Au revoir

Reageer

Natura artis magistra

Onderstaande tekst verscheen in 2009 eerder op dit weblog. De tekst schreef ik naar aanleiding van een lezing die ik vier jaar daarvoor had gehouden voor studenten van Academie Minerva te Groningen. De lezing ging over ‘Artistiek talent en nieuwe media’.  

*

Natura artis magistra. Dat las ik vroeger als kind, als ik met mijn moeder met lijn 9 naar de stad reed. Het stond met gouden letters op een oud gebouw dat ‘ARTIS’ heette: de dierentuin van Amsterdam aan de Plantage Middenlaan. ‘De natuur is de leermeester van de kunst’, zo wordt deze antieke wijsheid doorgaans vertaald. Maar de zin betekende oorspronkelijk heel iets anders. De natuur is een kracht die altijd weer zijn eigen weg zoekt. Een gedresseerde aap zal zijn kunstjes eindeloos herhalen, totdat hij plotseling een banaan ziet liggen. Dan is hij al zijn kunstjes plotseling helemaal vergeten. De oerdrift van de natuur breekt dan door het vernis van de beschaving heen. Met andere woorden: drift en instinct zijn de aangeleerde kunstjes van de cultuur altijd de baas. Talent is niet alleen een zaak van natuurlijke aanleg, maar vooral ook van ‘oefening baart kunst’. Dat spanningsveld heeft zijn historische balans. Elke tijd heeft zo zijn eigen ideeën over de verhouding tussen oefening en aangeboren talent. Tussen ambacht en genie. Tussen goddelijke inspiratie en technische perfectie. Tussen nature en nurture.

Die balans heeft er in het verleden wel eens anders uit gezien dan tegenwoordig. Talent had in de Renaissance ook een veel breder betekenisveld dan nu. De creativiteit van dichter en kunstenaar was primair een vermogen tot herinnering. Het was iets wat van buiten kwam en niet van binnen. Inspiratie was een goddelijke injectie uit een van de zeven hemelsferen, die de kunstenaar in een reis voor zijn geboorte had aangedaan. Door een deugdzaam leven te leiden kon hij de verbeeldingskracht (imaginatio) op het juiste spoor terug brengen. Toen de schoonheid nog iets op had met het goede en het ware, was het vooral oefening die kunst kon baren.

Sinds de Romantiek echter wordt het artistieke talent doorgaans in de donkere spelonken van het brein gesitueerd of nog verder naar binnen: in een genetische code. Maar in de tijd aan de renaissance waren taal en beeld – vooral als het gaat om creativiteit – altijd intrinsiek met elkaar verweven. Beide kwamen voort uit eenzelfde bron, een creatief oervermogen van het brein (de imaginatio) dat zowel van nature aanwezig moest zijn als streng gedresseerd moest worden door oefening. Alleen oefening baart immers kunst. Dat de natuur de enige leermeester zou zijn van de kunst is een misverstand dat de Romantiek heeft doen ontstaan. De mens is van nature geneigd tot het ongecontroleerde en dat is verkeerd. De natuur moet dus voortdurend getemd worden in een keurslijf van strakke leermethoden. Die oerwet van de klassieke oudheid is door de Romantiek ons uit het zicht ontnomen.

De modaliteiten van het talent

Tegenwoordig valt het begrip artistiek talent vrijwel één op één samen met het begrip natuurtalent, dat wil zeggen: een louter aangeboren gave. Ook de Renaissance onderkende de gave die dichters en kunstenaar nu eenmaal van nature in zich moet hebben (ingenium). Daarnaast echter werd er een reeks van modaliteiten onderscheiden die stuk voor stuk bepalend waren voor de kwaliteit van het creatief vermogen. Zo was er de geneigdheid of lust om die aangeboren gave ook inderdaad te benutten (inclinatio), het geduld om het werk van beroemde voorgangers te bestuderen (studium), de vindingrijkheid om van uit eigen verbeelding tot iets nieuws te komen (inventio), de ijver om door oefening voortgang te boeken (diligentia) en niet te vergeten: het vermogen om een eigen stijl te ontwikkelen (maniera). Zo vormde de aangeboren gave slechts één aspect van een veelkoppig fenomeen, dat in zijn geheel bepalend was voor het artistieke talent.

De honger naar het oorspronkelijke, het nieuwe en het moderne, die in de negentiende eeuw is ontstaan, heeft de latere opvattingen van het creatief vermogen uit zijn harmonische balans getrokken. Zo wordt de inventio vandaag de dag hogelijk beweerd ten koste van het studium. De Romantiek met zijn cultus van het genie heeft het talent niet alleen tot een ultieme uitzondering van de natuur verklaard, maar bovendien ook afgeschilderd als een levensconditie vol kommer en kwel. Het ideaal van de homo universalis maakte in de vorige eeuw plaats voor de artistieke superspecialist (uit oogpunt van de renaissancekunstenaar een soort wereldvreemde nerd). Belast met dit ééndimensionale talent werd de bohémien uiteindelijk een buitenbeentje met een borderline syndroom. Hij kon alleen in nog een gesloten kring van connaisseurs begrepen worden in zijn meest individuele uitingen van zijn meest individuele emoties. Het beeld raakte niet alleen van God los, het raakte ook los van het woord. Van de weeromstuit ontstond het onmogelijke ideaal van het Gesamtkunstwerk, dat zijn wortels had in een gekoesterd verlangen naar een ver verleden. Het was een wanhopige poging om een verloren samenhang in de kunsten in één klap te herstellen.

In de belangstelling voor synesthesie in Baudelaires theorie van de ‘correspondances’ is een vergelijkbare heimwee naar een verloren sleutel te herkennen. Maar de deuren van de hemel zaten voortaan op slot. Newton kreeg de schuld van deze verdrijving uit het paradijs van de zintuigen. Hij had de regenboog ontmanteld. Wat ooit een magistrale metafoor was geweest voor het verbond tussen hemel en aarde, was nu een louter optisch verschijnsel geworden dat bijgezet kon worden in de geestdodende catalogus van de natuurwetenschap. De negentiende eeuw was vóór alles het tijdperk van de versplintering van de zintuigen en de specialisatie in vaardigheden en talenten. De ingenieurs kregen hun eigen opleiding los van de beaux arts. De beeldende kunst en de literatuur betrokken ieder voor zich autonome domeinen.

Talent en nieuwe media

De komst van de nieuwe media zetten de historische scheidslijnen tussen woord en beeld ter discussie. De massamedia lijken bovendien ook het onderscheid tussen hoge en lage cultuur stilaan weg te vagen. Alom heerst ongerustheid over de toekomst van de kunst. Gaat de kunst straks geheel op in een mediale vorm van artistieke massacommunicatie. Is de hoge status van de geletterde kunst in verval. Georg Steiner sprak en halve eeuw geleden al over ‘het verval van het woord’. De plaatsjesmaatschappij van tegenwoordig en de alom toeslaande ontlezing van bij het grote publiek creëren een klimaat waarin defaitisme en crisisbesef bij menigeen hoogtij vieren. Maar is dit terecht? De kunstcriticus Rutger Pontzen schreef eens: ‘Kunst is geen afspraak, geen vrijplaats, nooit geweest. Eerder een totalitair systeem dat het alleenrecht denkt te hebben over smaak, vrijheid en beeldende intelligentie.’

Wat binnen de brede hedendaagse beeldcultuur wordt gemaakt, moet juist serieus worden genomen. Er zijn ook hoopgevende signalen nu alles met alles ‘compatible‘ wordt. Zo omvat de nieuwe discipline ‘visual studies’ een combinatie van kunstgeschiedenis en mediatheorie. Alles wat beeld is komt vanuit deze optiek op één lijn te liggen: grotschilderingen, olieverfschilderijen, daguerrotypen, websites, amateurkiekjes, televisiebeelden, krantenfoto’s, videoclips. Beeldende kunst wordt steeds meer van zijn intrinsiek esthetische dimensie – die op zich een historisch fenomeen blijkt te zijn – ontdaan. Oude opvattingen over esthetische (lees: beeldende) kwaliteit gaan in het tijdperk van de nieuwe media niet meer op.

Op het terrein van de beeldende kunst is esthetische kwaliteit pas is sinds 18de eeuw specifiek opgevat als beeldende kwaliteit. Sculpturen uit de klassieke oudheid hebben daarbij als voorbeeld gediend in idealisering van ‘stilgezet beeld van de werkelijkheid’ . Esthetische kwaliteit raakt sindsdien ook verbonden met het hoge beschavingsideaal van geletterde cultuur. Beeldende kwaliteit werd formeel en anti-literair in de moderne kunst. Met de opkomst van nieuwe media en beeldcultuur verdwijnt het traditionele begrip van esthetische kwaliteit. De verwijdering van taal en beeld was een historisch fenomeen, dat onder onze ogen aan het verdwijnen is. Nieuwe media en beeldcultuur vragen om een herdefiniëring van kunstbegrip en een nieuwe esthetica (het fotogenieke, de schok, de verbijstering). Aanzetten voor nieuwe esthetica liggen in hedendaagse mediatheorieën.

De overgang van videokunst naar mediakunst markeert een transformatie die het hele terrein van de beeldende kunst tegenwoordig in zijn greep heeft en waarvan wij de consequenties en de reikwijdte nog lang niet kunnen overzien. ‘Mediakunst’ is slechts een voorlopige verzamelnaam die de lading nog amper kan dekken. Nieuwe media zijn onze wereld aan het veranderen, sterker nog, ze zijn ons zelf aan het veranderen zonder dat we daar altijd erg in hebben. Ze veranderen niet alleen onze blik op de wereld, maar ook ons bewustzijn en ons besef van tijd en ruimte. Ze veranderen zelfs de ervaring van het lichaam. Dat soort veranderingen zijn niet nieuw. Door de eeuwen heen zijn het juist kunstenaars geweest die over uiterst gevoelige antennes beschikten om dit soort processen te registeren, reflecteren en te verbeelden. De geschiedenis van de kunst is in feite een verslag van de manier waarop we kijken naar de werkelijkheid. In die zin zijn nieuwe media oude media in een nieuw jasje. Ze voegen zich vroeg of laat in het vertrouwde spectrum van traditionele media, waar ze zich ook niet wezenlijk van onderscheiden.

Ontschotting van disciplines

En toch, in één opzicht dient zich iets aan dat werkelijk nieuw is. Dat is de ontschotting van disciplines. Het lijkt of in toenemende mate alles met alles te maken krijgt. Nieuwe media waaieren uit en nemen andere terreinen in bezit. Zo ontstaan er niet alleen nieuwe relaties met kunst in de publieke ruimte, maar ook kruisbestuivingen met poëzie, nieuwe muziek, popcultuur en game-industrie. Nieuwe media democratiseren de kunst. Ze brengen ook nieuwe vormen van creativiteit voort en leggen onverwachte verbanden met begrippen als markt en economie. Nieuwe containerbegrippen dienen zich aan als beeldcultuur, E-culture en creatieve industrie. De digitalisering van de cultuur voegt niet alleen kunstvormen aaneen die voorheen gescheiden waren, maar stelt ook de grenzen van de kunst ter discussie. Zelfs de autonomie van de kunst lijkt zijn langste tijd te hebben gehad. Het is ook de vraag of een traditioneel podium in de toekomst nog nodig is nu het internet oprukt als virtuele plaats van handeling. Niemand lijkt nog zicht te hebben waar de vernieuwing zich werkelijk voltrekt, omdat het hele veld in beweging is.

In deze maalstroom van veranderingen en nieuwe ontwikkelingen komen oude begrippen langzaamaan in een nieuw licht te staan. Het besef begint door te dringen dat onze cultuur al twee eeuwen lang gevangen zit in een soort wurggreep. Kunst zit opgesloten in de romantische orde die het denken over creativiteit en verbeelding nog altijd bepaalt. Oorspronkelijkheid en individuele expressie zullen uiteindelijk voorgoed van hun heilig aureool worden ontdaan. Kunst zal bevrijd worden van het magische abstractum van holle gedachten dat het als een windbuil met zich mee torst. Kunst is getemde natuur, geen bevrijde natuur. Kunst is mede een zaak van het verstand en niet alleen van het ontremde instinct. Wie weet wordt de kunst ooit weer een vak dat je moet leren en oefenen, omdat de natuur je anders de baas wordt. Natura artis magistra. Zo is het altijd al geweest. It’s all happening at the Zoo.

Reageer

De eeuw van mijn vader

‘In mijn herinnering is het gezicht van mijn vader al wat vervaagd, en zijn stem hoor ik al helemaal niet meer. Maar altijd zie ik nog zijn handen voor me. De handen waarmee hij in de laatste jaren de deur opendeed en je uitzwaaide. De ene vinger waarmee hij moeizaam en gestaag de brieven typte aan zijn kinderen en oude bekenden. De handen waarmee hij een nieuw boek opensloeg. De zeer rustige handen van 1899. Gevlekt en geaderd als een landschap, met vreemde plekjes en wondjes, doorleefd, sterfelijk en nabij tegelijk’

Aldus besluit Geert Mak in zijn boek De eeuw van mijn vader dat in 1999 verscheen, het jaar voordat niet alleen een millennium zou aflopen, maar ook de eeuw waarin zijn vader had geleefd. Het idee om de biografie van Nederland in de twintigste eeuw te verbinden met een familiegeschiedenis werd ingegeven door het feit dat de vader van Geert Mak nog net in de negentiende eeuw geboren was. Dat was honderd jaar daarvoor in Schiedam, maar het voorlaatste hoofdstuk van zijn boek eindigt in het Friesland van de jaren zestig, waar Mak een groot deel van zijn jeugd doorbracht. We zien dan in grote vaart zich een reeks ontwikkelingen voltrekken die zich al lang hadden aangekondigd, maar opeens een voedingsbodem vonden in de tijd. Geert Mak verwijst dan naar de Canadese mediafilosoof Marshall McLuhan die in 1964 had verklaard dat de mensheid aan het begin stond van een nieuw tijdperk, net als in de zestiende eeuw toen alles op zijn kop werd gezet door de uitvinding van de boekdrukkunst.

McLuhan had voorspeld ‘dat door de media de mensen dichter bij elkaar zouden gaan leven, maar dat ze daar geestelijk nog niet aan toe waren’. Hij verweet de geletterde intellectuelen dat ze geen oog hadden voor de mogelijkheden van film, radio en vooral televisie. De radio beleefde tot midden jaren zestig zijn laatste gloriejaren. Toen G.B.J. Hiltermann nog ‘hoofdredacteur van de wereld’ was en Wim Kan iedereen op oudejaarsavond aan de radio gekluisterd hield. Midden jaren zestig was dat alles opeens voorbij. Er kwam een andere tijd, de tijd van de televisie en daarna van de nieuwe media. Juist daardoor konden ‘de wereldwijde jaren zestig’ ontstaan zoals de historicus Hans Righart dit tijdvak heeft genoemd. Het werd een tijd van toenemende gelijktijdigheid, maar die ontwikkeling had een lange voorgeschiedenis gehad. Ook in het Friesland van mijn vader.

Twee jaar eerder dan de vader van Geert Mak werd mijn vader geboren. Dat was op 23 september 1897 in Bakhuizen, een dorp in Gaasterland. Als kind was hij gefascineerd door techniek en van jongs af aan heeft hij alles wat telecommunicatie betreft met eigen ogen zien ontstaan. Sterker nog, als puber zat hij al te knutselen met primitieve kristal-ontvangertjes, zoals zoveel nieuwsgierige jongens in Friesland in die tijd. Hij verdiepte zich in begrippen als ‘frequentiemodulatie’ en ‘amplitudemodulatie’. Kortom, hij werd zendamateur. Na de lagere school in Bakhuizen ging mijn vader naar de ambachtsschool in Sneek, waar hij op 26 april 1916 zijn diploma mocht ontvangen. Daarna bleek er in Friesland weinig werk voor hem te zijn, al had hij af en toe een klus als timmerman of smid. In Stavoren bracht hij bijvoorbeeld bij Hotel De Vrouwe van Stavoren op de daktuin een ijzeren hek aangebracht dat daar in het begin van de jaren zestig nog altijd te zien was.

Op 6 maart 1920 trad mijn vader in dienst van de PTT in Heerlen, waar hij aan de slag kon als monteur. Daar woonde hij in een tehuis voor katholieke vrijgezellen, en daarna in een zelfde tehuis in Maastricht. De PTT, die pas in 1928 zijn naam kreeg, heette toen nog anders: de APT, de Administratie der Posterijen en Telegrafieën. Ook mijn grootvader, Manus Durk Mous, werkte in Bakhuizen bij de postvoorziening. Hij was daar postkantoorhouder. En zelfs mijn overgrootvader, Durk Manus Mous. De PTT zat bij de Mousen in de genen.

In de jaren twintig maakte mijn vader de ene promotie na de andere. Hij schoolde zich bij door allerlei cursussen te volgen in de elektrotechniek, zodat hij beter zicht kreeg op de technische vorderingen binnen de telecommunicatie. Want de ontwikkelingen gingen snel in die tijd. Zo werd hij overgeplaatst naar Amsterdam. Hij werd een ‘schouwer’. Dat betekende dat hij storingen in installaties voor huistelefonie bij grote bedrijven moest opsporen. De storingen oplossen mocht hij niet, want daar waren weer anderen voor. Zo kwam hij in het hele land, bijvoorbeeld bij de AKU in Arnhem, waar hij in 1929 mijn moeder leerde kennen die daar telefoniste was.

Bij zijn afscheid bij de PTT sprak mijn vader over de tijden die veranderd waren in de veertig jaar van zijn werkzame leven, over hoe hij de spectaculaire ontwikkelingen van de techniek van dichtbij had meegemaakt en wat dat in zijn leven had betekend. Op een bandopname van die afscheidstoespraak op 24 september 1962 vond ik letterlijk de woorden terug die nog lang in mijn hoofd zijn blijven hangen:

‘En ik heb het tot een eer gevonden dat ik twee-derde van mijn leven heb mogen meewerken aan het welslagen van dat telecommunicatiebedrijf, dat tenslotte in het leven geroepen is om de mensen dichter bij elkaar te brengen. Het heeft mij helemaal geen moeite gekost, want ik heb in mijn jonge tijd bewust gekozen voor de PTT-dienst. Ik heb daar nooit geen spijt van gehad. (…) Ik geloof wel dat alles een klein beetje overdreven is wat hier vandaag verteld is, want ik ben er me bewust van, wanneer ik moet roemen, dan moet ik zeggen met Paulus, dat ik moet roemen op mijn zwakheden.’

En als ik heel eerlijk ben: zwakheden had mijn vader in overvloed. Toch heeft hij er alles uitgehaald, meer zat er gewoon niet in. Mijn moeder zei later wel eens: ‘Durk had eerder uit Friesland weg moeten gaan.’ Hij was een roomse Fries uit Gaasterland, waar het glooiende landschap hem als kind al deed verlangen naar het zuiden. Maar het werd uiteindelijk Amsterdam, waar hij het grootste deel van zijn leven zou wonen.

In zijn boek Het rode tasje van Salverda meldt Goffe Jensma dat tussen 1860 en 1920 naar schatting 150.000 Friezen hun geboortegrond verlieten. Deze droge cijfers laten een glimp zien van de massale leegloop van Friesland, die zich decennialang moet hebben voltrokken. In Friesland was in die tijd geen droog brood te verdienen. Bij de eerste naoorlogse volkstelling bleek dat in de categorie van 68 jaar en ouder maar liefst 7% van de Amsterdamse bevolking in Friesland geboren was. Voor veel kinderen van ontheemde Friezen stond de wieg in de hoofdstad. Zo ook de mijne in 1947.

In Amsterdam bouwde mijn vader een eigen zender, waarmee hij met mensen over de hele wereld kon praten. Zo kon het gebeuren dat ik hem als kind wel eens hoorde spreken met iemand uit Australië of Canada. Dat was in het begin van de jaren vijftig. Ik vond dat een magische gebeurtenis als ik hem zo zag praten in het niets. Soms fantaseerde ik wel eens wat ik zou doen als ik later zelf zo’n zender had. Het stoorde me vooral dat mijn vader er eigenlijk zo weinig mee deed. Het bouwen van de zender was voor hem de kick. Maar toen dat ding begon terug te praten vond hij er eigenlijk niets meer aan.

Jarenlang heeft die zender op de slaapkamer boven staan te verstoffen. Wat moet je ook zeggen tegen iemand uit Australië die je helemaal niet kent? Bovendien zei mijn vader toch al niet veel. Van een computer zou hij ook weinig plezier hebben gehad. Er zitten geen buizen in en geen zekeringetjes. Je kunt niet eens solderen. Een computer is een black box waar je blindelings op moet vertrouwen, onzichtbare techniek die je bewustzijn verandert zonder dat je het merkt.

We leven in een tijd van de elektronische media die de wereld op onzichtbare wijze omvormen tot één groot dorp: ‘the global village’, zoals McLuhan het had genoemd. Tijd en ruimte schuiven steeds meer ineen en de mensen zijn inderdaad, zoals Geert Mak en mijn vader beweerden, ‘dichter bij elkaar gaan leven’. Maar toen de levensruimte in de beleving almaar kleiner werd, veranderde er ook iets in de ervaring van de tijd. In het elektronische werelddorp verdween de open horizon en ongemerkt slopen gevoelens van heimwee en nostalgie naar binnen.

Reageer

And this is nowhere

Mijn zus Trees en ik, gisteren in Alkmaar

Achter de uiterste grens bevindt zich altijd weer iets anders, maar op de grens zelf is er alleen maar het ‘nietsende niets’, zoals Heidegger dat noemde, alsof het woord wordt losgeweekt van zijn betekenis. Grens, grens, grens, grens…. De grens zelf bestaat niet, net zomin al een grens-ervaring. Die ervaring is ondenkbaar, zoals ook de ervaring van de dood ondenkbaar is. We hebben er geen beelden bij. Deepdown sluimert een vermoeden dat de dood niet bestaat, net zomin als de grens bestaat. Het leven leeft op een bodem van tijdloosheid. Het onbewuste kent grens noch dood. Beide zijn uitvindingen van het bewustzijn. En bewustzijn doet pijn. De dood is de laatste grens en daarmee het meest onvoorstelbare van alles wat onvoorstelbaar is. Het is een woord, meer niet. Een slotwoord dat verwijst naar nergens: This is nowhere.

Een wereld zonder grenzen heeft alleen in het paradijs bestaan. Toen de onschuld verdween, verscheen de engel aan de poort als de eerste grenswachter. De wereld is ontstaan door een grens te trekken. Ze eindigt bovendien, zoals ze ooit is begonnen : met een grens. Petrus aan de hemelpoort, de oude veerman Charon met de driekoppige hond Cerberus die de bloedeloze schimmen in een wrakkig bootje over de Styx heen zet – het is altijd een grens die deze wereld scheidt van welke andere dan ook. En toch, ook het woord ‘grens’ is maar een woord …

Grens: v (m) [-zen] scheidingslijn; uiterste kant; einde.

Er is iets met de betekenis van het woord ‘grens’, iets dat zo vanzelfsprekend is dat het waarschijnlijk niet klopt. Ga maar na, hoe dichter je een grens nadert – welke dan ook – hoe verder zij zich lijkt te verwijderen. Een grens valt nooit in haar exacte gedaante te betrappen. De essentie van een grens is misschien wel haar onbestaanbare bestaan, dat wil zeggen: haar ondeelbaarheid, haar gebrek aan substantie en uitgestrektheid, waardoor zij in feite niet kan bestaan terwijl zij toch voortdurend van haar bestaan getuigt. De grens zelf heeft geen grensgebied, ze is zelf onvindbaar in tijd en ruimte. Een grens heeft haar uiterste limietwaarde in het niets of in het oneindige. Dood is dood. Meer is er niet. Maar hoe doder de dood wordt, des te ondenkbaarder wordt de gedachte dat de dood niets anders kan zijn dan dat. De dood is overal en nergens tegelijk. And this is nowhere…. Hoe je het ook wendt of keert, het leven stelt niet zoveel voor.

Reageer

Avec le temps

IMAGE0004

Diemen 1973, op de achtergrond rechts: de eerste van de vijf studentenflats

Toen ik in de jaren zeventig kunstgeschiedenis studeerde, had je nog een kandidaatsexamen. Voor kunstgeschiedenis bestond dat examen uit twee delen: geschiedenis van de kunst en klassieke archeologie. Voor kunstgeschiedenis moest je drie mondelinge examens afleggen, respectievelijk in de Middeleeuwen, Renaissance en de Nieuwere Tijd na 1800. Daarin moest je ook je een hoofdvak kiezen voor het doctoraal, tenminste als je niet koos voor klassieke archeologie. Het kandidaatsexamen klassieke archeologie werd in één keer afgenomen. Daarvoor werd je een uur lang door de professor – met de wonderschone naam Hemelrijk – aan de tand gevoeld.

De tentamenstof voor dit examen lag vastgelegd in een literatuurlijst met ongeveer tachtig titels, voor een groot deel boeken, maar ook een aantal artikelen. Het was raadzaam om voor het bestuderen hiervan ongeveer een half jaar uit te trekken. Zo kon het gebeuren dat ik me vanaf de zomer van 1973 zes maanden lang als een kluizenaar heb opgesloten in mijn studentenflat op de achtste etage van een torenflat in Diemen, waar ik uitkeek over heel Amsterdam en in de verte alle vliegtuigen op Schiphol zag landen, waarbij zij langzaam neerdaalden boven de Bijlmermeer.

Ik was in die tijd nogal melancholisch en nostalgisch. Eerlijk gezegd ben ik dat nog altijd. Alles duurde mij te lang. Er kwam geen eind aan. Het leven was eindeloos, maar niet in de goede zin van het woord. De jaren zeventig hadden iets traags en vervelends. Er hing iets in de lucht wat niet deugde. There was something rotten in the state of Denmark. Er was iets doodgegaan, maar niemand wist wat. De dood was in de tijd zelf gekropen. De nostalgie was geboren. En al had ik die wijsheid toen nog niet, nu weet ik het maar al te goed. Nostalgie is heimwee naar het graf. Het is een onmogelijk verlangen. Al was het maar omdat teruggaan in de tijd in strijd is met de tijd zelf…. die almaar voorbijgaat. Met de tijd verdwijnt de tijd.

scan20001

Het is de herfst van 1973. Ik sta op het kleine kerkhof aan de Oud-Diemerlaan met mijn rug tegen de buitenmuur van het oude kerkje. Je kon deze dodenakker betreden door een groot hek te openen,waarop in fraaie letters geschreven stond: Gedenk te sterven. Vaak gingen we wandelen als we weer eens een nacht hadden doorgehaald met veel drank. Dan begonnen opeens de vogels te fluiten, verschoot de lucht en werd het langzaam licht aan de horizon. Als je het spoor overstak kwam je op de Oud-Diemerlaan en op het einde daarvan lag het Amsterdam-Rijnkanaal. Overdag voer daar een pont naar de overzijde en vandaar kon je bij de oevers van het IJsselmeer komen. Dan kwam je langs de vuilstort aan de Diemerzeedijk, waar allerlei ijzeren vaten met doodskoppen erop uit de zwarte modder omhoog staken. Het stonk er naar chemicaliën.

e0532e21dd6f07e2138d07ed65e8f4681722c18db2040c330f7e952e0810a952

Luchtfoto naar het westen van de Diemerzeedijk en het Buiten-IJ (rechts), met de verbranding aan de open lucht van chemisch afval. Links het Amsterdam-Rijnkanaal en Diemerpolder ( foto: Beeldbank Stadsarchief Amsterdam)

Ouder worden is het opeenstapelen van tijd. Mijn geheugen loopt steeds meer vol met geleefde tijd en in elk ogenblik lijkt mijn hele verleden mee te bewegen in het hier en nu. Soms denk dat de geleefde tijd uit mijn verleden niet in mijn brein ligt opgeslagen, maar ergens ver daarbuiten. Elk woord over de tijd bedient zich van ruimtelijke metaforen, terwijl de tijd zelf geen plaats heeft in welke ‘ruimte’ dan ook. Mijn brein is geen computer of iets dat daar op lijkt. Het is eerder zoiets als een korenveld waar de wind voortdurend doorheen waait. Sommige vlagen van de wind zijn spontane herinneringen die zomaar opduiken uit het niets. Heimwee is tijd die stilstaat en alle poëzie is heimwee. Soms lukt het een dichter om iets in de tijd aan te roeren dat ons met de dood verzoent. Als een windstilte, midden in de wind.

Dit jaar word ik 72. Dat is maar een raar idee. Iets in mezelf vertikt het om ouder te worden. Op een gegeven moment is de klok voorgoed stil blijven staan. Elk jaar kwam er een jaar bij, maar diep van binnen ben ik gestopt met tellen. Ik weet niet precies wanneer dat gebeurd is. Ik weet ook niet wat mijn ‘absolute leeftijd’ is, zoals Harry Mulisch dat ooit noemde. Feit is dat ik vaak droom dat ik nog pas 18 jaar oud ben, een vroegwijze puber die niets van het leven begrijpt. Alles wat ik in mijn leven heb meegemaakt was al op mijn achttiende jaar in de knop aanwezig. Mijn vader stierf toen ik 18 was. Hij was toen 68 jaar en 7 maanden. Ik ben inmiddels al drie jaar en drie maanden ouder geworden dan hij. Maar ik weiger om verder te tellen. Wie telt capituleert voor de eindigheid.

Vannacht droomde ik, dat ik de Dood tegenkwam op de Oud-Diemerlaan. ‘Mag ik u iets vragen?’ vroeg ik.’ ‘Jazeker,’ zei de Dood. ‘Je mag mij alles vragen, als je mijn antwoord maar serieus neemt en niet terzijde legt.’

Ik zweeg en liep door naar het Amsterdam-Rijnkanaal.

Reageer