot glimlachend, springend van
wanhoop tot wanhoop als Eliza op de schotsen.
Zelfs Jezus niet – die door zijn vader was verlaten, god,
aan ´t kruis en zo bescheiden klaagde toen hij hing
heeft deze eenzaamheid gekend, deze verbijstering.

uit: De oude kustlijn. Nagelaten gedichten
(Amsterdam, Van Oorschot: 2002)

Reageer