How blue can we get?

Vanochtend kroop ik weg in het putje van het bad.
Ik wilde terug, ik had genoeg van deze aarde.
Ik daalde af waar zij mij als haar vrucht bewaarde
en zag de moederschoot die mij heeft liefgehad.

In dat grottenstelsel diep verborgen in de grond
zweefde ik gewichtloos in het warme sterrenwater.
Ik schopte in haar bolle buik en dacht aan later
als ik oud en eenzaam ooit de weg terugvond.

Ik zag de pijn die mijn geluk zou gaan vergallen,
tranen van verdriet, geboorte, dood en hoongelach.
Ik zag de ochtendmist en alle flarden van de dag
alles, alles van mijn hele leven. Ik zag de avond vallen.

Moeder, dacht ik toen, je hebt me laten gaan.
Ik had daar moeten blijven, in jouw warme watermond.
Je bent nog om me heen als heimwee. Als een open wond
die nooit geheeld is. Terug naar jou zal ik straks gaan.

De kist is al gezaagd, ooit gaat hij in de grond.
Vette kluiten aarde zullen op de deksel vallen.
De wormen en de pieren zullen aan gaan vallen.
Verzwelgen zal de aarde mij. Dan pas sluit de wond.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)