What’s in a name?

Beminde kunstbroeders en zusters. Namens degene die mijn naam draagt, de enige ware en waarachtige Hubertus Johannes Mous, heet ik u van harte welkom in het schimmenrijk waar niets meer echt is en alles slechts schijn. Aan mij – als voorganger vandaag – is de schone taak toebedeeld het voorwoord uit te spreken dat voor deze gelegenheid werd geschreven door de drager van mijn naam. Ik ben slechts zijn schaduw, zijn alter ego, zijn look-alike. Ik ben alleen maar zijn naam. Hij is mijn herder, ik slechts zijn herdershond. Mijn naamdrager had hier graag willen zijn, maar hij is er niet meer. U zult het voortaan met zijn naam moeten doen. Met mij dus. Huub.

Ik weet niet of u het al weet. Ook Huub is tegenwoordig ‘Huub’ niet meer. Ik zal beginnen met het verhaal van mijn naam. Dat wil zeggen, het verhaal dat een ander dan ik ooit heeft bedacht. Het is niet mijn eigen verhaal. Nee, dit verhaal komt uit de koker van de drager van mijn naam. Let wel, deze tekst wordt niet gemarkeerd door lees- of aanhalingstekens of door markerende woorden door mij uitgesproken zoals ‘begin of einde citaat.’ Het is aan u om uit te maken waar het verhaal van mijn naam begint en dat van mijn naamdrager ophoudt. Anders gezegd: waar het Huub weer ‘Huub’ wordt en omgekeerd. Waar ligt de grens tussen het teken en het betekende, tussen de naam en de drager van de naam?

Waar ik u vandaag over wil spreken is het wonderijke fenomeen van de naam. What’s in a name? Niets en toch ook weer heel veel. Neem mijn naam bijvoorbeeld: Hubertus Johannes. Een ziel krijgt bij de geboorte een woonplaats en een naam. Ik heb Hubertus altijd meer een naam voor een schuttersvereniging in Zuid-Limburg gevonden. Wie heet er nou Huub? Ja, Huub Oosterhuis, de Paus van Amsterdam, maar zo wil je toch niet heten. Niks mis met die man, behalve de naam natuurlijk. Paus Huub, dat kan niet. Dat klinkt ketters in de oren. Je hoort de naam Huub ook steeds minder. Hij bekt niet lekker. Mensen houden niet van een dubbele u in een naam. Guus, Luuk, Ruud, allemaal namen die steeds meer in onbruik raken.

Het schijnt dat mijn vader heeft gewild dat ik Huub zou heten, omdat hij nogal op Limburg was gesteld. Huub is immers een echte Limburgse naam. In Limburg wilde mijn vader altijd nog eens terechtgekomen op zijn ouwe dag, maar ik vrees dat door mijn geboorte die wensdroom definitief achter de horizon verdween. Hubertus was ooit de laatste bisschop van Maastricht. Hij leefde in de vroege Middeleeuwen en werd beroemd door zijn bekering tijdens de jacht, toen hij tussen het gewei van een hert een kruis had zien oplichten. ‘Twee reebruine ogen die keken de jager an…’ En daarna was Hubertus verkocht. Hij was ook de uitvinder van de Jägermeister, zo heb ik me wel eens laten vertellen, en dronk het alleen als het ijs- en ijskoud was. Maar dat is een ander verhaal.

‘Twee reebruine ogen die keken de jager an.’ Let op: an. Niet: aan, want dan rijmt de vervolgzin niet meer: ‘Twee reebruine ogen die hij niet vergeten kan.’ Anders krijg je: ‘niet vergeten kaan.’ Hoe vaak heb ik die plaat niet gehoord als kind? Het liedje werd gezongen door de Selvera’s, twee zusters uit Limburg. Hun grootse hit was ‘De Postkoets’. Ook die plaat werd bij ons thuis grijsgedraaid. ‘Ver over berg en dal klonk er het hoorngeschal. Steeds als een blij signaal voor allemaal.’ Je had trouwens meer van die zingende zusjes, de Limbra Zusjes bijvoorbeeld. Die zongen ook veel over jagen. ‘Het oude Jagershuis’ en ‘Jagers in het bos’. Limburg, jagen en Hubertus zijn sinds mensenheugenis nauw met elkaar verweven en dat bracht in de jaren vijftig tal van fraaie liederen voort.

Zelf heb ik overigens niets met die Heilige Hubertus. Ik hou niet van de jacht en van Jägermeister al helemaal niet. Wel heb ik als kind  de datum van mijn verjaardag een tijdlang verplaatst naar mijn naamdag. Ik ben op 1 december jarig en ik was de mening toegedaan dat deze feestdag zo vlak voor Sinterklaas per saldo minder cadeautjes opleverde. De naamdag van Hubertus valt op 3 november, dus dat bleek een geschikt alternatief. Met de datum van je verjaardag moet je natuurlijk niet gaan rommelen. Met je naam trouwens ook niet. Ik werd dan ook door het lot gestraft, want mijn enige zoon werd prompt op 5 december geboren. Verjaardagen zijn heilig en daar moet je zuinig op zijn. Namen ook. Een naam mag je dus niet veranderen. Hij is het anker van je ziel en gaat een leven lang mee. Een naam mag je ook nooit verhaspelen. Hij moet altijd en overal correct worden gespeld. Een verkeerd gespelde naam voelt als een inbreuk op je identiteit. Het getuigt niet van respect en het kan zelfs als een belediging worden opgevat.

Hitler schreef Schopenhauer als Schoppenhauer, zo las ik onlangs in de ochtendkrant. Gelukkig wist hij Nietzsche wel juist te spellen. Hoe vaak lees je immers niet Nietsche, Nietszche of Nietzche? Die Duitstalige filosofen hebben ook lastige namen. Bij Wittgenstein moet ik altijd oppassen dat ik de medeklinkers goed doseer. Witgenstein zie je even vaak als Witgensteinn of Wittgensteinn. Allemaal fout dus. Mijn eigen achternaam wil ook nog wel eens misverstanden opleveren: Mouse, Maus, Mousse of nog erger: Moes. Maar de mooiste verbastering van een naam komt op naam van Barack Obama. Die schijnt af te stammen van de het Friese geslacht Obbema. Nooit van gehoord die naam. Wel Hobbema natuurlijk. De schilder met een eigen kade in Amsterdam waar ik ooit mijn schooltijd heb door mogen brengen. Hobbema… Obama, waar blijft de tijd!

Ook bij het uitspreken van een naam is altijd voorzichtigheid geboden. Het dient uiterst zorgvuldig te gebeuren, zo niet dan moet het ergste worden gevreesd. Zo heeft Edward Kennedy ooit in een toespraak Barack Obama per ongeluk Osama Bin Laden genoemd. Het was ook meteen de laatste toespraak die hij gehouden heeft. Nomen est omen. Het lot van ons leven ligt in onze naam besloten. Wat mij betreft is die  naam van mij het enige wat nu nog over is. Bloggen is het achterlaten van je naam. Namedropping, meer is het niet. Je naam is slechts een omhulsel van een paar lettertekens. Het is een kleed dat je af moet leggen om waarlijk als mens geboren te worden. Ook sterven is niets anders dan het verliezen van je naam. Would you know my name, if I saw you in heaven?  Nee dus. De eeuwigheid kent geen namen. Het hiernamaals is er wel, maar het is naamloos.

De drager van mijn naam zal, zoals gezegd, voortaan verstek laten gaan. Ik ga door onder mijn eigen naam, maar ikzelf ben er niet meer. En toch, ik blijf de illusie koesteren dat de drager van naam wel degelijk blijft voortbestaan. Dat hij eens terugkomen zal, zomaar op een dag, een dag als deze, een dag waarop hij ogenschijnlijk afwezig is, maar uiteindelijk neerdaalt in de geest van mijn beminde kunstbroeders en kunstzusters. Dan zal de drager van mijn naam weer onder ons aanwezig zijn in het hier en nu. Voelbaar, tastbaar, aanraakbaar. Laten wij hem tot dat moment van wederkomst gezamenlijk gedenken.

Alles komt goed met de drager van mijn naam. Ook met de drager van uw naam. Hoop doet leven. Wie goed doet goed ontmoet. Laten wij dat indachtig tot slot overgaan tot het zingen van ‘Het Gezang van de Naam’ dat in naam van ons allen geschreven is. Alles verdwijnt. Zelfs onze namen… Je wordt naakt geboren en je gaat naakt de kist in. So what? Voorwaar, voorwaar, ik zeg het u nogmaals: what’s in a name? Niks, noppes, nada… In naam van Hitler en Hannibal… In naam van Boeddha en Boudewijn de Groot… In naam van de Vader en de Zoon en alle namen die ik bedenken kan… U zijt gezegend… Dat u het weet! Maar uw naam? Die zal ik zijn vergeten als ik u ooit nog eens tegenkom in hier-naam-maals.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)