Ontdekking in Venetië

Scuola di S. Giorgio degli Schavioni, Venetië, vorige week dinsdag

Venetië is een stad waar water en stedenbouw ooit een perfecte harmonie hebben gevonden – kortom, het Amsterdam van het zuiden. Wie Venetië alleen maar kent uit de film Death in Venice of zoals ik de stille wens koester er gauw weer eens terug te komen, moet vooral niet vergeten de schilderijen van Carpaccio te gaan zien. Er zijn schilders die een groot oeuvre hebben nagelaten dat over de hele wereld is verspreid, zodat je ze nooit helemaal leert kennen. Bijna alles wat Carpaccio heeft geschilderd hangt in de Scuola di S. Giorgio degli Schavioni, dus ideaal voor luie vakantiegangers. Tien minuten varen achter de San Marco ligt het naar Venetiaanse maatstaven wat onooglijke gebouwtje dat al in de vijftiende eeuw als opvangcentrum voor arme zeemanskinderen uit Dalmatië heeft dienstgedaan. De regenten uit die tijd zaten waarschijnlijk minder krap bij kas, want de schilderingen die Carpaccio in opdracht van hen vervaardigde behoren tot de topstukken van de vroege Renaissance.

De geschilderde panelen laten taferelen zien uit het leven van de beschermheiligen van de Scuola, Sint Joris – wiens relikwieën hier ook bewaard worden – en Hiëronymus, de ascetische kerkvader uit de vierde eeuw, die evenals Sint Joris uit Dalmatië afkomstig was. De overwinning van Sint Joris op de draak vormt het hoogtepunt van een reeks dramatische momenten, die door de eigenaardige schildertrant van Carpaccio bevroren lijken in de tijd. De ogen van de schilder hadden blijkbaar een miniem diafragma. Veraf is even scherp als dichtbij en de ruimte lijkt platgeslagen in rasters van horizontalen en verticalen.

Er is één paneel echter waarop geen spoor van drama te bekennen lijkt. Een figuur zit in zijn studeerkamer met rond zich alle attributen van geloof, kunst en wetenschap en kijkt met de pen in de hand uit het venster: Hiëronymus, dat kan niet missen en daar heeft men hem ook altijd voor gehouden. Altijd tot 1959. In dat jaar publiceerde Hellen T. Roberts een artikel in The Art Bulletin, waarin ze laconiek beweerde: ‘Dit is niet Hiëronymus, dit is Augustinus’. Voor kunsthistorici, die zich meestal tevreden moeten stellen wellicht ooit nog eens de twee-enveertigste leerling uit de school van de Meester van Siëna te kunnen onderscheiden, zou dit en opzienbarende ontdekking zijn. Maar er waren argumenten. Uitvoerig iconografisch onderzoek en het napluizen van vijftiende eeuwse bronnen hadden een legende aan het licht gebracht die onder andere wordt vermeld in het in 1485 in Venetië verschenen Hyeronimus: Vita et transitus en die wonderwel past op deze voorstelling. Volgens deze legende zou Augustinus in het jaar 419 op het punt hebben gestaan Hiëronymus een brief te schrijven om hem raad te geven bij de oplossing van een moeilijk theologisch probleem. Maar Hiëronymus, zo wil de legende, was kort tevoren overleden en Augustinus had zijn naam boven de brief nog niet voltooid of hij werd getroffen door het licht uit het venster dat plotseling een onbeschrijfelijke helderheid had en een onuitwisbare verfijning – ‘con ineffibile fraganza’ – een licht waarin een stem hoorbaar werd: “Che cosa cherci, pensi tu di poter mettere il mare in uno picolo vaso?’ (Wat zoek je toch, dank je dat je de zee in een vaasje kunt stoppen?).

Dat waren de woorden die ook bij miss Roberts het kwartje deden vallen. Het argument loog er niet om, en een document dat kort na het verschijnen van haar artikel in de Scuola werd teruggevonden stelde haar definitief in het gelijk. Ze had een ontdekking gedaan en hoorde wellicht het gelukkige geluid van stille seconden die een dergelijke gebeurtenis moeten omgeven. Augustinus was weer terug in Venetië, waar hij overigens nooit heeft gewoond.

Rijdend in de tram door Amsterdam las je vroeger bij elke halte een reclametekst met de woorden ‘Het Parool, léés die krant!’ Ik heb die aanbeveling altijd een beetje als een belediging opgevat, alsof je alles met die krant zou willen doen, de vis verpakken, de vloerbedekking afdekken bij het schilderen, maar lezen? Ho maar! Vorige week ben ik  weer in Venetië geweest, en onderweg heb ik een prachtig boek gelezen, waarin ik de boom van de filosofie nog één keer heb zien bloeien. Als een boek een stad is, waarin je een tijdje hebt gewoond, dan ben ik in dit boek bijna verdwaald. Het is Philosophy and the mirror of nature van Richard Rorty.

Hoewel de stijl helder en beknopt is, in de beste traditie van het Amerikaanse pragmatisme, is het boek niet makkelijk leesbaar. Het betoog snijdt af langs binnenwegen en elke zin lijkt de neerslag van een complete gedachtegang. De beweringen van Rorty komen er op neer dat de filosofie binnen het westerse denken op een breekpunt is gekomen. De mens heeft moeten constateren dat hij zijn geprivilegieerde toegang tot zijn eigen kenvermogen is kwijtgeraakt. Dat de essentie van de mens in de mogelijkheid ligt om zijn eigen essentie te kennen blijkt een illusie te zijn. Glasheldere waarheden zijn alleen mogelijk als er geen vuil zit op de spiegel die binnen- en buitenwereld van het denken scheidt. Maar in deze beeldspraak is iets eigenaardigs aan de hand. De gedachte dat een mens een ‘binnen’ en een ‘buiten’ heeft lijkt zo vanzelfsprekend, dat nauwelijks iemand zich nog realiseert hoe modern deze gedachte eigenlijk is. Dit onderscheid ‘binnen-buiten’ werd voor het eerst door Descartes gemaakt. Daarvoor is het in het denken eigenlijk niet aan de orde, behalve bij Augustinus, maar niet eerder en niet tussen Augustinus en Descartes. Bij dit moderne onderscheid ‘binnen-buiten’ wordt het denken bepaald door wat Rorty noemt ‘de metaforen van het oog’.

De mens heeft zijn eigen denkvermogen opgevat als een spiegel van de natuur, waarin de waarheden van het geheel zichtbaar kunnen worden. De ontmantelingen van deze metafoor, die sinds de zeventiende eeuw hebben plaatsgevonden, zijn achteraf op te vatten als een steeds verder verplaatsen van de spiegel. Of je nu onderscheid maakt tussen denken en materie, het denken opvat als gefilterd door de zintuigen, of door zelfkritiek de wetmatigheden van het denken zelf blootlegt die a priori gegeven zijn, steeds blijft de illusie in stand dat het verdwijnpunt van de spiegel samenvalt met een punt in het heelal,  van waaruit alles verklaarbaar zou zijn. In het ‘denken van de spiegel’ konden zich totaalbeelden ontwikkelen, waarin mens en natuur, denken en werkelijkheid een plaats vonden: veraf is even scherp als dichtbij. Maar naarmate de natuurwetenschap meer verfijnde elementaire onderscheidingen oplevert, raakt de vanzelfsprekende samenhang in de werkelijkheid verder uit beeld.

Het heimwee naar een filosofie als alles omvattende architectuur voor het denken kwam nadien tot uiting in een onderzoek naar de structuur van de taal. Deze onderneming leidde echter tot een deconstructie van betekenissen en metaforen, maar niet tot het construeren van een nieuw verdwijnpunt van het denken. Ook de resultaten van de cognitieve psychologie, waarin het denken wordt onderzocht als onderdeel van de elektrochemische werking van het zenuwstelsel, kunnen niet in verband worden gebracht met de innerlijke spiegelbeelden die de traditionele filosofie heeft opgeleverd. Gedachten zijn geen mentale toestanden die zo bijzonder van aard zijn dat zij tot oncorrigeerbare waarheden kunnen leiden. Conclusie: het diafragma met een oneindig verschiet heeft plaatsgemaakt voor een gefragmenteerd beeld, eindig, zonder samenhang en met beperkte scherptediepte.

Vanuit deze stelling, die in talrijke argumenten wordt onderbouwd, komt Rorty tot een radicale ommezwaai. Hij pleit voor een manier van denken die de illusie opgeeft niet corrigeerbare waarheden te kunnen vinden, een denken dat het ontdekken van feiten als een onderneming beschouwt naast andere die mogelijk zijn. En daarnaast wil Rorty andere – voor ons abnormale manieren van denken – uit het verleden of in vreemde culturen – confronteren met de onze om zodoende tot nieuwe gezichtspunten te kunnen komen. Hiermee komt de deur open te staan voor een ontmoeting tussen natuurwetenschap en geesteswetenschap. Het denken in al zijn disciplines wordt opgevat in zijn eigen culturele en tijdgebonden situatie en laat ruimte open voor datgene wat niet verklaarbaar is vanuit de eigen uitgangspunten. Rorty noemt dit ‘edifying philosophy’ – bouwende filosofie – in tegenstelling tot het ‘denken van de spiegel’, waarnaar de titel van het boek verwijst. Het denken als spiegel van de natuur is in gruzelementen gevallen, so what? De rots van de ratio, ooit uitgehakt door mensen als Augustinus en Descartes komt weer op de grond te staan, als een rots die deel uitmaakt van de aarde. En daarmee wordt die rots er niet minder om. In plaats van het zoeken naar waarheden dient vóór alles de communicatie op gang te worden gehouden.

Het betoog van het boek is te rijk om in een paar worden samen te vatten. De formuleringen die Rorty hanteert zijn logisch en helder zonder de smetten van beeldspraak, waarin elke samenvatting algauw vervalt. Rorty wordt tot de postmoderne filosofen gerekend, maar nergens glijdt hij af naar het duistere taalgebruik van Franse denkers als Derrda, of Baudrillard die op hetzelfde etiket aanspraak maken. Hij zoekt aansluiting met filosofen als Wittgenstein, Dewey en de late Heidegger, die hij de ‘helden van mijn boek’ noemt, omdat zij geen poging hebben ondernomen om aan de geschiedenis te ontsnappen of om hun eigen waarheid te vereeuwigen. Hoewel Rorty zich relativerend uitlaat over kunstkritiek en andere ‘soft spots of humanities’, geeft hij alle ruimte aan de esthetische ervaring die eigen is aan de kunst en die nieuwe inzichten kan bieden. Elk citaat uit dit boek zou onrecht doen aan andere, maar als ik er maar één mocht kiezen, wordt het dit:

Edifying philosophers want to keep space open for the sense of wonder poets can sometimes cause – wonder that there is something new under the sun, something which is not an accurate representation of what was already there, something which (at least for the moment) cannot be explained and can barely be described.’

Dit is het, ruimte open laten, taal waarvoor je capituleert. Hier springt de barst in de spiegel, een minieme opening die ruimte biedt voor een zee van verwondering. Er zijn mensen die een berg beklimmen en op de top aangekomen zichzelf voor de kop kunnen slaan – ‘Ik sta op een berg verdomme!’ – omdat de verwondering maar niet wil komen. Rorty beklimt het hooggebergte van de geest, het gebied waar bijna niets te halen valt en op de top doet hij een vreemde ontdekking. Het denken kan zichzelf niet vatten. Haar structuur is discontinu. Het is niet van glas, maar zoiets als gatenkaas en aan het ijle niets geeft hij een woonplaats en een naam. Niet belast met de loodzware arrogantie van het leven in het nu, modern te zijn, of de eigen tijd superieur te achten, behoort hij evenals de helden van zijn boek tot de mensen die met een platgetreden gemeenplaats wel eens de helden van hun tijd worden genoemd, de weinigen die de moed hebben de zegels te verbreken die rusten op het embargo van de verwondering.

Groot is het vermogen, dat mijn geheugen is, geweldig groot, mijn God! Een weidse onbegrensde ruimte is het! Wie is er tot op de grond gekomen? En dit vermogen is een vermogen van mijn geest en behoort tot mijn natuur, en ik vat niet alles wat ik ben. De geest is dus te beperkt om zichzelf te vatten. Maar wat zou het dan zijn, datgene wat hij van zichzelf niet vat? Zou het dan soms buiten hem zijn en niet in hem? Hoe komt het dan dat hij het niet vat? Verbazing bevangt mij daarover; verbijstering grijpt mij aan.”
(Augustinus Belijdenissen –vertaling Gerard Wijdeveld)

Als ik schrijf blijf ik de woorden zien als metaforen van het oog. Of: “Als ik schrijf blijf ik de woorden ZIEN als metaforen van het oog.” Augustinus of Hiëronymus, léés die krant of lees dié krant, het zijn problemen van betekenis. De woorden drijven in het niets. Het zijn gondels van de tijd. Met alle respect voor Miss Roberts, maar als er in Venetië één gondel drijft waarmee zij terug kan varen naar de vijftiende eeuw, waag ik het te beweren dat haar laconieke bewering geen waarde meer zal hebben. De zeemanskinderen in de Scuola werden niet gehinderd door de metaforen van het oog, laat staan door het minieme diafragma in de ogen van Carpaccio. Zij zagen wat zij wisten. En op de vraag ‘’Wie is dat op dat schilderij’ zou in koor het antwoord klinken. “Dat is niet Augustinus, dat is Hiëronymus. Wat zoek je toch, denk je dat je de zee in een vaasje kunt stoppen?”

1 Reactie »

  1. Jos Heitmann

    8 oktober 2019 op 01:27

    Niet groots œuvre?

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)