Melancholie en the seventies

IMAGE00011

‘In ons brein schijnt een bijzonder gebied te bestaan dat je het poëtisch geheugen zou kunnen noemen en dat registreert wat ons heeft betoverd, ontroerd, wat ons leven mooi heeft gemaakt.’

Aldus schrijft Milan Kundera in zijn roman De ondraaglijke lichtheid van het bestaan. Ik zou dat gebied op een hersenscan wel eens in beeld willen zien, al ben ik bang dat de wetenschap de coördinaten in het brein niet zal weten te vinden. Waar is die twilight zone van de melancholie? Wat is de exacte locatie van dat onbestemde overgangsgebied, dat niemandsland dat zich ergens moet bevinden tussen een ruimtelijke onmiddellijkheid van een afdruk en het spoor van een tegenwoordigheid die voorbij is. De laatste dagen word ik zo nu en dan overvallen door een gevoel van melancholie. Het heden is het heden niet meer en vluchten in het verleden, daar word je ook niet vrolijk van. Ooit las ik in de Leeuwarder Courant – in een bijlage die destijds De Lyrische Courant werd genoemd – een dichtregel die altijd in mijn kop is blijven hangen.

Ik fiel my mankelyk
en draai in plaat muzyk

Sa is it en net oars. Hoe ik het ook wend of keer, dit gevoel werpt me terug in het verleden. Ik zie een foto van mezelf en herinner mij de zomer van 1975. Mijn God, wat was ik nog jong. De ’seventies’ waren al aardig op streek en er lagen mooie jaren in het verschiet. De seventies zijn weer helemaal in. Het design uit die tijd stijgt in waarde. Vroeger kon je nog wel eens zo’n gruwelijke oranje bol-lamp kopen voor een habbekrats, maar dat is verleden tijd. Mensen verlangen kennelijk terug naar een tijd van vrijheid. Zo’n soort verlangen is ook veel veiliger dan het nastreven van vrijheid, want dat is tegenwoordig niet zo makkelijk meer met al die fatsoensrakkers en terreurdreigers. De jaren zeventig waren de jaren van de vrijheid. Nog nooit in de geschiedenis had een hele leeftijdsgroep zich zo massaal en resoluut afgezet tegen de beklemmende waarden van een oudere generatie.

Ikzelf koester geen heimwee naar the seventies, maar het is wel een tijdvak dat me intrigeert. In deze periode van mijn leven was ik vooral met mezelf bezig. Achteraf heb ik wel er wel eens spijt van dat ik toen te weinig intens geleefd heb, maar de dingen komen zoals ze komen. Dankzij die roerige jaren zijn we nu vertrouwd met fenomenen als inspraakprocedures, studentenacties, vrouwenemancipatie, het openbare groepsdebat en de permanente educatie. Samen met al die bakkebaarden van toen zijn ook heel wat idealen verdwenen.

Het was een tijd van polarisatie. De bomen groeiden nog in de hemel. Er bestond nog een alternatief. Tegenwoordig lijkt elke uithoek van het bewustzijn te worden gekoloniseerd door het mondiale spektakel van de massamedia en de eeuwige mantra van economische groei. En toch, ook de jaren zeventig kenden hun benauwenis. Het was ook een tijd van nostalgie, ondanks alle vernieuwingsdrang. ‘Still crazy after all those years’, ‘Killing me softly’, ‘Vluchten kan niet meer’, schreef Annie M.G. Schmidt. En elke zondagmiddag daalde laag boven Buitenveldert gierend een DC 9

Toen ik in 1977 begon als stafmedewerker beeldende kunst bij de Fryske Kultuerried, stond Friesland – ook in de Randstad – zeer goed bekend als het gaat om beeldende kunst. Dat kwam niet alleen door het spraakmakende beleid van Thom Mercuur in het toenmalige Museum ’t Coopmanshûs, maar ook door de vele goede kunstenaars die hier woonden en die landelijke bekendheid hadden verworven. Willem van Althuis, Harmen Abma, Eja Siepman van den Berg, Cyril Lixenberg, Zoltin Peeter, Franck Gribling, Geertje van Oudheusden, Lode Pemmelaar, Geert Duintjer, Geert van Fastenhout, Fritz Rahmann , Silvia Steiger, Ramon van de Werken… afijn, noem maar op. De meesten van hen kwamen van elders, maar ook Friesland zelf leverde een nieuwe generatie af die er mocht zijn: Sjoerd de Vries, Henk Lampe, Sies Bleeker, Ids Willemsma om maar eens een paar namen te noemen. Eigenlijk kun je stellen, dat het kunstklimaat in 1977 in Friesland beter was dan ooit te voren, en dat het daarna nooit meer zou worden zoals het toen is geweest.

Ik kan me nog goed een groot tuinfeest herinneren dat Ramon van de Werken organiseerde in de zomer van 1979. Iedereen was daar aanwezig die iets voorstelde in het Friese kunstwereldje van die tijd. Het was een soort verlate Summer of Love. Eindelijk Flower Power in Friesland. In het toen veel gelezen lifestyle magazine Avenue had kort tevoren een grote reportage gestaan over de idyllische kunstscene in Friesland. Die middag leek die idylle bewaarheid te worden. Er werd gemusiceerd, gedanst en gepicknickt, een soort Woodstock in het klein, maar dan in Driesum. Waar is die mooie tijd gebleven?

Ik heb het idee dat de jaren zeventig nu voor mij naar mij toe bewegen. Ze komen dus dichterbij, terwijl ze juist heel ver weg zijn. Dit is dus niet een kwestie van beleving van snelheid waarmee de tijd verstrijkt, het gaat eerder om de herinnering van beleefde tijd, die kennelijk in verschillende snelheden naar je toe (of van je af) kan bewegen. Het geheugen heeft dus een eigen veranderlijk tijd-universum, met wisselende snelheden, een innerlijk universum dat niet zozeer met het ouder worden als zodanig van doen heeft, als wel met de mate van herkenning die het verleden oproept in het heden.

Hoe komt het toch dat foto’s uit een bepaalde tijd achteraf allemaal op elkaar gaan lijken. Allereerst natuurlijk door de kleuren die mettertijd gaan vervagen en stilaan exact de juiste patina krijgen die hoort bij de Zeitgeist. De foto, die hierboven is te zien, hoort bij het midden van de jaren zeventig. Ik was 27 jaar. Het gebleekte spijkerjasje zit strak, te strak wellicht. Achteraf vraag ik me af, hoe ik daar in ben gekomen. Kennelijk was het een wat frisse dag, want ik had een schipperstrui onder mijn spijkerjasje. Die raakten toen helemaal in, schipperstruien. Je moest natuurlijk wel een echte hebben en die verkochten ze in een winkeltje op het Spui. Daar kon je ook echte rubberen bootlaarzen krijgen, van die groene. Mijn schipperstrui is zeker wel twintig jaar meegegaan. Misschien ligt hij nog wel een ergens in een kast. Het bloemetjesoverhemd daaronder hoorde bij de outfit waarin ik getrouwd ben. Dat gebeurde het jaar daarvoor, in 1974, geheel in de stijl van de seventies.

Het was een softe tijd vol nostalgie naar een verleden dat nooit had bestaan. De tijd van de mooie lampjes uit grootmoeders tijd die het goed deden bij de letterbak, de asparagus, de papyrus en de citroengeranium. Kamerplanten en cocoonen dat was het helemaal. De kamer had kurken wanden afgewisseld met Spaans stucwerk op de muur. Een grenen houten eettafel met bijpassende banken en op de vloer rieten tegels uit Genemuiden. Ik wilde altijd nog zo’n grote rieten stoel, waar Sylvia Kristel in zat in de film Emmanuelle. Zo eentje met een hele hoge, ronde leuning. Iedereen wilde zo’n stoel, Het was icoon, een tijdsbeeld van een tijd die het hier en nu wilde ontkennen, de tijd van de twilight zone.

Joey Dyser zat ook in zo’n stoel, toen ze 100 years zong. Dat was heel even een hit in dat jaar 1975. Nooit meer wat van gehoord, die Joey Dyser. Inderdaad, het lijkt allemaal wel honderd jaar geleden. Ze speelde zichzelf op die rieten stoel, als in een film die je al eens eerder had gezien. In de videoclip waarin ze acteerde wist ze een onbestemd gevoel op te roepen, iets tussen authenticiteit en de schaduw daarvan. Het waren beelden ‘op de huid van de tijd’, zoals dat heet. Maar waar zong ze eigenlijk over?

Het was de tijd… de tijd die meer was wat hij geweest was. Nu pas begrijp ik de woorden van de tekst. Nu pas zie ik het toneelstuk terug. Ik zie mezelf weer op de planken. Ik zie mezelf op die ene foto uit een tijd die voorgoed voorbij is. Ik speelde mezelf en dat doe ik nog steeds. In het heden dat niet meer is wat het is. En in een verleden toen ik nog jong was. The other day I felt so young…. 

Reageren is niet mogelijk.