Vertwijfeling in tijden van Corona

‘Sinds het overlijden van God is er weinig voor hem in de plaats gekomen. Degene die hem nog het meest benadert is de medisch specialist die voor ons zorgt. Maar als de medische wetenschap geen antwoord heeft, is er echt iets aan de hand. We weten eigenlijk niets over het Corona-virus. Zelfs over de incubatietijd is geen consensus. Een vaccin of geneesmiddel is er ook niet.’

Aldus sociaal-psycholoog Hans van de Sande vanochtend in de Volkskrant. In tijden van Corona heeft de geneesheer de plaats ingenomen van de priester. Waar doet me dit aan denken? Aan La peste van Camus natuurlijk. De pest had de stad Oran overvallen. Het was kort na de oorlog en de gedachte lag voor de hand dat met de ziektekiem die deze epidemie had veroorzaakt niet alleen ‘het kwaad’ in het algemeen werd bedoeld, maar ook het nationaal-socialisme dat Europa nog kort tevoren als een pandemie had geteisterd. Met Auschwitz als gevolg. Wie was God nog na deze verschrikkingen? Wat was het gezicht van deze God? The face God after Auschwitz.

In De pest van Camus had de priester Paneloux geprobeerd een verklaring te vinden voor al het leed dat over de stad was gekomen. Hij kon heel goed preken en hoopte met zijn woorden de mensen nieuwe moed te geven door te wijzen op een toekomstig leven. Een mens kan het kwaad dat hem overkomt niet begrijpen en de dood al helemaal niet. Maar gelukkig is er een God die ons de weg wijst naar aanvaarding en berusting. In de grote kathedraal van de stad hield Paneloux twee preken. De tweede preek is duidelijk anders dan de eerste. Ook Paneloux verandert van mening door het aanhoudende lijden van de mensen waarvan hij getuige moet zijn. Als zelfs kinderen moeten sterven, waar blijft God dan?

In zijn eerste preek had Paneloux de pest nog afgeschilderd als een straf van God voor de zonden die door de mensen waren begaan. De pest als straf van God. Zo hoorde ik laatste iemand zeggen dat de Corona-pandemie zou voortkomen uit een ‘herstelmechanisme van de natuur’ dat de ecologische ramp corrigeert die de mens met de klimaatcrisis heeft aangericht. God is dan zoiets als Gaia of ‘de zich wrekende natuur’ geworden, de natuur met alle goddelijke eigenschappen van dien, zelfs met hel en verdoemenis. The face of Nature after Corona.

Voor de priester Paneloux zou de de pest-epidemie aan de mens aanvankelijk nog de mogelijkheid bieden om zich alsnog te bekeren. Het kwaad en de dood zouden daarmee zin en betekenis hebben gekregen. Maar daarmee had Paneloux het lijden en de dood teruggebracht tot een abstractie. Dokter Rieux kon dat niet. Hij had bij heel wat mensen aan het sterfbed gestaan en hun zien worstelen met hun laatste adem. Ziekte en leed kunnen een mens milder maken, maar wie met eigen ogen de ellende ziet die een naderende dood met zich mee kan brengen, zal het niet niet in zijn hoofd halen om hierin te berusten, laat staan hier een zin of betekenis aan te hechten.

Toen de oorlog voorbij was, kwamen de jaren van vertwijfeling. De wil om te overleven was in de oorlogsjaren heel sterk geweest. Iedereen werd toen teruggeworpen op zichzelf. Maar er bestond ook nog zoiets als de gelatenheid, de nederige ontvankelijkheid voor wat komen gaat, het loslaten van elke verwachting, het wachten en het verwachten. Wie denkt een oplossing te moeten vinden voor het allerergste dat je kan overkomen, vindt die niet zelden pas op het moment dat hij de hoop op een oplossing heeft opgegeven. Omgekeerd is het alleen de hoop die ons doet leven. In die paradox schuilt het mechanisme van verdringing en verwachting. Je moet jezelf voor de gek kunnen houden om het leven leefbaar te houden, vooral als het leven onleefbaar is geworden.

Het is bekend dat in die eerste naoorlogse jaren de verschrikkingen van de Holocaust vrijwel collectief werden verdrongen. De aanvankelijke verbijstering over wat had plaatsgevonden maakte al gauw plaats voor een vrijwel totale oriëntatie op de toekomst. De euforie van de jaren zestig is achteraf ondenkbaar zonder deze voorafgaande, radicale verdringing van de oorlogsellende in een utopisch vergezicht. Daarbij werden de ervaringen van de overlevenden van de Holocaust doorgaans niet eens gehoord, terwijl hun overlevingskracht voortkwam uit een vergelijkbaar verdringingsproces.

Juist in zijn diepste ellende overleeft een mens door zich een doel te stellen en een diepere betekenis te geven aan zijn leven. Ook dat werd in de jaren vijftig volop gedaan. Er was misschien wel teveel betekenis in die tijd, teveel diepgang, te veel toekomst ook. De babyboomers waren de jeugd van een toekomst die er nooit gekomen is. In die spagaat tussen utopische verwachting en krampachtige verdringing ben ik opgegroeid. Mijn leven begon in een vacuüm van hoop. De eindeloze jaren vijftig waren een toekomst zonder geheugen.

Viktor Frankl (1905–1997) was een psychiater die vooral bekend geworden als overlever van de Holocaust. Frankl verbleef van 1942 tot 1945 in meerdere concentratiekampen waaronder Auschwitz en Dachau. Zijn ervaringen in die periode zijn van beslissend belang geweest voor de theorieën die hij nadien heeft ontwikkeld. Zijn boek Ein Psycholog erlebt das Konzentrationslager verscheen in 1946. De Nederlandse vertaling volgde pas in 1978 onder de titel De zin van het bestaan.

Tijdens zijn verblijf in Auschwitz kwam Frankl tot het inzicht dat een gevangene, als hij de verschrikkingen van het kampbestaan niet langer verdragen kon, nog altijd een uitweg kon vinden in zijn eigen spirituele leven, waartoe de SS’ers geen toegang hadden. Spiritualiteit had hem geholpen om zich aan te passen aan de extreme omstandigheden. Dat was beslissend geweest voor zijn overleven. Het is dus van vitaal belang dat de mens zin geeft aan zijn bestaan, zelfs in een ‘grenssituatie’ als Auschwitz.

Het gaat er niet om of je nog iets verwacht van het leven, maar of het leven misschien iets verwacht van jou. Dit inzicht was cruciaal voor zijn opvattingen als psychiater. Telkens weer beschrijft Frankl het moment van genezing als een omkering. De zin ligt niet in de mens als een gereduceerd systeem van biologische krachten, maar buiten de mens. In zijn boek Der unbewusstte God (1948) stelt hij, dat de mens altijd een onbewuste relatie tot God heeft.

De verdringing van deze relatie en daarmee het hele scala van religieuze en transcendente waarden, is in de meeste gevallen de oorzaak van de geestelijke problemen. Met name in de jaren vijftig en zestig oogstte Frankl veel succes met zijn ideeën, ook in de Verenigde Staten. Zijn status als ‘overlever van de Holocaust’ en zijn charismatische persoonlijkheid waren daar mede oorzaak van.

Vooral voor christelijke psychiaters is hij van belang geweest. Al waren er ook kritische geluiden. Een te grote nadruk op de eigen verantwoordelijkheid kan in crisissituaties ook extra belastend zijn voor een overontwikkeld schuldbesef. Zelfs in het grootste persoonlijk lijden is volgens Frankl een zin en betekenis te herkennen. Als dat niet lukt ontstaat de wanhoop. Wanhoop is lijden minus betekenis. Maar iemand, die onder de extreme omstandigheden van een concentratiekamp bezwijkt onder zijn eigen wanhoop, kun je moeilijk kwalijk nemen dat hij de zin van zijn lijden niet heeft kunnen herkennen.

Toch is de grootste verdienste van Frankl dat hij een onverwacht verband had gelegd tussen geestelijke weerbaarheid en religieus besef. Onze tijd wordt gekenmerkt door een bijna totale ongevoeligheid of zelfs blindheid voor begrippen als ‘transcendentie’, ‘ziel’ en ‘God’.  Hoe vreemd het ook mag klinken, zo’n totale afwezigheid van transcendentie vormt voor IS-terroristen een belangrijke katalysator bij het overgaan tot religieus geweld. De wereldwijde opkomst van het islamitisch fundamentalisme is onlosmakelijk verbonden met de teloorgang van transcendentie in de westerse beschaving. Dat proces, waarin gevoeligheid voor transcendentie en symboliek stilaan plaatsmaken voor een fixatie op letterlijkheid, feitelijkheden en functionele rationaliteit, is zich geruisloos aan het voltrekken.

De ontzetting over een ‘God na Auschwitz’ bestaat niet meer, maar het is een misvatting te denken dat de leemte die God heeft achtergelaten voorgoed is gedicht. Dat besef dring zich nu wellicht aan in deze tijden van Corona. Verwtijfeling en aanvaarding, verzet en overgave. Het beeld van een transcendente God past niet meer in onze westerse wereld, of beter gezegd in het wereldbeeld dat in het westen is ontstaan. De vraag is dan natuurlijk: is er dan iets mis met die God, of is er iets mis met dit wereldbeeld?

Maar die vraag wordt tegenwoordig zelden of nooit meer gesteld. Er is een blinde vlek ontstaan voor de kern van de zaak. Dat wil zeggen: voor het herkennen van zin en betekenis in het lijden van de mens. Juist daardoor ontstaan problemen die ogenschijnlijk totaal buiten de orde vallen, buiten de wet zelfs, problemen die letterlijk anti-nomisch zijn.

In deze tijden van Corona zijn de ideeën van Frankl eens temeer actueel. In onze over-gepsychologiseerde, vrije wereld schiet het belang van de eigen verantwoordelijkheid er vaak bij in. Vrijheid alleen bestaat niet volgens Frankl, want verantwoordelijkheid is altijd even belangrijk. Een rare paradox is eigen aan het begrip vrijheid. Vrijheid is rationeel en niet rationeel tegelijk. Juist de vrijheid om zich aan het verstand te onttrekken – en daarmee verantwoordelijkheid te nemen – maakt de mens tot een moreel wezen.

Reageren is niet mogelijk.