De Tao van de blik

‘Het is een waar verhaal. Ik was vroeg in de twintig, en die tijd wilde ik als jonge intellectueel wanhopig ontsnappen aan de sleur. Ik wilde iets nieuws zien, ik wilde me storten in en of andere praktische bezigheid, iets fysieks op het platteland bijvoorbeeld of op zee. Op een dag voer ik op een kleine boot, met enkele vissers, die allen behoorden tot één familie, afkomstig uit een kleine haven.  In die tijd was Engeland nog niet zo geïndustrialiseerd als het nu is. Er waren geen gemotoriseerde boten. De vissers voeren uit in een kleine zeilboot op eigen risico. Het was juist dat risico, dat gevaar dat ik met hen wilde delen. Maar het was niet allemaal gevaar en opwinding wat de klok sloeg, er waren ook plezierige dagen. Op een dag dat wij wachten op het moment dat de netten ingehaald moesten worden, wees een jongen die Kleine Jan werd genoemd – zoals heel zijn familie stierf hij jong aan tuberculose die in die tijd een constante bedreiging vormde voor die hele sociale klasse – deze Kleine Jan wees mij op iets dat dreef op het oppervlak van de golven. Het was een klein blikje. Een sardineblikje. Het dreef daar in de zon, als getuige van de blikindustrie, die wij als vissers in feite verondersteld werden te bedienen. Het schitterde in de zon. En Kleine Jan zei tegen mij; ‘Kun je dat blikje zien? Zie je het? Wel, het ziet jou niet!’

Deze autobiografische gebeurtenis beschrijft Jacques Lacan in zijn boek The four fundamental concepts of psycho-analysis (1977). Het lijkt een onbeduidend voorval, maar dat is het niet. De als grap bedoelde vraag van Kleine Jan heeft Lacan destijds heel serieus genomen. Hij was er niet zo zeker van, dat de conclusie van de jongen wel klopte. Is het inderdaad wel zo, dat als ik naar een blikje kijk, dat in het water drijft, dit blikje tegelijk niét naar mij kijkt?

Volgens Lacan moet je onderscheid maken tussen het ‘cartesiaanse kijken’, waarbij het subject van het cartesiaanse ‘cogito’ iets waarneemt en de onbewuste blik. Bij de bewuste, cartesiaanse vorm van kijken gelden niet alleen in letterlijke zin de wetten van de optica van Newton, maar wordt in figuurlijke zin ook uitgegaan van een subject, dat in deze optische beeldspraak een ideaal punt is van waaruit het geziene wordt gezien.  Lacan echter ontwerpt een andere – psychoanalytische – optica, waarbij niet uitsluitend sprake is van bewust kijken vanuit een ideaal subject, maar ook van een onbewuste ‘blik’. Deze ‘blik’ (gaze) begint niet in het ideale optische subject, maar in het geziene. Dus bij het blikje!

Het geziene werpt een blik naar het onbewuste, terwijl het ideale, optische subject, dat in feite een constructie is, terugkijkt naar het geziene. Dit terugkijken is niet zozeer een kijken zoals bij het fotograferen een foto wordt genomen die als een beeld gefixeerd wordt in een donkere kamer (in casu: het oog, het brein). Nee, het is een afwerende beweging, een soort bezweren van de totaal-indruk van de blik die als onvatbare werkelijkheid (het reële) dreigend op ons afkomt.

Wat wij werkelijkheid noemen is wat op ons scherm verschijnt, daarachter ligt het reële, waar het libidinale verlangen structureel op gericht is. Wat wij ‘kijken’ noemen is in feite een ‘scherm van bewustzijn’ opwerpen, dat ons van het reële afscheidt. Dit is de symbolische orde van taal en teken, die wij ons bij het ontstaan van ons cartesiaanse subject in de vroegste jeugd (het spiegelstadium) voor het eerst betreden hebben. Zien is dus in feite een gemiste ontmoeting met het reële. In feite is het bewuste leven zelf een gemiste ontmoeting met het reële. Het bewustzijn kan de verslindende realiteit van het reële niet aan. Het temporeel-libidinale bewustzijn komt steeds structureel te laat om de het reële direct – één op één – te ontmoeten.

We kunnen het reële alleen ‘schuins bezien’ in de symbolische orde van taal en teken. We zien de werkelijkheid als in een anamorfose, nooit frontaal, maar altijd van opzij. Soms dringt de werkelijkheid in één keer door het scherm heen. Dan scheurt het schermt. Er ontstaat een trauma, een scheur, of een totale breuk wanneer het brein zich in een psychose stort. Een psychose is volgens Lacan in feite de totale eenwording van onbewuste en wekelijkheid. In de psychose is de symbolische orde van taal en teken zijn structuur kwijt geraakt en is ‘het scherm’, dat ons scheidt met de verslindende realiteit verdwenen.

In feite is dit een tragische opvatting van het bewuste bestaan, een opvatting die zich baseert op de psychoanalytische theorie van Freud. Lacan voorziet Freuds theorie aangaande het onbewuste van een ‘optisch-talige’ symbolische orde, die ook het onbewuste als een taal structureert, en waardoor het subject als een illusoire constructie wordt ontmaskerd.

Mijn brein (voor zover de woorden ‘mijn brein’ enige zin kunnen hebben) heeft meerdere malen in een psychotische toestand verkeerd. Ik ken uit eigen ervaring de ‘schermloze’ staat van het brein, die Lacan beschrijft, een toestand waarin de symbolische orde verstoord is en waarin het onbewuste zich direct mengt met het reële. Ik weet wat het is om ondertitels op een tv-scherm te lezen en stellig te denken, dat deze ondertitels gecodeerde boodschappen bevatten die specifiek voor mij alleen bestemd zijn. Toch ben ik het niet helemaal eens met Lacan.

De psychotische toestand van het brein, zoals hij die beschrijft, is in principe juist, maar deze ‘ontschermde toestand’ verschilt niet wezenlijk van de normale – gezonde – ‘schermtoestand’ van het brein. De scheidslijn tussen bewust en onbewust is nooit absoluut aanwezig. Het scherm is eerder poreus. Juist door dat doorlaatbare karakter van het scherm is er een voortdurend proces van osmose mogelijk tussen binnen en buiten. In feite is er geen harde scheidslijn tussen binnen en buiten. Ik kijk naar de wereld, maar de wereld kijkt ook naar mij. Ik zit in de bol, maar elke bol die ik zie wordt uiteindelijk geformeerd door de wiskunde in mijn hoofd.

Maar er is nog iets. Postmoderne filosofen hebben de neiging om concepten uit de exacte wetenschap uit hun verband te rukken en alleen metaforisch te gebruiken. Vooral de zogeheten Franse postmodernisten hebben hier een handje van. Dergelijke praktijken werden genadeloos ontmaskerd door twee natuurkundigen, Alan Sokal en Jean Bricmont, die – door close reading toe te passen op een aantal teksten van hedendaagse Franse filosofen – lieten zien hoe deze meesterdenkers van de beeldspraak exacte concepten misbruiken voor hun eigen duistere redeneringen.

Hun boek Intellectueel bedrog, postmodernisme, wetenschap en anti-wetenschap (1999) is nog altijd een ontluisterend voorbeeld van hoe je filosofische onzin door kunt prikken. De postmoderne Franse filosofie werd hierin geportretteerd als het ‘Columbia van het het hedendaagse denken’. Het gedachtegoed van Derrida en Lacan zou een soort nieuwe drugshandel zijn. In plaats van crack en heroïne is het exportartikel: ‘Derridium’ en ‘Lacanium’.

Met name Jacques Lacan moest het in hun kritiek ontgelden. Lacan probeerde de psychoanalyse te ‘mathematiseren’, maar zijn analogieën tussen psychoanalyse en wiskunde zouden willekeurig zijn gekozen en geen enkele empirische grond hebben. Lacan pronkte met oppervlakkige eruditie op het terrein van de exacte wetenschap door de lezer voortdurend geleerde woorden naar het hoofd te slingeren, maar wat hij op deze manier wilde verduidelijken werd alleen maar duisterder. Laat staan dat hij zelf een duidelijk beeld had van de theorieën waarnaar hij verwees. Zo zou hij van de getallenleer, de optica, de verzamelingenleer of de topologie zelf geen bal begrepen hebben.

De latere teksten van Lacan worden steeds cryptischer, maar voor veel hedendaagse kunstbeschouwers geldt Lacan nog altijd als een onaantastbare goeroe. Discipelen schrijven aandachtige exegeses van alles wat hij heeft bedacht. Je kunt je met recht afvragen, zo concluderen Sokal en Bricmont, of hier niet sprake is van een nieuwe religie die dolende gelovigen aantrekt buiten de traditionele religieuze instituties. Lacan zou een vorm van ‘lekenmystiek’ bedrijven, omdat zijn teksten mentale effecten willen sorteren ‘die niet puur esthetisch zijn, maar zich ook niet tot de rede richten’.

Ik heb het boek Intellectueel bedrog destijds met aandacht gelezen en raakte behoorlijk onder de indruk van deze kritiek. Het geeft voer aan iedereen die beweert dat het postmodernisme een vergissing zou zijn geweest. Zo blijven veel redeneringen van Lacan niet overeind als je ze langs de ijkmaat van de harde wetenschap legt. Toch vind ik de kritiek van Sokal en Bricmont niet in alle gevallen terecht.

Ten eerste maken de beide auteurs op geen enkele wijze duidelijk wat Lacan nu eigenlijk wilde aantonen. Stel dat al zijn analogieën tussen de psychoanalyse en de exacte wetenschap mank gaan, maar zijn hypotheses over de structuur van de menselijke psyche op zich zelf genomen juist zijn, dan staat het weer gelijk. Lacan gaat een stap verder dan Freud. Hij is geen wetenschapper, maar een soort zielkundig ingenieur. Gewone wetenschap moet het bij feiten houden en probeert de fictie doorgaans zo veel mogelijk buiten de deur te houden. De psychoanalyse onderzoekt geen feiten maar ficties en probeert de verbeelding daarbij juist zo veel mogelijk vrij spel te geven.

Ik voel aan mijn theewater (ik weet het, dat is geen argument) dat Lacan een punt heeft gemaakt. Het kijken naar (en zien van) de werkelijkheid zit anders in elkaar dan de optica ons doet geloven. En ook alles wat wij verstaan onder de term ‘het subject’ is niet te reduceren tot een punt op papier in een optisch schema. Er is meer aan de hand dan deze reductie. Er is iets wat moeilijk exact te benoemen is en onze blik eeuwenlang heeft verduisterd. Het zijn de metaforen van de optica die Spinoza en Descartes ten onrechte zo serieus hebben genomen.

Ik ben geen camera obscura. Ik ben eerder een speldenknop die is blijven steken in de zoom van het heelal. Diep in mijn binnenste binnen is er iets  dat niet met mij samenvalt. Dat binnenste binnen is gelijk aan het buitenste buiten. Zijn is zien… en zien is gezien worden, zowel letterlijk als figuurlijk. Het is de Tao van de blik. En de blik van de Tao. Al is mijn ziel volstrekt alleen in de grootse bol van dit van God verlaten universum, ik ben nooit echt alleen want de bol zit ook in mij. 

God – wat of wie dat ook mag zijn – overstijgt het hoogste in mij en is tegelijk mij innerlijk meer nabij dan ik mezelf nabij ben. Dat is geen gedachte van mijzelf, maar van Augustinus. ‘Deus superior summo meo, Deus interior intimo meo’. Zestien eeuwen voordat Lacan zijn sardineblikje in de golven  zag drijven, liep Augustinus langs de vloedlijn van de zee. Daar probeerde hij zich de topologie van zo’n soort God voor te stellen. Een christelijke, maar – topologisch gezien – ook een taoïstische God, al heeft de Tao dan geen God. Augustinus zag een God die zich schuilhoudt in de existentiële matrix van de Drie-eenheid. Een God die tegelijk binnen en buiten is. Hij schrijft dan het volgende: 

‘Van u maakte ik een wezen dat de schepping aan alle kanten omringde en doordrong, een wezen dat naar alle kanten onbegrensd was, zoiets als een zee, een naar alle kanten tot in het onmetelijke enkel maar grenzeloze zee, en alsof dan die zee een spons in zich had, wel zo groot als een mens maar wilde, maar toch van begrensde omvang, en alsof dan die spons tot in al zijn delen vol water zat uit die onmetelijke zee’ (Confessiones, VII v).

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)