Alleen door de dood kan God bestaan

Het exemplaar van het boek L’homme révolté van Albert Camus, dat ooit in bezit was van Simon Vestdijk en door hem van aantekeningen werd voorzien. Universiteitsbibliotheek Utrecht, afdeling bijzondere collecties, zesde etage, woensdag j.l. 10.00 uur.

In de jaren vijftig en zestig werd Camus veel gelezen door theologen. Niet omdat Camus iets over God te melden had. Integendeel. Het aardse geluk was het enige geluk voor Camus en het enige leven was voor hem het aardse. Dat bepaalde ook zijn houding ten aanzien van het christendom.

‘De idee van het katholicisme,’ zo verklaarde hij eens, ‘komt mij altijd bitterzoet over. Ze is verleidelijk, en vervolgens stoot ze me af. Dat komt ongetwijfeld, omdat bij mij het essentiële ontbreekt: het geloof. Persoonlijk voel ik me dichterbij het hellenisme staan. En binnen het christendom, dichter bij het katholicisme dan bij het protestantisme.’

Camus vond dat de mens in opstand moet komen om het aardse geluk te bereiken. Toch was hij ook gefascineerd door het ontstaan van het christendom. Het was ook niet toevallig dat hij voor zijn eindscriptie voor zijn studie filosofie een onderwerp had gekozen dat betrekking heeft op deze periode: het neoplatonisme. Wat hem fascineerde in het christendom waren de raakvlakken met het hellenisme.

In die zin heeft het denken van Camus een raakvlak met de ideeën over het christendom zoals die naar voren komen in het boek De toekomst der religie van Simon Vestdijk. Camus wilde het christendom opnieuw uitvinden, maar dan zonder de metafysische smetten van de laat-klassieke tijd en de dualistische restanten van goed en kwaad die Augustinus erin had achtergelaten. Het christendom had ooit een oplossing gevonden voor elementaire bestaanskwesties als het kwaad, de schuld en de de dood.

Vestdijk schreef De toekomst der religie als een pleidooi voor een waardig afscheid van het christendom, maar tegelijk wees Vestdijk op de grote betekenis die het christendom heeft gehad. Deze religie behoedde de mens immers voor hoogmoed. Hij mag niet zelf ‘de Eeuwige Mens’ worden, anders gezegd: De Übermensch waar Nietzsche voor pleitte. Bovendien bieden de menselijke kennis en de mogelijkheden van de moderne techniek de verleiding om de natuur volledig te gaan beheersen.  Het christendom met zijn vermaning tot nederigheid en naastenliefde weerhoudt de mens ook om zijn eigen vernietiging te bewerkstelligen.

Camus en Vestdijk waren beiden geïnteresseerd in het ontstaan van het christendom, maar ook in het ontstaan van transcendentie. Waarom is de mens in een bovennatuurlijke werkelijkheid gaan geloven? Aan een God die ver boven de mens uitgaat. Camus wees zo’n God af. En ook Vestdijk verzette zich tegen wat hij noemde ‘de religieuze projectie’. Camus koos voor de menselijke solidariteit en oprechtheid en niet voor de morele onduidelijkheid en de schijnheiligheid van het christendom, hoezeer hij dit christendom tegelijk ook bewonderde.

Ook Vestdijk had een tweeslachtige houding tegenover het christendom. In vergelijking met de verschrikkingen van de totalitaire ideologieën van de twintigste eeuw, was het christendom volgens hem een zegen. Camus had zich in de Tweede Wereldoorlog verzet tegen de nazi’s. Vestdijk zat als gijzelaar gevangen St. Michielsgestel, waar hij zijn eerste ideeën ontwikkelde over de toekomst van de religie. Zowel Vestdijk als Camus begonnen horizontaal te denken en in niet langer verticaal. Vestdijk greep zich vast aan de mystiek. Camus aan de liefde en de opstand. Maar wat is het verschil? Beiden citeren uitspraken van de mysticus Meister Eckhart. Zo schreef Camus in De mens in opstand:

‘Als Heathcliff in ‘De Woeste Hoogte’ zijn liefde stelt boven God en de hel vraagt om verenigd te worden met wie hij
 bemint, dan spreekt daarin niet uitsluitend zijn vernederde jeugd, maar
de brandende ervaring van heel een leven. Een gelijke gemoedsbeweging doet meester Eckhart zeggen, in een opwelling van verbijsterende ketterij, dat hij de voorkeur geeft aan de hel met Jezus boven de hemel zonder 
Jezus. Hiertoe beweegt alleen maar de liefde. ‘ 

Zijn er daden die uit de hoogste vorm van liefde voort kunnen komen en die zelfs het hoogste kwaad te boven gaan. Of beter gezegd: zijn er daden die het hoogste kwaad omkeren in het goede? Het is een vraag die al opduikt bij de gnostici in de eerste eeuwen van het christendom. Die vraag zal ook een terrorist of een suïcidale geweldpleger vroeg of laat aan zichzelf stellen. Camus spreekt over ‘de zonen van Kaïn’ die in opstand komen tegen een naijverige, wrede en willekeurige God. Zij beroepen zich op het hoogste goed in naam van alle mensen, en zien in hun daad van verzet het hoogste kwaad als geoorloofd.

Het is een opstand tegen de wrede God van het Oude Testament, een opstand die het christendom met zijn genadeleer van bovenaf juist door iets anders heeft willen vervangen. In plaats daarvan kwam het geloof in de onvoorwaardelijke liefde van God die door het offer van zijn Zoon alle wreedheid in zich terugneemt.

Maar, zo beweert Camus, het is een paradox dat juist ‘de zonen van Kaïn’ deze wrede, willekeurige en naijverige God weer op het podium doen verschijnen. Zij zetten het hoogste kwaad in voor het hoogste goed, maar in die omkering van alle waarden begaan zij zoiets als een ‘heilige zonde’, een antinomie. De wetten van de ethiek worden dan binnenstebuiten gekeerd. Het is de wereld op zijn kop.

Alleen de dialoog met de medemens bood voor Camus uiteindelijk uitkomst voor de problemen van het menselijk bestaan. Zo schrijft hij:

‘Vanuit dit gezichtspunt heeft Socrates gelijk, en niet Jezus. De vooruitgang en de ware grootheid van de mens liggen in een dialoog op het menselijke vlak, en niet in het evangelie, een monoloog die vanaf een eenzame berg wordt uitgesproken’ .

Als het om het christendom gaat onderschreef Camus de uitspraak van Nietzsche: ‘Het christendom heeft maar één christen voortgebracht, en die hing aan het kruis.’ Of zoals Camus het in De mens in opstand verwoordde:

‘De nacht van Golgotha is zo belangrijk in de geschiedenis der mensen, omdat in die duisternis de godheid, openlijk afziende van zijn traditionele voorrechten, tot het einde toe, met inbegrip van de wanhoop, de doodsangst beleefd heeft. Zo kan verklaard worden het Lama Sabachthani, “Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?” en de afschuwelijke twijfel van de Christus in doodsstrijd. Deze doodsstrijd zou gemakkelijk zijn, indien hij gedragen werd door de eeuwige hoop. Opdat God werkelijk mens zij, moet hij aangetast zijn door de wanhoop.’

Anders gezegd, alleen door de dood van de mens kan een God bestaan. De spanning tussen ‘zijn’ en ‘niet-zijn’ is het existentiële probleem van het leven zelf. Daar ligt die grens en wie die grens overschrijdt houdt op met helder denken. Leven is pas mogelijk door de mogelijkheid van de dood.

Zo geredeneerd zou de gedachte kunnen ontstaan, dat er misschien dan toch iets van een God zou kunnen zijn, maar dan een God die schuil gaat in het leven zelf, in de onmogelijke mogelijkheid van het niets. De zelfbevestiging van het ‘zijn’ zonder het ‘niet-zijn’ zou niet eens een zelfbevestiging kunnen zijn, maar een onbeweeglijke zelf-identiteit. Het goddelijke ja is niet mogelijk zonder een even goddelijk nee.

Ook Vestdijk was het opgevallen – zoals hij in De toekomst der religie terloops opmerkt – dat alleen in het brein van sommige mystici de gedachte is opgekomen, dat er een merkwaardige contradictie schuil gaat in het christelijke dogma, dat stelt dat God zijn Zoon als mens heeft laten sterven om de mens te redden. Het zou pas waarlijk christelijk zijn als in een dogma werd vastgelegd, dat een mens ook sterven kan om God te redden.

Daar ligt de omkering in het denken over de relatie tussen de menselijke existentie en het mogelijk bestaan van God. Precies op dat punt raken Camus en Vestdijk elkaar.

En toch, Vestdijk had niet zoveel met Camus. De naam Sartre komt meer voor in zijn geschriften. Vestdijk schreef ooit  lovende recensies over de romans L’étranger en La peste van Camus, maar daar bleef het ook bij. Ook in zijn studie De zieke mens in de romanliteratuur verwijst hij naar La peste. Maar in zijn dissertatie Het wezen van de angst, waarin het existentialisme ruim aan bod komt, zwijgt Vestdijk over Camus.

Misschien begreep Vestdijk Camus niet goed. En al hadden beiden de Tweede Wereldoorlog intens beleefd, Vestdijk was vijftien jaar ouder en behoorde haast tot een andere generatie. De levens van deze twee mastodonten gingen grotendeels langs elkaar heen, zelfs in dat bijzondere jaar 1957,  toen Vestdijk voor het eerst werd voorgedragen voor de Nobelprijs voor literatuur, die uiteindelijk aan Camus werd toegekend.

Afgelopen woensdag was ik in de Universiteitsbibliotheek van Utrecht om daar Vestdijks exemplaar van Camus’ L’homme revolté in te zien. Ik heb foto’s genomen van de pagina’s waar Vestdijk aantekeningen heeft geplaatst. Na afloop had ik een gesprek met Dick Vestdijk, de zoon van Simon. Ik kwam met hem in contact door zijn commentaar op mijn blogs over Vestdijk, die ik een tijd geleden schreef.

Dick Vestdijk werkt als bibliothecaris bij de Hogeschool Utrecht in een gebouw dichtbij de Universiteitsbibliotheek. Hij wist mij enkel behartenswaardige dingen te vertellen over zijn vader en gaf mij ook tips om meer te weten te komen over hoe Vestdijk over Camus heeft gedacht.

Werk aan de winkel dus. Ik wil hier iets mee doen.

Reageren is niet mogelijk.