De droom van de gevangene

Moritz von Schwind, De droom van de gevangene, 1837

‘En de kerk zelf – is zij niet het katholieke gekkenhuis als uiteindelijk ideaal? De aarde in het algemeen als gekkenhuis? – de religieuze mens, zoals de kerk hem wil, is een typische décadent; het tijdstip waarop een religieuze crisis een volk in haar greep krijgt wordt altijd gekenmerkt door een zenuwepidemie; de ‘innerlijke wereld’ van de religieuze mens lijkt tot op de grens der verwisselbaarheid op de ‘innerlijke wereld’ van mensen, die overspannen zijn en aan het eind van hun krachten; de ‘meest verheven’ toestanden welke het christendom de mensheid als waarde aller waarden boven het hoofd gehangen heeft, zijn eleptoïde – de kerk heeft uitsluitend krankzinnigen ofwel grote oplichters heilig verklaard ad maiorem Dei honorem.’

Aldus Nietzsche in zijn boek De Antichrist. Het christendom is in wezen een vorm van waanzin, dat is wat Nietzsche hier zegt. Het christendom is een absurde geloofsleer die tegen de natuur van de mens ingaat. Dat is ook zo. Het is een ‘scandalon’, zoals Paulus het noemde. Het christendom laat zich niet temmen door een de rationaliteit of een ‘ideaal van psychisch welzijn’ zoals dat tegenwoordig opgeld doet als we spreken over ‘de geest’. Het wezenlijke kenmerk van het christendom is mateloosheid, zoals de filosoof Paul Moyaert fraai heeft aangetoond in zijn boek De mateloosheid van het christendom. (1998)

De mateloze liefde en het mateloze verlangen staan centraal in het christendom. Je zou het ook de christelijk hang naar het oneindige, het onbegrensde en het irrationele kunnen noemen. Het is een geneigdheid van de geest die zich bij uitstek in de liefde manifesteert. In laatste instantie is het christendom een religie van de mateloze liefde. Dat wil zeggen: de waanzinnige liefde, l’amour fou. De liefde die van het verstand niet weten wil. Liefde is alles behalve het verstand, dat is ook alles wat Christus te zeggen had. In die mateloosheid van de liefde is het christendom identiek aan de waanzin.

Wat heeft dit met Hitler van doen? Dat is een lang verhaal, maar laat ik bij het begin beginnen. Ik heb me altijd afgevraagd waarom het Derde Rijk van Hitler eigenlijk ‘het Derde Rijk’ heette. In 2008, toen ik een weekje in Berlijn was, kreeg ik het antwoord op die vraag te horen. Het Eerste Rijk was het oude Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie dat van 843 tot 1806 heeft geduurd, bijna duizend jaar dus. Het Tweede Rijk was van veel korter duur, 47 jaar om precies te zijn. Van 1871 tot 1918 was sprake van het Tweede Duitse Keizerrijk.

Hitler zou dus voor de derde keer met een Duitse Rijk zijn begonnen, maar dat heeft uiteindelijk maar 12 jaar mogen duren. Eigenlijk wilde Hitler ook niets van de term ‘het Derde Rijk’ weten. Hij verbood de Duitse media zelfs om deze aanduiding te gebruiken. Misschien wel, omdat hij de vijand geen alibi in handen wilde geven om hem te demoniseren. De apocalyptische symboliek van zijn onderneming zou zich vanzelf wel bewijzen. Toch is de term ‘Het Derde Rijk’ de geschiedenis in gegaan, alle bezwaren van Hitler ten spijt.

Een andere gedachte, die vaak met Het Derde Rijk wordt verbonden, is het duizendjarig bestaan van dit Rijk. Dit idee komt voort uit het Bijbelboek de Apocalyps, waar gesproken wordt over een Duizendjarig Rijk dat zal beginnen als Christus terugkeert op aarde. Satan zal dan uit de wereld worden verstoten, om tenslotte – bij de komst van de Antichrist – door Christus definitief verslagen te worden. De nazi’s waren niet afkerig van apocalyptische gedachten omtrent de bestemming van de wereld.

De gedachte aan een Duizendjarig Rijk, dat na tweeduizend jaar christendom ophanden zou zijn, heeft binnen de geschiedenis van het christendom een lange traditie gehad. De centrale vraag was of je het boek van de Apocalyps letterlijk moest lezen (en dus historisch) of geestelijk (en dus allegorisch). Volgens Augustinus was het laatste het geval. De Bijbel sprak in louter geestelijke termen die ook als zodanig geïnterpreteerd moesten worden.

Deze allegorische wijze van interpreteren kon overigens ook in de Middeleeuwen tot de meest wonderlijke gedachteconstructies leiden. Zo was het de mysticus Joachim van Fiore die in de twaalfde eeuw een eigen theorie bedacht over het einde der tijden. Hij schreef een commentaar op de Apocalyps, waarbij hij de geschiedenis verdeelde in drie grote tijdperken. Het tijdperk van het Oude Testament stond in het teken van de Vader, het tijdperk van het Nieuwe Testament in het teken van de Zoon, en het derde en komende tijdperk in het teken van de Heilige Geest. Zo werd het idee van de Drie-eenheid verbonden met de gedachte aan een Derde Rijk, dat tegelijk ook een Duizendjarig Rijk zou zijn. Joachim van Fiore meende dat de wereld op de drempel stond van een nieuw Utopia, een spiritueel tijdperk van bezinning en ascese, waarin het kloosterleven een hoge vlucht zou nemen.

Al met al kun je concluderen dat Hitler – ook al wilde hij er zelf zogenaamd niets van weten – geprobeerd heeft een kerngedachte uit de Apocalyps te misbruiken voor eigen politieke doeleinden. Het idee dat de wereldgeschiedenis in een beslissende fase was beland, hoefde hijzelf niet te propageren. Dat hadden anderen al voor hem gedaan, Oswald Spengler bijvoorbeeld in Der Untergang des Abendlandes (1919). Het christendom moest overwonnen worden met eigen middelen.

Daarvoor moesten eerst de Joden worden opgeruimd, want zij waren – als het uitverkoren volk – de representanten van het Eerste Rijk dat in het teken stond van de Vader, Jahweh. Daarna zouden de christenen uit de weg geruimd moeten worden, want zij stonden voor het Tweede Rijk van de Zoon, Christus. Het Derde Rijk, dat inmiddels was aangebroken, zou de vervolmaking worden van het christendom en het Jodendom tegelijk. Het was de ultieme synthese: het Rijk van de Heilige Geest die in de Führer was neergedaald en sprak met een vurige tong.

‘In dat ziekenhuis in Pasewalk was er een vonk overgesprongen. Het was daar, 
tijdens de jaarwisseling 1918-1919, dat Hitler zijn identiteitsprobleem tot een 
oplossing bracht en, wat hijzelf noemde, ‘de meest verstrekkende, beslissing 
van mijn leven’ nam. Want nu wist hij eindelijk wie hij was en wat hem te 
doen stond. Hij was de leider die door het lot was uitgezonden. Hij moest gehoor geven aan de ‘stemmen’ die hij volgens hem gehoord had – net als Jeanne d’Arc – en die duidelijk tot hem hadden gesproken toen hij in zijn ziekenhuisbed lag. De stemmen zeiden hem zijn moederland te redden van de joden
 die zich hieraan vergrepen hadden. Hij besluit zijn hoofdstuk met: “Met de joden valt er niets te onderhandelen. Er is slechts plaats voor het harde of/of. Ik had besloten politicus te worden.” Men ziet dat het antisemitisme in zijn besluit de centrale rol vervulde. Hitlers 
strijd tegen de Joden die het moederland bedreigden, was de centrale, drijvende kracht geworden van zijn politieke missie. Jaren later zou hij zijn volgelingen eraan herinneren dat hij dertig jaar was 
toen hij zijn missie voor het Duitse volk begon, precies dezelfde leeftijd waar – 
op een andere Messias begon aan de uitvoering van Zijn opdracht. ‘

Aldus Robert G.L. Waite in zijn boek Hitler als psychopaat (1978). Het boek van Waite gaat vooral in op de psychiatrische kant van Hitler. Daarover is behoorlijk wat literatuur, waarin ik me al een tijdje aan het verdiepen ben. Al lezende werd ik telkens weer teruggeworpen in het boek van Wouter Kusters, Filosofie van de waanzin.  Veel van de theorieën van Kusters over de waanzin kun je terugvinden bij ‘het geval Hitler’. Met dit verschil dat Waite uitvoerig gebruik maakt van alles wat de psychoanalyse van Freud heeft opgeleverd, en dat Kusters eigenlijk niets van Freud en consorten wil weten. Voor hem is de waanzin een autonome ervaring van de mens die op zijn eigen merites beoordeeld moet worden.

Maar wat betekent dat, als je zijn theorieën over de waanzin doortrekt naar ‘het geval Hitler’? Er zijn veel aanwijzingen dat Hitler een zwaar gestoorde persoonlijkheid was en bovendien psychotische fasen heeft gekend, vol Messias-wanen, Uno-wanen, Ω-wanen en wat al niet. Kusters heeft het allemaal heel mooi in kaart gebracht, maar wat betekent deze taxonomie van de waanzin, als je haar toepast op de psychopaat Adolf Hitler?

Maar eerst nog iets anders. Hitler en ik. Na mijn psychose in 1966 heb ik vaak gedacht dat Christus, Jeanne d’ Arc, Hitler en ik iets met elkaar gemeen hebben. Door mijn psychose was ik dat gaan denken. De komst van een Duizendjarig Rijk maakte ook deel uit van mijn eigen waanwereld (Plan). Het katholicisme is hofleverancier van dergelijke wanen. Ook in het gebed Onze Vader wordt gewag gemaakt van een Rijk dat komen gaat:

Onze Vader,
die in de hemel zijt,
Uw Naam worde geheiligd,
Uw Rijk kome,
Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel…

Dat laatste kan op God de Vader slaan, maar ook op elke psychoticus die zich zelf tot God – of gezonden door God – verklaard. In Filosofie van de waanzin stelt Kusters:

‘Mous geloofde allicht – op zeker moment, in zekere zin – dat hij God was of diens profeet, maar het is onzinnig om een dergelijk moment uit de context te halen en er een bewijs in te zien dat Mous foutieve gedachten of ‘wanen’, had.’

Deze zin licht ik nu uit zijn context en ik voeg er aan toe, dat ik destijds wel degelijk in een waanwereld verkeerde. Maar hoe zat het dan met Hitler, Jeanne d’Arc en Christus? In Tegen de tijdgeest, terugzien op een psychose (2011) schreef ik:

‘Ik had het syndroom van Jeanne d’Arc. Of je nu daadwerkelijk stemmen hoort of niet, als je direct gehoor geeft aan de stem van God of andere demonen, beland je in het gekkenhuis of op het slagveld. In het laatste geval kunnen sommige mensen in extreem afwijkende mentale condities het kennelijk heel ver schoppen, zo bedacht ik bij mezelf. Opeens zag ik mijzelf als de redder van mijn vaderland: het Heilige Roomse Rijk dat in Rome zelf bevochten moest worden.’

Kortom, ik had evenals Hitler, die in 1918 zijn ‘Jeanne d’Arc-achtige stemmen’ hoorde, de opdracht gekregen mijn moederland te redden. Niet Duitsland, maar het Rijke Roomse Rijk, in casu: De Rooms-katholieke kerk, die in de hoogtijdagen van het modernisme ten onder dreigde te gaan. Ik moest mij niet richten tot de Führer, maar tot de Paus. In zijn boek Filosofie van de waanzin behandelt Kusters in hetzelfde hoofdstuk, waarin hij mijn waan (‘Plan’) behandelt, de waan van een patiënt (geval 43) die Conrad behandelt in zijn boek Die beginnende Schizophrenie. Versuch einer Gestaltanalyse des Wahns (1958).

Deze patiënt, die eind jaren dertig psychotisch was geraakt, werd opgeroepen als soldaat in het Duitse leger en kwam uiteindelijk (waarschijnlijk) aan zijn eind in het euthanasieprogramma dat Hitler had uitgevaardigd voor psychiatrische patiënten. Kusters schrijft hierover:

‘Net als bij Mous is er in het Plan van geval 53 een grote medespeler of adressant van de boodschappen. Terwijl Mous met zijn neo-katholieke geschriften naar de paus wilde, draait het bij geval 53 om adviezen en wijsheden voor Hitler’

Maar hoe zat het nu met de stemmen die Hitler hoorde? Op Internet is informatie te vinden over de psychiatrische behandeling die Hitler in 1918 in Pasewalk onderging. Wat mij vooral interesseert is niet de vraag hoe een vergaande psychische ontsporing gepaard kan gaan met het plotseling verkrijgen van messianistische inzichten, maar hoe in sommige gevallen deze inzichten tot grote gevolgen kunnen leiden. De meeste van deze wanen verdwijnen of worden medisch onderdrukt, maar er zijn enkelingen die de waan (het Plan) weten om te zetten in een groter – soms zelfs mondiaal – transformatieproces.

Zij stichten een nieuwe religie of geven zich over aan geweld, terreur, oorlog en vernietiging. Het demonische en religieuze raken elkaar in de psychose. William James heeft daar het een en ander over geschreven in zijn Varianten van religieuze ervaring (1902), met name over de figuur Paulus op weg naar Damascus. Dick Swaab stelt in zijn boek Wij zijn ons brein (2010) dat Paulus leed aan epilepsie in de temporaalkwab van de hersenen. Hij vertoonde ook het zogenaamde ‘geschwindsyndroom‘ dat zich onder meer uit in: veel schrijven, weinig belangstelling voor seks, euforie, het gevoel een opdracht te hebben en een zeer sterke religiositeit. Swaab herkent deze kwaal ook bij historische figuren die in hun afwijkend gedrag vergelijkbare symptomen vertoonden, zoals Jeanne d’Arc, Mohammed, Vincent van Gogh en Dostojevski. Wonderlijk genoeg laat hij Adolf Hitler en Jezus van Nazareth hierbij onvermeld.

Of epilepsie de enige verklaring is voor de plotselinge bekering van Paulus is nog maar de vraag. In zijn boek Paulus, een leven tussen Jeruzalem en Rome (2012) stelt Fik Meier dat we Paulus tekort doen als we zijn plotselinge ommekeer uitsluitend op grond van een aangetast brein verklaren. Paulus zou gekweld zijn geweest door een onhoudbaar innerlijk conflict. Als christenvervolger was hij al langer gefascineerd geraakt door het christendom. Deze spagaat in zijn gedrag zocht onbewust een uitweg. Het gevolg was dat Paulus op weg naar Damascus plotseling stemmen ging horen en door blindheid geslagen werd. Aan die crisis in het berin van Paulus hebben we de verspreiding van het christendom te danken, want zonder Paulus was deze religie een obscure sekte gebleven aan de rafelrand van het Romeinse Rijk.

De vraag die dit alles bij mij oproept is de volgende. Wat zijn de voorwaarden voor een transformatieproces op grote schaal dat door een dergelijke hersenafwijking veroorzaakt kan worden? Het stellen van zo’n vraag is makkelijker dan het vinden van een antwoord. 

De verwondingen, waarvoor Hitler in 1918 werd behandeld in het militair hospitaal Pasewalk, waren zowel psychisch als psychosomatisch van aard. Zo had hij last van trillende ledematen, maar ook van blindheid door het gifgas. Dat laatste wordt ook bestreden. Zo zou gifgas niet tot pseudo-blindheid kunnen leiden. Het verhaal doet sterk denken aan de bekering van Paulus, d.w.z : een plotseling transformatieproces dat wellicht mede veroorzaakt werd door een aanval van epilepsie. Over Hitler heb ik zoiets nergens gelezen. Zijn hersenen zullen zeker een wonderlijke aandoening hebben gehad, maar epilepsie wordt nergens genoemd. Wel zou Hitler in Pasewalk – net als Paulus – wonderlijke stemmen hebben gehoord over een opdracht die hij moest vervullen.

Volgens sommigen was deze ervaring beslissend voor de transformatie van zijn persoonlijkheid (o.a. voor hersenwetenschapper Oliver Sacks). Anderen daarentegen zien de transformatie van zijn persoonlijkheid als een gefaseerd proces. Zo zou de zelfmoord van Geli Raubal in 1931 ook een beslissend moment zijn geweest, waarbij voor Hitler de laatste brug naar het menselijk gevoel en empathie werd afgebroken. Ook de ervaringen tijdens de ‘Nacht van de lange messen’ in 1934 zouden van belang zijn geweest. Hier ontdekte Hitler de ‘killer’ in zichzelf en (h)erkende hij definitief de sadistische aard van zijn persoonlijkheid.

Al deze interpretaties gaan ervan uit dat voor het ontstaan van de uitzonderlijke psyche van Hitler een verklaring te vinden is. Anderen ontkennen dat en gaan ervan uit dat de psyche van Hitler absoluut uniek en onverklaarbaar is. Hierbij spelen ook metafysische en zelfs theologische vooronderstellingen een rol. Het epistemologisch model van waaruit je het fenomeen Hitler benadert is bepalend voor de conclusie. Grosse modo kun je stellen dat er een seculiere en niet-seculiere stroming is bij het Hitler-onderzoek. De meest extreme interpretatie binnen de niet-seculiere stroming gaat ervan uit dat door Hitler en de Holocaust de verhouding tussen God en zijn schepping (de mens) definitief veranderd is.

De rol, die Hitler wordt toebedeeld, krijgt dan een eschatologische dimensie, omdat hij een teken zou zijn voor een fundamentele wijziging in ‘de bestemming’ van de mens. Er zijn aanwijzingen dat Hitler iets dergelijks ook over zichzelf heeft gedacht. De vraag of het psychisch gezond is om zo te denken – of dit van jezelf te denken – laat ik hier even in het midden. Nogmaals, de vragen die mij interesseren zijn de volgende. Wat zijn de condities, niet alleen in de persoonlijkheid, maar ook in de cultuur om tot zo’n ontsporing in je denken te kunnen komen. Wanneer valt het dubbeltje naar het goede, en wanneer naar het kwade? Hoe kom je op de gedachte om een Duizendjarig Rijk te stichten?

‘Voorwaar zeg Ik u: Er zijn sommigen van die hier staan, die de dood niet smaken zullen, totdat zij de Zoon des mensen zullen hebben zien komen in Zijn Koninkrijk. ‘

Zo staat te lezen in Mattheüs 16:28. In Marcus 9:1 en Lucas 9:27 staan vergelijkbare teksten. Toen ik nog koorknaap was op het St.-Ignatiuscollege, zong ik het in de woorden van Huub Oosterhuis: ‘De mensenzoon komt op de wolken ten overstaan van alle volken.’ Welnu, er zijn inmiddels 1987 jaar verstreken sinds de mensenzoon stierf aan het kruis, maar hij is nooit meer op de wolken verschenen, niet binnen in één generatie en ook niet voor al die generaties daarna, inclusief de mijne.

Het was een vergissing van Jezus van Nazareth die in zijn messianistische koortsdroom een iets te optimistische inschatting had gemaakt van zijn eigen eschatologische mogelijkheden. Jezus en Hitler, het zijn twee fenomenen in de geschiedenis die op afstand bezien enige gelijkenis vertonen, al was het maar omdat de twee uitersten elkaar hier lijken te raken op de grens van de waanzin. Het extreem kwade tegenover het extreem goede.

Maar bestaat die tegenstelling wel? Gaat niet in elk kwaad – hoe afzichtelijk ook – iets goeds schuil? En verbergen zich niet in alles wat goed is – misschien juist wel in het extreem goede – de kiemen van het kwaad? Wie als mens het absolute opzoekt loopt het gevaar om in de waanzin te eindigen. Wij kunnen het absolute alleen maar vluchtig raken, schampen slechts. In bezit nemen kunnen we het absolute nooit. Dat mag een mens ook niet. Tenminste, als hij menselijk wil blijven.

Hoe je het ook wendt of keert, Hitler was een gnosticus, zoals de Romantiek de laatste fase van het westerse gnosticisme is geweest. Gnosticisme is een leer, die uitgaat van de autonome mens en een immanent godsbegrip. Die twee staan haaks op het relationele mensbeeld van het christendom waarin niet kennis maar genade centraal staat. Het was de droom van de Romantiek waardoor de westerse mens is gaan denken dat elk beeld niet zonder een tegenbeeld kan, een achtergrond, een reliëf. Waarheid zou iets zijn wat oplicht tegen een achtergrond, waarna de achtergrond doorgaans verduisterd en verketterd wordt. Zo bezien is het duistere tegenbeeld intrinsiek verbonden met het oplichtende beeld, zoals de Duivel hoort bij God.

Zo ontstaat ook een relativistische opvatting van goed en kwaad, een opvatting die in wezen gnostisch is. Goed en kwaad zouden een eeuwige oppositie vormen die in wezen omkeerbaar is, omdat die oppositie in de mens zelf, en niet in een transcendente bovenwereld, zijn oorsprong zou hebben. Dat is het waanzinnige idee dat Markies de Sade verbindt met Hitler. Het is de nachtzijde van de Romantiek, het huwelijk van hemel & hel, dat William Blake in zijn visioenen zag verschijnen in de schemering van het Avondland.

Het is de droom van de gevangene die zijn ontsnapping voor zijn geestesoog ziet opdoemen in de schemering, als het onbewuste dat zich openbaart in een apocalyptisch visioen. Het is de illusie dat de mens het zelf af kan, dat hij zijn eigen verlossing kan bewerkstelligen en zijn eigen koninkrijk op aarde kan stichten. Zolang dit waanidee, dat schuilgaat in een romantische droom, niet is weerlegd, zal  het voor de mensheid de ergste bedreigingen impliceren.

Maar er is nog een vraag. Is die romantische droom van bevrijding en verlossing, een droom die de ergste bedreigingen impliceert, niet in wezen gelijk aan de illusie die het christendom voor de mens heeft gewekt? Was het visioen dat Jezus van Nazareth voor zich zag opdoemen, toen hij zich terugtrok in de woestijn, niet gelijk aan ‘de droom van de gevangene’ die Moritz von Schwind in zijn kleine schilderij vereeuwigd heeft? Waren het niet vergelijkbare haperingen in het brein?  

2 Reacties »

  1. Robert Kruzdlo

    19 september 2020 op 13:38

    Huub,

    Ik denk dat het brein niet kan haperen als een machine, ik denk dat er soms geen evenwichtige stofwisseling is, balans, homeostase. Zo las ik vandaag Pessoa: De mens is ‘onnozele dienaar van zijn ambities, schimmenspel van zijn vruchteloze verlangens, opstandige en barbaarse slaaf van universele chemische wetten’.

    De vragen die jij je stelt zijn ook maar een verslaving.

    Moet dit niet epiletoïde zijn inblaast van eleptoïde.

    Lees altijd met belangstelling je zoektochten. Meer is het niet.

    Groet vanuit Andalucía.

  2. Huub Mous

    19 september 2020 op 16:44

    Epileptoïde zal zeker. Heb ik verbeterd.

    Wat haperingen in het brein betreft. Zie het boek:

    https://www.bol.com/nl/f/haperende-hersenen/9200000045731409/

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)