Terug in een schuldige buurt

De Wolkenkrabbber, Amsterdam, gisteren, 13 uur

De eigenaardigheden van een stad liggen niet in de herkenningspunten van een ansichtkaart, maar in alledaagse details, zoals de structuur van gevels, het onopvallende ornament, de aard van het licht en de textuur van het plaveisel. Maar toch ook – hoe je het ook wendt of keert – in eigenaardige gebouwen. De Wolkenkrabber in Amsterdam Oud-Zuid is zo’n eigenaardig gebouw dat zich een leven lang vastzet in het geheugen en telkens weer de verbeelding in beweging brengt.

Gisteren fietste in met mijn OV-fiets van Station Zuid naar de Bijlmermeer, op weg naar Hans die ik al ken vanaf mijn 12de jaar. Hij woonde als kind bij mij in de buurt in de Watergraafsmeer. Begin jaren zeventig heb ik nog twee jaar bij hem in huis gewoond. Zo kwam ik gisteren al fietsend door de buurt, waarvan de straten de namen dragen van rivieren die traag door een oneindige stad lijken te gaan. Je kunt er in ieder geval eindeloos dwalen.

Midden in die buurt staat de Wolkenkrabber. Het is een markant gebouw van 12 verdiepingen hoog op het einde van de Vrijheidslaan, op de splitsing tussen Rooseveltlaan en de Churchilllaan. Het verrees in 1931 naar ontwerp van architect Staal. De Wolkenkrabber speelt een belangrijke rol in Willem Frederik Hermans’ roman De tranen der acacia’s (1949). Ook Wolkers heeft er over geschreven in Turks Fruit en Simon Vestdijk in De kelner en de levenden.

Ik heb gisteren nog even de plek proberen te vinden op de Churchilllaan, waar Reve – zoals hij in De Taal der Liefde schrijft – ooit staande werd gehouden door een man die hem voor twee kwartjes een bos bloemen wilde laten bezorgen bij een zekere mijnheer ‘Duits’. Als geen andere buurt in Amsterdam is de Rivierenbuurt een schuldige buurt. Anne Frank woonde hier, achter de Wolkenkrabber op het Merwedeplein.

Reve heeft haar misschien wel ooit gezien. Ze hadden vlak voor de oorlog in ieder geval dezelfde leraar geschiedenis. Jacques Presser gaf niet alleen les op het Vossiusgymnasium, waar Reve op school zat, maar ook op het Joods Lyceum, waar Anne Frank haar lessen volgde. Jacques Presser is ook de enige leraar van Gerard Reve die ik zelf ook heb gehad, als hoogleraar wel te verstaan. Reve schrijft in Moeder en zoon (1980) niet zo positief over Presser. Zo goed heb ik hem nu ook weer niet gekend dat ik daarover kan oordelen. Hoe dan ook, van oktober 1968 tot april 1969 volgde ik colleges bij Presser. Ik raakte toen onder de indruk van hem. Maandenlang sprak hij elke week twee uur lang over het schrijven van zijn boek Ondergang, maar ook over zijn herinneringen als leraar aan Anne Frank.

Hoe dan ook, ikzelf ben ‘de Wolkenkrabber’  duizenden malen gepasseerd op weg naar school. De eerste keer dat ik het zag was in 1953, achterop de fiets van mijn moeder. Ik was zes jaar. We reden naar het Olympisch Stadion, waar dat jaar de Tour de France zou starten. Veel renners heb ik niet gezien. Wel gebouwen onderweg. Zodra we over de Berlagebrug kwamen, betraden we een andere wereld. Ik keek mijn ogen uit daar in het Zuid van Berlage.

De gebouwen hadden rare balkons die wel tientallen meters doorliepen en dan weer versprongen naar een hogere etage. Ze waren af en toe rond in de hoek en hadden soms vreemde puisten door de uitstekende bakstenen van een andere kleur. Op het eind van de Vrijheidslaan, die toen nog Stalinlaan heette, waren er aan weerszijde galerijen met winkels. En opeens was daar de Wolkenkrabber. Indrukwekkend, imposant…. Thuisgekomen heb ik er meteen een tekening van gemaakt.

Later ben ik er wel eens binnen in de Wolkenkrabber geweest, omdat een klasgenoot op de 10de verdieping woonde. Ik heb toen goed rondgekeken en ook van het uitzicht genoten. Zo had ik Amsterdam nog nooit gezien. Tegenwoordig zie je van daaruit veel hogere wolkenkrabbers die de skyline van de stad bepalen. In de jaren vijftig was er maar één wolkenkrabber die de soortnaam als eigennaam had. In 1966 verrees pal vóór het gebouw een foeilelijk standbeeld van Berlage, gemaakt door Hildo Krop die toen duidelijk in zijn nadagen verkeerde.

Architectonisch gezien is de Wolkenkrabber bijzonder, niet alleen vanwege zijn ligging – in de as van het ‘Plan Berlage’ – maar ook vanwege zijn hybride bouwstijl, die zowel de kenmerken vertoont van de Amsterdamse School van de jaren twintig als van het latere functionalisme. Het trappenhuis is opengewerkt met glas. Er is veel staal toegepast in de constructie. De symmetrische toren heeft in het midden een lift en het gebouw had als eerste centrale verwarming. Hypermodern dus voor zijn tijd, al zie je dat nu er niet meer aan af.

Aan de achterzijde, op Merwedeplein. In de Waalstraat, die hier langs loopt, woonde Hans Wouters, een klasgenoot van mij op de Peeterssschool. Zoals gezegd, ook Anne Frank heeft op het Merwedeplein gewoond, maar dat heb ik als kind nooit geweten. Er bestaat een kort filmpje van Anne Frank (zie hier), waarin ze even te zien is op een balkon. Ze keek toen uit op De Wolkenkrabber. Hier in de Rivierenbuurt woonden vóór de oorlog veel Joden.

Veel van hen werden met de tram afgevoerd naar het Muiderpoortstation, vanwaar de deportatie naar de kampen op gang kwam. Ook de Wolkenkrabber is misschien ook wel een ‘schuldig gebouw’, om in de termen van Armando te spreken. Juist in de jaren vijftig, toen ik het leerde kennen, kwam het verval. De liften werkten niet meer. De centrale verwarming kreeg geen brandstof. Bewoners begonnen zelf kachels aan te leggen en het gebouw werd een raar object met buizen die er overal uitstaken.

Na de oorlog woonden in de Wolkenkrabber veel bekende mensen, zoals bijvoorbeeld Mary Dresselhuis en Paul Viruly, de soldaat van Oranje, maar ook Gerard Walden, de broer van Willie, Annie M.G. Schmidt en ook Professor Donkersloot, de neerlandicus. En niet te vergeten de ouders van Ischa Meijer. Of woonden die aan de overkant? Rechts aan de overkant van het Victorieplen woonde in ieder geval Gerard Wijdeveld, mijn leraar Grieks en Latijn, die voor de oorlog een bekend religieus gedicht had geschreven – Er is een lam dat bloedt – en na de oorlog Augustinus vertaalde.

In die verwarrende jaren voor de oorlog had Wijdeveld ‘de verkeerde kant’ gekozen, zoals meerdere katholieken de weg kwijt raakten in die tijd en in ban raakten van mediterrane ‘sterke mannen’ zoals Mussolini of Franco. Van daaruit was het maar een kleine stap naar ‘Der Führer’. Op school zeiden we wel eens gekscherend tegen elkaar dat je bij Wijdeveld bijles kon krijgen in ‘de NSB-vakken’. Dat was destijds de bijnaam voor het vakkenpakket natuurkunde, scheikunde en biologie.

Ook Rudy Butzelaar woonde als kind op het Victorieplein. Hij was een klasgenoot van mij op het Ignatiuscollege. Later zou hij chirurg worden in het Sint Lucasziekenhuis. Hij is in 2014 is overleden. Rudy Butzelaar was de oprichter van het Ingeborg Douwes Centrum, een psycho-oncologisch centrum voor de nazorg van kankerpatiënten.

Ik herinner me Rudy vooral uit de vijfde en zesde klas, maar ook van de retraite in het klooster De Slangenburg in Doetinchem in januari 1966, vlak voor mijn opname in Heiloo. Daar was hij samen met Wim Budde, Jan Bakker, J.C. Berger, Herman Gelens en Loek Custers. Maar ik herinner Rudy ook nog van een examenfeestje in juni 1966 in de Aula van het Ignatius. Ivo Niehe and The Furies zorgden toen voor de muziek. Ik had het examen moeten missen. Ik sprak daar met hem over mijn opname in Heiloo, waar hij als klasgenoot niets van had meegekregen. 

Op een vreemde manier kenden katholieke kinderen in het Amsterdam van de jaren vijftig en zestig elkaar allemaal. Rangen of standen deden er niet toe. Het geloof bracht iedereen bij elkaar binnen dezelfde zuil. Ze gingen naar dezelfde school, dezelfde club, dezelfde kerk, of anders wel hun broer of zus. Ze liepen door dezelfde straten in Oost, West of in de Rivierenbuurt met te midden van dat al de Wolkenkrabber. Het mooiste gedicht over De Wolkenkrabber – of in ieder geval over het plein waar hij staat – is van Ischa Meijer en heet:

VICTORIEPLEIN

Soms loop ik ’s nachts naar het Victorieplein,
Als kind heb ik daar namelijk gewoond.
Aan vaders hand zijn zoon te zijn,
Op moeders schoot te zijn beloond.

Om niet. Om niet is het, dat ik hier ga,
De vrieskou in mijn jas laat dringen,
Alsof de tijd zich ooit zou laten dwingen,
Terwijl ik roerloos in de deurpost sta

Om thuis te komen. En zo simpel is de gang
Om tot dit moeilijk inzicht te geraken:
Dat ik geen kind meer ben; dat ik verlang

Naar iemand die nooit kon bestaan:
Een jongetje dat alles goed zou maken –
De tijd die stilstond en hem liet begaan.

Reageren is niet mogelijk.