Kermis in de hel

Vannacht ontmoette ik een vrouw die ik wel eens tegenkom op straat, maar die ik verder alleen ken uit dromenland. Het is waar 
gebeurd of liever gezegd: ‘waar gedroomd’, en ik vertel u deze droom, omdat hij mij zo fascineert, op het gevaar af dat u er alle mogelijke psychologische afwijkingen in zult herkennen. Dromen verraden immers de geheimen van de ziel. Hoe dan ook, de vrouw die ik ontmoette was geen onbekende in dit land, waar men haar zelfs een onderscheiding heeft toegekend. Ze is geliefd en vermaard. Tegenwoordig doceert zij wis- en natuurkunde aan de Rijks Universiteit in Groningen. Toen mijn weblog nog openstond voor reacties reageerde ze wel eens onder een pseudoniem, een mannennaam. Ik zeg niet welke.

Overigens, niet dat zo’n onderscheiding iets bijzonders is. Wie nooit een onderscheiding, lintje, medaille of prijs kreeg toebedeeld is als een wielrenner die nooit doping heeft gebruikt. Het spul is ruimschoots op de markt en dus pak je wat je pakken kan. Ik heb nooit een lintje gehad en zal het ook nooit krijgen. Ik zeg altijd met Pater Van Kilsdonk SJ: ‘Zo’n lintje vloekt op mijn revers!’ Lid van de Fryske Akademy, dat is het hoogste wat ik bereikt heb. En of u het gelooft of niet, ik heb er vrede mee. Mijn vader, die overigens op zijn ouwe dag wel een lintje kreeg, placht Paulus te citeren: ‘Als ik wil roemen, dan wil ik roemen op mijn zwakheden.’ Sa is it en net oars.

Maar nu terug maar mijn droom vannacht….

Buiten mijn droomuniversum heb ik deze anonieme vrouw, die ik dus wel eens tegenkom op straat, nooit 
kunnen benaderen, want zij geeft haar identiteit niet prijs, zeker niet aan zo’n boerenkinkel als ik. Eigenlijk is zij compleet onbenaderbaar, niet omdat zij zo beroemd is, maar door 
karakterologische omstandigheden. Zij is bovendien een brok chagrijn van heb ik jou daar. In mijn droom woonde zij in een grote villa, ergens in Paterswolde.

Ik loop door een statige gang die me doet deken aan het bejaardentehuis waar jaren geleden mijn moeder aan haar eind is gekomen. Er hangt een pregnante geur van spruitjes en steunkousen. De vloer is glad en spiegelt van helderheid. Er staat ook een paard op de gang. Van heinde en verre zijn professoren komen opdagen, zelfs uit Denemarken. Zij moeten overigens niets hebben van deze vreemde vrouw die vroeger onder pseudoniem op mijn weblog reageerde.

Zelf is zij ooit streng gereformeerd opgevoed en zeker niet katholiek zoals mijn moeder. Zij schrijft ook nog altijd psalmen, die overigens meer getuigen van de goddeloosheid van de afzender dan een lofzang op de Schepper. Maar ook mijn moeder ging al jaren niet meer naar de Mis. De paarden ook niet. Mijn zusters namen mij altijd mee naar de Mis die werd opgedragen in de parochiekerk, waar mijn vader in het koor zong. Met Kerst liet hij daar het Insha’Allah galmen onder de gewelven van de kerk. Insha’Allah is een oude Arabische spreuk die zoveel betekent als: ‘Als God het wil.’ Oftewel: ‘Deo volente’.

Soms laat deze wonderlijke vrouw haar woorden zo luid in het middenschip klinken dat ze boven het gewei van de Christusfiguur in het zijaltaar een met diamanten versierd kruis ziet verschijnen ter ere van de Heilige Hubertus, de patroon van de jacht. (“Oppassen dat ik hier niet op mijn bek val,” denk ik. “Dit wordt een requiem voor een zwaargewicht, een requiem voor een dode God die knock-out in een uithoek van de wereld ligt en zelfs na honderd tellen niet op zal staan.” ) God is een lege plek geworden, een gapend gat in de werkelijkheid, dat zich overal opdringt aan het oog. God is een kwantumsprong in het grote niets, en dan ook nog zonder vangnet.

Maar wat is het grote niets? Het grote niets is de lange leegte. De sublieme leegte. De mystieke leegte. Leeg is leeg is leeg…. en als je zo maar lang genoeg doorgaat is leeg opeens weer vol geworden. Voller dan vol zelfs. Misschien is God wel vol. Misschien is niets wel iets. Een en een is twee, maar wat is in Godsnaam twee? De flat van deze vreemde vrouw bestaat uit twee kamers die in elkaar over lopen: een zit- en 
een slaapkamer. Het is midden overdag, maar de ramen zijn afgeplakt met oude kranten, een gewoonte die zij kennelijk van Gerard Reve heeft overgenomen. De kamer wordt verlicht door een paar bouwlampen op statief die een onaangenaam hel licht uitstralen als in een ijssalon of cafetaria. “Ik werk 
altijd bij kunstlicht,” zegt zij.

Langs de wanden staan kasten met glazen deuren. Ze bieden uitzicht op een eregalerij van schedels, mensenschedels nog wel. Ik realiseer mij dat dit een verzameling schedels is van beroemde wiskundigen: Carl Friedrich Gauss, Alan Turing, Euclides van Alexandrië, René Descartes, Leonardo Fibonacci, Hans Freudenthal, Werner Heisenberg, Carl Jacobi, Henri Poincaré, Simon Stevin, John von Neumann , Christiaan Huygens, Luitzen Brouwer, Kurt Gödel en Pierre de Fermat. Er zitten ook laden in de kasten en een daarvan staat half open. Er kruipt net een jong poesje uit. De vrouw duwt het poesje weer naar binnen en schuift de lade weer dicht. Op tafel ligt een grote verzameling kauwgomballen. ‘Met honderdduizend ballen voor een stuiver en een cent. Die zie je zomaar zitten als je uitgeslapen bent.’

Ik kan niet laten om het hele liedje te gaan zingen, maar dat wordt door haar kennelijk niet op prijs gesteld. Zij loopt heen en weer tussen haar zit- 
en slaapkamer, gekleed in een lila nachthemd. Al pratende voltooit zij haar toilet. Ze kleurt haar lippen rood, borstelt heur haar, dan gaat zij weer naar de slaapkamer en ik hoor haar daar wat rommelen. Ze blijft maar doorzeuren over mijn gedicht dat zij onlangs heeft gelezen op mijn weblog en dat zij 
heftig afkeurt. Er deugt niets van. Hoe ik de onzin bij elkaar
 haal. En zo gaat het maar door….

In mijn droom ben ik me er heel goed van bewust dat ik naar aan
leiding van dit bezoek een stukje voor mijn weblog moet schrijven. Er valt een lange stilte en en tenslotte zeg ik: “Maar laten we nu eens over iets anders praten. Ik kan dat toch niet allemaal op mijn weblog zetten.” Zij wordt verschrikkelijk kwaad, rent weg de gang op, komt terug met haar jas aan – nu opeens gekleed als een deftige dame in donkerblauw mantelpak 
- posteert zich voor me en schreeuwt: “Het is monorchisme!” 
In mijn droom haal ik monorchisme en monarchisme door elkaar 
en roep luid en duidelijk: “Maar ik ben toch koningsgezind!”

Op hetzelfde ogenblik weet ik, nog steeds in mijn droom, dat ik 
inderdaad op mijn bek ben gevallen. “Nou vindt zij me nog dommer,” 
denk ik en word wakker. Om precies te weten waarvan ik beschuldigd word heb ik het 
woordenboek opgeslagen en zo las ik het volgende:

Bij monorchisme, is er slechts één zaadbal in het scrotum aanwezig. Deze aandoening wordt ook wel monorchidie of unilaterale anorchidie genoemd. De andere zaadbal is of niet-ingedaald (cryptorchisme) of überhaupt niet aanwezig.’

En hiermee eindigt dan het verslag van mijn droom. Wat een nachtmerrie! Ik was compleet overgeleverd aan  een vrouw bij wie ik niets had in te brengen. She is the boss! zo was het. Hoe kom je op zo’n droom? Ik weet het ook niet. Ik kan er alleen maar naar gissen want er was geen enkele aanleiding toe.

Het was een mooie dag gisteren. Ik had Marije Bouwman op bezoek. Zij gaat een catalogustekst schrijven over Lode Pemmelaar die een tentoonstelling krijgt in Museum Belvédère. Die tentoonstelling moet ik gaan openen, geloof ik, maar ik weet bij God niet wanneer. Afijn, we zien wel. Vandaag ga ik naar Amsterdam, waar ik samen met mijn beste vriend en een oude bekende de lunch zal gebruiken in de kunstenaarssociëteit Amicitia aan het Rokin. We zullen dan praten over vroeger toen alles zo anders was en we Indië nog hadden.

Dit jaar wordt ook alles anders. Dat zeg ik steeds al, maar niemand wil mij geloven. Hoe ouder hoe gekker, het is elke dag kermis in de hel.

Reageren is niet mogelijk.