Mijmeren over eenzaamheid

Dames in het zwart, die hun honden uitlaten, glijden, langs de 
muur, onder de arcaden door. Zij verschijnen zelden in het volle 
daglicht, maar werpen steelse en tevreden jongemeisjesblikken op 
het standbeeld van Gustave Impétraz. Zij behoeven de naam van 
deze bronzen reus niet te kennen, want zij zien heel goed aan zijn 
jas en zijn hoge hoed, dat hij iemand uit de grote wereld was. In 
zijn linker hand houdt hij zijn hoed en de rechter ligt op een 
zware foliant; het is een beetje of hun grootvader, gegoten in 
brons, op dat voetstuk stond.

Aldus Jean-Paul Sartre in zijn roman Walging (la nausée). Met deze beschrijving van het standbeeld van Gustave Impétraz is iets eigenaardigs aan de hand. Ik heb het nog even opgezocht maar Gustave Impétraz heeft waarschijnlijk nooit bestaan. Zijn standbeeld is in Le Havre – de plaats waar de roman zich afspeelt en die Bouville wordt genoemd- in ieder geval niet te vinden. Maar Sartre heeft deze historische figuur prachtig tot leven gewekt. Het is een ode aan de verlatenheid van het standbeeld en daarmee een ode aan de eenzaamheid. Hij is de in brons gegoten walging. De tijd die voor eeuwig stil is gaan staan door als een badkuip leeg te lopen.

Dat gevoel kan je overvallen, zomaar. En als het er eenmaal is, gaat het nooit meer weg. Het is de koude steen diep in je ziel. De gekoesterde verlatenheid die je in de pubertijd voor eerst leerde kennen. De roman Walging – het debuut van Sartre – verscheen in 1938. Ik las het boek voor het eerst op de middelbare school in de Nederlandse vertaling die in 1965 verscheen bij Bruna in de reeks van Zwarte Beertjes. Onlangs heb ik de roman herlezen. Dat beviel me uitstekend. Het is prachtig proza over een diepe treurnis. De roman gaat eigenlijk nergens over of het moet de beleving van de tijd zijn. De tijd die voortkruipt, van moment tot moment, leeg en zinloos in een Franse provinciestad.

In laatste instantie was de crisis van de moderniteit een crisis in de beleving van tijd. In die zin is de ervaring van tijd, zoals die in Sartre’s Walging tot uiting komt, een directe voortzetting van een problematiek die al vroeg in de twintigste eeuw zich aandiende, maar in de jaren dertig expliciet als thema in de literatuur tot uiting kwam. Het is al te herkennen in de roman Hampton Court van Menno ter Braak uit 1931. En natuurlijk ook in De Avonden van Gerard Kornelis van het Reve uit 1947. Het debuut van Reve was in feite een late echo van een problematiek die al in het interbellum – zowel in de filosofie als in de literatuur – op de agenda werd geplaatst.

De intrinsieke verbinding tussen zijn en tijd kwam in die jaren tussen de beide wereldoorlogen in het centrum van de aandacht te staan, getuige alleen al Heideggers hoofdwerk Sein und Zeit uit 1928. De waarheid had haar aanspraak op volledige geldigheid verloren doordat ze in de bedding van een tijdstroom was geplaatst. Het was die omwenteling in het denken over zijn en tijd, waarvan Huizinga zich afvroeg of zij – al te exclusief opgevat – de ondergang van de cultuur zou kunnen inleiden. De crisis in de beleving van tijd betrof niet alleen de verruimtelijking van de tijd, of de toenemende gelijktijdigheid van het ongelijktijdige door de vorderingen van de techniek, maar ook de vervreemding in de beleving van tijd als zodanig.

De grond van het bestaan moest zoiets zijn als de bedding van een rivier, de structuur van een oerstroom die altijd in het bewustzijn zelf aanwezig is –  of, zoals de filosoof Edmund Husserl het ooit in wat moeilijker woorden verwoordde:  ‘een voor-geobjectiveerde, voor-geconstitueerde grond van elke constituerende act van het bewustzijn.’ Het bewustzijn is zelf een stroom die alleen in de dood zijn einde kent. Dat is de tragedie van de eindigheid, die eigen is aan het bestaan. In zijn boek Vorlesungen zur Phänomenologie des inneren Zeitbewusstseins (1928) onderscheidt Husserl een hele reeks van begrippen waarin het innerlijk bewustzijn van tijd te ontleden is. Het resultaat is een schier eindeloze opeenvolging van steeds subtielere onderscheidingen die uiteindelijk hun baken vinden in het woord ‘Fluss‘. Sartre verwoordt het als volgt in zijn boek Walging:

‘Dat is de tijd, de geheel naakte tijd komt langzaam in het bestaan, dat laat zich verwachten en wanneer het gekomen is, ondergaat het een weerzin, omdat men bemerkt, dat het er steeds sedert lange tijd was.’

En even verderop:

‘Wanneer men leeft gebeurt er niets. De decors veranderen, de mensen gaan en komen dat is alles. Er is nooit een begin. De dagen rijgen zich aan elkander, zonder slot of zin, het is een eindeloze en vervelende optelling. Van tijd tot tijd vormt men een gedeeltelijk totaal, men zegt: nu reis ik drie jaren, nu ben ik drie jaren in Bouville. Er is ook geen einde, men verlaat niet een vrouw, een stad of een vriend in één keer.’

Maar tijd werd ook steeds meer tastbaar en meetbaar als een ding, in plaats van een wijde stroom te zijn op weg naar wat de dood ons brengt. Zo abstraheerde iedere seconde de mens van zichzelf. Er was nooit meer een werkelijk hier en nu. Tijd beleven werd tijd verdrijven. De tijd had geen einde meer, juist nu het perspectief op een eeuwig hiernamaals had plaatsgemaakt voor de tragedie van de eindigheid. Het leven richtte zich voortaan geheel op zichzelf. Maar het is de vraag, zo schreef Huizinga in zijn boek In de schaduwen van morgen (1935)… ‘of eenige hooge cultuur stand kan houden zonder een zekere mate van oriënteering op den dood.’

Als je het boek Walging van Sartre voor het eerst leest, is de beleving van de tijd daarna nooit meer wat hij daarvoor is geweest. Het is de verveling die toeslaat, de zijnsvergetelheid. In het naoorlogs Nederland daalde die zijnsvergetelheid neer in het grauwe leven van de steden. Vervreemding, levensangst en onmacht om de ander te bereiken waren de sluimerende kwalen van de lonely crowd. Het werden de bijverschijnselen van de koude oorlog, een tijd waarin het leven in de literatuur werd afgeschilderd in een grauwe toonzetting die bijna stereotiep is terug te vinden boeken Reve, Blaman en Hermans.

Ondanks al die somberheid behoorden de jaren waarin ik mijn pubertijd beleefde tot een ogenschijnlijk zorgeloos tijdvak waarin het Franse chanson een opmerkelijke bloeitijd beleefde. Veel scenes uit het boek Walging van Sartre roepen achteraf herinneringen op aan Franse chansons. De wijze bijvoorbeeld waarop Sartre de trage voortgang van de tijd op een zondagmiddag in Bouville beschrijft – een passage die in totaal 16 pagina’s beslaat (!) – doet sterk denken aan het chanson Je hais les dimanches van Juliette Gréco. Ook de zondagochtend die Meursault beleeft op zijn balkon in De vreemdeling (1942) van Albert Camus moet volgens mij op deze passage geïnspireerd zijn.

In het Franse chanson van na de oorlog leek het woord solitude een nieuwe klank te krijgen. Het werd een mooi gevoel waarover je kon zingen. Je ne suis jamais seul avec ma solitude. Het verdriet kreeg een tweede traan. Eenzaamheid verscheen op de monitor van de tijdgeest. Zelfs een ex-vorstin voelde zich terugkijkend op een lang leven uiteindelijk eenzaam maar niet alleen. Deze geësthetiseerde gemoedstoestand deed ook de behoefte ontstaan aan tegendraads troubadour met zijn oude boodschap: mens durf te leven. Of in de woorden van Jacques Brel. Allez Jef, tu n’est pas seul. Hou op met janken voor Jan en alleman, omdat een blonde snol je een blauwtje liet lopen.

De naweeën van de romantische eenzaamheid als een toestand vol melancholie vloeide in het naoorlogse chanson naadloos over in het bitterzoete levensgevoel van een generatie die vooral te doen had met zichzelf. Er ontstond zoiets al een gekoesterd gevoel van verlatenheid. Na Auschwitz en Hiroshima werd het triste à Venise. De spleen van Aznavour vermengde zich met de walging van Sartre en in die smeltkroes moet een nieuw betekenisveld van het woord eenzaam zijn ontstaan. Het woord werd opeens met schuld beladen, want een mens was in alle opzichten verantwoordelijk voor zich zelf. Eenzaamheid overkwam je niet als een beschikking van het noodlot. Het wat altijd een keuze tussen isolement en solidariteit. In het Frans scheelde het ook maar een letter: solidair of solitair.

Eenzaamheid met deze ondertonen is vandaag de dag een verdwijnend fenomeen. De hedendaagse bewoner van een Vinex-wijk voelt zich niet eenzaam, hooguit een beetje depri. Het woord is vermalen tot turbotaal. De therapeutische wildgroei van de jaren zeventig en tachtig heeft een nieuw vocabulaire gecreëerd waarmee de gemoedstoestand alleen nog in technische termen valt aan te duiden. Affectieve deprivatie, depressie, ik-zwakte, contactstoring…. Kortom, eenzaamheid wordt in toenemende mate opgevat als een psychohygiënisch defect, een storing in het gevoelsleven dat met enig gesleutel van een therapeut heel wel te verhelpen is.

Eenzaamheid is een conglomeraat van gemoedsaandoeningen dat aan verandering van mode onderhevig is. Een mens voelt wat hij geacht wordt te voelen. Zoals alle duurzame belevingen van het eigen bestaan is eenzaamheid in feite een gemodelleerde toestand in het brein waarvan de codes vastliggen in de breed uitwaaierende registers van het gevoelsvertoog. Dat wil zeggen: niet alleen in poëzie en literatuur, maar ook in het tekstmateriaal van levenslied, de popmuziek, en in de tijd van de koude oorlog: het chanson..

2 Reacties »

  1. Robert Kruzdlo

    2 maart 2019 op 10:49

    Huub,

    Als ik u blog gelezen heb dan vertrek ik naar mijn werkkamer, zo mooi schrijft u.

    Ik kon niet reageren op uw blog van maart. Wilt u mijn website kruzdlorobert.com eens bezoeken en mijn blog: De mens is een neuronenmachine?

    Laats was ik in Amsterdam Arti en ontmoette Wim Vaarzon Morel jr. Kent u hem ook?

    Groet vanuit tussen de dode vulkanen Olot Catalunya,
    Robert

  2. Robert Kruzdlo

    24 mei 2019 op 09:11

    hoe dieper je graaft
    herinnert ’t kinderoog
    kan zelfs een microscoop
    niet onthullen wat
    te zien is in je brein

    rede blind ogen zing
    lang leve de wetenschap

    ook computers helpen niet
    om meer te zien dan
    een FMRI regenboog
    kleurige elektravelden
    het kwantum trillen doet

    stom blijft de mens
    verliest de logica zijn kunst

    klinkt er snaarmuziek
    een onbekend deeltje God
    een entropie botst
    stil in mythe vangt

    vlucht ik terug
    in mijn logica
    voordat niets meer overblijft
    dan wat tussen uiterste blijft

    – wat ik nog steeds bemin is
    dat wij blijven kijken met
    de ogen van een kind.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)