Een opstandige droom

Mark Bunder, Gipsafgietsel van mijn gelaat met geschilderde bril, 2001

De laatste maanden word ik bezocht door een opstandige droom die steeds weer terugkeert. Vannacht was hij er weer. Ik zit midden in een filmopname. Of beter gezegd, ik zit er in opgesloten, want vluchten kan niet meer. Mijn huis is omgetoverd in een Hollywoodachtige studio. In de tuin is een basketbalveld. Overal staan felle lampen en van die witte paraplu’s om het licht te weerkaatsen. Steeds maar weer dezelfde opname. Een hoofdzuster met een fout jaren vijftig kapsel spreekt de patiënten toe. Het was weer mis vannacht. ‘Geen gekeet meer in de slaapkamer, het moet nu afgelopen zijn!’ Iedereen kijkt beteuterd in het rond. Plotseling gaat zij heel fel te keer tegen de Benjamin onder ons. Ze begint vals te dreigen met zijn moeder. Een grote indiaan kijkt toe en zwijgt. Hij wil basketballen. Ik weet het – en dat is het rare van deze droom – het is een film die ik ooit eerder heb gezien. Niet alleen in vorige dromen maar ook in het echt. Dat wil zeggen: in de bioscoop. In mijn droom speel ik dus mee in een film, die al bestaat, en toch moeten alle scènes telkens weer van voren af aan worden opgenomen. Het is echt en onecht tegelijk, een gefingeerde werkelijkheid, die allang gebeurd is en toch opnieuw gebeuren moet. Juist dat is het beklemmende. Alsof ik zit vast gegoten in mijn eigen leven waar ik geen enkele zeggenschap meer over heb. Een déja vu in het kwadraat. Ik weet ook donders goed hoe de droom afloopt. Er wordt lobotomie toegepast. De voorhoofdskwab van mijn hersenen wordt operatief gescheiden van de rest. Daarna is mijn opstandig gedrag volledig verdwenen. Ik ben een zombie geworden. De indiaan breekt met zijn bovenmenselijke kracht de wasbak uit de grond en het water spuit omhoog. Hoe vaak moet ik die droom nog dromen? Van de week was het weer raak. Ik raakte verzeild in een knallende ruzie met de contactgestoorde directrice van dit gekkengesticht die sinds kort de leiding heeft over al mijn doen en laten. Ze was al weggevlucht, nadat ze een verslag van een functioneringsgesprek in mijn mailbox had gedropt. Een verslag dat nergens op leek. De werkelijkheid was totaal verminkt. Ik kon haar nog net op haar mobiel te pakken krijgen, terwijl ze terugreed over de Afsluitdijk. Woedend was ik, maar ik hield me nog redelijk in. Hoelang lukt dat nog, om niet godvergeten kwaad te worden? Wat moet er nog gebeuren, voordat ik in mijn dromen van rol verwissel en de losgerukte wasbak met de oerkreet van een Neanderthaler door het raam naar buiten smijt?

(dit blog verscheen eerder in 2007)

Reageren is niet mogelijk.