Life is a state of mind

D52010
Objecten in mijn huis, 1994. (foto: Harry de Cock) 
 
Telekinese is het in beweging brengen van materie door het aanwenden van (nog) onbekende krachten van de geest. Het fenomeen is nog nooit bewezen binnen een herhaalbare proefsituatie. In de jaren zestig werd op tv een parapsychologisch experiment uitgevoerd, waar iedereen mee kon doen. Ik kan me dat nog goed herinneren. Men had een installatie gebouwd, waarin pingpongballen van bovenaf naar beneden vielen. Tijdens hun val vonden ze obstakels op hun weg, die volgens een regelmatig patroon waren aangebracht. Het leek wel een beetje op zo’n tombola die bij de Lotto wel gebruikt wordt. Volgens de wetten van de kansberekening zouden de pingpongballen na afloop een vast patroon moeten vormen, namelijk een zogeheten gaussoïde die wiskundig weergegeven wordt door de formule:

De grafische weergave van deze wiskundige functie heeft de vorm een symmetrische heuvel met een ronde piek in het midden. De meeste pingpongballen zouden in het midden terechtkomen en aan beide uiteinden relatief minder. Als alle kijkers bewust zouden gaan denken dat de pingpongballen tijdens hun val naar links moesten uitwijken, dan zou de gaussoïde na afloop een onregelmatigheid gaan vertonen. Als deze onregelmatigheid de marge van de kansberekening zou overschrijden zou het fenomeen telekinese hiermee onomstotelijk bewezen zijn. Het experiment, waaraan honderdduizenden mensen deelnamen, leverde inderdaad een afwijking van de gaussoïde op, maar net niet voldoende om van een onomstotelijk bewijs te kunnen spreken.
 
Ik heb altijd gemeend dat ik over telekinetische gaven beschik. Niet dat ik op afstand een glas van de tafel kan schuiven – zoals in de film Stalker van Tarkovsky te zien is – maar er zijn momenten in mijn leven geweest, dat ik stellig de indruk had dat ik op afstand krachten kon uitoefenen over de materie. Zo heb ik eens tijdens een grijze winterdag in februari 1966, lopend op het strand van Egmond aan Zee, de zon achter de wolken tevoorschijn geroepen. U zult het geloven of niet, maar de zon gehoorzaamde mij. Hij brak door het wolkendek heen, ging heel even volop stralen en verdween tenslotte weer even snel als hij gekomen was.

Waarom begin ik hierover? Al enige tijd verkeer ik in de veronderstelling dat telekinese iets met taal van doen heeft. Ook ben ik van mening dat het mogelijk moet zijn om een boek te schrijven dat al eens eerder geschreven is. Dat is niet zo moeilijk zult u zeggen. Je schrijft dat boek gewoon over uit een ander boek. Plagiaat heet zoiets. Maar dat bedoel ik niet. Ik vermoed dat het mogelijk is om een boek te schrijven uit zinnen die al bestaan. Een soort pastiche dus. Een roman die bestaat uit zinnen die ontleend zijn aan andere romans. Daarvoor zou je een formule moeten bedenken. Bijvoorbeeld deze: De (1)ste zin komt uit de (x)ste zin van het boek, dat in je boekenkast staat op de (y)de plank van onderen en dan het (z)ste boek van links. De (2)de zin komt uit de (x +1) ste zin van het boek, dat in je boekenkast staat op de (y+1)de plank van onderen en dan het (z+1)ste boek van links. Let wel: y en z beginnen weer bij (1) als ze hun maximum hebben bereikt. Afijn, zoiets dus. Maar ik hou er over op.

Komaan, ik maak maar weer eens bokkensprong. (… scroll, scroll…) Laten we het over citaten hebben, over het verzamelen van citaten. Op het eerste gezicht heeft dat niets met telekinese te maken, maar – zoals we weldra zullen zien – is er wel degelijk een verband. In feite bestaat de hele wereld uit verzamelingen die wij in ons hoofd aanleggen door gebruik te maken van taal en teken. Mijn huis is een verzameling. Mijn hoofd is een verzameling. Alles, zelfs de wiskunde, is een verzameling van verzamelingen. We spelen voortdurend boter, kaas en eieren met een cirkel en een kruis. We spelen een spel met formele systemen en dat noemen we wetenschap. 

Is het menselijk denken op zich zelf een het product van een formeel systeem? Thats’s the one and only question. Maar we draaien er met zijn allen eindeloos omheen. We staren ons blind op de paradoxen van betekenis binnen betekenisloze formele systemen, op zelfverwijzing, op eindige en oneindige lussen. En het is zo simpel. Telekinese! Meer is er niet. Telekinese is het leggen van een onmiddellijk verband tussen de ene verzameling en de andere, dat wil zeggen: tussen een mentale en een materiële verzameling. Zo is ook taal in wezen een vorm van telekinese, want taal legt onmiddellijke verbanden tussen de woorden in het hoofd en de dingen in de wereld.

Het verhaal dat nu volgt gaat over het verzamelen van citaten en de eerste zin zou dan ook eigenlijk een citaat moeten zijn, maar 
dit is geen citaat. Dit wel:

‘The computer medium is largely tactile, not merely visual; and when two strangers meet on the web, their fingers unwittingly search for that erotic keyboard of their own beloved computer, not for the others person’s hand. Somehow the e-lovers discovered that when the distance of cyberspace was gone, so too was intimacy.’ ( Svetlana Boym, The Future of Nostalgia)

Zoals een zekere afstandelijkheid in de houding van een mens soms een intens gevoel van sympathie kan oproepen, zo trekt internet de twee uitersten van deze paradox uiteen tot een oxymoron. Internet is nabije verte, de intieme verlatenheid, de obscene intimiteit. De nabijheid die de computer is een schijngestalte die een stationaire toestand van verlangen voortdurend in stand houdt. Internet roept de voyeur op die gezien wil worden, maar ook de exhibitionist die flaneert in een denkbeeldige ruimte. Die twee rollen vallen samen bij elke passant op het world wide  web. Internet voldoet aan een existentiëe behoefte. Ieder mens wil immers zien en gezien worden. ‘Esse est percipi’. Zijn is gezien worden. Internet creëert een Zijn dat er altijd al was, maar nu in zijn volle gedaante aan het licht treedt.

In dat licht bezien is schrijven op internet een wezenlijk nieuwe vorm van schrijven. Dit schrijven wil direct gezien worden. Het voegt zich direct in de stroom van de tijd, waarbij de stroom van het bewustzijn overloopt in een grotere stroom, die wellicht niet wezenlijk gescheiden is van het innerlijk bewustzijn. ‘Life is a state of mind.’ schreef Kosinsky. Als ik een tekst loslaat op internet, laat ik een fles los in de stroom. Ik zie die fles vervolgens wegdrijven. De fles wordt gezien. Misschien kijkt de fles wel naar mij. Misschien is het wel de blik van de fles, die naar mij kijkt en ben ik het, die deze verzengende blik wil afweren door almaar letters te typen op het scherm van mijn computer. De letters vallen op het scherm. De zinnen lopen door. Ben ik het die dit schrijf? Of zijn het de woorden zelf die zomaar verder drijven?

In diepste wezen is schrijven een vorm van verzamelen. Een schrijver verzamelt zinnen. Iedereen heeft zijn hobby en een geliefkoosde hobby is verzamelen. Zo ken ik mensen die er plezier 
in vinden rouwadvertenties bijeen te garen, anderen die zweren bij Chinese keramiek uit de Ming-periode en ik ken zelfs 
iemand die zich toelegt op het verzamelen van boodschappenlijstjes die zijn achtergelaten in de lege karretjes bij Albert Heijn. Mijn hobby was lange tijd minder spectaculair. Ik verzamelde onzinnige gedachten. Dat was een eindeloze, onzinnige onderneming die 
tegelijk zin en einde had. Immers, de complete verzameling van alle 
onzinnige gedachten is zelf een onzinnige gedachte en kan dus nooit een 
complete verzameling zijn. Hier wringt iets. Er moet dus één onzinnige gedachte zijn die niet past in de complete 
verzameling van alle onzinnige gedachten. Toen ik die rare kronkel in mijn brein had ontdekt, ben ik opgehouden met het verzamelen van onzinnige gedachten. Sindsdien verzamel ik citaten. Bijzondere citaten 
heb ik inmiddels aan mijn verzameling weten toe te voegen, zoals:

‘De taal is het huis van de ziel (Heidegger).

‘Alleen in mijn gedichten kan ik wonen” (Slauerhoff)

en:

‘Ik heb in een prullenmand geleefd, omringd door vioolmuziek en kwartetsnippers, gelukkig, onnadenkend’ (Lodeizen).

Het verzamelen van citaten zou er op kunnen duiden dat degene die deze eigenaardige hobby beoefent zelf niet veel 
heeft mee te delen. Citaten zijn woorden van anderen en behoren dus niet tot de taal die jezelf spreekt. Iemand kan 
dertien talen spreken, maar met stomheid geslagen worden door de simpele vraag: ‘Heeft u daarin ook iets mee te 
delen?’ Mijn hobby stelt dan ook niet meer voor dan het ordenen van alles wat reeds gezegd is, het zoeken van 
nieuwe verbanden in een chaos van snippers, het heelal van de prullenmand. De Fransen spreken over een livre de chevet, een boek dat altijd op je nachtkastje ligt en waaruit je in elke situatie naar 
believen kunt citeren. Ik heb niet zo’n boek, maar wel kaartenbakken. Citaten die ik vind worden keurig in tweevoud 
uitgetypt op kaartjes en vervolgens opgeborgen in ladenbakken die op twee manieren geordend zijn: alfabetisch op 
volgorde van het eerste woord en systematisch met als trefwoord het belangrijkste woord uit de zin.

In de loop der 
jaren heeft deze verzameling een behoorlijke omvang gekregen, zodat mijn zolder weinig ruimte meer biedt. Hiermee is niet gezegd dat ik letterlijk alles verzamel. Ik laat mij leiden door mijn intuïtie. Een zin moet een zekere spanning bevatten en mij het gevoel geven dat er ergens van binnen een metertje uitslaat. Dit ingenieuze mechaniek is het enige 
wat deze chaos van zinnen met elkaar verbindt en als ik de mogelijkheid zou hebben om het binnenwerk hiervan te 
demonteren zou ik misschien enig zicht krijgen op wat ik zoek met mijn verzameldrang.Er is een tijd geweest dat ik de behoefte voelde mij te specialiseren. Zo heb ik mij toegelegd op de eerste zinnen van 
boeken. De meeste schrijvers hebben in hun achterhoofd het idee dat de eerste zin in een notendop de inhoud van een 
heel boek moet kunnen samenvatten en dat levert prachtige citaten op zoals:

‘In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God.’ (Johannes 1.1.)

‘Een mens werkt, vrijt, slaapt, eet – en overal op aarde wordt inmiddels alchemie bedreven met de dertien letters van 
zijn naam.’ (Harry Mulisch, Het stenen bruidsbed)

Slotzinnen vormen ook een vruchtbaar verzamelgebied. Er zijn boeken die eindigen in een knal, een zin waarin het 
hele betoog nadreunt en waarvan de echo nog lang te horen is:

‘Waar men niet over kan spreken, daarover moet men zwijgen.’(Wittgenstein, Tractatus Logico Philosophicus).

Een bijzondere categorie vormen de slotzinnen die een pas op de plaats maken, waarin het betoog blijft ronddraaien 
als een grammofoon die niet afslaat:

‘Laten we doorgaan’ (Sartre, Met gesloten deuren).

Het toeval wil dat ik ook een verzamel-elpee heb van Franse chansons, waar sinds jaar en dag een kras op zit, zodat de 
naald altijd blijft hangen in een groef met het woord: ‘.. continuons … continuons … continuons … ‘

Citaten kunnen glashelder zijn, maar er zijn er ook die na tien keer lezen niets anders opleveren dan een beslagen ruit in je brein. De woorden doen dan wel een betekenis vermoeden, maar lijken niet op de juiste plaats te staan. Soms 
probeer ik citaten opnieuw te ordenen. Ik leg de kaarten uit als een patience-spel om zo een nieuwe tekst te creëren, die wellicht wat meer duidelijkheid kan brengen. Op die manier ontstaan weefsels van zinnen, waarin nieuwe verbanden
 verschijnen en verdwijnen. Het heeft iets weg van de geduldige arbeid van Penelope die ’s nachts weer uithaalt wat ze overdag geweven heeft. Vaak droom ik ’s nachts van een citaten-automaat, een lotto-molen waaruit balletjes met zinnen rollen. Zinnen die zich aaneenrijgen tot teksten en vervolgens weer uiteenvallen in een buitelen en stuiteren van 
woorden. De droom slaat soms om in een nachtmerrie.

De citaten-automaat wordt dan een tovenaarsleerling, een 
kunstmatig brein dat behekst is met taal en dat uit al mijn citaten een tekst produceert die volledig doorzichtig is als 
een ijzig kristal dat zich plotseling formeert in een oververzadigde oplossing. Zo ontstaan de meest wonderlijke zinnen die uitschieten als ijsbloemen aan 
de binnenzijde van een venster. Als ik wakker schrik, vind ik alleen maar kaarten met verdwaalde zinnen die geen enkele diepgang lijken te hebben. Soms neem ik een willekeurige kaart en probeer de zin te transformeren. Het is een methode die ik heb afgekeken van Rudy Kousbroek, maar dat doet er niet toe. Voor dit spelletjes zijn enkele eenvoudige regels te bedenken. 
Bijvoorbeeld: vervang elk zelfstandig naamwoord (Z) in de zin door het eerstvolgende zelfstandig naamwoord dat 
alfabetisch volgt in de ‘Woordenlijst van de Nederlandse taal’ (Staatsuitgeverij 1956), en doe het zelfde met elk 
werkwoord (W). De openingszin van ‘Het stenen bruidsbed’ krijgt zodoende de basisformule:

‘Een Z W, W, W, W – en overal op Z wordt inmiddels Z W met de 13 Z van zijn Z.’

Zo kun je 1, 2, 3, 4, 5, 6 …. of n sprongen maken zodat de hele zin tegelijk ‘verschuift’ binnen de alfabetische orde 
van woorden in de ‘Woordenlijst van de Nederlandse Taal’. De zin zal langzaam ondoorzichtig worden als een ruit die
 beslaat en uiteindelijk uiteenvallen in een bizarre chaos. De genummerde sprongen n1, n2, n3, n4 kunnen ook in de zin 
zelf zichtbaar worden gemaakt door het getal dertien te koppelen aan n. De basis formule van de zin wordt dan:

‘Een Zn, Wn Wn, Wn, Wn – en overal op Zn wordt inmiddels Zn, Wn met de (13 + n) van zijn Zn ‘.

De eerste vier sprongen komen er nu als volgt uit te zien:

n =1: ‘Een mensaap werpt, geeft vrij, etst, slaapt – en overal op aardebaan wordt inmiddels alchemist bedronken 
met de veertien letterbanketten van zijn naamafroeping.’
n = 2: ‘Een mensdom wervelt, houdt vrij, ettert, slat – en overal op aardegoed wordt inmiddels alchemisterij 
bedruppeld met de vijftien letterdieven van zijn naambord.’
n = 3: ‘Een mensheid werft, komt vrij, ethymologiseert, slaaft – en overal op aardeweg wordt inmiddels alcohol bedropen met de zestien letterdieverijen van zijn naamchristen.’
n = 4: ‘Een menseneter weet, koopt vrij, evacueert, slecht – en overal op aardewerk wordt inmiddels alcoholgebruik 
bedrukt met de zeventien lettergieters van zijn naamcijfer.’

Je zou je kunnen afvragen of de beginzin weer terugkomt als je maar lang genoeg door zou gaan met de reeks. De 
Woordenlijst van de Nederlandse Taal telt 68.971 woorden, maar het is niet zo dat bij n = 68.971 de beginzin weer 
in beeld komt. Gesteld dat de lijst een x aantal zelfstandig naamwoorden bevat en een y aantal werkwoorden, dan 
komt de beginzin terug bij: n = (x x y). Alleen staat er dan niet:

‘(…………. ) met de dertien letters van zijn naam.’

maar:

‘(…………. ) met de 13+ (x x y) letters van zijn naam.’

Binnen dit systeem met twee cyclische variabelen (Z en W), die ieder een golfbeweging maken met ongelijke golflengte 
(x en y) en een numerieke opeenvolging (n) die in de zinnen zelf afleesbaar is, is dus elke zin uniek binnen een 
oneindig aantal mogelijkheden terwijl er een heleboel zinnen denkbaar zijn die niet in dit systeem passen, bijvoorbeeld:

‘Een mens werkt, vrijt, slaapt, eet – en overal op aarde wordt inmiddels alchemie bedreven met de twaalf 
letters van zijn naam.’

Wél in het systeem past de zin, waarin één alfabetische sprong achteruit wordt gemaakt:

n = -1: ‘Een menopauze wentelt, vriest, etablisseert, slamppompt – en overal op aardduivel wordt inmiddels albumvers bedrogen met de twaalf letsels van zijn naaldwerk.’

Het systeem zal bij een numeriek verloop van n 1 naar n ∞ zinnen laten zien die neigen naar complete wanorde om dan langzaam om te buigen naar in een tendens naar orde en omgekeerd. De beginzin keert binnen dit systeem
cyclisch terug in een steeds nieuwe variant, als in een heelal van centripetale en centrifugale krachten, orde, chaos en 
entropie. De toevallige ontmoeting van sommige woorden in een zin kan grote gevolgen hebben. Door een paraplu en een 
naaimachine bijeen te brengen op de operatietafel van een zin deed Lautréamont het surrealisme ontstaan. Wie weet 
is ooit het heelal geëxplodeerd doordat de woorden BIG en BANG elkaar toevallig in het Engels ontmoetten:

“Livingstone, I presume (…… )”

Ik zou een gedicht kunnen schrijven van openingszinnen van romans door achtereenvolgens de 1 ste, 2de, 3de ,4de, 
5de en 6de kaart uit mijn bak te nemen of me te houden aan de reeks van Fibonacci. Maar de wonderlijke schoonheid 
die deze tekst zou opleveren, haalt het nooit bij de beginregels van ‘Scheppinkje’ van Leo Vroman:

‘Kon ik Jou, Heer, tezamensponzen tot een gebaartie op mij hand en gaf Jou alle kralen, donzen poesjesmiepsen 
en hommelgonzen en Jij weefde het verband … ‘

Een citaat kan een kristal zijn en een gedicht een heelal van woorden. Maar citaten zijn ook eindpatronen in een keten van mislukte zinnen die als proppen papier verdwenen zijn in het zwarte gat van een prullenmand. In dit schimmenrijk 
zijn woorden voorgoed gedoemd tot wanorde. Ze buitelen rond in het heelal van Boltzmann, de natuurkundige die ooit 
zelfmoord pleegde omdat zijn kosmologie niet klopte en in de prullenmand verdween. Schrijven is herschrijven, proberen je eigen woorden te verstaan· en te begrijpen dat woorden zich altijd blijven 
verwijderen van datgene wat je eigenlijk wilt zeggen. Het is een gevecht tegen de entropie van de taal, een 
onophoudelijk pogen de centrifugale kracht te overwinnen die de woorden uiteendrijft, terwijl het bijeenbrengen van 
woorden, die het verst van elkaar verwijderd zijn, vaak de meest vruchtbare zinnen oplevert. Bij het schrijven krijg je soms wat cadeau, maar er gaat ook eindeloos veel verloren.

Citaten kunnen niets verliezen. Ze 
kunnen alleen maar winnen door ze als een stek af te breken en ze te planten in een nieuwe pot. Je kunt ze als een 
plank losrukken uit de vloer van een tekst waardoor de kruipruimte van de taal zichtbaar wordt. Openingszinnen en slotzinnen zijn boeiende specialisaties voor een verzamelaar van citaten. Maar de drang om mij te 
beperken heb ik inmiddels overwonnen en soms betrap ik mij erop mijn criterium te verruimen en letterlijk alles te gaan 
verzamelen. Het metertje van binnen is in de loop der tijd steeds vaker gaan uitslaan. En het onvermijdelijke – waar ik 
altijd al bang voor ben geweest – is onlangs gebeurd. Het metertje is op tilt geslagen als een kompas die exact op de 
noordpool komt en alle kanten op gaat draaien. Eén zin was voldoende aanleiding voor deze kortsluiting die mijn verzameling van citaten als een kaartenhuis in elkaar
 deed storten. Het is een zin die alle zinnen overbodig maakt en voorkomt in een boek dat de lezer wegwijs wil maken 
in wat wordt genoemd ‘transformationeel – generatieve grammatica’. De fatale zin luidt als volgt:

kraa006synt01_01_tpg

Een taal doet zich op de meest directe wijze aan ons voor in de vorm van zinnen en kan in descriptief opzicht 
worden opgevat als een verzameling van alle zinnen die er deel van uit maken en die ermee kunnen worden 
voortgebracht.‘ (Kraak, Syntaxis)

De kortsluiting kwam niet acuut tot stand. Ik heb de zin eerst met potlood onderstreept, daarna in tweevoud uitgetypt, 
maar op het moment dat ik de kaarten op wilde bergen sloeg de verwarring toe. Ik besefte dat deze kaarten niet goed 
pasten tussen al die anderen. Immers in deze zin wordt een uitspraak gedaan over alle zinnen die ik in de loop der 
jaren verzameld heb. Hij is dus van een hogere orde en zou dus eigenlijk in een aparte bak moeten. Maar daarmee zou ik mij opnieuw gaan specialiseren, wat ik juist niet meer wil. Aan de andere kant, wie kan mij garanderen dat ik 
niet ooit nog eens een citaat zal vinden waarin een uitspraak wordt gedaan over al dit soort zinnen die in deze aparte 
bak moeten. Dan komt er weer een aparte bak bij en zo ontstaat een verzameling van kaartenbakken op zoek naar 
die ene allesomvattende slotzin die misschien nog niet eens bestaat ook.

Hoewel, die ene slotzin is al in beeld gekomen. Alles wat mogelijk gezegd kan worden is al in potentie aanwezig. De zin van Kraak immers bevat een uitspraak over alle zinnen die je met taal kunt voortbrengen en moet dus 
ook betrekking hebben op die ene terminale slotzin, ook al valt hij nog niet te vangen in een citaat. De kortsluiting blijkt 
nu een meltdown te worden. De ijzige afwezigheid van dit nog niet gevonden citaat slaat om in een ontzagwekkende 
aanwezigheid die zich uitzaait in de complete verzameling en alle kaarten aantast met een bizarre samenhang. Het is de ultieme symmetrische basisregel, de moedermal van de grammatica, de golem die sluimert in mijn kaartenbak, de 
BIG BANG- woorden, de oerknal, waar alle taal uit voorkomt en in eindigt. Dit is de slotzin waarnaar wij allen op weg zijn:

Dit is de slotzin waarnaar wij allen op weg zijn.’

Dit is de slotzin waarnaar wij allen op weg zijn.’

Dit is de slotzin waarnaar wij allen op weg zijn.’

russel

 

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)