De navel van de wereld

Op deze foto is het april 1981. Ik zit op de bank en lees de krant. Boven de bank hangt een schilderij dat niet meer bestaat. Tijdens een echtelijke ruzie heeft Marijke het ooit stuk geslagen op mijn hoofd, zodat ik met mijn hoofd dwars door het doek heen stak. Ik was nogal depressief in die tijd en Marijke vond dat je zo’n psychische aandoening af en toe hardhandig moet aanpakken. Het schilderij laat een naakte vrouw zien die door een galerij loopt. Dat gebouw bestaat echt en staat in Sevilla. (zie: hier) Ik schilderde het in 1973 en werd daarbij geïnspireerd door het werk van Paul Delvaux. In dat jaar was er een grote tentoonstelling van Delvaux te zien in Museum Boymans van Beuningen en ik herinner mij dat ik daar samen met Marijke naar toe ben geweest. De catalogus heb ik nog altijd in mijn boekenenkast staan.

Nadat ik begin jaren zeventig – na twee mislukte studies – uiteindelijk kunstgeschiedenis was gaan studeren, koos ik voor mijn kandidaatsscriptie als onderwerp ‘De vouw bij Delvaux’. Dat de keuze voor dit onderwep iets met de problematiek van mijn eigen jeugd van doen kon hebben, was een gedachte die toen niet bij mij opkwam. Delvaux was destijds niet bepaald in de mode. In Nederland is hij dat eigenlijk ook nooit geweest. Nuchtere Hollanders moesten weinig hebben van deze stoet van stijve naakte vrouwen die slaapwandelend op treinstations met skeletten in de weer zijn. Carel Willink is al erg genoeg en die heeft in het Stedelijk Museum ook nooit veel voet aan de grond gekregen. Toch is dat jammer. Het werk van Delvaux heeft een heel eigen poëzie, maar je moet er wel gevoelig voor zijn. Zijn schilderijen roepen een gevoel van vervreemding op dat Delvaux als geen ander gekend moet hebben. Het is het gevoel dat je geen contact kunt krijgen met je diepste zelf, dat je losgekoppeld bent van je eigen ziel.

‘Om contact te krijgen met het verloren zelf,’  zo stelt Alice Miller in haar boek Het drama van het begaafde kind, ‘is het zaak empathie te kunnen ontwikkelen voor je eigen kinderjaren die je ontnomen zijn bij de stap naar de volwassenheid. Zelf heb ik die stap pas laat en moeizaam kunnen zetten. Tegen mij zei Marijke wel eens: ‘Ik heb jou niet alleen opnieuw moeten opvoeden, maar ook moeten leren wat liefhebben is.’

Onlangs heb ik het boek van Alice Miller herlezen. Er kwam er een stroom van herinneringen bij mij los. ‘De herinnering aan de pijn van de pubertijd,’ zo stelt Miller, ‘het niet-begrijpen en niet-kunnen-ordenen van de eigen impulsen, onthouden wij echter meestal beter dan de eerste trauma’s die zich vaak verbergen achter het beeld van een idyllische kindertijd achter een vrijwel volledige amnesie aangaande de kinderjaren.’

Zo was het ook met mij gesteld. Het grote drama van mijn pubertijd heeft mij mijn leven lang het zicht op mijn kindertijd ontnomen. Ik had de conclusie getrokken dat mijn vroege jeugd gelukkig is geweest, en misschien is dat ook wel zo. Te gelukkig. U zou het zo niet zeggen, maar
 ik hou werkelijk niet van mensen, die zichzelf voortdurend 
identificeren met de navel van
 de wereld, en die in hun jeugd altijd een aanleiding zien tot 
een drama of een voorwendsel voor leegloperij. Dat is nu 
juist de innerlijke gespletenheid die voortkomt uit mijn zelfkennis.

Het was een al geborgenheid tussen die vier oudere zussen, die mij als nakomeling altijd wat vreemd aankeken, en waarvoor mijn moeder mij steevast in bescherming nam. Ik was haar prins, haar gebeeldhouwde lieveling aan welk beeld ik trouw beantwoordde. Veel te trouw zelfs. Dat beeld werd mijn gevangenis. Ik zat opgesloten in het verlangen van een ander. Killing me sofly, dat was de melodie van mijn kinderjaren. Het is de overdaad van liefde en respect die schadelijk kan zijn voor het kind. Dan wordt het afscheid nemen van de kindertijd een hels karwei. Zo kwam het dat ik al die oudere zussen bleef bestoken met betogen waarin ik eindeloos gelijk had of gelijk moest krijgen. En gelijk heb ik nog altijd. Tenminste die illusie koester ik maar al te graag. Kortom, ik had moeite met de sprong naar de volwassenheid.

Of zoals Alice Miller het verwoordt: ‘In een sfeer van respect en verdraagzaamheid voor de gevoelens van het kind kan het kind in de scheidingsfase de symbiose met de moeder opgeven en geleidelijk overgaan tot autonomie.’ Maar bij mij was dat niet het geval. Voor mij was het een probleem om de symbiose met mijn moeder te verbreken. In alles wilde ik voldoen aan het ideaalbeeld dat zich van mij had gevormd, terwijl ik stelselmatig de in mij ontwakende levensdriften negeerde. Het was alsof iedereen om me heen deel uitmaakte van hetzelfde komplot dat mij onvermoeibaar en zorgvuldig vasthield in de fantasieën van mijn kinderwereld.

En… is het ooit anders geweest? Nog altijd zit ik gevangen, niet langer in het verlangen van mijn moeder, maar nu in het verlangen van mijzelf. Nog altijd heb ik de neiging om mezelf te zien als de navel van de wereld.

Reageren is niet mogelijk.