Een vals visioen

Slide1

‘Deze kapel van Le Corbusier is een teken en de mensen die het wel en wee van deze tijd ter harte gaat, vragen zich natuurlijk af, wat dit nu betekent. Daarover zou ik hier alleen dit willen zeggen: voor de christen – en onze maatschappij heet toch christelijke – moet het een steeds terugkerende gruwel zijn, dat in de wereld waarin wij leven, de dingen die zeer weinig of wellicht in het geheel niet tot onze levensopvatting bijdragen, een zo grote uitwendige glans van volmaaktheid krijgen. De machine kan het haast niet anders en de winzucht en de genotzicht willen het niet anders. En ziedaar nu een huis voor God en de mensen, waarin afstand wordt gedaan vak alle structurele, constructieve en vooral van alle mechanische perfectie, het is te begrijpen dat Le Corbusier, die zich aanvankelijk geheel aan de andere zijde had opgesteld, niet dadelijk kon besluiten om deze opdracht te aanvaarden. Eenmaal daartoe besloten. Is hij over al deze gehechtheden ver, eigenlijk veel te ver, heen gesprongen.’

Aldus Granpré Molière in zijn boek De eeuwige architectuur dat verscheen in 1957. Na zijn afscheid als leraar aan de Technische Hogeschool in Delft had hij zich ten doel gesteld om de gedachten, die hij tijdens het lesgeven en het bouwen had verzameld, nog één keer op schrift te stellen. Het was een soort geestelijk testament van een leermeester die op zijn retour was. De zogeheten Delftse vorm van traditionalistische architectuur, die in de naoorlogse wederopbouwperiode de wind in de zijlen kreeg, had zijn beste tijd gehad. Twee jaar tevoren was Le Corbusier’s kapel in Ronchamp gereed gekomen. Het was een waar meesterwerk, een teken van een zich vernieuwende tijd, waarin volgens velen ook het katholicisme een nieuwe toekomst tegemoet ging.

Granpré Molière was het daar niet mee eens. Hij zag de kapel als een mislukking, een teken aan de wand. Le Corbusier had zijn hand overspeeld. Als functionalist leek het of hij van zijn eigen geloof was gevallen, maar van de weeromstuit had hij het belangrijkste vergeten waar een kapel voor moest dienen: het bieden van een sacrale ruimte die de ‘Al-ruimte die ons omringt’ afperkt en zo een beslotenheid creëert waarin het ‘binnen’ van de ziel zich verenigd kan voelen met de transcendente ruimte van God. Le Corbusier, zo beweerde Granpré Molière had ‘bij het ontwerp voor Ronchamp wel iets van de oude wijsheid teruggevonden, maar zoals iemand die aan het strand een mooie schelp vindt, die opraapt, kijkt en hem weer weggooit.’ Kortom, het was een virtuoze mislukking

Wat zichtbaar werd in deze reactie van Granpré Molière was een tweesprong. Behoud en vernieuwing botsen op de drempel van een nieuwe tijd. Voor mijzelf is het moeilijk voor te stellen dat deze kapel op een dergelijke weerstand heeft gestuit. Ik ervaar in dit bouwwerk de traditie van het christendom die hier een nieuwe vertaling heeft gekregen, alsof het de eerste christenen zijn teruggekeerd in de modern tijd. In 2007 ging ik op weg naar Santiago de Compostela. Niet als pelgrim te voet, maar als pensionado per touringcar. Wat onderweg de meeste indruk op mij maakte waren de prachtige Romaanse Madonnabeelden die in tal van Noord-Spaanse kerkjes te zien zijn. Langs de pelgrimsroute zijn veel voorbeelden te vinden van vroeg-Romaanse en zelfs Visigotische architectuur.

catalan.JPG

In die kerkjes staan beschilderde, houten Madonnabeelden die zo krachtig van vorm en expressie zijn dat ze haast bezield lijken. Ik kan me niet voorstellen dat Picasso deze beelden niet heeft gekend alvorens hij zich rond 1910 in het Parijse Palais du Trocadero liet meeslepen door de expressieve kracht van primitieve Afrikaanse sculpturen. De Spaanse Madonna’s zijn puur. Bovendien is hun aura nog volledig intact. Ze zijn niet weggestopt in kille museumzalen, maar staan in schemerige kerkinterieurs, waar ze nog altijd aanbeden worden alsof in het beeld de moeder van God zichzelf aanwezig stelt.

Onderweg naar Santiago werd ik mij steeds meer bewust van de vele gelijkenissen tussen de vroegmiddeleeuwse kunst en de moderne kunst van de vorige eeuw. Die parallel komt niet alleen naar voren in de architectuur van de benedictijn Dom van der Laan, die vaak nog strenger is dan de architecten van De Stijl en het Nieuwe Bouwen, maar ook in de twintigste-eeuwse religieuze kunst die in de jaren vijftig een bloeiperiode beleefde. Zo raakte ik vooral onder de indruk van een kerkje vlak bij Leòn, dat in 1959 werd gebouwd door de Portugese architect Francesco Coello O.M. een pater uit de orde van dominicanen. Deze orde heeft in de jaren vijftig veel bijgedragen aan de vernieuwing van de religieuze bouwkunst en beeldende kunst.

Santuario__Virgen_del_Camino__Leon_2null.jpeg

In de jaren vijftig werden onder invloed van de Franse dominicaan pater Couturier O. M. aan veel hedendaagse kunstenaars opdracht om religieuze kunstwerken te maken voor kerken, kloosters en de openbare ruimte in Frankrijk. Art Sacré, zo heette deze nieuwe beweging. Door eigentijdse kunstenaars in te schakelen wilden de dominicanen de in verval geraakte religieuze kunst nieuwe impulsen geven. Kunstenaars als Chagall, Lipschitz, en Zadkine kregen grote opdrachten. Of je nu communist was of katholiek, dat maakte in die tijd niet zo veel uit. De eerste christenen waren immers ook communist. Kunstenaars waren fellow-travellers. Er was immers ook ‘een derde weg’ op weg naar een nieuwe wereld. Zo ontwierp de atheïst Le Corbusier zijn prachtige modernistische kerk in Ronchamp, waarin deze spirituele en utopische sfeer van de jaren vijftig voorgoed is vastgelegd.

De kapel staat op een heuvel buiten de bebouwde kom. Ik ben er helaas nooit geweest, maar uit films en foto’s krijg je een beeld van een verstilde ruimte die omsloten wordt door een wonderlijk omhulsel van organische vormen. De oude bedevaartkapel werd in de oorlog door een bombardement verwoest en Le Corbusier besloot om het puin van deze oude kapel te gebruiken om een nieuwe ruimte te bouwen. Het licht dat door de grillig gepositioneerde vensters valt verandert de ruimte voortdurend. Hoe is het mogelijk dat je dit lelijk kon vinden, of een  mislukking…?

Toch stond Granpré-Molière niet alleen in zijn kritiek op Ronchamp. Een jaar eerder, in 1956, was het boek Metabletica van Jan Hendrik van den Berg verschenen. Van den Berg was psychiater, fenomenoloog, filosoof, botanicus en cultuurcriticus. Hij was een origineel denker die onbekende terreinen durfde te verkennen, maar om diezelfde reden ook door menig tijdgenoot werd weggezet als een fantast. Hij was 
de grondlegger van de leer der veranderingen, die hij dus ‘metabletica’ noemde. Ontwikkelingen op allerlei gebieden – natuurkunde, geschiedenis, psychologie, kunst, theologie, mode en seksualiteit houden met elkaar verband, ook al hebben ze ogenschijnlijk 
niets met elkaar van doen. Granpré Molière citeert onder meer uit het boek Metabletica dat in die tijd veel gelezen werd. Ook Jan Hendrik van den Berg moest weinig hebben van de kapel in Ronchamp. Evenals Granpré Molière zag hij dit kerkgebouw als een virtuoze mislukking.

Twintig jaar later, in zijn boek Gedane zaken (1977) besteedde Van den Berg uitvoerig aandacht aan de kapel van Le Corbusier. Evenals Granpré Molière interpreteert hij dan de architectuur van dit bouwwerk als een tekenend voorbeeld voor de wijze waarop de relatie tussen het innerlijk van de mens en de buitenwereld in de historische tijd wordt verbeeld. De verschillende uitingen van kerkarchitectuur laten door de tijd heen de verandering zien in de ervaring van transcendentie. Hoe is een spirituele binnenruimte nog te verbeelden in een tijd die gekenmerkt wordt door de dood van God?

Slide1

Van den Berg zag in de kapel van Ronchamp een aankondiging van een nieuw soort spiritualiteit die er ná de jaren vijftig niet gekomen is. De kapel was een belofte die nooit is ingewilligd. Een visioen van een toekomst die nooit heeft plaatsgevonden. Het is een betoog dat mij sterk aanspreekt en onwillekeurig herinneringen oproept aan het heimwee naar een utopie nooit heeft mogen bestaan, het gevoel dat ik geprobeerd heb te beschrijven in mijn boek Modernisme in Lourdes, Gerard Reve en de secularisering.

‘Didn’t we almost have it all,’ dat is het gevoel dat beklijft. Het is een heel apart soort nostalgie, want het object, waar dit verlangen zich op richt, heeft in feite nooit bestaan. De utopie mag dan voorgoed verleden tijd zijn geworden, het verlangen ernaar blijft op een merkwaardige manier telkens weer de kop opsteken. Die imaginaire toekomst die zich schuilhoudt in het heimwee naar het verleden is een fantoom van een voorgoed voorbije tijd.   Het is het gevoel van de toekomst van gisteren, de toekomst die in het verleden niet meer is terug te vinden, en nu van hogerhand wordt opgelegd als een begerenswaardig vergezicht.

Modernisme in Lourdes was voor mij en massief gevoel van gemis. De utopie waar het ooit voor stond is nu in beton gegoten nostalgie, een gevoel dat eigen is aan een tijd, waarin het onvermogen om nog authentieke religieuze ervaringen op te doen steeds duidelijker aan het licht treedt. Nostalgie is een ziekte in de beleving van de tijd zelf, een tijdelijk onvermogen om het heden ten volle te beleven, omdat er geen kader meer is om die volheid een plaats en een richting te geven. In zijn boek Gedane zaken schrijft Van den Berg het volgende :

‘De vreemde 
kapel met haar ongewone, hulpeloze, zacht ontroerende, tegelijk 
wrede binnen behoort niet tot ons, niet tot ons bestaan, ligt buiten 
onze wereld. De kapel vraagt te veel. De kapel deed het ook niet, doet 
het nog niet. De kapel is een teken. De kapel is een belofte. Men moet ook toegeven: het is niet goed mogelijk, een echt nieuw 
binnen, een nieuwe mystieke binnenruimte vrij te maken, in een tijd 
die zich na de dronken nacht 1700-1945 hees schreeuwt aan de 
uitroep dat God dood is. Toch moest het gebeuren: Te midden van de 
vroege gevolgen van de geestesomwenteling anno 1900 kon en mocht 
een nieuw mystiek binnen niet ontbreken. Het is er ook. Maar het 
nieuwe binnen is  klein, de wanden hellen naar binnen, het dak zakt 
naar dat binnen door. Het buiten staat nauwelijks toe, dat het nieuwe 
binnen tot stand komt.

In het buiten is te veel gaande van tussen de 
jaren 1733, 1945. De mensheid is traag. Men zou kunnen denken dat 
de periode 1733-1945 pas nu glorieert. Dat is toch niet het geval. Die 
periode is voorbij. Maar we zijn allerminst van de periode ontslagen. Het regenwater op de kapel van Ronchamp is compleet H20. Zolang 
niet ander water, twintigste-eeuws water, dat toch in de maak is, op 
dat dak, op onze aarde valt, zal het niet lukken op die aarde, die ook 
dezelfde aarde niet kan blijven, een nieuw binnen te midden van een 
nieuw buiten met een zekere fierheid op te richten.  Als men de goedbedoelde, half omgevallen, half ingezakte kapel van 
Ronchamp ziet, zegt men: zover is het niet. Een verwachting is daar 
op de heuvel bij Ronchamp neergezet. Een vrome wens. Het leek 
erop, dat iets zou beginnen. Er kwam geen nieuwe spiritualiteit. Er 
gebeurde niets.

3421193171_8a82e788b0

Van 1962 tot 1965 duurde het Tweede Vaticaans Concilie, bijeen
geroepen door Johannes XXIII, gesloten door zijn bezorgd geraakte 
opvolger Paulus. Drie jaar lang boog de oudste christelijke kerk zich over de problemen van een twintigste-eeuwse wereld. Aan de
 spiritualiteit, dat is aan de veranderde aard, de nieuwe functie van 
contemplatie, devotie, abnegatie, verstilling, mystiek, gebed, aan een 
nieuwe betekenis van monastieke teruggetrokkenheid, werd nauwelijks aandacht besteed. Een land in oorlog dat de luxe opbrengt zich 
over alle denkbare zaken zorgen te maken, maar de tijd of de lust 
mist ook aan het strijdende leger te denken, maakt een onheilvolle 
fout. Het is deze fout, die daar zichtbaar, sinds 1955, op de heuvel nabij Ronchamp staat. Een visioen werd zichbaar. Een vals visioen. 
Het verschiet van een verandering, meer niet.  Het leek erop dat God opnieuw bij ons kon komen. “I see a vision of 
thousands or even millions, going up to mountains to pray,” schreef 
Jack Kerouac in 1958, drie jaar na de voltooiing van de kapel.’

Reageer

Ik geloof

Gisterochtend 10.30 uur

We willen God terug. God! Kom van dat dak af. Ik waarschuw niet meer. Ja ja, we gaan demonstreren. God, kom terug! Zelfs Thierry Baudet is vóór, maar die is wel voor meer dingen, zelfs voor het slachten van olifanten op Tweede Paasdag om zo de kleine spaarders te redden. Weg met die knoflooklanden. Luiwammesen zijn het! Potverteerders. Nee, geef mij maar de Jordaan, want dat is mooier dan Parijs. Afgelikte lolly’s, wat heb je eraan? Wat moet ik met die snolllen? Ik wil rollebollen. Maar die Baudet wil het nog steeds niet horen, zelfs niet met die uitgelubberde flaporen van hem. Ooit hoorde hij bij de bende van Oss, maar toen kwam Jan Nagel aan mijn doodskist. Vijftig Plus? Ik wil een kus! Ach, laat ook maar. Het hoeft ook niet meer. Het offer is opnieuw volbracht. Niemand had het in de gaten, maar het is gebeurd, zo waar als mijn vorm-naam Franciscus is. Jazeker. Ik ben gevormd door de bisschop. Hubertus Johannes Franciscus…. Franciscus! De naam van de paus! Die derde naam heb ik zelf gekozen toen ik van Pastoor Nolet alles moest leren over het Concilie van Nicea. De hernieuwing van de doopbeloften, dat is het vormsel. En bij de doop wordt de duivel uitgedreven die ik nu wil omarmen in een nieuw sacrament. Een wonder voor vijf cent! Integratie en individuatie, dat zijn de sleutelwoorden voor de toekomst van Europa. Ienemienemutte. Tien pond Rutte! Schoft! Een kurk in je reet dat je ploft. ’s Nachts midden op de bruiloft. Maar ik dwaal af. Timmermans moet weer gaan timmeren in Bethlehem. Onbevlekt en onbevangen en de oranje leeuwinnen worden wereldkampioen. De Heilige Maagd met vaginale kramp is ons ontstegen. En in de hemel is geen bier. Alleen alcoholvrij. God is van de blauwe knoop. De Schepper wordt nooit dronken. Alleen stoned, maar dat is Hij van nature al vanaf het begin der tijden. Eight miles high! Uw koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde. Maar hoe moet het nu verder? Hé verdomd, ik hoor een stem. Het is Flip Bloemendaal van het Polygoon-journaal. We gaan de goede tijd tegemoet! Ik zie beelden! Een ober rekent af op het Campo Santo in Siena. Op het Piazza Navona wordt een foto genomen. Het gaat regenen boven Angoulême en er valt een porseleinen stilte. Tussen Gent en Brugge hoor ik de noordenwind in een chanson van Brel. Het is zomaar een zaterdag in juli. In de Dokkumer Ee drijft bij wijlen een kurk voorbij. De woorden gaan vanzelf. Er klopt iets niet. Ik zit in een nieuwe kamer met uitzicht op een rotonde. Ik geloof. Ik geloof. Ik geloof….! Wat kan ik anders! Ik geloof in de liefde, want meer is er niet! Minder Marokkanen! Ja, ja… daar komt zelfs Wilders mee weg. Meer liefde! Meer! Meer! Meer !!!

Reageer

Far West in Amsterdam

( Foto: Het geheugen van Nederland)

Het is eind jaren vijftig. Aan de rand van Amsterdam worden de Westelijke Tuinsteden gebouwd. Op een strook opgespoten land voetballen een paar  jongens.  Op de achtergrond zie je nog de oude bebouwing.  Op het zand zullen weldra moderne flats verschijnen. Kale woonblokken, steeds maar weer hetzelfde. Sommige achter elkaar, maar gaandeweg met meer variatie, afwisselend hoog en laag in een soort stempel-patronen rond binnenhoven met veel groen.  Een gedeelte van het landelijke Osdorp verdwijnt zo onder het zand voor de nieuwe woningbouw. Het resterende gebied wordt langzamerhand een soort rafelrand van de stad. Het dorp Osdorp verliest zijn naam aan de nieuwe tuinstad. Ter onderscheiding wordt het buurtschap voortaan Oud-Osdorp genoemd. De nieuwe wijken worden gegroepeerd rond een reusachtig meer, waarvoor men al voor de oorlog was begonnen met graven: de Sloterplas, de grootste waterplas van Amsterdam.

In die tijd – ik zat op de lagere school – verhuisde een klasgenootje van mij naar Slotervaart. Zijn ouders begonnen daar een apotheek. Woensdagmiddag voetbalden we vaak op het opgespoten land achter zijn huis. Op deze foto zou ik dus zelf kunnen staan. De jongen links lijkt wel wat op mijn vriendje van toen. De foto is genomen door Dolf Kruger en staat afgedrukt in het boek Amsterdam 1950-1959, 20 fotografen (1985). De beelden roepen bij mij veel herinneringen op. Een foto is een fossiel van de tijd. Een hele wereld zit erin versteend, maar komt ook zo weer tot leven. Na afloop van het voetballen was ik ruim een uur onderweg om weer thuis te komen in de Watergraafsmeer. ‘Nieuw-West’, want zo noemden we de westelijke tuinsteden, was het far west uit mijn jeugd. Als je er niet wezen moest, dan ging je er ook niet naar toe. Het was een ongenaakbaar gebied in wording, het toonbeeld van de wederopbouw, kaal en stenig met een oneindige ruimte tot aan de horizon.

Ook Gerard Reve had eind jaren zestig korte tijd een flat in de Westelijke Tuinsteden van Amsterdam. Hij kreeg die woning toegewezen, toen zijn oude huisje aan de Rozendwarststraat nummer 9, waar ook de schrijfster Aya Zikken woonde, plotseling instortte. Van het gemeentelijke woningbedrijf kreeg Reve toen een flat toegewezen in Osdorp. Het adres was Dubbelmondehof 2-II. ‘We wonen 12 kilometer van het centrum, vlak bij Halfweg en tram -17- doet er ruim een uur over,’ schreef hij 0p 27 oktober 1966 aan Wim Grossouw. Het was een kale flat met uitzicht op andere kale flats. Reve begon meteen alle ramen met kranten te beplakken zodat hij niet verstoord kon worden door dit troosteloze uitzicht. Ook in zijn woning in Weert later probeerde hij zich op deze wijze van de buitenwereld af te sluiten. Daar schilderde hij het raam van zijn kamer wit zodat hij zich volledig kon concentreren op het schrijven. Overigens heeft zijn verblijf aan de Dubbelmondehof niet lang geduurd. Een paar jaar later – in januari 1969 – kon hij door een woningruil een kleine woning overnemen aan de Plantage Kerklaan, schuin tegenover de ingang van Artis. Daar speelde zich onder meer de geschiedenis af die te lezen is in De Taal der Liefde.

Een paar jaar geleden moest ik in Oud- Sloten zijn. Dat ligt aan zuidwestelijke rand van Amsterdam, helemaal tegen Badhoevedorp aan, het begin van de Haarlemmermeerpolder. Sloten is een heel oud dorpje. Rembrandt heeft nog schetsjes getekend waarop het kerkje is te zien. Er zijn trouwens nog altijd twee kerkjes in het dorp, een katholieke en een protestantse. In de jaren vijftig lag Sloten nog helemaal op zichzelf. De oprukkende bebouwing van de Westelijke Tuinsteden had de dorpskern nog lang niet bereikt. Soms kwam ik er doorheen, als we met RKAVIC moesten voetballen tegen Sint-Pancratius in Badhoevedop. Dat was een heel eind fietsen, maar je zag nog eens wat. Ook het katholieke kerkje van Sloten, zo ontdekte ik nu,  is gewijd aan de heilige Pancratius.

Ik kwam nu naar  Sloten met tramlijn 2. Die had je toen nog niet, tenminste niet met dit traject. Lijn 2 rijdt tegenwoordig in één keer door vanaf het Centraal Station, dwars door Amsterdam. Deze lijn werd begin jaren negentig verlengd over een nieuwe trambaan die toen nog door een zandvlakte leidde. Eigenlijk is dit de mooiste tramlijn van Amsterdam. In drie kwartier tijd zie je de bebouwing langzaam veranderen: eerst de grachtengordel, dan Oud-Zuid met zijn prachtige huizen aan de Willemsparkweg en de Koninginneweg, zo kom je op het Hoofddorpplein en daarna beginnen de Zuidelijke Tuinsteden. Ik keek mijn ogen uit. Wat is het hier veranderd. De bomen zijn tot in de hemel gegroeid, maar ook allerlei grote kantoorgebouwen verrezen tussen de huizenblokken. Het Ziekenhuis Slotervaart lijkt en gigantische fabriek. Het verkeer raast over de rondweg, waar de tram onderdoor rijdt. Ik herkende  de kale huizenblokken van weleer, maar ze hebben ongenaakbare karakter allang verloren. De moderne leegte van deze wijken heeft plaatsgemaakt voor een doorleefd stadsbeeld. Te doorleefd naar mijn smaak. Ik zou hier in ieder geval nooit willen wonen.

De tram stopte in een stille buurt met vrije nieuwe en luxe bebouwing. Het is de woonwijk Nieuw-Sloten die begin jaren negentig is aangelegd tegen de rand van het oude dorp Sloten. Deze wijk had het Olympisch dorp moeten worden. De wijk Nieuw-Sloten was oorspronkelijk bedoeld voor de Olympische Spelen in Amsterdam die nooit zijn doorgegaan. Gelukkig maar, dacht ik. Oud-Sloten is een dromerig dorpje, waar de tijd lijkt stil te staan. Alleen de winkels zijn verdwenen. Begin jaren zestig was hier nog alles net zoals voor de oorlog. Sloten was een dorp alle andere dorpen in Nederland. Maar God verdween ook uit Sloten. De kerkjes staan er nog wel, maar de oorspronkelijke bewoners zijn voor een groot deel verdwenen. Midden in de dorpskern staat een bijzonder bouwsel: de banpaal uit 1794. Hij staat precies op de oude stadsgrens van Amsterdam, maar is tegenwoordig bijna helemaal ingebouwd tussen de huizen. Deze banpaal gaf tot 1795 de  grens van het rechtsgebied van de stad. Mensen die verbannen waren uit Amsterdam mochten niet voorbij deze paal komen. Ik stond erbij en ik keek ernaar. ‘Jongen, waarom ben je toch uit Mokum weggegaan,’ zo dacht ik even bij mezelf.

2 Reacties

Herinneringen aan Reve

In 2004 kwam ik voor het eerst intensief met het werk van Gerard Reve in aanraking. Als artistiek leider van het Frysk Festival had Gryt van Duinen mij gevraagd om mee te werken aan een project dat geheel gewijd zou worden aan de Friese jaren van Reve (een project dat overigens nooit is doorgegaan: ‘Het heeft in alle stilte plaatsgevonden’.)  Samen met haar bezocht ik Antoine Bodar in februari van dat jaar. Bij die gelegenheid spraken wij over het bekeringsproces van Gerard Reve, dat zich volgens Bodar niet zozeer in Friesland had voltrokken, maar eerder in Amsterdam, rond de schuilkerk Ons’ Lieve Heer op Solder, waar Reve begin jaren zestig vaak kwam en de preken van zijn vriend Lambert Simon beluisterde. Op aanraden van Bodar las ik het boek Moeder en Zoon en zo probeerde ik mij een beeld te vormen van het jarenlange proces dat aan de doop van Reve op 27 juni 1966 vooraf was gegaan.

Twee jaar tevoren, na het eerste succes van zijn boek Op weg naar het einde, had Reve een droefgeestig landarbeidershuisje in Greonterp gekocht dat later ‘Huize Het Gras’ zou gaan heten. Toen begon de ellende pas goed met het tobben en drinken met buiten het huis alleen het gehuil van de wind dat telkens weer aan de dood deed denken. Reve dreigde in die jaren aan de drank ten onder te gaan. Hij leed ook aan godsdienstwaan, paranoia religiosa, een kwaal die mij niet vreemd is, omdat ik er zelf ooit mee te kampen had. Dat was nota bene in datzelfde jaar 1966, wat je noemt een annus horribilis, in het oog van de orkaan van de jaren zestig, toen ook het katholicisme in Nederland in een turbulente beweging was geraakt.

Het is nu al weer dertien jaar geleden dat in de Sint Vituskerk in Blauwhuis voor het eerst de Friese schrijversjaren van Gerard Reve werden herdacht. Het was in december 2006. De was kerk stampvol. Bijna vierhonderd belangstellenden waren op deze bijeenkomst afgekomen. Reve was in april dat jaar overleden. Niet alleen Willem Bruno van Albada en Henk van Manen gaven acte de présence, maar ook tal van Friese dichters en schrijvers. Wim Hazeu haalde bij die gelegenheid herinneringen op. Ikzelf werd door Geart de Vries geïnterviewd over het godsbeeld van Reve, waarna ik Reve’s gedicht Een Nieuw Paaslied voordroeg. Directe aanleiding voor dit gebeuren was de driedelige documentaire over de Friese jaren van Reve, die Gryt van Duinen voor Omrop Fryslân had samengesteld en die nadien nog meerdere malen op Nederland 2 werd uitgezonden.

Bij het begin van deze herdenking werd op een groot scherm de scène vertoond, waarop het muziekkorps de Allerheiligste Hartkerk binnentreedt en de hymne Nader tot U ten gehore brengt. Even later trad het korps Eengezindheid uit Tjerkwerd de kerk in Blauwhuis binnen. Heden en verleden vloeiden naadloos in elkaar over. ‘Gerard is hier met ons het gelukkigst geweest,’ verklaarde Teigetje na afloop tegenover Karen van Santen van de Leeuwarder Courant: ‘Het zou me niet verbazen als Gerard is gestorven met zijn geest in Greonterp.’ Zondagmiddag sta ik daar weer, hopelijk wederom voor een volle kerk. In december 2013 stond ik weer in die kerk. Het was toen voor de derde maal dat Reve op deze plek in Friesland werd herdacht. Toch is er verder in deze contreien  weinig van Reve terug te vinden.

Behalve een poëzie-steen bij de Oldehove is er in Friesland geen Reve-monument en dat zou toch zeer op zijn plaats zijn. Zelfs in het Vlaamse Machelen heeft men het gedicht Credo op een muur laten zetten, met daarin naar later bleek een klein foutje. Maar dat werd later weer hersteld. Geart de Vries heeft ooit voorgesteld om in het kader van Simmer 2000 een Reve-monument op te richten naar aanleiding van het gedicht Nader tot U, waar het gelijknamige boek van Reve mee eindigt. De toenmalige organisatie vond dat toen geen goed idee. Zo zijn er meer Friezen die vinden dat Reve eigenlijk niet bij Friesland hoort. Net als Slauerhoff, die toch hier geboren is, was Reve ‘Reve Museum dat is ingericht in het gebouw van de Openbare Bibliotheek (OBA)  in Amsterdam. Van Reve wordt wel beweerd dat hij zijn leven lang in gevecht was met de tijd. De tijd was zijn grote tegenspeler. Niet alleen in zijn eerste roman De avonden, maar ook in al zijn latere werk is hij geobsedeerd door vergankelijkheid, verval en het ouder worden. Altijd schrijft Reve het over de klok, de tijd op de radio of op zijn horloge. Het was de tijd die in zijn optiek onherroepelijk leidde naar de dood. Leven was voor hem wachten en nog eens wachten: op weg maar het einde, nader tot U. Het museum bevat een kleine collectie van manuscripten, foto’s en parafernalia. In een vitrine lag het horloge van Reve. Ik schrok. Het leek heel sterk op dat van mijn vader. Een horloge met datum-aanduiding uit 1960. Ook toen stond de tijd stil.

hologe-259x300

Aan dat stilstaand horloge heb ik vaak teruggedacht. Sinds ik mij had voorgenomen een boek te schrijven over de Friese jaren van Reve, was de tijd voorbij gekropen zonder dat ik veel vooruitgang wist te boeken. Telkens weer bekroop me het gevoel dat over Reve nu ondertussen wel alles is gezegd wat er te zeggen valt. Dat gevoel is overigens niet nieuw, zo heb ik inmiddels begrepen. Toen Anne Wadman in oktober 1966 in de Leeuwarder Courant een bespreking moest wijden aan Nader tot U besloot hij zijn verhaal over vier kolommen met een ‘Bedenking achteraf’. Hij had het boek zeker wel vijf keer gelezen, maar ‘het wou niet’: ‘De oorzaak? U hebt het al geraden: Wie over van het Reve schrijft, wordt door heel Nederland op de bevende vingers gekeken, hij is niet onbevangen. En bovenal: hij voelt zich ambtshalve verplicht iets geheel nieuws, iets nog nooit gezegds te zeggen’.

Schermafbeelding 2013-12-04 om 21.59.52

Reageer

Spiegeling

Wat is dat toch, de melancholie van de herinnering? Het is de gedachte aan een geluk dat misschien wel nooit heeft bestaan. Een fata morgana in het brein, een spookbeeld op het podium dat wij ‘het geheugen’ zijn gaan noemen. Maar al te graag hang ik in dat theater rond, terwijl ik weet dat het illusies zijn die mij worden voorgetoverd. Dan sluip ik geruisloos tussen de coulissen. Soms zit in de frontloge, dan weer op het bovenste balkon en een heel enkele keer in de bak van de souffleur als mijn geheugen zijn tekst kwijt is. Dan wordt het stil op het toneel. De rest van mijn leven zal ik moet leren leven met die leegte die op Zen-achtige wijze tegelijk vol is. Als een afwezigheid die volledig aanwezig is. Mijn geheugen is het schouwtoneel van het leven.

Een gezamenlijk uitzicht achterom, dat is er niet meer. Het midden van de nacht is inmiddels voorbij. Toch wil ik dat mijn leven terugkeert in de herinnering en opnieuw, maar nu in een sentimentele variant, wordt opgevoerd. Het gevoel kruipt waar het niet gaan kan. Ik overdrijf. Ik ga schmieren in een draak van een toneelstuk. In ben mijn eigen dubbelganger, een komediant zonder gezelschap, een acteur tussen de schuifdeuren. Het nu vermengt zich met het toen. De tijd splitst zich elk moment in tweeën: in de feiten en in het gevoel. Het is een niet-passieve vorm van gelatenheid, een voortdurende spiegeling van de werkelijkheid die vervolgens door elkaar gaat lopen als de inkt in een aquarel. Het is een venster met een uitzicht dat mijn eigen interieur laat zien.

Reageer