Wat is niets, als er niets is?

Freud is wellicht de eerste geweest die van de liefde een therapie heeft gemaakt. De psyche werd een complex en open systeem dat op symbiotische wijze verbonden is met de ander. Freuds grootste ontdekking was niet het blootleggen van de seksuele drift, maar de onhoudbaarheid van ‘de moderne psychische ruimte’ die zich baseert op illusies. De illusie bijvoorbeeld dat er zoiets als ‘transcendentie’ zou kunnen bestaan. Of anders wel de illusie die voorheen werd aangeduid met het woord ‘God’. Binnen dat systeem woekert het verlangen voort tot in het oneindige. De moderne mens mist niet alleen de verzekerde balans tussen liefde en eigenliefde, die ooit zijn fundering vond in de liefde tot God, maar ook de mythische identificatiemodellen die het verlangen tot rust kunnen brengen. Kortom, de balans is zoek tussen de amor sui, de amor proximi en de amor Dei. Die catastrofe markeert de geboorte van Narcissus. 

Zo werd de twintigste eeuw het tijdperk van het opkomend narcisme. De tijd ook van een nieuw soort ‘Zijn’, een naderend ‘ont-Zijn’ wellicht. Het moderne lijden door de wegkwijnende psychische ruimte kon alleen nog genezing vinden de extase van de collectiviteit, in de de narcose van de massamedia of in dronkenschap van drugs en sacrale muziek. In die zin zijn wij allen schatplichtig geworden aan Narcissus. Wij zijn gedoemd om voor altijd op zoek te blijven naar eigen Echo. 

Ook in het werk van W.F. Hermans speelt het motief van Narcissus een rol. Maar om dat aan te tonen is het goed om terug te keren naar de bron, de plaats delict, waar dit motief geboren werd.

Dit is de Zuidelijke Wandelweg in Amsterdam. Deze foto, die ik aantrof in de Beeldbank van het Amsterdams Stadsarchief, moet kort na de oorlog zijn gemaakt, ongeveer ter hoogte van het toenmalige complex van de voetbalclub AFC. Ik heb daar als kind nog wel gevoetbald, toen ik nog speelde bij de B-junioren van RKAVIC. Dat was eind jaren vijftig. Een groot deel van de Zuidelijke Wandelweg, die gelegen was tussen twee begraafplaatsen – Zorgvlied aan de Amsteldijk en de R.K. Begraafplaats Buitenveldert aan de Amstelveense weg – verdween door de aanleg van de wijk Buitenveldert in de jaren zestig. De Zuidelijke Wandelweg vormde in feite de zuidelijke begrenzing van het Plan Zuid van Berlage, en daarmee ook van de hele stad. Het was een promenade langs de stadsrand waar op zondag veel gewandeld werd. Tegenwoordig is er niet veel meer van over, alleen een klein stukje aan het begin van de Amsteldijk.

De dood van zijn oudere zus Corrie op 14 mei 1940 heeft een verpletterende indruk gemaakt op de toen 18-jarige van Willem Frederik Hermans. Corry pleegde zelfmoord samen met haar toenmalige geliefde, haar neef Piet Blind. Otterpeers’ beschrijving van de toedracht van dit gebeuren vormt een dramatisch hoogtepunt in De mislukkingskunstenaar, de biografie van WFH. Corrie en Piet werden dood aangetroffen in een auto aan de Zuidelijke Wandelweg. Beiden hadden een schotwond in de slaap. Het moet ongeveer ter hoogte van het AFC-terrein zijn geweest. Voor Piet Blind, die bij de politie werkte, was dat bekend terrein, omdat de bereden politie voor haar ruiterfeesten wel gebruik maakte van deze voetbalvelden, zo meldt Otterspeer. Over de invloed die dit gebeuren op de schrijver WFH heeft gehad, meldt hij onder meer het volgende:

‘Als men hem later vroeg waarom hij Trakl of Kleist las, dan antwoordde hij dat dit te maken had met de intense verhouding die deze schrijvers tot hun zuster hadden. In Parijs hing een portret van De Quincey boven zijn werktafel, vanwege de huiveringwekkende passages die deze aan de dood van zijn zuster had gewijd. Ooit dacht Hermans, bij de publicatie van zijn eerste volwassen verhaal, dat hij van zijn zuster had gewonnen. Na haar zelfmoord realiseerde hij zich dat hij had verloren. De dag, de 14 mei 1940, zag de geboorte van het belangrijkste motief in zijn werk: de dubbelganger. De dag dat de zuster stierf werd de schrijver geboren: Narcissus op zoek naar Echo.’

De bekendste roman van WFH, waarin het thema van de persoonsverdubbeling een centrale rol speelt, is natuurlijk De donkere kamer van Damocles (1958), het boek dat later in Als twee druppels water (1962) werd verfilmd door Fons Rademakers. ‘Dagenlang zwierf hij rond op zijn vlot, zonder drinken. Hij stierf van dorst want het water van de oceaan was zout’, zo luidt de eerste zin van dat prachtige boek dat ik las op de middelbare school. Osewoudt en Dorbeck dat zijn de dubbelgangers, waarbij voor de lezer niet duidelijk wordt hoe deze persoonsverdubbeling nu precies in elkaar zit. Osewoudt is wanhopig naar zijn dubbelganger Dorbeck op zoek, maar komt niet veel verder dan het telkens herhalen van zijn hoop dat op een dag zal blijken dat er sprake is van een misverstand.

Laatst las ik een artikel waarin een vergelijking werd getrokken tussen deze roman van Hermans en de onmogelijke figuren in de tekeningen van M.C. Escher. In het boek van Hermans is wellicht geen sprake van een dubbelganger van de hoofdfiguur, maar zit het zo in elkaar dat de ene personage alleen in het hoofd van de andere heeft bestaan door een psychologisch mechanisme van projectie, identificatie en idealisatie. Hoe dan ook, als op het eind van het boek het fotorolletje wordt ontwikkeld, blijkt er niets op te staan.

Een ander boek waarin het motief van de dubbelganger – of de echo van Narcissus – opduikt is De God Denkbaar Denkbaar de God (1956). Het is een opmerkelijk boek en toch wordt het weinig gelezen. Het zou me niet verbazen als het een van de minst gelezen boeken van WFH is, hoewel ik me daarin kan vergissen, want ik zag op internet dat er ook een versie als ‘luisterboek’ is uitgebracht. Ik kan me moeilijk voorstellen dat automobilisten, die in de file bij Everdingen tussen de A2 en de A7 zijn beland, De God Denkbaar Denkbaar de God gaan beluisteren. Maar je weet het niet. De wonderen zijn de wereld nog niet uit, al beweerde WFH juist in dit boek dat het wél het geval is. Wonderen bestaan niet, al is datgene wat wij de werkelijkheid noemen wonderlijk genoeg ook onkenbaar.

Je zou zeggen dat daar een tegenstrijdigheid in zit, maar voor WFH was dat niet het geval. Hij had tijdens zijn studiejaren de werken van Wittgenstein bestudeerd en daarin een bevestiging gevonden van zijn vermoeden, dat de logica het enige houvast is voor de mens in een wereld, waarin waan en werkelijkheid niet van elkaar te scheiden zijn. De romans van WFH zijn altijd op twee niveaus te lezen, niet alleen letterlijk als een verhaal, maar ook symbolisch als een kentheoretisch probleem.

De zoektocht van de mens naar zekerheid en orde in een chaotische wereld is ook het thema van zijn meest gelezen roman Nooit meer slapen (1966). De gedachte dat de wereld onkenbaar is loopt als een rode draad door zijn hele werk. De mens kent zichzelf niet en de wereld al helemaal niet. Zekerheden bestaan evenmin als waarheden. Die stelling vormde al het hoofdthema in De tranen der Acacia’s (1949). Het door elkaar lopen van schijn en werkelijkheid in De donkere kamer van Damocles, waarbij de illusoire dubbelganger van de hoofdfiguur niet van de hoofdfiguur zelf te onderscheiden – en waarbij niet eens duidelijk is of deze (of beide dubbelgangers) in werkelijkheid bestaat – duidt in wezen op het negatief van een theologisch probleem, dat ook in het werk van Kafka te herkennen is.

Het is ‘theologie in spiegelbeeld’, zoals Lolle Nauta dat treffend heeft benoemd in De mens als vreemdeling (1960). In de eerste jaren na de oorlog werd het toenemend ongeloof vooral ook als een psychologisch probleem geanalyseerd dat zijn weerslag had allerlei terreinen, maar ook op de aard van de literatuur als zodanig. Zo ging Lolle Nauta in zijn boek op zoek naar de psychologische structuur van het ongeloof en wilde die terugbrengen naar een sociologische formule, waarmee het vacuüm, dat het culturele systeem van het christendom had achtergelaten, in kaart kon worden gebracht.

Daarom kon er in zijn optiek bij voorbaat niet meer van een bepaalde samenhang tussen kunst en religie sprake zijn. De psychische ruimte was veranderd, en daarmee de balans tussen tussen de amor sui, de amor proximi en de amor Dei (al gebruikt Nauta deze woorden niet expliciet, zijn betoog komt er in grote lijnen wel op neer). De intra-pyschische samenhang was zoek en de moderne esthetische ervaring was volgens Nauta juist niet los te denken van het ontbreken van deze samenhang.

‘Theologie in spiegelbeeld’ dus, dat was het thema van naoorlogse literatuur. En bij WFH komt deze thematiek bij uitstek aan het licht.  Bestaat de illusoire dubbelganger van de hoofdfiguur in De donkere kamer van Damocles ook in werkelijkheid? Dat is in feite een metafoor voor de vraag naar het bestaan van God. Het is het probleem van God als een psychologische projectie. Geloof in God werd een spiegelbeeld van de eigen vader. Theologie werd ‘theologie in spiegelbeeld’. De erfenis van het christendom moest in aardse termen worden vertaald en dat leverde stof op voor literatuur. De ontdekking van het spiegelbeeld was voor velen een schok die als een bevrijding werd ervaren. Maar in dit spiegelbeeld werden ook de metaforen van Narcissus geboren. Wie als Narcissus alleen zichzelf in de spiegel liefheeft, is op zoek naar een echo. Anders gezegd, hij is op zoek naar een dubbelganger van het ego. Autisme en atheïsme lagen in die eerste naoorlogse jaren dicht bij elkaar. 

‘De religieuze projectie’ was de gewaarwording van de echo van Narcissus. Religiueze projectie was ook een hot item in de jaren vijftig, getuige ook het gelijknamige boek van Fokke Sierksma uit 1956. God werd een echo van de mens zelf. Hij bestaat niet, die God met een hoofdletter, die WFH alleen een kleine letter gunde, want in zijn optiek is God een schijngestalte van de menselijke geest die – zoals Wittgenstein zo treffend had beweerd – ‘behekst is met taal’.

De betekenis van een woord kan worden opgevat als het ‘in de geest aanwezig zijn’ van een mentale representatie van een verwijzing naar iets in de werkelijkheid. Zo geredeneerd zit elke vorm van ‘betekenis’ ergens ‘tussen de oren’. Als we weten waar een woord voor staat, begrijpen we wat een uitdrukking betekent. Dat houdt in dat we beschikking hebben over een mentale representatie van die verwijzing. Dat is de ‘mentalese strutuur van de taal’ die in de tijd van het christendom had geleid tot de illusie dat er een God bestaat. In de ‘binnenkant’ van de taal ligt de de illusie van de transcendentie verankerd. God is een fata morgana die voortkomt uit de taal zelf, omdat we denken dat de taal een transcendente fundering heeft. Er zou iets zijn dat de taal impliciet verbindt met God, de Heilige Geest of wat dan ook daarboven. In den beginne immers was immers het woord.

Maar Wittgenstein was uiteindelijk tot het inzicht gekomen dat de betekenis van een uitdrukking louter en alleen naar voren komt in het gebruik dat we van die uitdrukking maken. Betekenis moet dus altijd worden opgevat in termen van ‘gebruik’. Dat wil zegen in de context van wat Wittgenstein aanduidt als een ‘taalspel.’

God – zo dacht Hermans – is dus ook een product van een ‘taalspel’. Op die manier kun je hem ook in zijn spel gevangen zetten. ‘Dit spel,’ zegt Hamlet, ‘geeft me de ban, waarin ik het geweten van de koning vangen kan’. WFH was niet zozeer uit op het geweten van de koning, als wel op zijn fantoom-achtige verschijning.

Als motto voor De donkere kamer van Damocles koos Hermans een treffend citaat van Wittgenstein:

‘Ik kan hem zoeken als hij er niet is, maar hem niet ophangen als hij er niet is. Men zou kunnen willen zeggen: “Dan moet hij er toch ook zijn als ik hem zoek.”   – Dan moet hij er ook zijn, als ik hem niet vind, en ook als hij helemaal niet bestaat.’

Met andere woorden: God is een illusie. De gedachte dat hij zou kunnen bestaan wordt ontmanteld in een simpel taalspel waar Wittgenstein zo goed in was. Ook het boek De God Denkbaar Denkbaar de God is een feite een taalkundig onderzoek naar de (on)mogelijkheid van het bestaan van God. WFH gaat er voor even vanuit – dat wil zeggen: voor zolang de de roman duurt – dat het bestaan van God denkbaar is. Sterker nog God is letterlijk Denkbaar (hij valt samen met dat woord) en is teruggekeerd op aarde. Wat gebeurt er dan? De roman is één groot gedachte-experiment dat de grenzen van de taal opzoekt. Vandaar ook dat deze roman meer aftrek vindt bij taalkundig georiënteerde filosofen dan bij theologen of andere vorsers van de religie. Zonder de lectuur van Wittgenstein had WFH deze roman niet kunnen schrijven. In een interview met Fons Elders dat verscheen in het boek Filosofie als science fiction (1968) komt WFH hier ook rond voor uit.

Fons Elders: Had u De God Denkbaar Denkbaar De God kunnen schrijven zonder Wittgensteins Tractatus gelezen te hebben?

WFH: Nee, nee, nee, ik had Wittgenstein al eind veertig, begin vijftig gelezen, dat wil zeggen alleen de Tractatus. Die voortdurend terugkerende woordspeling van ‘hij was denkbaar,want god was denkbaar’ had ik zonder Wittgenstein niet bedacht. Dat is waar. Dan wou ik u nog dit zeggen dat de filosofen, en daar mee heb ik speciaal het oog op mensen als Heidegger en Gadamer, steeds meer gaan zoeken naar problemen, die de wetenschap niet kan oplossen. Dat hebben ze gedaan om zichzelf te handhaven. Ze pretenderen dus dat je als het ware twee klassen van problemen hebt, filosofische problemen en wetenschappelijke problemen.’

WFH wilde zich graag bezig houden met problemen die er toe doen, dat wil zeggen: problemen die in principe oplosbaar zijn. De godsvraag behoort daar niet toe. Wonderlijk genoeg had hij toch een heel boek nodig om deze stelling te onderbouwen en het werd -naar mijn smaak – zelfs een van zijn mooiste boeken.

In een roman hoeven vragen ook niet oplosbaar te zijn. Literatuur gaat over het leven zelf dat vragen oproept. Hoe dan ook, De God Denkbaar Denkbaar de God leest als een science-fiction roman in de meest letterlijk zin van het woord: op het scherp van de snede tussen science en fiction. Je zou zeggen, dan beland je in het grensgebied van het onwerkelijke, van de mystiek, het vage terrein waar je niet over kunt spreken en dus het zwijgen geboden is. De zwijgende God van de mystiek zou het laatste constructie kunnen zijn, waarmee de ondenkbare god Denkbaar ook inderdaad denkbaar wordt, maar WFH trapt daar niet in. Er is geen binnenkant in de taal, maar ook geen buitenkant. Taal is ‘gebruik’ en God is daarmee een fata morgana. De via negativa van de mystiek is voor WFH geen optie. Of zoals hij het in zijn boek Wittgenstein (1990) verwoordt:

‘Mystiek aangelegde Wittgenstein-lezers plegen te smullen van dit geheimzinnige iets, dat niet uit gesproken kan worden, niet kan worden gedacht en dat zich toch toont. Ik geloof uit onbegrip. Wel zegt Wittgenstein: ‘Er bestaan stellig onuitsprekelijke zaken. Dit toont zich, het is het mystieke.’ (Tractatus 6.522) Maar mocht Wittgenstein een mysticus geweest zijn, dan verschilt hij toch in minstens één fundamenteel opzicht van andere mystici (neoplatonisten, Bergson, of wat men maar wil), namelijk dat bij hem het mystieke onuitsprekelijk is, dat wil zeggen ondenkbaar. Er zijn geen woorden voor, maar ook niets anders.’

And the rest is silence. Stilte, het mooiste woord dat denkbaar is, omdat het uitspreken daarvan zijn eigen betekenis ontkent. Misschien is dat ook het geval met het woord ‘God’, al zou Hermans deze gedachte als een spitsvondigheid verworpen hebben. Hoe dan ook, het lijkt me niet ondenkbaar dat een aandachtige automobilist, die vastzit in in de file bij Everdingen en luistert naar de gesproken versie van De God Denkbaar Denkbaar de God, opeens bevangen wordt door een diep verlangen naar stilte. Of anders naar dat ene woord dat geen woord meer is, zelfs niet het woord ’stilte’. Zelfs de ondenkbaarheid van God – in de meest fraaie volzinnen geformuleerd – laat de stilte niet neerdalen. Wat is er nog, als er niets meer is. Niet niets, toch? Want dat dan is er toch nog iets: het woord ‘niets’. 

Niets is ondenkbaar en ondenkbaar is geen stilte. Ook niet in het boek De God Denkbaar Denkbaar de God is de stilte ondenkbaar. Zijn eigen geheim weet Denkbaar dan ook niet te bemachtigen. Uiteindelijk gaat hij zelfs ten onder. Een wijze raad had hij ook al vroeg in de wind geslagen:

“Wat gaat het jou aan? O Denkbaar, bedenk, goddelijk is alleen het tatoeëren en dubbel coderen. Met geheimen heeft geen god iets uit te staan, want alle attributen zijn zijn eigendom en alles is denkbaar, maar Denkbaar is god.”

Dat is de echo van Narcissus die Gods naam roept in de put waarin hij kijkt. Een naam is geen aanwezigheid. Een naam is niets. Maar wat is niets, als er niets is? Het is Narcissus die God aanroept: “God, hier is je naam! “… naam… aam… ammm… mm…m.

Maar hij is het zelf Narcissus. Hij heeft zijn Echo gevonden. Zijn Ego. De atheïst is een autist.  

Soit, daar zal hij het mee moeten doen. 

2 Reacties »

  1. J. GULMANS

    10 februari 2020 op 14:27

    In zijn — bijna altijd — lezenswaardige stukken probeert Huub Mous de strekking van de dissertatie van Lolle Nauta ( ‘DE MENS ALS VREEMDELING’) op korte formule te brengen. Daarin is hij niet helemaal geslaagd, om het niet scherper te zeggen.

    Wat zegt Mous: ‘Zo ging Lolle Nauta in zijn boek (‘De mens als vreemdeling’) op zoek naar de psychologische structuur van het ongeloof en wilde die terugbrengen naar een sociologische formule, waarmee het vacuüm, dat het culturele systeem van het christendom had achtergelaten, in kaart kon worden gebracht. Daarom kon er in zijn optiek bij voorbaat niet meer van een bepaalde samenhang tussen kunst en religie sprake zijn. De psychische ruimte was veranderd, en daarmee de balans tussen tussen de amor sui, de amor proximi en de amor Dei (al gebruikt Nauta deze woorden niet expliciet, zijn betoog komt er in grote lijnen wel op neer). De intra-pyschische samenhang was zoek en de moderne esthetische ervaring was volgens Nauta juist niet los te denken van het ontbreken van deze samenhang’.

    Lolle Nauta was m.i. niet op zoek naar ‘de psychologische structuur van het ongeloof ‘ en wilde die evenmin ‘terugbrengen naar een sociologische formule’. Nauta is ook niet van opvatting, dat er ‘niet meer van een bepaalde samenhang tussen kunst en religie sprake kan zijn’. En te stellen, dat Nauta zijn betoog neerkomt op een verstoorde balans tussen ‘de amor sui, de amor proximi en de amor Dei’ (ontleend aan Augustinus ?) is al helemaal onzin. Excusez le mot.

    Mijn visie is de volgende: Lolle Nauta’s centrale vraag was om, met behulp van het model der excentriciteit (Helmuth Plessner), de esthetische ervaring van de vervreemding (Camus, Nijhof, Eliot, et tutti quanti) begrijpelijk te maken (pagina 313, boven) . Om die reden gaat het grootste part van deel III over de esthetische ervaring ! Daarover rept Mous niet of slechts in het voorbijgaan, evenmin over de ‘Paradoxie des Ausdrucks’ ( Karl Jaspers), wat voor Nauta één van de centrale leerstukken van zijn hele onderneming was. Jammer.

  2. Huub Mous

    10 februari 2020 op 18:34

    Beste Jan, je mist mijn punt. Dat is Nauta’s redenering over ‘theologie in spiegelbeeld’. Voor de rest ben ik het niet met je eens dat – zoals jij beweert – ‘Nauta niet op zoek was naar een psychische structuur van het ongeloof.’ Hij was daar wel degelijk naar op zoek. De rest – Plessner etc. – in mij bekend. Ik ken het boek. Zie ook mijn blog: Lolle Nauta en de laatste mens.

    http://www.huubmous.nl/2014/09/09/de-blinde-vlek-voor-de-religie/

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)