Anus Dei, de kont van God

Buffalmacco, De triomf van de dood (detail), 1355, Camposanto Pisa. Man knijpt zijn neus dicht als hij geconfronteerd wordt met lijklucht bij een pestepidemie.

Gisteren kwam ik een oude man tegen op de Schrans hier in Leeuwarden. Hij deed me denken aan de tuinman en de dood. Waarom weet ik niet. Ik heb dat beroemde gedicht ooit als kind voorgedragen voor een volle klas. ‘Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot. Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.’ Vooral die tegenstelling tussen ‘rooshof’ en ‘dood’ heb ik altijd heel mooi gevonden. Bloesemgeur en de stank van een lijk. Stront en gladiolen. Het zijn de uitersten die elkaar raken in de metaforen van de neus.

Geuren vertellen ons dingen waar het verstand geen weet van heeft. Hitler had last van winderigheid, zo heb ik ooit eens gelezen. Daarom at hij alleen maar groenten. Ook was hij behept met zware vorm van smetvrees. Hij schoor zich twee maal daags, maar maakte wonderlijk genoeg nooit gebruik van deodorant of reukwater. Bij een van zijn laatste maaltijden nodigde hij zijn naaste medewerkers uit om deel te hebben aan het lichaam van hun Leider door bloedworst te eten dat van zijn eigen bloed was gemaakt. Hoc est enim….

Maar terug naar de Schrans. Even later zag een oude vrouw die als een klein kind hinkelde op een hinkelbaan die ze zelf met krijt op de stoep getekend had. Nee, dit heb ik niet gedroomd, het is echt gebeurd. Ze was bij een begrafenis geweest van een patriarch in Emmen, zo vertelde ze mij. Het lijk werd rondgedragen in een stoel. Oeps, dacht ik nog, dat wordt een mooie droom vannacht. Ik ga dromen over geuren. Sterker nog, over stank…

Niets daarvan. Het was weer helemaal stil in mijn dromen, angstig stil zelfs, misschien wel de stilte voor de storm. Ik had graag met die twee ouden van dagen wat rare avonturen in mijn droom beleefd. Wat doen die twee daar trouwens, op een doordeweekse dag op de Schrans in Leeuwarden? ‘Ik ga naar de viswinkel!,’ zei de oude man. Nota bene dezelfde viswinkel, waar ik ook altijd kom. Ze hebben daar een uitstekende haring in huis en schenken er zelfs witte wijn bij. Aan de muur hangt een vis met een knop eronder. Als je erop drukt, begint de vis hevig te swingen op de maat van ‘Don’t worry, be happy’.

Diezelfde mallotige speeldoos had ik jaren thuis in de gang hangen. Ideaal voor sombere dagen, als je met het verkeerde been uit bed bent gestapt. Vandaag is daar alle aanleiding toe. Morgen gaat dit weblog misschien uit de lucht. De rechter beslist dan in zijn ondoorgrondelijke wijsheid over het voortbestaan van mijn dagelijks geschrijf op internet. Er is een aanklacht ingediend, maar ik weet alleen niet door wie. Bespottelijk natuurlijk, maar zo gaan die dingen.

Het is dus een historisch dag vandaag, donderdag 10 januari 2019. Misschien wel de laatste dag dat u iets van mij verneemt. Straks spring op de fiets naar Heerenveen, waar ik een afspraak heb in Museum Belvédère, en daarna naar Easterwierum voor een atelierbezoek bij Ids Willemsma. Drukke dag dus. Ik moet de kop erbij houden. Er gebeurt veel de laatste tijd. Teveel misschien. Hoe ouder, hoe gekker. Ik raak een beetje van de rol. Sterker nog, ik ben loops…

Iets heel anders. Ik heb me voorgenomen om een geschiedenis van de stank te gaan schrijven. Religie, zo heb ik ontdekt, heeft iets met stinken van doen. Ik heb iets met religie, maar ik heb nooit het verband gezien met stank. Dat verband is er wel degelijk. Het zijn altijd helden en heiligen die het taboe van de stank doorbreken. Zo bezocht de heilige Elizabeth de nabijheid van besmettelijke zieken en schurftige kinderen. Elke religie is gebaseerd op een ideaal van reinheid en zuiverheid, dat bekrachtigd wordt door een indringende geur. Neem nou die Kees van de Staay van de SGP. Die man heeft helemaal geen geur. Hij ruikt nergens naar. Voor dat soort mensen moet je oppassen. Gerard Reve werd eens smoorverliefd op een man die totaal geen geur had. Dat was doodeng. Reve dacht dat het een zombie was. 

Geur is iets diep menselijks en zelfs diep religieus. Ook de geur van de mienskip is in wezen diep religieus. Wie buiten de eigen geurgrens valt stinkt. Elke vorm van discriminatie vindt zijn oorsprong in een afwijkende lichaamsgeur. Sterker nog, een samenleving ontstaat door de verschuiving van het somatische naar de societas. De corpus wordt een coöperatie met alle geurrituelen die daarbij horen.

Negers stinken, niet alleen omdat ze anders koken, maar omdat hun lichaam een andere geur heeft. De nazi’s spraken over de Foetor Judaïcum, de stank van de Joden. Wie heilig wil worden moet eerst de stank van andermans lichaam kunnen verdragen. Daarom ging Paus Franciscus als eerste de voeten wassen van anderen. Christus deed het bij zijn apostelen. Het was een gebaar van…. kijk ik ben immuun voor andermans stank. Ik heb de geur van heiligheid.

Die sacrale geur is een soort ozonlucht die je ook wel een ruikt als de stofzuiger oververhit raakt. Elke haat begint bij de transformatie van een de geur van het eigene tot de stank van een ander. De lichaamsopeningen, zoals mond en anus, zijn de poorten waar het eigen lichaam met de buitenwereld communiceert met geuren die weldra in stank veranderen. In deze onbestemde zone beginnen niet alleen de walging en de haat, maar gaan ook wereldreligies van start. Elke godsdienst creëert een nieuwe dogmatiek die in wezen gebaseerd is op stank.

Zo herken ik een katholiek aan zijn stinkende aura van ouwelgeur die ontstaan is door het vele hostievreten. Een protestant stinkt naar beschimmelde psalmbundels en kerkorgels met houtwurm…. en zo kunnen we nog wel even doorgaan. Mijn geschiedenis van de stank wordt een driedelig standaardwerk dat in de komende jaren zal gaan verschijnen. De geschiedenis van de hygiëne is inmiddels uit en te na beschreven, te beginnen met het civilisatieproces van Norbert Elias. Maar wie schreef de geschiedenis van de stank? De wereld van de stank is een verdwijnend universum dat je alleen nog in de derde wereld aantreft. En anders wel in Azië.

Ik ben nooit in Azië geweest, maar ik stel me zo voor dat het daar een eldorado is voor stankfanaten. Daar kun je nog ‘s levens felheid beleven, zoals Huizinga die beschreef voor het tijdperk van de late middeleeuwen. Dat is de wereld van de extreme tegenstellingen. Aan de ene kant stank, armoede en bruutheid sadisme en stompzinnigheid. Aan de andere kant verfijning mededogen, vrijgevigheid, ascese mystiek en poëzie.

Kijk zo moeten we het hebben. Wij zijn de stank vergeten, waardoor we het verhevene niet meer kunnen waarderen. In dit van stank ontdane tijdsgewicht raken we vervreemd van de alle hoop ontnemende rioollucht van het menselijk lichaam. We weten zelfs niet meer hoe de dood ruikt. Het opsnuiven van lijkenlucht wordt binnenkort een toeristische attractie.

Zelfs de stank van een sonore scheet wordt tegenwoordig van zijn aardse oorsprong ontdaan. De stank, die in alle registers van walging en perverse zelfgenoegzaamheid aan de basis staat van de ervaring van het sublieme, is in onze tijd taboe verklaard. Het lichaam is uitgeleverd aan de terreur van de deodorant. Het maakbare lichaam wordt steeds meer van zijn aardse geuren ontdaan. De mens wordt een antiseptische constructie van de mode-industrie die ons doet geloven dat we geen oorsprong hebben in het binnenste van de buik.

Een mens wordt tussen pis en stront geboren, zei Seneca al. Alleen de putlucht van de scheet herinnert ons nog aan onze ware oorsprong. Lezend in een boek van Augustinus stuitte ik onlangs op een ode aan de scheet. De oude kerkvader raakte in zijn laatste levensjaren zo overtuigd van de glorie en almacht van God dat hij niet het hoogste begon te bejubelen, maar het laagste dat denkbaar is.

Het laat-antieke denken hanteerde een hiërarchisch ideeënkader, waarin het lichaam de laagste plaats innam. Langs deze lange weg van vlees en drek naar geest en God moet de mens zien op te stijgen. Maar ook aan in de diepste regionen is de platonische schoonheid te vinden. Zo heeft Augustinus niet alleen een loflied kunnen zingen op de pracht van de worm met zijn schitterende kleur en volmaakte ronde lichaamsvormen, maar riep ook de scheet bij hem pure verwondering op.

Zo beweert hij dat menig mens zijn scheten meer onder controle heeft dan zijn erecties. Sommigen brengen uit hun achterste naar hun believen zulke harmonieuze geluiden te voorschijn, dat ze ook naar die kant schijnen te zingen. Er zijn er zijn zelfs die klank van een psalm laten opklinken uit hun anus… ‘Anus Dei, qui tollis peccata mundi, miserere nobis…‘ Of met andere woorden… ‘O God, bekommer U over Kees van der Staay….’  Stank is de geur van het heilige. Duister is de klank van het schone.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)