In de ogen van mijn vader

Slide1

19 april 1965  moet een wat grijze dag zijn geweest. De temperatuur, zo vond ik ergens op internet, was 4,5 °C en een gevoelstemperatuur van 1,5 °C. De minimum temperatuur was 1,9 °C en de maximum temperatuur 8,4 °C. De zon scheen 7,6 uur. Er viel 3,2 mm neerslag verspreid over 1,9 uur. De gemiddelde windsnelheid was 3 op de schaal van Beaufort (matige wind) en kwam overheersend uit het west-noord-westen.  Het was Tweede Paasdag dus ik ging niet naar school.  In mijn geheugen kan ik geen sporen terugvinden van die dag.

Ik zat in de zesde klas van het Ignatiuscollege, de examenklas, en bevond mij in een van somberste periodes van mijn leven. Sinds het begin van het schooljaar was ik depressief. De huisarts had dit niet als zodanig herkend en schreef mij leverinjecties voor, eigenlijk op aanraden van mijn moeder, want die vond  dat mijn vader daar eerder ook zo van opgeknapt was. Het ging in die tijd niet goed met mijn vader. In de nacht van 4 op 5 december was hij getroffen door een herseninfarct. Ik weet nog dat we  sinterklaasavond op de slaapkamer van mijn ouders hebben gevierd, nog niet goed beseffend wat er gebeurd was. Mijn vader was halfzijdig verlamd geraakt, maar lag gewoon thuis in bed. Een ziekenhuisopname gebeurde in die tijd alleen als je zowat op sterven lag. Vijf maanden later zou mijn vader in het ziekenhuis overlijden nadat eerst zijn nieren en daarna zijn hart het begeven had.

Op 10 april 1965 was mijn vader 67 jaar en ik 17. Vandaag, precies 55 jaar later, ben ik 72. Ik leef gelukkig in een andere tijd met een veel betere gezondheidszorg. Mijn vader had in mijn tijd wellicht nog een stuk langer kunnen leven. In die tijd bestonden er nog geen medicijnen tegen te hoge bloeddruk, laat staan bloedverdunners of plaspillen. Roken was toen nog heel gewoon, net als geluk trouwens. Mijn vader droeg geen steunkousen terwijl dat wel had gemoeten. We hadden een slechte huisarts en ook in het ziekenhuis was de medische zorg primitief als je haar afzet tegen de huidige maatstaven. De medische apparatuur die wij nu kennen was er nog niet. Geen MRI-scan, geen hart-film of hartbewaking. Maar ook geen corona-crisis natuurlijk. En toch, de kans dat je in 1965 als 67-jarige in het ziekenhuis overleed was waarschijnlijk  vele malen groter dan nu.

Schermafbeelding 2015-12-16 om 16.32.22
Mijn vader in augustus 1965 op een camping in de buurt van Grenoble.

Toch is het een raar idee dat ik nu al vier jaar ouder ben dan mijn vader in zijn leven geworden is. Lang is de leeftijd waarop hij stierf voor mij onbewust een grenssteen geweest. ‘Als ik die haal, dan is daarna alles meegenomen,’ zo dacht ik wel eens bij mezelf. Een rare gedachte natuurlijk, want elk leven is anders en ik ben in genetisch opzicht geen kopie van mijn vader. Ik heb een ander leven achter de rug en ik heb ook een ander karakter, al heb lang gedacht dat ik als twee druppels water op hem leek. Sterker nog, toen ik nog een puber was, was ik als de dood dat ik zijn evenbeeld zou worden. In hem zag ik mijn eigen toekomst en zo wilde ik niet zijn. Pas later, jaren na zijn overlijden, ben ik mijn vader wat meer gaan waarderen. Dat zei hij ook altijd: ‘Wacht maar, later zul je me nog wel eens  begrijpen.’

Uiteindelijk bleken de verschillen in karakter groter te zijn dan de overeenkomsten. Hij was een pietje precies, ik ben een sloddervos. Hij kon met zijn handen alles maken wat hij met zijn ogen had gezien. Ik heb twee linker handen en kan nog geen lamp in een fitting draaien. Hij was technisch onderlegd en las nooit een boek. Ik ben een boekenwurm zonder enig verstand van technische zaken. Hij was een Fries, en dat was het laatste wat ik mijn leven lang ooit wilde worden. Hij was introvert en mensenschuw. Ik heb die geslotenheid met schade en schande achter me weten te laten. ‘Een zachtmoedige schreeuwlelijk,’ zo hoorde ik ooit iemand mij typeren. Zachtmoedig was mijn vader zeker, maar ik heb hem nooit horen schreeuwen. Letterlijk en figuurlijk niet.

We namen afscheid van elkaar in de meest ongelukkige fase van mijn leven. Het moet voor hem vreemd zijn geweest om mij voor het laatst te zien zoals ik toen was. Soms denk ik wel eens, kon hij me nu nog maar eens zien. Konden we samen nog maar eens een goed glas wijn drinken. Misschien zou hij mij dan ook een beetje beter begrijpen. Misschien, als hij langer geleefd had, zou ik ook steeds meer op hem zijn gaan lijken. Als, als, als….. we zullen het nooit weten. Hij was vijftig jaar toen ik geboren werd. En 55 jaar geleden was het, dat het grote afscheid begon. Misschien ben ik nu pas het leven gaan leiden, waar hij nooit aan toe is mogen komen.

Oké, ik ben al vier jaar ouder dan hij is geworden, maar wat zegt dat? Ook de gemiddelde levensduur is flink gestegen in de afgelopen vijftig jaar. In 1965 was die voor een man: 71.2 jaar (mijn vader zat daar dus maar 3 jaar onder). Er bestaat een site waar op je op basis van je bestaande leeftijd je te verwachten resterende levensduur kan laten uitrekenen, al neem ik aan dat de statistieken van het corona-virus hier in nog niet zijn meegenomen. Hoe dan ook, voor mij kwam dat statistisch gereken uit op 14 jaar. Zo bezien zou ik dus op mijn 86ste moeten overlijden. Die resterende 14 jaar lijkt een hele tijd. Maar als ik terugkijk, kan ik me de dag dat ik 58 werd – 14 jaar geleden dus – nog herinneren als de dag van gisteren. De tijd gaat sneller als je ouder wordt, zegt Douwe Draaisma, en dat zal dus wel zo zijn.

Toch vraag ik me af of de levensfasen, die je achtereenvolgens doormaakt, naar verhouding ook langer gaan duren nu het leven als geheel er een aantal jaren bij krijgt. Of is het zo dat er een nieuw tijdperk bij komt, een laatste fase die de generatie van mijn vader niet heeft gekend? Zit ik nu werkelijk in hetzelfde levenstijdperk, waaraan hij nog moest beginnen, maar dat voor hem nooit gekomen is? In zijn beroemde boek De levenstijdperken van de man (1938) onderscheidt Prof. Dr. H.C. Rümke vijf levenstijdperken: Pueritia, Adolescentia, Juventus, Virilitas, Praesenium en Senectus. De fase van de Senectus begint volgens Rümke tussen 65 en 70 jaar. In die fase zit ik dus nu. Rümke schrijft hierover in rake bewoordingen, waarin ik ook wel iets van mezelf herken:

Er is een diepere rust gekomen, de mens keert zich meer 
en meer naar binnen, hij mijmert over het afgelopen seizoen, ziet de 
relatieve waarde van de genoegens. Niet alleen brengt hij zijn tijd door 
met terugkijken, er ontstaan plotseling nieuwe belangstellingen. Hij 
leest meer, geeft zich tijd meer te denken over problemen, die hij 
slechts vluchtig voorbijging. Nieuwe inzichten dagen in hem op. De 
interesses worden zuiverder en meer algemeen-menselijk, hij gaat 
zich interesseren voor de levens van de bevolking om hem heen. In 
het gewoel van het seizoen was zij bijkans onzichtbaar gebleven. Hij 
ziet de echtheid in de eenvoudige levens, die hij vroeger niet op deze 
manier zag. Heeft hij het voorrecht niet alleen te zijn gebleven, doch 
is hij na de sluiting van het seizoen samen met de vrouw, die zijn leven 
deelt, dan ontstaan andere gesprekken en vernieuwde belangstelling 
in het leven van de andere. Ook daarin niet afgeleid door het geroes van het volle seizoen, bereikt hij dieper inzicht en intenser toenadering. Komen vrienden of kinderen een enkele maal op bezoek, ook dan, 
in deze eenzaamheid, wekt dit een andere beleving dan in vroegere 
jaren. De man, die eerst tegen de doodsheid van deze dagen opzag, 
begint langzamerhand in de nieuwe ervaring een geheel nieuw plezier te krijgen. Hij spreekt er wellicht te veel over, prijst het naseizoen als 
de beste van alle tijden, hij overdrijft een weinig en ziet niet geheel 
zuiver meer, hoe het leven tevoren was.’

 

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)