Then what are we fighting for?

Tijdens de Tweede Wereldoorlog stelde de minister van financiën van de Engelse regering aan Winston Churchill voor om een deel van het kunstbezit van de staat te verkopen, om zo de almaar stijgende kosten van de oorlogsvoering te kunnen financieren. Churchill zou toen geantwoord hebben met een van zijn vermaarde oneliners: “Then what are we fighting for?” Ooit hoorde ik deze woorden voor het eerst uit de mond van Joop Mulder, de oprichter van Oerol, die vorige week is overleden. Deze woorden citeerde hij zo’n tien jaar geleden. Plaats van handeling: de raadszaal van het Provinciehuis in Leeuwarden, waar insprekers hun zegje konden doen bij de behandeling van het plan van de Provincie Friesland en de gemeente Leeuwarden om culturele hoofdstad van Europa te worden.

Joop en ik hadden niet zoveel met elkaar. Als we bij elkaar in de buurt kwamen, wisten we elkaar zorgvuldig te ontwijken. Hoe dat kwam weet ik niet precies. Misschien dateert die afstand wel uit de tijd dat ik de artistieke leiding mocht hebben over het Frysk Festival, de jaren 1995 en 2000. Joop was toen al een autoriteit op festivalgebied met een naam tot ver buiten de grenzen. Bij hem voelde ik me altijd als de spreekwoordelijke muis in de nabijheid van een olifant.

Misschien verbeeldde ik mij dat dit kwam door zijn arrogantie. Of hij echt arrogant was, weet ik niet eens. Ik irriteerde me wel eens aan zijn pose, zijn zorgvuldig regisseerde imago met die buitenissige snor, die me vaak aan een gestrande zeehond op een zandplaat op de Wadden deed denken. Volkomen onterecht natuurlijk, want als ik de necrologieën lees die in de afgelopen dagen voorbijkwamen, dan was hij een uiterst beminnelijk en bevlogen mens. Over de doden niets dan goeds. Om over de zeehonden maar te zwijgen.

Maar hoe zat het met die woorden van Churchill, die Joop Mulder destijds citeerde in de raadszaal van het Provinciehuis. Ik ben daarna is gaan uitzoeken op internet of het inderdaad waar is of Churchill dit letterlijk zo gezegd heeft. Zo ontdekte ik dat er tal van varianten van deze woorden in omloop zijn. Ook is niet duidelijk wanneer Churchill dit gezegd zou hebben, laat staat of hij dit ooit ook daadwerkelijk zo gezegd heeft. Maar ook als is het niet waar, dan is het in ieder geval mooi gevonden. Het citaat  werkt uitstekend als ondersteuning voor een pleidooi voor het belang van de kunst, of anders wel bij een protest tegen de bezuinigingen van de overheid op kunst en cultuur. Als we de kunst moeten verkopen, waar vechten we dan eigenlijk voor?

Maar klopt het ook wat hier wordt beweerd? Is de kunst het hoogste goed, dat we in laatste instantie zouden verkopen, als de nood aan de man komt en we ons met wapens moeten verdedigen? Vervang het woord ‘oorlog’ door ‘corona’, en je staat voor het dilemma van vandaag. Wat is de kunst ons waard in tijden van corona? Pleidooien voor overheidssteun voor kunst en cultuur worden sterk bepaald door de positie die je inneemt in het veld. Belangen vertroebelen de standpunten en het is vrijwel onmogelijk om een onbevangen mening te hebben als je zelf – direct of indirect – baat hebt bij die overheidssteun. Wiens brood men eet, diens woord men spreekt.

Maar los daarvan, de corona-crisis is nog geen oorlog. We leven in een bevoorrecht deel van de wereld. Bovendien ben ik van mening dat een mens ook zonder kunst heel goed gelukkig kan worden. Kunst is geen halszaak voor ons bestaan. Vrede, veiligheid, gezondheid, armoedebestrijding en vrijheid van meningsuiting vind ik persoonlijk belangrijker dan kunst.

Wat is dat eigenlijk kunst? Een woordje van slechts vier letters en in het Engels nog maar drie. Kunst is niet heilig, ook al zijn er mensen die ons dat wijs willen maken. Om u eerlijk te zeggen: Ik geloof niet in kunst. Ik geloof in kunstenaars. Of beter gezegd, ik geloof in gekke mensen, en veel kunstenaars zijn dat. Kunstenaars zijn van een ander ras, zo is wel eens beweerd. Het zijn mensen van elders die al duizenden jaren voor het venster staan, roepen in de woestijn, waanzin planten tussen vastgeroeste opvattingen, hun publiek beledigen, doof zijn als Beethoven, kromme vingers van de reumatiek hebben als Renoir, een tumor in hun hoofd hebben als Ravel, vrijwel blind zijn als Monet, moeten stelen om te eten als François Villon, om wier begrafenis gebedeld moet worden als bij Belà Bartók, maar die door niets en niemand zijn tegen te houden.

Ik geloof in de kracht van de  verbeelding, maar dat is iets anders dan kunst. Die verbeelding is niet weg te vagen. Niet door een oorlog en niet door een crisis. De verbeelding is zelfs sterker dan de kunst zelf. Het beste kunstwerk – zo heeft Marcel Duchamp ooit beweerd – is een schilderij van Rembrandt dat gebruikt wordt als strijkplank.

Zo’n honderd jaar geleden waren het  kunstenaars die zich keerden tegen de fundamenten van burgerlijke beschaving die als bankroet werd beschouwd. De beschaving van de brave burger, zo beweerde Marinetti, is gedoemd te verdwijnen, net zoals kathedralen, torens, vestingmuren en het pacifistisch ideaal’. Eerder al riep Alfred Jarry zelfs openlijk op  tot geweld: ‘Zodra ik de financiën van de banken heb gejat zal ik ze allemaal afmaken en hem dan smeren.’ Wie was hier eigenlijk beschaafd? Toch niet de kunstenaar zou je achteraf zeggen.

De huidige corona-crisis met zijn dreigende afbraak van kunstsector betekent ook zeker niet het einde van de beschaving. Zo’n tien jaar geleden werd er als reactie op op de toenmalige bezuinigingen op kunst en cultuur een Mars der Beschaving georganiseerd. Ik heb daar destijds niet aan meegedaan. Dergelijke leuzen zijn volgens mij over de top en zelfs op het hysterische af. Ze werken ook alleen maar averechts.

Een Mars der verbeelding. Daar was ik in mee gaan lopen. De verbeelding, dat is waar mensen bang voor zijn, die zelf geen verbeelding hebben: de dorknopers, de regelneven, de managers, de mensen die alleen kunnen tellen en plannen. Dié mensen zijn als de dood voor de verbeelding van de kunstenaar.

Vorige week zag ik de nieuwjaarstoespraak CdK Arno Brok met zijn pleidooi voor bedreigde cultuursector in tijden van corona. Gelukkig liet Brok het hoogdravende Churchill-citaat, dat Joop Mulder destijds paraat had, achterwege. Brok sprak over een vreemde blinde vlek in het kabinetsbeleid. Het was hem opgevallen dat woorden als ‘nagelstudio’ en ‘massagesalon’ op persconferenties over de corona-maatregelen vaker zijn gevallen dan woorden als ‘museum’ en ‘creatieve sector’.

Ik heb het al eens eerder gezegd: ik hou van Arno Brok en vooral van de wijze waarop hij Fries spreekt. Zijn fonetische interpretatie van de Friese taal is op zijn minst eigenzinnig te noemen. Hij heeft het Fries verrijkt met een deftig bestuurlijk accent, waar autochtone Friese bestuurders poepjaloers op zijn. Het is geen Afuk-Fries, het is bekakt Afuk-Fries. Daardoor creëert hij een gedistingeerde voornaamheid, die niet Fries is en toch ook weer wel. Er klinkt een zekere adellijkheid in door. Broks Fries is ontdaan van alle smetten van honderd jaar proletarische strijd, van aardappeloproer tot Kneppelfreed. Brok heeft dat accent helemaal zelf uitgevonden. Sterker nog, het is zijn handelsmerk geworden. Hij spreekt Frieser dan de Friezen zelf en dat zullen ze weten ook.

Stel je voor als we dát zouden moeten missen. Then what are we fighting for?

Reageren is niet mogelijk.