Beschouwingen van een Boogschutter

Bij woonblok Het Schip van Michel de Klerk uit 1917. Oostzaanstraat Amsterdam, eergisteren 14.00 uur

Altijd als ik aan astrologie denk, komt mij een vergelijking voor de geest, die mijn oude natuurkundeleraar Dr. L. Sweerts placht te maken. Hij vergeleek de stand der sterren op het moment van je geboorte met de positie van de melkboer en de bakker die met hun karren dagelijks door de straat rijden. De één komt van links en de ander komt van rechts. Elke dag hebben ze een andere positie ten opzichte van elkaar en de schijnbaar toevallige constellatie die zij vormen op het moment dat je moeder jou als mens op de wereld zet, bepaalt je verdere leven. Absurd dus, maar wie ben ik om dat te beweren. Voor astrologie moet je open staan en mijn mogelijkheden tot intuïtieve aanschouwing laten kennelijk te wensen over.

Zelf ben ik een Boogschutter, een zoeker dus. Ik ben geboren op 1 december in 1947, ‘s morgens om 9.01 uur. Zon, maan en Ascendant, die respectievelijk geest, ziel en lichaam vertegenwoordigen, zijn in mijn horoscoop wellicht sterk met elkaar verbonden. De zon staat in het zesde huis – het arbeidshuis – en maakt mogelijk mooie aspecten met Neptunus, die staat voor inspiratie, en Saturnus die voor de vormgeving borg staat. Zo kan zelfs mijn nuchtere geest begrepen worden als de realisatie van kosmische krachten in deze dageraad van het tijdperk van Aquarius met al zijn wonderen van liefde en medemenselijkheid. Welaan, gooi het maar in mijn pet. Maar ik blijf het fascinerend vinden.

De belangstelling voor astrologie is niet los te zien van het ontstaan en het verdwijnen van het monotheïsme. Dat is een lang verhaal, maar laat ik bij het begin beginnen. Met het ontstaan van het monotheïsme werd de stoffelijke wereld verlost van zijn primitieve bezieling. Bosgeesten, demonen, trollen en kobolden verlieten stilaan het toneel. De collectieve projecties van de menselijke ziel werden teruggenomen in de individuele psyche en voortaan gefocust op één centraal punt: God. Dat was de eerste stap naar de secularisering, een proces dat uiteindelijk vele eeuwen zou duren en in feite van begin af aan zat ingebakken in het DNA van het christendom: de drieledige bekroning van het monotheïsme. De menselijke ziel kreeg in het christendom een individuele, onsterfelijke status – een retourticket voor de eeuwigheid –  maar naarmate de wereld daarna steeds meer ontzield raakte, werd de psyche van de mens steeds complexer.

Astrologie werd astronomie. Alchemie werd chemie. Religie werd psychologie en zielzorg werd therapie. Na de kenniskritiek van Kant kwam in de loop van de negentiende eeuw het onbewuste in beeld. Actie is immers reactie, ook als het gaat om de binnenwereld van de mens. Zo ontstond de moderne esthetica als een hyper-individuele Ersatzreligion. En naarmate de ziel steeds verder uit beeld verdween, werd de psyche van de mens almaar groter en groter…. als een opwellende zeepbel in een leeg en goddeloos universum.

In die ontwikkeling zette wij gevangen sinds het denken ten prooi viel aan de mechanisering van het wereldbeeld. De kloof tussen de affectieve kennis en de rationele kennis werd steeds dieper en breder. Toch was er tijdens de Renaissance kortstondig sprake van een gelukkig huwelijk tussen ratio en gevoel, maar ook tussen de platonische liefde en de christelijke agapè. Zo ontstond de alles verenigende kennis door liefde, die eeuwig uitstroomt en rusteloos beweegt, maar altijd gedreven wordt door het verlangen om ooit weer terug te keren in de rust van de eeuwige schoonheid.

In de Renaissance werd niet alleen de klassieke beschaving herontdekt, maar ook de erfenis van de Joodse, Arabische en Egyptische culturen. Verwonderd vroeg zich men zich wederom af wat de ware relatie was tussen God, de kosmos en de mens. Kan een mens dan nooit meer zijn dan een sterfelijke God? Of houdt de herinnering aan het goddelijke ook een belofte in van onsterfelijkheid? Dat zou een belofte moeten zijn die gevoed wordt door een liefdevolle heimwee, zoals die wonderlijke vonk in de ziel, waarin Gods liefde in de mens zelf gevangen zit.

Er ontstond een geheel nieuw wereldbeeld, waarin ruimte ontstond voor nieuwe wetenschappen zoals de hermetica, de astrologie, de alchemie en de kabbala. Men verlangde naar een verzoening tussen de verloren rijkdom van heidendom en de verlossing die het christendom te bieden had. De gedachte kwam op aan een nieuwe verbinding tussen Rede en Openbaring, dat er een geheime brug kon bestaan die in de filosofie van de liefde gevonden kon worden, de liefde die zelfs de dood overbrugt. Kortom, men begon weer in wonderen te geloven, maar dan op een andere manier, meer symbolisch en literair. Het  wonder werd de grenzeloze verbeelding van de mens.

Randfenomenen als alchemie, occultisme, spiritisme en parapsychologie hebben nog lange tijd, zelfs tot in de eerste decennia van de twintigste eeuw de aandacht gehad van vooraanstaande wetenschappers. Er zijn tijden geweest dat bijgeloof en wetenschap helemaal niet zo vijandig tegenover elkaar stonden als men nu zou geloven Uit historisch oogpunt is de belangstelling voor alchemie en occultisme niet meewarig af te doen als een primitieve reactie op de natuurwetenschap. Deze esoterische terreinen van kennis vormden ook een inspiratiebron voor deze natuurwetenschappers zelf, die hun nieuwe revolutionaire ontdekkingen vaak moeilijk konden plaatsen binnen hun eigen wetenschappelijk wereldbeeld.

De alchemie heeft lange tijd de metaforen geleverd om de moderne wetenschap begrijpelijk te maken voor het brede publiek. In de sciencefiction werd de alchemie ingezet om de gevolgen van atoomfysica en kwantummechanica te verkennen. In de eerste decennia na 1900 bestond er een levendig debat tussen natuurwetenschappers enerzijds en een bont gezelschap van alchemisten, occultisten, spiritisten en theosofen anderzijds. Zij ontmoetten elkaar in vooraanstaande verenigingen en genootschappen en niet zelden waren het de wetenschappers zelf die betrokken waren bij spiritistische en alchemistische experimenten.

9780195306965

Deze halfvergeten geschiedenis in het grensgebied van de moderne natuurwetenschap wordt prachtig beschreven in een boek van de Engelse wetenschapshistoricus Mark S. Morrison: Modern Alchemy, Ocultism and the Emergence of Atomic Theory (2007). Morrison bedrijft een nieuwe vorm van wetenschapsgeschiedenis, die in Engeland ook wel ‘boundary-work’ wordt genoemd. Dat wil zeggen: onderzoek in het grensgebied van wetenschappelijke disciplines, maar vooral ook op de grens waar de wetenschap in strijd raakt met zijn eigen paradigma.  De demarcatielijnen van Popper, die wetenschap streng afgrensde van andere vormen van kennis, worden hierbij uit methodisch oogpunt juist genegeerd.

Niet alleen populaire cultuur en ‘modern bijgeloof’ komen bij deze benadering uitdrukkelijk in beeld, maar ook onverwachte grensgebieden zoals de populaire beeldvorming van de nieuwe atoomtheorie, die de alchimistische gedachte over de maakbaarheid van goud opnieuw tot leven wekte. Dat schrikbeeld had zelfs invloed op de theorieën over de moderne economie, die in het begin van de twintigste eeuw worstelde met de consequenties van het goud als internationale standaard voor de valuta. De moderne atoomtheorie bracht allerlei collectieve angsten voort, maar zat ook dringend verlegen om nieuwe metaforen om het intrinsieke verband tussen geest en materie – die in de kwantummechanica aan het licht kwam – in epistemologisch opzicht een plaats te geven.

Veel natuurwetenschappers waren van mening dat de laat middeleeuwse alchemisten weliswaar fout zaten in hun wetenschappelijke methodiek, maar wel een diepere intuïtie hadden over de aard van de werkelijkheid. Historisch gezien blijkt de alchemie telkens weer de metafoor bij uitstek te hebben geboden voor het doorbreken van denkbarrières.In dit verband kan zelfs sprake zijn van een kruisbestuiving tussen esoterische kennis en harde wetenschap. De wetenschappelijke ontdekkingen van rond 1900 – zoals de radioactieve straling, het verval van atomen en de mogelijke transformatie van het ene element in het andere – had grote gevolgen voor het spirituele denken, zoals dat in die tijd bij theosofen, Rozenkruisers, alchemisten en spiritisten in zwang was.

Ook in deze kringen ging men zich opeens objectiever en wetenschappelijker met het eigen spirituele gedachtegoed bezighouden. Geheime genootschappen werden openbaar en streefden naar herhaalbare experimenten die voldeden aan de eisen van de moderne wetenschap. Er werden hybride takken van wetenschap uitgevonden zoals een ‘occulte chemie’ en een ‘fysica van de helderziendheid’. Omgekeerd hadden natuurwetenschappers het idee dat ze iets misten in hun wereldbeeld.

De beoefenaars van de natuurwetenschap zouden iets fundamenteels uit het oog hebben verloren, waardoor zij op de grenzen van hun eigen kennis waren gestuit. De fundamentele verwevenheid tussen wetenschappelijke experiment en spirituele zelfverheffing, die voor de middeleeuwse alchemist van cruciaal belang was geweest, werd in de moderne wetenschap losgelaten. Die alchemistische transformatie van het innerlijk was in de moderne tijd als oogmerk van de onderzoeker verdwenen. Maar de literatuur bleef de schatbewaarder van de alchemie. Rimbaud sprak over de alchemie van het woord. En ook moderne schrijvers hebben occulte en esoterische bronnen geput als inspiratie voor hun verbeelding.

Eind jaren zestig had ik ook een abonnement op het blad Bres-Planète, een wat obscuur tijdschrift dat door Harry Mulisch ooit ‘De Telegraaf voor het onbewuste’ werd genoemd. In die tijd las ik boeken als De dageraad der magiërs (1960) van het duo Pauwels en Bergier. Ik heb zelfs nog een beduimeld exemplaar van de esoterische bijbel van Ouspensky, Op zoek naar het wonderbaarlijke (1949), waarin hij verslag doet van zijn ontmoetingen met de Russische magiër Gurdjieff. Boeken van Gurdjieff en Ouspensky worden tegenwoordig niet of nauwelijks meer gelezen, om over Bres-Planète maar te zwijgen.

Sinds Rudy Kousbroek in 1970 met zijn Avondrood der Magiërs de hang naar het wonderbaarlijke afdeed als een vorm van ‘modern bijgeloof’ dat voor menigeen een laatste vluchtheuvel biedt voor een verdwijnende religie, is het niet meer correct om je nog serieus met dit soort duistere zaken bezig te houden. Ook kort na de oorlog was er een korte opleving in de belangstelling voor het wonderbaarlijke. In zijn boek Het seksuele bolwerk (1973) bekent Harry Mulisch, dat hij in 1947 de twee dikke delen van Ouspensky’s Een nieuw model van het heelal in één etmaal achter elkaar heeft uitgelezen. Maar na een recente opleving in het ‘new age-denken’ lijkt de belangstelling voor het wonderbaarlijke weer op zijn retour. Al zijn er ook tekenen die op het tegendeel wijzen, zoals het recente succes van het Psi-fi festival in Leeuwarden rond psychedelische muziek, kunst en spiritualiteit, een festival dat aangekondigd wordt als ‘een magische wereld voor al je zintuigen’. Daar sluit de astrologie dan weer naadloos op aan.

Nogmaals, ik blijf deze materie fascinerend vinden. Misschien komt dat wel omdat ik een Boogschutter ben. Een zoeker dus, verslaafd aan verwondering… en de liefde, maar tegelijk ook trouw aan de grenzen die door het heldere denken zijn gesteld.

Reageren is niet mogelijk.