Indian summer

Hedenmiddag bij Theehuis Rhijnauwen in Amelisweerd

Zoete meisjes, die zelve niet weten
hoe innig en zacht ze bederven,
slenteren in blue jeans, zweten,
zien rood van het langzame sterven
van het roestende licht op hun wangen,
en de zonen van Perzen, Hongaren,
lopen met brandende haren
voortgeduwd van verlangen
onder de vallende blaren
die als adem te voorschijn suizen.
Reeds worden de sneeuwwitte huizen,
door de schaduwen van takken geaderd,
zichtbaar. De winter nadert.

Kom, ik sta op, want het wordt wat fris,
al is het nog lang licht,
en ik ga met mijn glas op mijn bord
naar binnen en doe de deur dicht.

Uit: Leo Vroman Indian summer

Reageer

The power of love

Gisteravond in het Fries Museum

Reageer

Minnares van het modernisme

Slide1

Zoals de Titanic al meer dan honderd jaar verbonden is met de gedachte aan een snelle ondergang, zo lijkt Venetië het beeld op te roepen van een traag en waardig afscheid van het leven. Sterven in Venetië moet niet moeilijk zijn, want alles loopt daar op zijn eind. Als er niets gebeurt verdwijnt de eeuwenoude stad zelfs langzaam onder water. Met man en macht wordt tegenwoordig geprobeerd om die aanstaande ramp te voorkomen. De lagunes worden afgesloten met indrukwekkende waterwerken, maar het is uitstel van executie. Venetië zal onder water verdwijnen zoals ooit Atlantis door door de oceaan verzwolgen is.

Vorige week was ik weer eens in Venetie. In 1972 was ik daar daar het eerst van mijn leven. Vooral die eerste ontmoeting vergeet ik nooit meer. Aankomen op het station, na een lange treinreis die eindigt met een tocht over de spoordijk die Venetië verbindt met het vaste land. En dan die eerste aanblik als je het station verlaat. De kleuren, de geuren, het water, je eerste tocht met een vaporetto. Wij sliepen vlak naast de Accademia in een klooster dat was omgebouwd tot jeugdherberg. Het was een excursie van drie weken samen met een tiental medestudenten onder leiding van Hessel Miedema.

We hebben toen de hele stad van onder tot boven doorgeploegd. Iedereen moest vooraf een referaat houden en ter plekke toelichting geven. Ik had de San Marco gekozen en wist daar destijds dus alles van. Ik had me grondig verdiept in de bouwgeschiedenis en zo stuitte ik op het wonderlijke verhaal van de vier bronzen paarden die sinds eeuwen boven op de San Marco staan. Of beter gezegd hebben gestaan, want in 1984 werden ze vervangen door replica’s vanwege de luchtvervuiling. Hessel Miedema was een Spartaans docent. Zo gunde hij je nauwelijks rust, wat gaandeweg de excursie tot steeds meer irritatie leidde. We wilden wel eens een middagje vrij of een uurtje voetballen met de Venetiaanse jongens in de buurt.

Hessel Miedema

Hessel Miedema, Amsterdam begin jaren zeventig

Hessel Miedema, die in in 1928 Sneek werd geboren, heeft heel wat sporen in Friesland achtergelaten, onder meer als directeur van het Princessehof van 1957 tot 1963. Aan de Universiteit van Amsterdam promoveerde hij tien jaar later op het proefschrift Karel van Mander: den grondt der edel vry schilder-const. Sinds 1967 was hij als wetenschappelijk hoofdmedewerker verbonden aan het Kunsthistorisch Instituut van de Universiteit van Amsterdam. Eerder – van 1963 tot 1967 – werkte hij eerst als wetenschappelijk ambtenaar en later als hoofdmedewerker op het Instituut voor Neerlandistiek van dezelfde universiteit. Zelf begon daar ik in 1968 met mijn studie Nederlands, die ik in 1970 afbrak. Eerder was Miedema van 1961 tot 1963 redacteur geweest van het Friese literaire tijdschrift Quatrebras. In 1963 verscheen als speciaal nummer daarvan zijn grote gedicht De greate wrakseling. Tien jaar later verscheen zijn verzamelde literaire werk in het Fries onder de titel Op ‘e literaire toer.

Maar dat alles wist ik nog niet tijdens die wonderlijke excursie in Venetië in april 1972. Het was mijn inwijding in de geschiedenis van de kunst, maar zo heb ik het destijds niet ervaren. Hessel Miedema kwam op ons over als een wat al te fanatieke vakidioot. Hij wist van geen ophouden en dacht dat wij met hetzelfde kunsthistorische virus waren besmet. Dat was dus niet zo. Voor ons was Venetië een leuk uitje in het tweede jaar van een leuke studie. Ook nog goed gesubsidieerd. Zelfs van de Italiaanse overheid kregen we zo’n tweehonderd gulden subsidie per persoon.

Het waren andere tijden. Tussen de middag at Miedema samen met zijn vrouw altijd een pakje brood ergens op een bankje of een brugleuning. Wij zaten dan altijd breeduit te lunchen in een pizzeria met een stevig glas wijn. ’s Avonds doken we tot diep in de nacht onder in de kroegen van Venetië, terwijl Miedema altijd vroeg op bed ging. De volgende ochtend hadden wij dan een stevige spijker in de kop, terwijl Miedema telkens weer zo fris als een hoentje ’s present was. Klaar met allerlei lastige vragen, waar wij dan geen antwoord op hadden. Dat moest een keer mislopen. Het cultuurverschil was te groot.

Op een avond, na wat teveel glazen wijn, heb ik daar in die armzalige jeugdherberg in Venetië nog een parodie opgevoerd van zijn wijze van doceren, waarbij de gelijkenis zo treffend was, dat niemand daarna nog angst had voor de grillen van deze zeer eigenzinnige man. Zijn grimassen en tics, het was ineens allemaal doorgeprikt. Miedema zelf lag toen al op bed, samen met zijn vrouw, maar de muren van de jeugdherberg waren zo dun, dat hij mijn optreden woordelijk moet hebben verstaan. Dat heb ik geweten. Daarna is het gedurende de resterende dagen van deze excursie niet meer goed gekomen tussen Miedema en mij. De magie van de meester was weg. Hij had geen aureool meer en was teruggekeerd op aarde onder ons gewone stervelingen.

Ook herinner ik mij nog, dat ik een paar dagen later bij een speelgoedwinkel een klapperpistool kocht en vervolgens op de ijzeren brug over het Canal Grande, vlak bij de Accademia, een poging heb gedaan om Miedema overhoop te schieten. Het klapperpistool ging af en de arme man stond minutenlang te trillen op zijn benen. Het was een practical joke die lichtelijk uit de hand was gelopen. Het jaar daarop ging de film Don’t look now in première, met Donald Sutherland in een glansrol als een kunsthistoricus die vermoord wordt op een brug in Venetië. Ik vrees dat Hessel Miedema bij het zien van die scene nog even een hartritmestoring heeft gehad en aan mij heeft teruggedacht.

Lopend door de smalle steegjes van Venetië waanden we ons soms in die film Don’t look now die we dus nog helemaal niet gezien hadden. In Venetië kan dat, want de tijd loopt daar in cirkels rond. Het was of overal zo’n eng oud vrouwtje met een rood kapje en een slagersmes de hoek om kon komen. Op een dag kwamen we inderdaad in zo’n steegje een oud dametje tegen. Wij, dat waren Willem van Beek, Erik Luermans, Karel Schampers en ik. Karel herkende haar meteen. Het was Peggy Gugenheim. Peggy in levende lijve! Hoe is het mogelijk. Ik had de tegenwoordigheid van geest om haar aan te spreken:

Miss Gugenheim, may I ask you a question. We are students from Amsterdam and we have some questions about art. Do you have some time for us.

Peggy aarzelde geen moment en nodigde ons uit om halfzeven ‘s avonds in haar Palazzo annex museum aan het Canal Grande. Jarenlang had ze geen enkel interview meer gegeven. Ze leefde teruggetrokken met al haar hondjes, haar kunst en haar herinneringen. Op weg naar haar toe kochten we nog een bosje margrieten in een bloemenstalletje. Typisch Hollands, dachten we nog.

Peggy Guggenheim in haar huiskamer in Venetië. De foto hangt in het museum. De huiskamer is nu bij het museum getrokken.

Peggy ontving ons hartelijk. Ze legde ons uit hoe de alarminstallatie werkte, kennelijk een standaardprocedure voor onbekende bezoekers. De margrieten plaatse ze liefdevol te midden van een gigantisch boeket dat op de salontafel stond. Boven de bank hing een Picasso, even verderop een schilderij van Max Ernst en boven het dressoir een Jackson Pollock. Peggy trok een kastdeur open waarachter een bar verscholen zat met alle dranken van de wereld. Toen ze vroeg wat we wilden drinken, dacht ik bescheiden te zijn.

– “Sherry please”.
– “I am sorry”, zei Peggy, “I dont have sherry’”.

Daarna volgde een geanimeerd gesprek over Picasso, Max Ernst,  Duchamp, Bellini en wat al niet. Het leven van Peggy Guggenheim valt samen met de geschiedenis van de kunst in de twintigste eeuw. Veel grote kunstenaars heeft zij door aankopen gestimuleerd en niet te vergeten: bemind. Peggy stond bekend om haar gigantisch vermogen dat ze had geërfd en haar gigantische libido dat – zoals zij zelf eens schreef – haar telkens weer nieuwe energie gaf. In haar jonge jaren moet zeer aantrekkelijk zijn geweest – ondanks of misschien dankzij – haar uitzonderlijk grote neus.

Zo moet ze ook met Mondriaan hebben geflirt. Toen we vroegen naar opvatting over het werk van Mondriaan, gaf zij een kort en bondig antwoord: “He was a most peculiar man”. Geniaal en uiterst formeel. In de laatste oorlogsjaren in New York ontdooide hij wat. Zo was hij nog nooit van zijn leven naar een nachtclub geweest. Peggy had Piet aan het dansen gebracht.

Wij vroegen haar nog wat wij beslist niet mochten missen in Venetië. Carpaccio, zei ze onmiddellijk. Carpaccio in de de Scuola di S. Giorgio degli Schavioni. Tien minuten lopen achter de San Marco ligt het naar Venetiaanse maatstaven wat onooglijke gebouwtje dat al in de vijftiende eeuw als opvangcentrum voor arme zeemanskinderen uit Dalmatië heeft dienstgedaan. De regenten uit die tijd zaten waarschijnlijk minder krap bij kas, want de schilderingen die Carpaccio in opdracht van hen vervaardigde behoren tot de topstukken van de vroege Renaissance.

Jaren geleden las ik de prachtige biografie van Mary V. Dearborn: Het leven van Peggy Guggenheim, minnares van het modernisme (2005).  Over de relatie tussen Peggy en Piet Mondriaan heeft zij helaas weinig te melden. Wat ik las over heer jeugd frappeerde mij zeer. De vader van Peggy, Benjamin Guggenheim – op wie zij zeer gesteld was – overleed in 1912, toen Peggy pas 13 jaar oud was. Hij verdronk bij de eerste zeereis van de Titanic.

Ooit kocht hij een armbandje van parels en diamanten voor haar. Het was een ketting in de vorm van margrieten, die – zoals haar biografe hier uitdrukkelijk aan toevoegt – haar lievelingsbloemen zouden worden. Heel haar leven was Peggy Guggenheim op zoek naar een vader. Misschien moet ze daar even aan hebben gedacht, toen ze onze margrieten een plaats gaf tussen de orchideeën.

Aan de waterkant waar haar Palazzo grenst aan het Canal Grande staat nog altijd het ruiterbeeld van Marino Marini: L’angelo della città uit 1948. De ruiter leunt lichtjes achterover met de blik omhoog, de armen wijd gespreid in een kennelijke staat van seksuele extase. De penis van de ruiter wijst ook omhoog. Die penis kun je er afschroeven, zo onthulde Peggy Guggenheim later in haar memoires. En bij gelegenheid deed zij dat ook wel eens, als het wat al te druk was op het Canal Grande en zij de mensen niet wilde choqueren. Vorige week was ik nog even in het museum. Ik zag het ruiterbeeld en constateerde tot mijn genoegen dat de penis nog altijd omhoog staat als een speer. De lust tot leven is niet geweken ook na de dood van Peggy.

Her ruiterbeeld van Marinetti, vorige week vrijdag in het Peggy Guggenheim museum

Toen wij Peggy Guggenheim in april 1972 ontmoetten was zij 73 jaar, iets ouder dan de eeuw waarmee haar leven zowat samenviel. Ze oogde toen nog vitaal en was vol levenslust. Zeven jaar later zou ze zelf overlijden. Ze stierf in Padua na een hersenbloeding en dus niet in Venetië. Sterven in Venetië, zo had zij zich het einde voorgesteld. Wel ligt haar as begraven in de tuin van haar eigen Palazzo Vernier dei Leoni. Haar urn ligt naast de steen voor de veertien hondjes die zij tijdens haar leven gekoesterd heeft.  Om maar te zwijgen over de stoet van  mannen die zij in al die jaren heeft bemind. Wat wil je nog meer als minnares van het modernisme.

2 Reacties

De taal der liefde

Van de week kocht ik bij het antiekwinkeltje aan de Oostergrachtswal in Leeuwarden bovenstaand Mariabeeld. Het is 45 centimeter hoog. Heel wat groter dus dan het Mariabeeld ‘schoenmaat 38’, dat Guus van Bladel ooit schonk aan Gerard Reve en dat de Onze Lieve Vrouw van Lourdes voorstelde. Reve schreef hierover voor het eerst in De Taal der Liefde. Ik had haar al een paar weken in de etalage zien staan, maar ik durfde niet naar de prijs te vragen. Het was een rib uit mijn lijf, maar dat was Eva ook voor Adam. Je moet wat als man alleen.

Ik heb het beeld in het hoekje op de vensterbank naast de zitbank geplaatst. Als ik nu ’s avonds televisie kijk, lijkt het net of zij met mij meekijkt. Ze zwijgt. Dat wil zeggen: ze spreekt de taal der liefde, die woordeloos is en vol geheimen. En toch, soms lijkt het het of ik haar heel zachtjes iets in mijn oor hoor fluisteren. Dan draai ik mijn hoofd opzij, maar ik zie niets. Haar lippen houdt ze stijf op elkaar. De ogen knipperen niet. Ze blijft zwijgen en bewaart alles in haar hart.

Reageer

De troost van de geschiedenis

Dwalend door Venetië stond ik opeens voor deze arcade. Ik kreeg een vreemd gevoel van déja vu. Was ik hier ooit eerder geweest? Ik kon het me niet herinneren. Toch oogde deze omgeving heel vertrouwd. Alsof ik me er helemaal thuis voelde en één werd met het plaveisel, de stenen en het uitzicht op het water in de verte. Het leek een hervonden herinnering die in een flits tevoorschijn kwam in mijn brein. Maar was het echt waar die herinnering naar verwees, of leidde mijn geheugen mij om de tuin en verbeeldde ik mij dat ik hier eerder had gelopen, in een vorig leven misschien?

Jaren geleden las ik het boek van Frank Ankersmit De sublieme historische ervaring (2007). In een rijk betoog verdedigt hij daarin de stelling dat subjectiviteit voor de historicus onmisbaar is om het verleden adequaat weer te kunnen geven. Er moet iets resoneren tussen de schrijver en de tijd die hij beschrijft. Die beslissende ervaring lijkt iets gemeen te hebben met het verleden en kan soms heel vluchtig en kortstondig zijn, een soort flits waarin alles ineens duidelijk wordt.

Het zijn vaak onbeduidende gebeurtenissen of aanleidingen waardoor de flits met het verleden plotseling tot stand komt. Zo kan het zien van een foto, een film of een kunstwerk opeens een cruciale factor worden. Ankersmit verbindt dit gevoel van herkenning met zijn vroegste jeugd, toen hij als kind vaak ziek was en gedwongen thuis moest blijven. De rijke bloemfiguren op het behang prikkelden zijn verbeelding en maakten hem gevoelig voor een ander universum, de wereld van het eindeloos krullende rococo-ornament en de gewichtloze tijd van de nutteloze verveling.

Zo’n stemming uit de vroegste jeugd kan iemands persoonlijkheid voor de rest van zijn leven bepalen, maar ook een specifieke antenne creëren. De historicus moet het juist daar van hebben. Zijn eigen eigenaardigheid maakt dat een gesloten wereld uit het verleden voor hem open kan breken. Het meest eigene uit je vroegste jeugd fungeert dan als toegangspoort voor het sublieme.

Francesco Guardi,  Arcade met lantaarn

Ook een tweederangs kunstwerk kan opeens een cruciale factor worden, waardoor de flits van het verleden tot stand komt. In zijn boek geeft Ankersmit als voorbeeld een schilderij van Francesco Guardi (1717-1793) Arcade met lantaarn, dat ooit bij hem zo’n openbaring teweeg heeft gebracht. Het schilderij laat een typisch Venetiaanse voorstelling zien uit de achttiende eeuw. Een paar clowneske figuren houden zich op onder een arcade met uitzicht op de lagune. Het blijken Pulcinella’s te zijn, figuren uit de commedia dell’ arte. Een soort kruising tussen dandy’s en zombies, schimmen van dode zielen die spelen dat ze leven.

Het bijzondere is dat deze Pulcinella’s niet op het toneel staan, maar zomaar op straat zijn te zien. Daardoor krijgt de hele voorstelling iets dubbelzinnigs. Niet duidelijk is of het echt is of onecht. De werkelijkheid lijkt een theaterdecor te worden en met allerlei formele middelen heeft de schilder dit toneeleffect weten te versterken. De geschiedenis is een schouwtoneel, evenals het geheugen. We herinneren ons van alles, maar of dat ook werkelijk zo geweest is moeten we maar geloven.

We leven in een tijd, waarin niet alleen de geschiedenis, maar ook het persoonlijke verleden steeds belangrijker wordt. Sinds er voor velen geen God meer is, die voor de zin van het leven garant kon staan, moet de mens het zoeken in begrippen als karakter, eigenheid en identiteit. En waar kun je ‘het eigene’ beter vinden dan in het verleden. Zo wordt de geschiedenis geruisloos gepromoveerd tot een nieuw soort transcendentie. In het verleden kun je niet alleen jezelf herkennen, maar ook troost vinden.

Reageer