Ik ben gelukkig!

Streven naar geluk is mooi, maar mag geen obsessie worden. En toch …In deze dagen van het jaar, nu het kerstfeest wat rust brengt in de hectiek van het dagelijks leven, kunnen ook de twijfels naar boven komen. Doe ik het wel goed? Maak ik de juiste keuzes? Ben ik wel echt gelukkig Dat streven naar geluk is mooi, maar het mag geen obsessie worden. Ook verdriet mag er zijn. Ook twijfels en gevoelens van eenzaamheid mogen er zijn. Ook mislukkingen en tegenslagen horen bij het leven. In de jacht naar geluk en succes kunnen we onszelf soms voorbijlopen. We willen als vrije mensen het beste uit het leven halen en verwijten het onszelf als dat niet lukt. We spiegelen ons aan anderen, leggen de lat hoog en presenteren graag een perfecte versie van onszelf aan de buitenwereld. Alsof er een taboe rust op onzekerheid en tekortkomingen. Trek het je niet te veel aan als het eens tegenzit. Maar niemand is perfect. Gelukkig maar.”

Aldus Koning Willem-Alexander in zijn traditionele kerstrede dit jaar op Eerste Kerstdag. Vroeger hadden we de dominee en de priester voor dit soort zalvende woorden. Die zijn voorgoed achter de horizon verdwenen. Maar we hebben de Koning nog! Gelukkig maar. 

We leven zonder te weten waarom en waarvoor, in een universum dat Schopenhauer ooit beschreef als ‘…de oneindige ruimte van talloze stralende bollen rond elk waarvan ongeveer een dozijn kleinere bollen cirkelt die, van binnen heet, met een gestolde, koude korst bedekt zijn, waarop een schimmellaag levende en kennende wezens heeft voortgebracht.’

Als we dat nog eens te horen krijgen in een kerstrede vanuit Huis ten Bosch, dan mag het koningshuis wat mij betreft nog wel een paar jaartjes blijven. Ik hou niet zo van dat soort preken over ‘te hoge latten’ en ‘gevoelens van eenzaamheid die er mogen zijn’. Ongelukkig zijn is een talent dat je moet koesteren. Melancholie is de natuurlijke geestestoestand van de mens. Maar tegenwoordig spreken we niet meer over melancholie, maar over depressie.

Depressief zijn lijkt het ergste wat een mens kan overkomen in een tijd waarin het  geluk als een natuurlijk recht wordt beschouwd. ‘Wij eisen geluk!’ Die leuze las ik ooit in grote witgekalkte letters op een muur in Amsterdam. Het lijkt het adagium van onze tijd. Geluk als natuurlijk biotoop voor het leven, met als keerzijde een wildgroei van het fenomeen ‘depressie’. Als je steeds maar roept ‘Ik ben gelukkig!’, dan baan je de weg voor je eigen depressie. En als iedereen dat gaat roepen, dan wordt de depressie een epidemie. 

In 2008 verscheen het boek De depressie- epidemie  van Trudy Dehue, hoogleraar wetenschapstheorie en wetenschapsgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen. In dit boek, dat een bestseller werd, stelt zij de vraag aan de orde, hoe het kan dat in een welvarend land als Nederland zoveel vraag is naar antidepressiva. In 2014 waren dat er maar liefst 1 miljoen, ofwel 6% van de gehele bevolking, van baby’s tot en met bejaarden. Ik vrees dat het er nu zelfs nog meer zijn. Heel Nederland is aan de pillen, zo lijkt het wel. Depressief zijn we allemaal wel eens en met een pilletje is dat tegenwoordig heel wel te verhelpen.

In een interview, dat in 2011 in De Volkskrant verscheen, zette Dehue haar betoog in een politiek perspectief dat zich richt op het neoliberalisme in het algemeen en de ideologie (of het gebrek daaraan) van het kabinet Rutte in het bijzonder. De moraal, die dit kabinet hanteert ‘is die van de 
stoerheid: ga eens harder aan jezelf 
werken! De overheid spreekt mensen continu aan op hun verantwoordelijkheid. Het gaat veel over wat je allemaal 
moet doen en laten, er lijkt geen lot 
meer te zijn dat je mag aanvaarden. Het moet allemaal sneller en beter en hoger en mooier.’

In de tijd van schaarste en wederopbouw ontstond een arbeidsethos dat gericht was op een gezamenlijke toekomst die voor iedereen beter zou worden. Dat schiep een collectieve band. Ouders legden alles op zij om hun kinderen te laten studeren. Nu is dat collectieve ideaal verdwenen. Het vrije individu de enige utopie die we nog over hebben. Die vrijheid slaat om in een dwangbuis. Dehue formuleert het als volgt:

‘Volgens de Britse socioloog Nikolas Rose, die ook de kreet ‘verplichte vrijheid’ bedacht, is er een biologische kapitalistische arbeidsmoraal ontstaan. We zijn ons eigen leven, ons lichaam en onze hersenen als een soort onderneming gaan zien. Als een klein bedrijfje. Daarom sporen we elkaar aan om onze hersenen te verbeteren en ons uiterlijk 
te verfraaien. Innerlijk en uiterlijk 
moet alles perfect zijn, daar haal je succes uit; en als je succes hebt, ben je gelukkig. Succes en geluk zijn synoniem 
geworden. Dan komen degenen die 
niet succesvol zijn, dus in de problemen’

In de vorige eeuw, zo stelt Dehue, wees Max Weber op het raakvlak tussen het protestantisme en het strenge arbeidsethos, waardoor het kapitalisme in Europa en Amerika tot bloei is kunnen komen. Nu ziet zij een soortgelijk verband tussen het kapitalisme en de manier waarop we naar onszelf kijken. Het brein is een onderneming geworden. Succes is een keuze. Mensen moeten ‘manager van zichzelf’ worden en in dat perspectief wordt het fenomeen depressie opnieuw gedefinieerd als een ‘tekort aan individuele ondernemingszin’. De biologische psychiatrie past in deze neoliberale ideologie. In haar haar boek De depressie-epidemie vatte Dehue dit verband als volgt samen:

‘Met de gedachte dat het lichaam zelf de oorzaak zou zijn van psychische problemen, hielp de biologische psychiatrie het idee van een maakbare samenleving verruilen voor het idee van het maakbare individu.’

Zoals sportmensen er alles aan doen om het vermogen van hun lichaam op te rekken, waarbij vaak alle middelen zijn geoorloofd zijn, zo is nu iedereen bezig om de lat van zijn prestatievermogen steeds hoger te leggen. Antidepressie pillen worden vaak gebruikt als een soort prestatiepillen, zo beweert Dehue. Depressiebestrijders zijn ‘mental coaches’ geworden. Ze maken ons wijs dat we niet teveel moeten denken en piekeren, maar vooral moeten ‘doen’. Haal alles uit je leven. Reik zover je kunt. The sky is de limit.

Dehue noemt het een ‘ban op bedachtzaamheid’. Diepgaande reflectie werkt anti-productief. We moeten vooral niet te veel denken en zeker niet over zaken die niet nuttig, effectief of marktgericht zijn en daarom geen rendement opleveren. Zo wordt een verband gelegd tussen de economische ontwikkeling die gericht is op functionele rationaliteit en de opkomst van de biologische psychiatrie die met zijn psychofarmaca de mens steeds meer in zijn greep krijgt. ‘Wij zijn niet ons brein!’ zo luidt de optimistische mantra van deze tijd. De boeken over het brein zijn tegenwoordig niet aan te slepen. Maar daarmee raakt een elementaire vraag uit zicht.

Wat betekent het om in 21ste eeuw nog om ‘mens’ te zijn?  De ‘ziel’ ligt op de schroothoop van de geschiedenis. Nu gaat ‘de geest’ er achteraan. Er komt een tijd, zo schreef Foucault, dat de ‘mens’ zal gaan verdwijnen als een getekende gestalte in het zand aan de vloedlijn van de zee. Het verschijnsel mens is pas tweehonderd jaar oud, zo oud als de antropologie. Die antropologie als ‘wetenschap van de mens’ heeft twee eeuwen nodig gehad om ‘de bigotte antropologie van het christendom’ te verdringen. Maar het gevolg daarvan is, dat de ‘mens’ – of wat dat ook moge zijn – zich uitlevert aan de keiharde wetenschap van ‘meten is weten’.

En de laatste ‘wetenschap van de mens’ is de biologie, dat wil zeggen: de moleculaire biologie, de wetenschap van het menselijk genoom en de neurowetenschap. In dat perspectief heeft de biopolitiek uiteindelijk een duivels verbond gesloten met de biochemische industrie. Zo is de mens niet alleen maakbaar, maar ook beheersbaar geworden. ‘Psychisch ziek zijn’ betekent niet goed functioneren in het neoliberale prestatiesysteem. Geluk is identiek aan succes en iedereen moet streven naar zijn eigen optimale geluk, dat wil zeggen: succes, succes, succes…..

De filosofische benadering van Michel Foucault vond in de laatste decennia een vervolg in de sociologische theorie van Nikolas Rose, met name in zijn boek Powers of freedom, reframing political thought (1999). Dat is ook het boek waar Trudy Dehue naar verwijst. Rose onderzoekt het grensgebied van het sociologische en het biologische. Wat voor soort wezens zijn wij nog? Zelfs de grens tussen mens en dier staat steeds meer ter discussie. De opkomst van een politieke ‘partij voor de dieren’ is een teken aan de wand. De mens is een dier als ieder ander, dat is de achterliggende gedachte. Omgekeerd heeft ook het dier zijn biologisch rechten.

Het ‘naakte leven’ (een term van de filosoof Agamben) dat door totalitaire systemen wordt toegeëigend, vindt zijn vervolg in de biopolitiek van het kapitalisme. De mens is een biologisch product van de natuur, dat volledig verantwoordelijk is voor zijn eigen geluk en succes, maar ook een somatisch wezen dat ab ovo maakbaar is en dus ook politiek beheersbaar en bestuurbaar tot in zijn diepste vezels: dat wil zeggen: tot in zijn genen en in zijn brein.

In dit armzalig wereldbeeld raken biologie en psychiatrie steeds meer met elkaar verweven en leveren zich kritiekloos uit aan het ideologisch kader van het neoliberalisme. Bio-psychiatrische kennis wordt allengs uitgeleverd aan een netwerk van sociale, economische en politieke krachten. Als je deze ontwikkeling op afstand bekijkt dan heeft het nationaalsocialisme als ideologie uiteindelijk toch zijn historisch gelijk gekregen. De mens is een willekeurig organisch uitgroeisel van de natuur, dat in  een van hogerhand bedacht systeem ingepast moet worden. De bestemming van dit alles gaat het verstand te boven. Er is iets waaraan wij ons moeten uitleveren in de waan dat wij dat uit vrije wil besluiten te doen.

Cui bono? dat is de hamvraag. Wie wordt daar beter van? Dat is natuurlijk de biochemische industrie, die telkens maar weer nieuwe geneesmiddelen en psychofarmaca produceert die het brein van de mens het gareel houdt. In de nabije toekomst zullen ook afwijkingen de menselijke genen behandeld kunnen worden, zelfs preventief. Een genetisch verhoogd risico op schizofrenie zal dan met nieuwe geneesmiddelen kunnen worden verholpen, met alle gevolgen van van dien. Dat wil zeggen: controle van wieg tot graf. Als je zelf verantwoordelijk wordt voor je genen, dan zul je ook je levenswandel aan moeten passen. Dus: geen drugsgebruik meer, niet roken, niet drinken. Wie gezond wil blijven en recht wil houden op de zorgverzekering zal straks in het gareel moeten lopen van Big Brother.  De dictatuur van de vrijheid…. is watching you.

We worden steeds meer gedwongen te kiezen in een zee van keuzemogelijkheden die ons wordt aangereikt. Dat is de paradox van het neoliberalisme. Deze nieuwe vrijheid is het tegendeel van ze pretendeert te zijn. Het is de gevangenschap die niet als zodanig zichtbaar is en daarom dubbel zo effectief functioneert. Ieder voor zich en het kapitaal voor ons allen. We leven in de dictatuur van de keuzevrijheid. We moeten niet alleen kiezen, maar ook consumeren. We moeten presteren en succes hebben. Maar bovenal, we moeten gelukkig zijn. Sterker nog, wij eisen geluk!

Geluk is een mensenrecht geworden, waarvoor we zelf verantwoordelijk zijn. De wereld is het domein van het  ‘vrije ik’, zwelgend in zijn ongekende mogelijkheden, terwijl de neurowetenschap ons dwingt te erkennen dat er helemaal geen vrije wil bestaat. Dat is de paradoxale dictatuur van de vrijheid, een narcose die voelt als een klamme droom. We nemen er kennis van en gaan over tot de orde van de dag. Of – zoals ik Laurens ten Cate ooit heb horen zeggen:

‘Wij doen allen wat wij moeten, omdat wij het moeten, zonder te weten waarom wij het moeten en wat er zou gebeuren als wij het niet deden.’

Reageren is niet mogelijk.