Ik geloof het wel

‘Augustinus is een van de zeer weinige schrijvers die ik nog altijd herlees. Op school werd ons bijgebracht welke betekenis Augustinus nog had voor de 20e eeuw. Dat blijft wel hangen, zo’n aanpak om bredere verbanden te leggen. Gerard Wijdeveld, dichter en erg fout in de oorlog, vertaalde de Belijdenissen (1964) van Augustinus. Hij was onze leraar Grieks. Een hele tragische man eigenlijk. Hij zou zeker hoogleraar zijn geworden, maar kwam door zijn rol in de oorlog op een zijspoor terecht. Maar zijn eruditie, zijn vermogen om allerhande zaken in een brede context te plaatsen heeft me beslist gevormd. Een van de redenen dat ik in de jaren tachtig in natuurkunde geïnteresseerd raakte was dat ik leerde kruisverbanden te zien tussen religie en natuurkunde waardoor je ineens heel anders tegen bepaalde fenomenen aan gaat kijken. Dat ‘anders willen zien’ vormt wel een rode draad in mijn bestaan. Ik ben altijd vrij bang geweest om me te specialiseren. Het gebrek aan focus is natuurlijk de keerzijde van die keuze.’

Aldus verklaarde ik tegenover Ernst Bruinsma in een interview dat elf jaar geleden verscheen in De Moanne. (zie: hier) In deze paar regels zit een wereld verborgen, de wereld van het Ignatiuscollege van begin jaren zestig. Daar hadden zich twee kampen gevormd; de progressieven en de conservatieven. Progressief waren de paters van Kilsdonk, Huijbers, Oosterhuis en Vrijburg.  Tot de meer behoudenden behoorden pater Lorié, die zich heimelijk gesteund voelde door Gerard Wijdeveld, de grote kenner van Augustinus. Het was geen strijd die openlijk werd uitgevochten, maar de goed verstaander had maar weinig woorden nodig om de onderlinge irritatie gewaar te worden.  In de jaren zestig was het katholicisme een geasfalteerde vierbaans-snelweg die doodliep in een kale woestijn. Want ondanks alle bezwerende woorden van Pater Lorié. dat in de theologische problemen, die Augustinus in de vierde eeuw aan de orde had gesteld, de hele problematiek van onze eigen tijd was terug te vinden, was er voor mij – en ik vrees voor menigeen van mijn mede-ignatianen – toch sprake van een missing link.  Ik weet nog goed hoe mij meer steeds meer het gevoel bekroop dat er iets niet klopte. Ze kunnen me de pot op, zo dacht ik bij mezelf. Ik ga dit zelf uitzoeken. Dat zelfonderzoek resulteerde niet alleen in een angstvallig bevragen van mijn eigen zielenleven, mijn ontluikende seksualiteit en alle problemen die daarmee annex waren, maar ook in het nog meer lezen van onbegrijpelijke boeken. Eigenlijk is dat proces nooit opgehouden, tot op de dag van vandaag.

Het katholicisme is voor mij een filosofische leerschool geweest, waarvan het eind niet in zicht is. Het was dan ook allesbehalve een naïef geloof. Integendeel. Het heeft me in veel opzichten aan het denken gezet over vragen die anders wellicht nooit in mijn kop waren opgekomen en zeker niet op de leeftijd die ik had in de jaren zestig. Bovendien heeft het mij de ogen geopend voor iets, dat ik niet anders kan benoemen dan een specifiek soort spiritualiteit, waarvoor het katholicisme van oudsher een gevoelige antenne heeft had. Het benoemen en bewaren van die gevoeligheid lijkt mij belangrijker dan een terugkeer naar iets dat zijn beste tijd heeft gehad.

Antoine Bodar heeft begin jaren zestig ook nog een paar jaar op het Ignatiuscollege rondgelopen, maar ik ben hem daar nooit tegengekomen. Hij kwam in 1957 op het IG en ik in 1960. Beiden maakten we wel de grote liturgievernieuwing mee, die kort daarop juist op het Ignatiuscollege zijn beslag kreeg, met Huub Oosterhuis en Bernard Huijbers als grote pioniers. Ik ben nooit zo’n bewonderaar geweest van de teksten van Huub Oosterhuis, maar zijn lied Zolang er mensen zijn op aarde zong ik al toen ik twaalf jaar oud was.

Ik ontmoette Antoine Bodar in 2004 , toen ik – samen met Gryt van Duinen – hem opzocht in zijn woning in Amsterdam, of beter gezegd: in zijn bibliotheek waarin ook nog wat ruimte was overgelaten voor meubels. Op mijn vraag aan hem of het eigenzinnige godsbeeld van Gerard Reve eigenlijk wel te rijmen was met de officiële geloofsleer van de Kerk, gaf hij mij het opmerkelijke antwoord, dat het in diepste wezen er niet toe doet wat je werkelijk gelooft, laat staan of het waar is wat je gelooft. Op dat moment ging er iets draaien in mijn hoofd, alsof ik precies op de magnetische Noordpool van het katholicisme was beland, een punt de kaart net  naast de werkelijke Noordpool, de enige plek op aarde, waar het kompas alleen nog maar rond kan tollen.

Symbool en werkelijkheid zijn in de eeuwenlange geschiedenis van de katholieke theologie altijd met elkaar verbonden geweest. In het historisch veranderend wereldbeeld schoven ze beurtelings over elkaar heen of raakten iets van elkaar verwijderd, maar de band tussen beide bleef altijd bestaan. Achteraf beschouwd is de geloofscrisis van de jaren zestig een crisis geweest van het religieuze symbool dat opeens geen anker meer bleek te hebben in een diepere laag van de werkelijkheid. Het geloof werd een vertelling, de Bijbel werd literatuur. Die crisis was niet nieuw, maar manifesteerde zich met een brute kracht die nooit eerder vertoond was. Ik ben die breuklijn gepasseerd op de drempel van mijn eigen volwassenheid.

Antoine Bodar werd uiteindelijk geen Jezuïet, maar ‘wereldheer’ zoals dat heet. Hij koos – evenals Gerard Reve – voor het kamp van de behoudende katholieken. Dat was niet het kamp van Huub Oosterhuis en zijn kompanen. Jaren geleden alweer zag ik een discussie tussen Huub Oosterhuis en Antoine Bodar op tv. Het werd een opmerkelijk gesprek, waarin de tweesprong, die zich in de jaren zestig binnen de katholieke kerk heeft aangediend, nog eens pijnlijk in beeld kwam, al was het maar in de lichaamstaal van beide gesprekspartners. ‘Maak van mijn huis geen Oosterhuis.’ Die uitspraak legde Bodar aan het slot van het gesprek voor aan ‘de Paus van Amsterdam’, die wijselijk ontwijkend reageerde. Het was een botsing tussen twee geloofsopvattingen: het geloof van het mysterie en het geloof van het engagement. De verticaliteit van het kruis tegenover de horizontaliteit…. van datzelfde kruis: d.w.z.: het christendom als inspiratiebron voor de strijd om een betere en meer rechtvaardige wereld.

Onlangs las ik het boek Open brief over geloof en eredienst van Frits van der Meer. Het verscheen in 1973 en is in feite één grote aanklacht tegen alle vernieuwingen die zich in de jaren zestig in de Rooms-katholieke Kerk hebben aangediend. Ook Frits van der Meer keerde zich met volle overtuiging tegen de vernieuwing, met name in de liturgie. Dus tegen het kamp van Huub Oosterhuis, dat met het Tweede Vaticaanse Concilie heel even de wind in de zeilen kreeg, maar weldra door Rome werd teruggefloten. Frits van der Meer houdt in dit boek een gloedvol pleidooi voor het oude geloof van het mysterie. Dat is het geloof van de Eucharistie, van de presentia realis, kortom: al die theologische rimram die volgens Huub Oosterhuis ten onrechte zo overgewaardeerd werd binnen het orthodoxe katholicisme. Is de Bijbel primair een politiek of een religieus document? Dat is de kernvraag waar het om draait. Gaat het om het geloof van de progressieve theologen die alles maar blijven interpreteren, of om het geloof van de eenvoudige gelovigen, die geen tekst en uitleg nodig heeft. Zo schrijft Van der Meer:

‘Zei Augustinus, dat de meesten bepaald 
niet nodig hebben over de godsdienst zelfverantwoordingsschemata op te stellen, niet eens zoveel teksten 
uit de Schrift hoeven te kennen, maar genoeg hebben 
aan geloof, hoop en liefde? Het is natuurlijk beter, dat hij de Schrift leest; maar het geloof is uit het 
gehoor, in de kerk kan hij luisteren; en in zichzelf 
keren en bidden is een nog betere vorm van luisteren, 
de Heer God kan het ook zonder predikanten af. 
De typische katholiek doet; hij vorst niet uit, hij 
ademt, hij controleert geen zuurstofgehalte. ‘

En opeens viel mij iets op dat ik mij nooit eerder zo gerealiseerd had. Frits van der Meer sprak dezelfde taal als Gerard Reve, toen hij midden in de turbulentie van dat veranderingsproces van de jaren zestig het mysterie van het geloof wilde veiligstellen. In mijn blog Frits van der Meer en Gerard Reve citeer ik twee passages. De eerste is van Frits van der Meer en gaat over het fictieve karakter van het katholieke geloof, dat voor de ratio geen toegang biedt. De tweede passage is van Gerard Reve en gaat over de tegenstrijdigheden in de katholieke geloofsleer, die voor een ware gelovige er niet toe doen, omdat de inhoud van het geloof nooit letterlijk in woorden is uit te drukken. Kortom: zowel Frits van der Meer als Gerard Reve kozen voor het mysterie en het symbool, en keerden zich tegen het engagement en de letterlijkheid. Voor het verticale dus, en tegen het horizontale.

Ik hoef niet meer te kiezen, want in wezen heb ik er niets meer mee. (hoewel?) Maar met terugwerkende kracht – ondanks al mijn weerzin tegen de Jezuïeten – gaat mijn voorkeur meer uit naar Huub Oosterhuis dan naar Antoine Bodar. Hoewel ik toch ook ademloos passages kan lezen van zowel Gerard Reve als Frits van der Meer. Misschien heb ik nooit echt kunnen kiezen op de tweesprong van de jaren zestig, en is dat het probleem. Secularisering is een wonderlijk proces. Op een gegeven moment denk je, zoals ieder verstandig mens: Ik geloof het wel.

( Dit blog is eerder verschenen)

2 Reacties »

  1. Jos Heitmann

    27 januari 2019 op 01:25

    Weerzien?

  2. Huub Mous

    27 januari 2019 op 02:39

    oké… weerzin. (freudiaans?)

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)