De toekomst van gisteren

Slide1

Als tussen 1938 en 1945 paus Pius XII, geheel gehuld in het wit en met zijn bekende gespreide armen, in een pausmobiel aan de poort zou hebben gebonsd van Dachau, Auschwitz of Theresienstadt, dan zouden velen daarbuiten en velen daarbinnen de woorden hebben geroepen waarmee allen op die Romeinse Synode in 495 paus Galesius toejuichten: ‘Vicarium Christi te videmus!’ (Wij zien u als plaatsbekleder van Christus).’

Deze woorden van de jezuïet Jan van Kilsdonk worden aangehaald door Jan Bank in zijn boek God in de oorlog, De rol van de Kerk in Europa 1939-1945. Het is een doorwrochte studie van meer dan 700 pagina’s die in 2015 is verschenen. Hierin wordt niet alleen ingegaan op de rol van de Katholiek Kerk, maar ook op die van de oosterse orthodoxie, het lutheranisme en het calvinisme. En dat in alle uithoeken van Europa: van Spanje tot Finland, van de Balkan tot Noorwegen. Dit boek heeft mijn blik verruimd, niet alleen als het gaat over de relaties tussen het christendom en de Tweede Wereldoorlog, maar vooral ook over het verband tussen God en het geweten. 

Bij het lezen van dit boek kwam destijds bij mij een vraag bovendrijven waar ik tot op de dag van vandaag niet het antwoord op weet: is de snelle secularisatie, die sinds de jaren zestig het aanzien van Europa veranderd heeft, niet onbedoeld de bekroning geweest van het ideaal dat Hitler voor ogen stond: een wereld zonder transcendente God die verankerd ligt in het geweten van de mens? Nadat de Joden in Europa zouden zijn uitgeroeid, zou Hitler zijn vernietigingsdrang gericht hebben op de Rooms-katholiek Kerk. Dat was de angst van Paus Pius XII.

Het geweten moest uit de wereld. Dat zou de diepste drijfveer van Adolf Hitler zijn geweest. Maar de veronderstelling, die hier onder ligt, is dat religie – Joods of christelijk – het patent heeft op het geweten, het besef van goed en kwaad. Dat kan toch niet waar zijn. Bestaat er eigenlijk wel een religie die de oorlogszucht niét heeft aangewakkerd? Elke religie is van oudsher een bron voor oorlog en geweld. En het christendom bij uitstek. Jezus Christus kwam niet op deze wereld om vrede te stichten, maar om het zwaard te brengen. In Matteüs 10:34-36 staat dat expliciet te lezen:

“Denk niet dat ik gekomen ben om op aarde vrede te brengen. Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard. Want ik kom een wig drijven tussen een man en zijn vader, tussen een dochter en haar moeder en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder; de vijanden van de mensen zijn hun eigen huisgenoten!” 

That’s a hard one to remember. Zeker als je – zoals Jan Bank – onderzoek gaat doen naar de rol van God in de oorlog. Overigens deed Jan Bank voor zijn boek geen nieuw archiefonderzoek, maar beperkte zich tot de reeds bestaande literatuur over de rol van de Kerk in de oorlogsjaren. De verborgen vraag van dit boek raakt een heikele kwestie. Hebben de christelijke kerken zich wel genoeg verzet tegen het uitmoorden van de Joden in Europa? Jan Bank lijkt zelf geen morele oordelen te willen vellen, maar hij laat de feiten voor zichzelf spreken. Het lijkt mij niet toevallig dat ook in het bovengenoemde citaat van Jan van Kilsdonk dat morele oordeel aan een ander wordt overgelaten. Pater van Kilsdonk was ooit de godsdienstleraar van Jan Bank op het Ignatiuscollege in Amsterdam. 

Van Kilsdonk zelf had overigens nooit zo’n moeite met morele oordelen. Al in 1963 had hij gezegd dat de curiekardinalen in Rome een stelletje fascistoïde prelaten waren en kwam daarmee weg met een waarschuwing vanuit Rome.  In datzelfde jaar 1963 ontstond de geruchtmakende affaire rond de rol van Paus Pius XII in de oorlog zou hebben gespeeld. Die rel ontstond naar aanleiding van het toneelstuk Der Stellvertreter van de Duitser Rolf Hochhuth. Daarna kon deze Paus met terugwerkende kracht voor menigeen geen goed meer doen. De jaren zestig zorgden ook in dat opzicht voor een boedelscheiding. Hoe was het mogelijk dat ‘de plaatsbekleder van Christus op aarde’ zo vaak gezwegen had? Werd zijn uiterst prudente houding, waarmee hij erger wilde voorkomen, uiteindelijk niet het symbool voor een moreel bankroet van het christendom dat zich in de Tweede Wereldoorlog heeft aangediend?

Jan Bank laat zien dat Pius XII niet de enige geweest die zich behoedzaam heeft opgesteld. ‘Geen van de kerkelijke opperbevelhebbers van Europa heeft direct en onomwonden geprotesteerd tegen de Jodenvervolgers,’ zo luidt zijn belangrijkste conclusie. Maar dat wil niet zeggen dat er uit zijn boek een eenduidig beeld oprijst. Het hing er sterk vanaf welke rol de Duitse bezettingsmacht opeiste of juist overliet aan bondgenoten en welke ruimte aan de kerkelijke instituties nog geboden werd. In Oost Europa was de situatie heel anders dan in het Westen. Het nationaalsocialisme is niet te begrijpen zonder de aanhoudende dreiging van het bolsjewisme na de Russische Revolutie. Bovendien waren het volgens velen juist de Joden geweest die niet alleen het mateloze materialisme in de hand hadden gewerkt, maar ook het zaad van de bolsjewistische revolutie hadden gezaaid.

De kerkvervolging van Stalin was meedogenloos geweest totdat hij de kerken zelf nodig had. Angst voor het goddeloze bolsjewisme is bij kerkelijke leiders groot geweest, en zeker ook bij Paus Pius XII. Het hemd was dan ook vaak nader dan de rok. Men was bang voor de eigen instituties die diep in de maatschappijen verankerd waren. Zowel Hitler en Stalin hebben de maatschappelijke verankering van het christendom totaal willen vernietigen, maar dat kon niet op stel en sprong. Men had de bevolking nodig zolang de oorlog duurde. Juist die wederzijdse gijzeling leidde bij kerkelijke leiders niet zelden tot een ‘dans met de duivel’ met alle morele dilemma’s van dien.

Daar kwam bij dat in veel landen de Kerk verbonden was geraakt met de staat, wat wonderlijke conjuncties teweeg bracht tussen enerzijds de staats- en leidersidolatrie in het nationaalsocialisme en het fascisme en anderzijds een hiërarchische en corporatieve ideeën over de inrichting van de maatschappij die met name het katholicisme had voortgebracht. Democratie werd door het Vaticaan pas omarmd op aandrang van de geallieerden, toen duidelijk was geworden dat Hitler de oorlog niet meer kon winnen.

En dan zijn er nog de theologische blokkades die veel protestantschristelijken moesten overwinnen om in verzet te komen tegen het staatsgezag of om geweld te legitimeren. Wie de Bijbel al te letterlijk las kon al gauw op een dwaalspoor komen, vooral als het ging over de Joden die een historische schuld zouden hebben aan de kruisiging van Christus. In Mattheus 27:25 stond immers geschreven: ‘En al het volk antwoordde en zei: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen.’ Kortom, de Joden hadden de holocaust over zichzelf afgeroepen. Het was een historische noodzakelijkheid.

Ondanks al die belemmeringen waren er ook vormen van heroïsch verzet die juist door het christendom geïnspireerd werden. Zo was er de Bekennende Kirche in Duitsland met Dietrich Bonhoeffer als inspirerend voorbeeld. In Noorwegen bood de lutheraanse bisschop Eivind Berggrav hardnekkig weerstand. Er waren ook katholieke bisschoppen die protest aantekenden zoals Clemens von Galen van Münster en Konrad von Preysing van Berlijn. Zelfs aartsbisschoppen zoals Jules-Gérard Salièges van Toulouse en Johannes de Jong van Utrecht lieten de stem van het geweten spreken. En tenslotte waren er ook mystici die de weg naar het verzet vonden, zoals Titus Brandsma en Edith Stein. Ze stierven als nieuwe martelaren in de concentratiekampen, zoals ook de Poolse pater Maksymillian Kolbe. Illustratief in de studie van Jan Bank zijn de intermezzo’s met korte biografieën van dit soort lichtende voorbeelden.

Maar één vraag blijft ook in deze uitputtende studie onbeantwoord: hoe kon het dat in de totalitaire staten van Hitler, Stalin en Mussolini veel kerkbestuurders zich hebben aangepast aan misdadige machthebbers? Is er dan soms iets mis met de boodschap van het Evangelie? Hoeveel ‘oorlogwerende krachten’ bevat het christendom eigenlijk? Is het niet eerder zo dat juist het christendom bij uitstek uiteindelijk leidt tot oorlog, moord en doodslag?

‘Dit was mogelijk in Europa’, schreef Menno ter Braak eind jaren dertig. We kunnen er nu aan toevoegen: ‘Dit was mogelijk terwijl de Kerken maar al te vaak hebben gezwegen’. Het christendom is in de oorlog geen gewaarborgd kompas gebleken voor het morele handelen. Omgekeerd heeft de Kerk juist in die benarde jaren voor velen een houvast geboden, al was dat misschien vooral als vluchtoord voor het verlangen naar normaliteit. De kerken zaten vol, niet in de laatste plaats omdat men daar een ander geluid kon horen, een geluid dat zicht bood op een nieuwe wereld in een tijd dat de oorlog voorbij zou zijn.

Adolf Hitler was van huis uit katholiek en had degelijk katholiek onderwijs genoten – net als Jan Bank en ik – tijdens het zogeheten ‘Tweede Confessionele Tijdperk’ dat tot midden jaren zestig heeft geduurd. Ook Stalin was nog opgevoed met God en gebod. Het kon zelfs zo zijn, zo stelt Jan Bank, dat elf jaar onderwijs in kerkelijke scholen en op het seminarie bij Stalin een zorgvuldig verborgen ontzag voor de Kerk had achtergelaten. Toch wilde Stalin – evenals Hitler – bij al zijn dadendrang voor alles….het geweten van de mens afschaffen. Hoe is het mogelijk dat een persoon bij zijn volle verstand, die bovendien christelijk is opgevoed, een dergelijk afschuwelijk plan kan beramen?

Nogmaals, is het christendom niet in wezen – zoals elke religie trouwens – een oorlogszuchtige religie? Als je alles voor ogen neemt wat het christendom aan de Tweede Wereldoorlog heeft bijgedragen – of heeft nagelaten heeft om deze diepe ellende te voorkomen -, wat was er na 1945 dan nog over voor ‘de toekomst van het christendom’? Dat moet zo kort na de oorlog een prangende vraag zijn geweest die velen heeft beziggehouden. Simon Vestdijk was een van hen. In zijn boek De toekomst der religie schreef hij het volgende:

‘Ik leg hier alleen de vinger op het punt van minste 
weerstand van iedere religie, die op metaphysische projectie berust. De averechtsche invloed van het Christelijk geloof op 
sommige van zijn belijders, die door velen, en lang niet uitsluitend door bekrompentegenstanders, is vastgesteld, blijft één 
factor onder vele andere, en die door die andere factoren tot 
dusverre vrijwel in evenwicht is gehouden. Maar wanneer men 
de rekening opmaakt van 20 eeuwen Christelijke beschaving, en 
men vindt 20 eeuwen van moord en doodslag, egoïsme en berekening, onverdraagzaamheid en hypocrisie, begaan en getolereerd onder de auspicia van het Evangelie der liefde, dan kan
men zich moeilijk aan de gedachte onttrekken, dat hier iets 
hapert, en dat de preoccupatie met het bovenzinnelijke wellicht 
te veel religieuze energieën heeft opgeëischt om het religieuze 
leven op aarde ten goede te kunnen komen. Het is niet onmogelijk, dat het zonder het Christendom nog veel erger was toegegaan – voor mijzelf ben ik hier zelfs van overtuigd. Dit neemt niet 
weg, dat er in het wezen van deze – en van iedere – metaphysisch 
projecteerende religie iets schuilen moet, dat het anti-religieuze, 
zeggen wij maar gerust: het duivelsche element niet alleen bestrijdt, maar tevens begunstigt; en in het bovenstaande meen ik 
een weg gewezen te hebben tot een beter verstaan van wat 
daaraan menschelijk ten grondslag ligt. ‘

Deze woorden van Simon Vestdijk las ik in 2002. Het boek maakte destijds veel indruk op mij. Het betekende niet alleen mijn definitieve afscheid van het katholicisme, maar ook het begin van een sterke belangstelling voor het fenomeen religie in het algemeen en mystiek in het bijzonder, een belangstelling die voortduurt tot op de dag van vandaag. Bestaat er een religie zonder een hang naar oorlog? Dat is de laatste vraag die overblijft. Bestaat er een religie zonder bloedvergieten, zonder terreur, zonder geweld? Komt niet al het geweld in de wereld voort uit de waarheidswaan die eigen is aan elke vorm van religie?

In de zomer van 2002 manifesteerden zich bij mij de eerste symptomen van een burnout. Eind augustus van dat jaar werd ik met spoed in het ziekenhuis opgenomen na een acute, hevige astma-aanval die mij zomaar – out of the blue – bijna deed stikken. Heel even zag ik de dood in de ogen. Dat was het begin van een keerpunt in mijn leven. Vanaf die dag begon ik mij opnieuw met het fenomeen religie bezig te houden en het boek van Vestdijk was mijn eerste gids bij die moeizame verkenningstocht. Het was ook het jaar na 9/11. Fortuyn was vermoord. Nederland leek wakkergeschud uit een langdurige vakantiesluimer en religie stond weer bovenaan de agenda. Kort daarop schreef ik een artikel dat op 7 oktober 2002 verscheen op  de opiniepagina van De Volkskrant met als titel Islam heeft geen Kuitert nodig. Hierin verwees ik expliciet naar Vestdijks De toekomst der religie: 

Al in 1947 pleitte Simon Vestdijk in zijn boek De toekomst der religie voor een waardig afscheid van het christendom. Wie te snel van wereldbeeld wisselt kan van een koude kermis thuiskomen. Dan ontstaat een soort religieuze caissonziekte, een overhaaste ontstijging aan de godsdienstige grondwaarden van de beschaving. Bij hedendaagse columnisten uit deze caissonziekte zich soms in misplaatst dédain voor alles wat met religie van doen heeft. Zwagerman, en vooral Blokker, geven daar blijk van. Achteraf bezien rijst de vraag of in het naoorlogse Nederland altijd sprake is geweest van een waardig afscheid van het christendom. De ‘Zoishet’-uitzending destijds over beeldreligie was misschien eerder een provocerend dieptepunt, dan een emancipatorische mijlpaal in dit proces, ook al was de satire uiteindelijk niet op de religie, maar op tv-verslaving gericht. Wat heeft deze beeldenstorm uiteindelijk opgeleverd? De huidige discussie over normen en waarden duidt op zijn minst op een pijnlijk verlies, iets wat onomkeerbaar uit de samenleving is verdwenen. Niemand wil terug naar de theemutscultuur van de jaren vijftig. Maar hoe zit het met zaken als barmhartigheid, onbaatzuchtigheid en nederigheid? Woorden die voor menigeen tegenwoordig archaïsch klinken en geen enkele rol meer spelen in discussie over de moraal binnen het publieke domein.

Twee jaar later, in september 2004, schreef ik voor De Moanne het artikel Een pleidooi voor een waardig afscheid, dat in zijn geheel gewijd was aan Vestdijks De toekomst der religie. Zowel in mijn bijdrage aan het boek Tegen de tijdgeest, terugzien op een psychose (2011) als in Modernisme in Lourdes, Gerard Reve en de secularisering (2013) was een hoofdstuk gewijd aan De toekomst der religie. In mijn boek De Fries die in de toekomst sprong, Fries modernisme in de jaren zestig (2016), komt Vestdijks De toekomst der religie maar liefst drie keer ter sprake. En tenslotte, in mijn laatst verschenen boek Jihad of verstandsverbijstering (2018) verwijs ik tweemaal naar dit boek van Vestdijk. Je kunt met recht zeggen dat dit het belangrijkste boek is dat ik ooit gelezen heb. De Fransen hebben daar een mooi woord voor: un livre de chevet. Een boek dat op je nachtkastje ligt.

Wanneer is Vestdijk op het idee gekomen om dit boek te schrijven? Die vraag is vaak gesteld. Vestdijks belangstelling voor religie moet ergens in de jaren dertig zijn ontstaan en kan niet los worden gezien van het opkomend nationaalsocialisme in Duitsland. Waarom heeft het christendom geen weerstand kunnen bieden tegen de waanzin van Hitler? Die vraag moet Vestdijk vaak door het hoofd hebben gespeeld. Het is een ongemakkelijke vraag, waarop naar mijn weten nog nooit een bevredigend antwoord is gegeven.

schrijversgetuigen180_N

In de jaren dertig had Vestdijk een bijdrage geleverd aan de bundel 
Schrijvers getuigen tegen oorlog en militarisme in de vorm van het 
gedicht De ballade van het oorlogspaard, zo weet Hans Visser in zijn Vestdijk-biografie te melden. De mening die hij daar verkondigd had was niet ‘het standpunt van het centrum’. Als gevolg daarvan werd hij uitgenodigd een lezing te houden voor het Kunstenaarscentrum. Die lezing kreeg als titel: Kunstenaar en Oorlogspsychologie waarvan de tekst nadien afzonderlijk boekvorm is verschenen en later ook werd genomen in de bundel Het eeuwige telaat (1975).

Na deze lezing, die Vestdijk overigens niet zelf uitsprak maar die namens hem werd voorgelezen, ontstond onder de aanwezigen een heftige discussie. Ik heb de tekst van die lezing gisteren nog eens doorgenomen. Het is een glashelder betoog, waarvan vooral het begin vooruitloopt op de hierboven geciteerde, gewraakte passage over het christendom in De toekomst der religie. Het merendeel van deze lezing gaat over de rol van kunstenaars en schrijvers in tijden van oorlog, een betoog dat uiterst actueel is. De mooiste zin is deze:

‘In het diepst van zijn ziel, diep onbewust, is ieder 
mens onsterfelijk; we kunnen trouwens wel als zekerheid 
aannemen, dat het leven op aarde anders ondragelijk zou 
zijn.’

Vestdijk ontrafelt de psychische beweegredenen die een mens kunnen aanzetten tot oorlog. En als je die vlijmscherp analyse anno 2019 leest, dan word je daar niet vrolijk van. Oorlog komt voort uit een hang naar het vitale activisme, de sensatie, de doodsdrang en alle angsten die daarmee samenhangen. Uit een wraak op de eigen sterfelijkheid die tot ongeremde moordlust leidt. Uit het verlangen ook om zich op te lossen in het collectieve. Oorlog komt voort uit een diep verankerd instinct, het zich willen verliezen in een absoluut gebeuren, een dionysische massaroes waarin het geweten tot zwijgen wordt gebracht.

Niet voor niets zei Heraclitus al dat oorlog de moeder is van alle dingen. Vestdijk zoekt naar een tegenbeeld van dit alles, een type mens dat fundamenteel anders zou zijn. Hij vindt dat beeld  – misschien wat naïef – in het ideaaltype van de kunstenaar. Maar in het begin van dit ijzingwekkend betoog neemt Vestdijk de religie bij de kop. De religie die in al die eeuwen beschaving, die achter ons liggen, de oorlog niet heeft kunnen afweren. Integendeel. De gedachte dat de religie, die een eeuwige waarheid op een God projecteert, een buffer kan vormen voor het agressieve krijgsinstinct van de mens,  lijkt voor Vestdijk te hebben afgedaan. Ook dan klinken zijn woorden opeens heel actueel:

‘Wanneer ik u wijs op het mohammedanisme, zult u reeds voelen waar ik heen wil. Maar vooral 
in het christendom doen zich uiterst paradoxale betrekkingen voor, die niet maar zo met een korte aanduiding begrijpelijk zijn te maken. De paradox van het christendom, 
in zijn verhouding tot de oorlog, schuilt hierin, dat de praktische toepassing van een leer van liefde, naastenmin, mededogen, vredelievendheid, en wat dies meer zij, niet veel 
anders gebracht heeft dan twintig eeuwen van moord en 
doodslag, al of niet onder christelijke leuzen. Dit is een
merkwaardig verschijnsel, dat zeker de aandacht verdient. 
Zou men deze paradox wellicht mogen omkeren, door staande te houden dat een geweldsideologie, een religie of levensleer waarvan de beginselen op moord en doodslag gebaseerd zijn, dan het beste middel is om de vrede op aarde te bewaren? Ik zou deze stelling niet gaarne voor mijn rekening nemen, al was het maar omdat ik dan genoodzaakt 
zou zijn zekere fascistische machthebbers als de vredesapostelen bij uitnemendheid te beschouwen. Intussen is het duidelijk, ook zonder een blik op de historie, dat het christendom ons geen enkele waarborg van pacifistische aard geven 
kan, waarbij op te merken valt, dat dit niet alleen voor de 
kerk geldt – hetgeen wel niemand zal willen tegenspreken 
- niet alleen voor het apostolisch christendom, maar ook 
voor het evangelie, dat aan het geweld meer concessies doet 
dan men zou mogen opmaken uit de grondtoon van deze 
leer en uit de persoonlijkheid van haar schepper. Er zijn 
hier verborgen stromingen (‘Ik ben niet gekomen om de 
vrede te brengen, maar het zwaard’), die eens aan den dag 
moesten treden.

Het oer-christendom was praktisch vredelievend, theorie en praktijk dekten elkaar nog, maar niet 
zodra had het christendom de macht veroverd, of het lam 
bleek geëvolueerd te zijn tot wolf, en men mag zich afvragen, of de gewoonte van vele lieden om de oorlog als onvermijdelijk, als een fatum, te beschouwen, misschien niets 
anders is dan een erfenis van het christendom. Zelfs het 
christendom, zo denken deze mensen ongeveer, is niet in 
staat geweest de oorlog uit te roeien, wij doen dus maar het 
beste er ons bij neer te leggen, als bij een natuurverschijnsel, 
zoals onweer, dat toch ook zijn goede zijde heeft, daar het 
de atmosfeer zuivert. Deze fatalistische en in het geheim 
toestemmende houding wordt bij de orthodox-protestantse christen, de calvinist, nog versterkt door de predestinatieleer, die hem de oorlog ten overvloede doet aanvaarden als 
kennelijk door God zelf gewild. Het is waarschijnlijk geen 
onthulling voor u, wanneer ik de militaristische tendensen 
vaststel, die het karakter van zo menig calvinist vertoont. 
(Ik zwijg hier nu maar over het puritanisme …). Maar ik 
kan op deze kwestie niet dieper ingaan; niet de psychologie van de calvinist, hoe belangwekkend ook, interesseert ons, 
maar de psychologie van de kunstenaar, in datgene wat hem van zijn medemensen onderscheidt ten aanzien van zijn houding tegenover de oorlog.’

Later werd Vestdijk een verslag toegestuurd van de discussie die naar aanleiding van zijn lezing had plaats gevonden. Hans Visser doet daar uitgebreid verslag van in zijn biografie, terwijl Wim Hazeu hier nauwelijks aandacht aan besteedt. Wat Vestdijks kritiek op het christendom betreft kwamen in de discussie na afloop de volgende punten naar voren:

(1) Uw beschouwing over het Christendom had het zwaar te 
verduren. Men vroeg zich af of u niet Christenen met Christendom, Kerk met Christendom, of zelfs Christendom met Evangelie verwarde. In het algemeen kon men uw zienswijze, wanneer ze op 
het evangelie slaat, niet delen; wel wanneer ze betrekking zou 
hebben op wat de praktijk bij de mensen heeft opgeleverd. Ik 
meende de passages in Uw referaat zo te moeten uitleggen, dat U 
wel degelijk het ‘gij zult’ uit het evangelie wenste te belichten in 
zijn psychische konsekwenties.

(2) Men betoogde, dat, waar het Christendom mystiek of humanistisch (in de beste zin) werd, het zijn hoogste belichaming vond. 
De mystici en ware humanisten werden dan ook steeds omgebracht, hetgeen voor het evangelie en tegen de instituten pleitte.

(3) Naar voren werd gebracht, dat in Uw referaat de zienswijze 
van Uw generatie is vastgelegd en dat U zodoende niet ruim genoeg algemeene tendenzen uit andere tijdperken hebt omschreven. Dit werd gekwalificeerd, dat U onder de stolp van uw tijd zat 
en dat die stolp is samengesteld uit matglas.

Als je dit zo leest, dan besef je dat Vestdijk maar één ding te doen stond: een dik boek schrijven over de religie en het (waardige) afscheid van het christendom. In de periode in de oorlog dat hij gevangen zat in het gijzelaarskamp in St. Michielsgestel is hij hieraan begonnen. In 1947 verscheen het uiteindelijk als De toekomst der religie. In het jaar dat ik geboren ben. In dat jaar begon de toekomst van gisteren. 

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)