De drukfout in mijn DNA

Portret van mijn vader, geschilderd door mijn zus Cornelie

Elke tekst heeft een incubatietijd gehad in het brein van een schrijver en is een tijdlang onzichtbaar aanwezig geweest in een onwerkelijk
 schemergebied. Een architect kent achteraf het gelukkige gevoel zijn eigen ideeën in steen verwerkelijkt te zien, zoals een schrijver spreekt 
van ‘la joie de se voir imprimé’. Maar in alles wat gedrukt wordt kan heel wat misgaan.  If anything can go wrong, it will. Dat geldt alle voor dingen tussen hemel en aarde, maar vooral voor het fenomeen van de drukfout.

Mijn vader had de wet van Murphey als lijfspreuk. Hij was een Pietje Precies en dacht altijd dat als er ooit ergens iets mis kon gaan, dat ook inderdaad mis zou gaan. Dat ging het dus ook, want hij kreeg een zoon die de grootste sloddervos zou worden die het geslacht der Mousen heeft voortgebracht. Kennelijk zat er één chromosoom verkeerd in het zaad van mijn vader. Er zat een drukfout in mijn DNA. Dat ene foute chromosoom werd het noodlot van de wet van Murphey. Ik werd, ik was en het is gedaan… Ik ben letterlijk de belichaming van die fatale wet, waarin mijn verwekker heilig geloofde. Ik ben de zoon waarin alles mis ging, omdat er iets, iets, iets… ooit… waar dan ook ….. mis kon gaan en dus ook….  Ach, alles is voorbeschikt. alsof alles al ergens gedrukt staat voor het gedrukt is. Er is niet nieuws onder de zon. Niets. Ook niet boven de zon.

En toch, soms overkomt me iets vreemds. Dan kan ik ‘s nachts opeens wakker worden en mijn blog van de volgende dag al in zijn geheel voor mijn geestesoog zien verschijnen. Dat is natuurlijk een wonderlijk fenomeen. Het suggereert dat een tekst – op een bijna occulte wijze – al in de geest of in de ziel van een schrijver aanwezig is, alvorens hij in de creatie of de fantasie ontstaat. De woorden hoeven alleen maar bevrijd te worden, zoals Michelangelo zijn beelden niet als nieuw creëerde, maar verloste uit het marmer, waarin zij tevoren al aanwezig waren. Dit is het neoplatonisme van de Renaissance. Alles is er al. Elk verhaal, elke tekst… dat wil zeggen: elke tekst met drukfouten en al… 

Ik heb ooit eens een verhaal geschreven dat als titel droeg Over de grondslagen van een drukfout. Het ging over de wet van Murphey: ‘Als er ergens iets mis kan gaan, dan gaat het ook mis’. Dat is een wet die oorspronkelijk in de praktijk van het boekdrukken is ontdekt. Elke drukker weet dat de zetduivel opduikt op de meest onverwachte momenten. Als je alles drie keer gecontroleerd denkt te hebben, zit er toch nog een drukfout of typefout. Gisteren had ik het met iemand over ‘hakfouten’. De grafsteen van mijn grootmoeder bevat een hakfout. Dat is geen goedkope zaak om die te herstellen. De steen is van Portugees Rosselino marmer, maar dat terzijde. Er is iets raars aan de hand met druk- en typefouten. Er zijn fouten waar de schrijver zelf een blinde vlek voor heeft. Je kijkt er soms wel drie of vier keer overheen. Laatst zag ik een boek waarop een woord op de voorzijde anders was gespeld dan op de rug. Nu was het niet een alledaags woord, Cybiont of Cybyont. Het scheelt maar één letter, maar toch, het staat niet netjes.

Tot voor een paar jaar terug had je aan weerszijde van de Oosterstaat in Leeuwarden een beddenzaak. Aan de ene kant hing een lichtreclame aan de muur met het woord WOONCOMFORT. Aan de andere kant een vergelijkbare lichtreclame. Maar nu anders gespeld als WOONKOMFORT. Gelukkig bestaat de beddenzaak inmiddels niet meer. Het rare is dat je eigen verblinding voor een type- of drukfout voor anderen niet opgaat. Het gebeurt me geregeld dat ik in een stuk getypte tekst meteen de drukfout zie die anderen was ontgaan. Het is alsof je oog dan de tekst niet leest maar ‘scant’, en je zo in één opslag de onregelmatigheid in het patroon signaleert.

Er zijn mensen die deze eigenschap in sterke mate bezitten. Ze hebben een bijzonder talent om een druk- of typefout in één oogopslag te herkennen. Ik heb ooit een directeur gehad die uiterst begaafd was in deze tak van sport, het zogeheten typefout-scannen. Je hoefde hem maar een brief of tekst voor te leggen en zijn vinger ging onmiddellijk met een razende snelheid naar de plek waar de typefout zich bevond. Soms verdacht ik hem ervan dat hij de vinger al bewoog nog voordat hij de tekst überhaupt gezien had. 

Hoe dan ook, mijn verhaal  Over de grondslagen van een drukfout ging over een drukfout in de dissertatie van L.E.J. Brouwer, Nederlands meest beroemde wiskundige. De eerste druk van deze dissertatie, die in 1907 verscheen en als titel draagt Over de grondslagen der wiskunde, bevindt zich in de Provinciale Bibliotheek van Tresoar. De drukfout in dit boek was ik op een eigenaardige wijze op het spoor gekomen, maar dat terzijde. In mijn verhaal citeerde ik uit een artikel van Hans Freudenthal dat verscheen in De Groene Amsterdammer van 17 december 1966. Freudenthal was een leerling van Brouwer en zijn artikel in De Groene was geschreven als een in memoriam na het overlijden van Brouwer bij een auto-ongeluk kort tevoren in Baarn. Ik kende die hele Freudenthal niet. Zijn in memoriam had ik gevonden door het lezen van een artikel van Gerrit Krol dat gewijd was aan Brouwer.

Wat wil het toeval, want nu kom ik to the point. Even later zag ik bij boekhandel De Tille, waar Michael Zeeman destijds nog de schappen vulde, een boek staan dat zojuist was verschenen. Het was een autobiografie van Hans Freudenthal en had als titel Schrijf dat op Hans, knipsels uit een leven (1987). Ik sloeg het boek open en u zult het geloven of niet, maar mijn oog viel op een passage die geheel was gewijd aan het blindelings herkennen van drukfouten. Het kostte me gisteren enige moeite om die passage nog terug te vinden, maar ik heb hem gevonden. Hij luidt als volgt:

‘Van negen tot vijf in de bibliotheek zitten, dacht Sjaak, jongen, jongen, zou je dat vroeger hebben gedaan? Er waren er nog meer die geregeld daar kwamen werken, maar geen zat daar zo lang als hij – vertelde Sander – bijvoorbeeld een erratoloog (zo noemde Sander hem voor de grap), dat wil zeggen iemand die drukfouten en dergelijke verzamelde al bouwstenen voor een diepgaande en wijdvertakte psychologie van zetters en stenotypisten. Hij hoeft een boek maar even open te doen en hij ontdekt meteen de drukfout – Nederlandse of Spaanse – of wat dan ook; het deed er niet toe – en verklaarde de drukfout volgens een schema dat tot nu toe nooit gefaald heeft. Sinds een maand of drie had de erratoloog het Huis der Beelden als werkterrein gekozen en daar werkte hij alle boeken in tijdschriften door die hij niet reeds elders onder handen had gehad. Op de afdeling redactie zijn ze verguld met hem, want hij neemt hun hele correctiewerk waar. Kort geleden heeft hij toen hij een stuk in handen kreeg dat net naar de zetter moest, de drukfouten voorspeld (onder voorwaarde dat één bepaalde zetter het stuk moest zetten, en die zetter kreeg dan ook de opdracht). Zijn voorspellingen zijn vrij aardig uitgekomen.’

U kunt zich voorstellen, beste lezer, dat ik na deze bizarre ontdekking destijds in boekhandel De Tille, waarbij het toeval drie keer om zijn eigen as tolde, even stil voor mij uit heb zitten staren. Nu ik de betreffende passage herlees, merk ik dat ik in de aanloop van mijn verhaal iets verteld heb dat in verkapte vorm ook in de passage zelf te vinden is. De errataloog als ‘voorspeller’ van drukfouten komt overeen met mijn herinnering aan mijn voormalige directeur die de drukfout ok leek te ‘voor-spellen’. Mogelijk is dit een specifiek geval van ‘cryptomnesia’, het fenomeen dat je zelf iets denkt te verzinnen wat je in feite eerder elders gelezen hebt. Cryptomnesia staat aan de basis van veel gevallen van vermeend plagiaat. Diefstal is vaak geen diefstal, maar een manco van het geheugen.

Mijn verhaal Over de grondslagen van een drukfout verscheen in november 1986 in het tijdschrift BOUD, architectuur en vormgeving in  Friesland. Het boek van Freudenthal verscheen in 1987. Dit gebeuren moet dus een andere verklaring hebben. Misschien bestond het als een vorm die alleen nog gematerialiseerd moest worden in de werkelijkheid. Misschien is hier sprake van een soort ‘platonische morfogenese’. Dat wil zeggen: het ontstaan van een vorm of een structuur gedurende een ontwikkeling of een proces, terwijl die vorm of structuur allang als een Idee aanwezig was in de duistere kelders van het Zijn. ( Bent u er nog?) 

De mens is een wonderlijk wezen. In zijn chromosomen ligt een gigantische reeks van informatie opgeslagen, waarin de ontwikkelingsgang van onze soort voor de komende generaties en geslachten ligt vastgelegd. Wij zijn slechts een raadselachtig en op zichzelf overbodig doorgeefluik van genetische gegevens. Onze ‘zelfzuchtige genen’ gebruiken ons vlees en bloed als een tijdelijke omballing voor een eindeloos spel dat louter en alleen is gericht op het voortbestaan van de soort en de overleving van de sterkste. Een mens is dus niet meer en niet minder dan een minieme schakel in dienst van de evolutie, dat wil zeggen: het grote gebeuren, waar wij allen deel van uit maken en waar we in wezen geen weet van hebben, noch waar het vandaan komt, noch waar het naar op weg is.

En nu kom ik waar ik waarlijk wezen wil met een laatste, onvermoede gedachtensprong. Misschien is de voortgang van de evolutie wel te danken aan onvoor-spel-bare, dat wat niet te spellen is, dat wil zeggen: de telkens weer opduikende drukfouten in het DNA. Elke vooruitgang berust wellicht op een fout. Een drukfout, een spelfout, of een tikfout…. Zo bezien is zelfs God een sloddervos. Als hij een Pietje Precies was geweest, was het nooit wat geworden met die schepping van Hem.

Als dat waar is, ben ik weliswaar een drukfout in het DNA van mijn vader, maar wel een waar Gods zegen op rust. God zegene de slordigheid, de laksheid, de morsigheid, de onzorgvuldigheid, de fout in al zijn onooglijke en onmogelijke gedaanten…. en met name de drukfout. De wereld draait op de drukfout. Hallelujah! Prijs de Heer! Ook al is er helemaal geen Heer en Meester tussen hemel en aarde. Ook al is er niets wat daar op lijkt.

1 Reactie »

  1. Jos Heitmann

    9 september 2019 op 12:26

    Ik heb een gruwelijke hekel aan typfoutfitters. Ik vind het zo dommig en vervelend; vraag me af of ze überhaupt wel lezen en begrijpen kunnen. Want de aandacht wordt mooi afgeleid om op inhoudelijke zaken te komen. Zo geven ze zichzelf niet bloot.

    Deed ik eens moeite, laat het zien, waarop de laconieke uitlating: “Deze 31e oktober is de dag van de Reformatie!” Ik was woedend.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)