Leven is loslaten

Met mijn ouders en zus Trees op het strand van Zandvoort, zomer 1954

Over tien dagen is het 12,5 jaar geleden dat ik met dit weblog begon. ‘Ik blog dus ik besta…’ zo heette mijn eerste blog. Dat was op 20 april 2006. Het schrijven op internet was voor mij een vlucht uit een situatie die onhoudbaar was geworden. Ik was uit mijn eigen baan gegroeid en werd een onmogelijk figuur. Alles om me heen werd een probleem, maar het echte probleem was ikzelf. Ik paste niet meer op de apenrots van mensen die denken dat de wereld alleen door zo’n apenrots wordt bepaald. Ik kwam steeds meer in conflict met kleine zielen. Niet dat ik zelf zo’n grote ziel heb, maar ik weet wel wat een kleine ziel is. De wereld gaat nog eens aan kleinzieligheid ten onder. We hebben wereld gecreëerd waarin kleine zielen omhoog klimmen. Dit is de tijd van de kleinzieligheid.

Maar ben ik zelf dan zo’n heilige boon? Nog niet zo lang geleden had ik mij voorgenomen een lijst te maken van alle dingen waarvan ik spijt heb in mijn leven. Het zou een lange lijst zijn geworden. Uiteindelijk ben ik van dit idee afgestapt. Wat heeft het voor zin? Wat voorbij is, is voorbij. Je kunt er niets meer aan veranderen. Het loslaten van het verleden is misschien wel de moeilijkste opgave van het ouder worden. Loslaten is so wie so niet makkelijk. Het hele leven bestaat in feite uit loslaten en uiteindelijk moet je het leven zelf ook nog eens loslaten. Zo bezien is het leven een lange en moeizame leerschool om ooit alles te kunnen loslaten. Ars moriendi, dat is het leven. Op je sterfbed kunnen zeggen: ‘Het was mooi zo. Ik laat het los.’

Toch is er ook iets wonderlijks aan de hand met dat loslaten. Want zodra je iets echt loslaat komt het weer naar je toe. Het is net als een rouwproces. Op het moment dat het verlies echt wordt aanvaard, daalt de berusting neer en kan er weer openheid komen voor nieuwe ervaringen. Met de geschiedenis is het niet anders. We moeten het verleden loslaten om het te kunnen begrijpen. De historicus weet dat als geen ander. Johan Huizinga was een groot historicus. Léon Hanssen schreef zijn biografie met de fraaie titel Huizinga en de troost van de geschiedenis (1996). Daarin stelt hij het volgende:

‘Pas als iemand uit ons zicht verdwijnt, als we van een geliefde moeten scheiden, komen we tot de ontdekking dat hij of zij betekenis, voor ons betekenis had. Besef van betekenis gaat gepaard met pijn. Pas als een ding 
gebroken is of voorgoed voorbij, erkennen we ten volle de waarde ervan, zoals een popliedje zegt:

‘But it’s funny how you don’t know
what you’ve got until it’s gone’

Een biografie is de ontroering van iemand dichterbij te willen komen, maar hem of haar, die zich van ons omkeert, achterna te moeten  staren. Op dit moment van melancholie komen we tot het besef van betekenis. Dat is het punt waarop de biograaf zelf – een dichter bij de dichter wordt.’

Dat zijn mooie woorden. Hanssen begint zijn boek met een uitvoerige beschouwing over de problematiek van een biograaf die er naar streeft om zijn historische figuur zo goed mogelijk in beeld te krijgen. De biograaf moet zich voortdurend bewust zijn van de onmogelijkheid van zijn opgave. De geschiedenis is ongrijpbaar, het is je eigen echo die je terughoort vanuit de put waarin je roept, zoals E.H. Kossmann als eens heeft beweerd.

Het is als de mythe van Orpheus die zijn geliefde Eurydice niet te zien krijgt. Hij moet haar verbeelden. Haar gestalte onthult zich pas, als Orpheus zich afkeert van de directe aanschouwing. Een historicus, die aan de verleiding toegeeft om zich geheel om te keren naar het verleden, ziet het beeld van zijn geliefde voor zijn ogen verpulveren. Betekenis ontstaat pas, als iets voorgoed voorbij is. Pas als we ons van onze geliefde moeten scheiden, ontdekken we wat hij of zij voor ons betekend heeft. ‘But it’s funny how you don’t know/what you’ve got until it’s gone

Van wie zijn deze woorden? Ik meende dat ik ze meteen herkende. Joni Mitchell, Big Yellow Taxi. De tekst ken ik zowat uit mijn hoofd, dus het was voor mij niet zo moeilijk om dit citaat onmiddellijk thuis te brengen. Ik heb het nog even nagezocht. De oorspronkelijke tekst luidt als volgt.

‘They paved paradise
And put up a parking lot
With a pink hotel, a boutique
And a swinging hot spot
Dont it always seem to go
That you dont know what youve got
Till its gone
They paved paradise
And put up a parking lot.’

Maar er is iets vreemd aan de hand met deze tekst. De woorden lijken dezelfde als die Léon Hanssen citeert, maar ze zijn toch net even anders. Er staat niet: ‘But it’s funny how you don’t know‘, maar:  ‘Don’t it always seem to go‘. Gelukkig heeft Léon Hanssen een voetnoot toegevoegd, waarin de ware bron wordt onthuld. Dat is het liedje Winter in America. Volgens Wikipedia werd dit geschreven en gezongen door Doug Ashdown en op muziek gezet door Brian Jackson. Winter in America werd opgenomen in 1974, vier jaar na Big Yellow Taxi van Joni Mitchell. Intertekstualiteit bestaat dus ook in de popmuziek. De betreffende passage luidt als volgt:

‘I’ve learnt something of love
I wish I’d known before you left me
But it’s funny how you don’t know what you’ve got till it’s gone
I hope you’re getting all the love you ever wanted
But I wish I was there
With you sharing a morning sun.’

‘Mooi is iets dat het niet meer doet,’ heb ik ooit John Körmeling horen zeggen. Het lijkt wat kort door de bocht, deze uitspraak, toch wordt de hele esthetica in deze paar woorden samengevat.  We hebben de schoonheid uitgevonden om ons te verzoenen met de onttakeling, de afbraak, het buiten gebruik stellen van alles wat ooit heeft gewerkt, wat we ooit hebben liefgehad. Kunst is een doekje voor het bloeden, en mooi is alles wat stuk is. De tijd heelt niet alleen alle wonden, maar maakt ook op den duur alles mooi. Dat is niet alleen de helende werking van de kunst, maar ook de troost van de geschiedenis.

Reageren is niet mogelijk.