In my little town

12-26-2008_0231

Spaans dorp in 1964 (eigen foto)

In 1964 en 1965 ben ik met mijn ouders naar Spanje op vakantie geweest. Twee keer zes weken lang, uit en thuis. Zo’n zesduizend kilometer met de Fiat 600D van mijn vader. Daarvoor werd het hele jaar door alles voor opzij gelegd, en gehamsterd natuurlijk. Mijn vader wist exact op de gram nauwkeurig hoeveel gewicht de kleine Fiat mee kon torsen zonder door zijn assen te zakken. Daarvoor sloeg hij het hele jaar door van alles in, blikjes melk, witte bonen in tomatensaus, pakjes soep, doosjes suikerklontjes, alles wat het dagelijks leefbudget tijdens de vakantie kon doen dalen. Die hele hamstervoorraad werd uiteindelijk in het autootje gepropt, onder de stoelen, achter de achterbank een achterin in de kleine laadruimte.

Bovenop zat de imperiaal met alle campingspullen. Naast mijn moeder op de kleine achterbank werden de ingeklapte kampeerstoeltjes opgestapeld, alsook het inklapbare tafeltje. Behalve de tent, de luchtbedden en de slaapzakken was er natuurlijk nog het kookstel op campinggas en de koeltas om dranken en etenswaren koel te houden. Het was een microkosmos waar alles op de centimeter zijn plaats had.De voorberieding an de vacantie was voor mijn vaderbijna een militaire operatie. Alles was tot in de untjes geregeld. Niks kon mis gaan. En niks ging ook mis.

Mijn vader gaf vooraf de route door aan de ANWB en die verstrekten vervolgens een uitgeprinte routebeschrijving met beknopte uiteenzettingen over de bezienswaardigheden onderweg. Die toeristische informatie was natuurlijk lang niet voldoende voor de leergierige scholier die ik destijds was. In de maanden voorafgaande aan de reis had ik de ANWB-gids van Spanje van kaft tot kaft letterlijk gespeld. Ik leende boeken over Spanje uit de bibliotheek. Ik bestudeerde de land- en wegenkaart. Ik kon ik de route dromen. Spanje zat in mijn hoofd. Ik had alles al gezien, voordat ik het in werkelijkheid zag. Ik was een reiger in de verbeelding. En misschien was die verbeelding vooraf nog wel mooier dan de reis zelf. Ik was een spons die alles in mij opnam.

Ik was niet allen de alleswetende gids, maar bovendien de onverstoorbare kaartlezer onderweg. In die belangrijke hoedanigheid genoot ik het voorrecht om voorin te zitten, naast mijn vader. Mijn moeder zat met haar lijvige gestalte op de kleine achterbank, naast het ingeklapte campingtafeltje en de dito kampeerstoelen. Ze moest elke keer weer zowat met een schoenlepel op haar moet plek worden geperst. Maar mijn moeder was geduldig en lijdzaam. Als iedereen senang was, was zij dat in het kwadraat. Nooit heb ik onderweg een onvertogen woord uit haar mond gehoord. Behalve die ene keer op de camping in Langres, toen het regende met pijpenstelen, en mijn moeder niet uit het autootje wilde komen. Tot ’s avond laat hebben mijn vader en ik toen zwijgend in de tent gezeten, wachtend op de verzoening.

Kamperen is de kunst van het voortdurend compromissen sluiten, niet alleen tussen comfort en natuur, maar ook tussen ongemak en het goede humeur. Alles was leuk zolang iedereen bereid was dat te beamen. Kamperen is een idylle waar je in moet geloven. We hadden een transistorradio mee, waaruit soms wat krakende muziek te horen was. Maar mijn vader moest daar doorgaans niets van hebben. Hij was overigens een uiterst secure chauffeur. ‘Ze moeten aan mijn rijstijl kunnen zien dat ik een ambtenaar ben’, zei hij altijd. Ook was hij zeer gesteld op zijn kleine Fiat 600 D. ‘Fiat Lux!’ zei hij vaak. Het hele jaar door spelde hij het fabrieksboekje van Fiat, zodat het mechanische innerlijk van de auto hem volledig vertrouwd was.

Mijn vader wist wanneer de accu moest worden opgeladen. Hij wiste exact wanneer de olie moest worden ververst. Hij kon zelfs zo nodig een kleine reparatie uitvoeren. Mijn vader was zeer technisch. Tot zijn grote verdriet was ik geboren met de twee linkerhanden van mijn moeder. Dat gebrek heb ik in zijn ogen nooit kunnen compenseren. Maar ik kon wel kaartlezen. Ik kon wat Frans en zelfs een mondje Spaans spreken. Dat laatste had ik mij aangeleerd met de Prisma-pocket Hoe leer ik Spaans. En Frans kreeg ik gewoon op school natuurlijk. Ik denk dat mijn ouders het zonder mij nooit hadden gered daar in dat onherbergzame Spanje van de vroege jaren zestig. In Frankrijk ook niet trouwens. En ik niet zonder mijn vader natuurlijk, want autorijden kan ik nog steeds niet.

Op zijn sterfbed vroeg mijn vader: ‘Zul je de dia’s van de Spanje-reizen goed bewaren?’ Ik vond dat maar een rare vraag, zomaar out of the blue. Maar ik heb dat laatste verzoek van mijn vader natuurlijk wel ingewilligd. Waarom ook niet? Zonder dat hij het gevraagd had, had ik het ook gedaan. Die beelden behoren tot de mooiste herinneringen van mijn leven. Ze staan in mijn geheugen gegrift. De twee metalen dozen met dia’s uit Spanje bewaar ik nog altijd. ‘1964’ en ‘1965’ staat met viltstift op de voorkant geschreven. Een paar jaar geleden heb ik aan aantal dia’s uit die verzameling gedigitaliseerd met een goedkoop apparaatje van de Aldi.

Bovenstaande foto is daar een van. Het is het Spanje van 1964. Het Spanje van de gelukkige armoede, waar mijn vader – waar hij zich ook bevinden mag – wellicht nog altijd van droomt. Het was een idee-fixe natuurlijk, zeker als je bedenkt dat dit ook het Spanje was van Franco met zijn wurgpalen. Maar daar had mijn vader geen boodschap aan. Spanje was katholiek. Wat heet, ultra-katholiek. Spanje was de hemel op aarde. En eerlijk gezegd, in mijn herinneringen is dat nog altijd zo. Als ik dood ben wil ik terug naar het Spanje van mijn jeugd. Terug naar mijn Spaanse dorp. Stof zijt hij en tot stof zult gij wederkeren. In de zomerhitte van de Spaanse middag was heel het dorp alleen maar stof. En toch, als elke dag de zon schijnt en God ziet dat het goed is, wat wil dan je nog meer.

Reageren is niet mogelijk.