Het DNA van mijn generatie

Gisteren was ik  in het Drents Museum in Assen om de tentoonstelling The American Dream te zien, over het Amerikaanse realisme na 1945. Het is een dubbeltentoonstelling die tegelijkertijd ook in Emden is te zien. Het Drents Museum richt zich op de periode 1945-1965. In de Kunsthalle in Emden zijn werken te zien van na 1965. Het is een mooie tentoonstelling die fraai is vormgegeven. Naast de schilderijen komen ook de Amerikaanse geschiedenis, de politiek en de sociale bewegingen uit deze periode aan bod. Voor een babyboomer zoals ik is deze tentoonstelling ook een beetje jeugdsentiment.

Wonderlijk dat de samenstellers de tentoonstelling laten beginnen in 1945. Het Amerikaanse realisme is immers al in het begin van de jaren dertig ontstaan, tijdens de New Deal-periode van president Roosevelt. Van regeringswege werden er toen allerlei projecten gestart om kunstenaars aan het werk te houden. Zij kregen opdrachten voor het maken van realistische muurschilderingen, maar in het algemeen ook van realistische kunst die de moraal van het volk moest versterken in deze jaren van economische crisis. Het realisme in Amerika is ontstaan vanuit de politiek en niet vanuit de kunst. Net zoals de naoorlogse abstracte kunst door de Amerikaanse regering internationaal werd gepromoot om tegenwicht te bieden tegen het communistische Oostblok. Realisme werd toen in ideologisch opzicht juist een beetje verdacht, totdat de Popart met zijn nieuwe vormen van realisme de consumptiemaatschappij niet alleen verheerlijkte maar ook op de hak nam. Dat de tentoonstelling in 1945 begint en niet in 1930 vindt wellicht zijn oorzaak in het feit dat hij is samengesteld door babyboomers. Hoe dan ook, het is een tentoontstelling die voor babyboomers lijkt gemaakt.

Lopend langs deze schilderijen krijg je een ander beeld voorgeschoteld van je eigen verleden, want veel werken die hier te zien zijn komen niet voor in de canon en de handboeken van de naoorlogse kunst. Hopper en Warhol wel natuurlijk, maar deze tentoonstelling biedt veel meer. In de jaren zeventig studeerde ik af op een doctoraalscriptie over de Amerikaanse kunstkritiek van de jaren zestig. Dit roerige decennium is voor mij nog altijd een ijkpunt voor alles wat in de tijd van mijn generatie is gebeurd. Dat wil zeggen ná de oorlog, en met name in the sixties toen de babyboomers hun tijd van Sturm und Drang beleefden. Soms lijkt het of de jaren zestig tegenwoordig voorgoed ten grave worden gedragen. Babyboomers zijn in de beklaagdenbank komen ten staan. Ze krijgen de schuld van alles en nog wat. Vooral de populisten wijzen met een beschuldigende vinger naar de babyboomers. Het cultuurmarxisme zou een uitvinding zijn van de generatie van mei ’68.

Maar wat is eigenlijk een babyboomer? Het lijkt me nogal een rekbaar begrip, maar laten we de meest voor de hand liggende definitie hanteren. Dat wil zeggen: babyboomers zijn de mensen die tussen 1945 en 1950 geboren zijn – in de hoogtijdagen van de naoorlogse geboortegolf – en vervolgens de wijsheid omstreeks 1968 in pacht hadden. Politiek zijn (of waren) ze meestal links georiënteerd. Zij maakten het proces van de ontzuiling mee, voor zover ze dat proces niet zelf in gang hebben gezet. Maar mag je zo generaliserend over een generatie spreken?

Helemaal vreemd is het niet, ook binnen de officiële geschiedwetenschap. Naast de diachronische en de synchronische benadering kent de geschiedwetenschap nog een derde gezichtspunt, dat is het perspectief  vanuit een generatie. Elk mens is als een boom die de jaarringen van zijn leeftijd in zich draagt. Zo is het ook met een generatie. Mensen die in hetzelfde jaar geboren zijn beleven de wereld op een vergelijkbare wijze. Ze delen dezelfde herinneringen en dezelfde perspectieven.

Niemand weet hoe het was om jong te zijn in de oorlog, als hij niet zelf in die tijd jong is geweest. Wie in de hongerwinter geboren is, zo werd laatst ontdekt, heeft vaak een iets andere samenstelling van de genen. De tijd laat zijn sporen niet alleen na in de ziel, maar ook in het DNA van de mens, zowel letterlijk als figuurlijk. Henk Hofland schreef ooit over de tijd van de oorlog het volgende:

‘In de oorlogsjaren is in versneld tempo de samenhang van de normale maatschappij verloren gegaan, overal, in ieder land dat aan de oorlog heeft deelgenomen. Chaos en willekeur werden genormaliseerd, in vredestijd onbekende menselijke mogelijkheden bevorderd tot omgangsvormen, dit alles niet voor de korte duur van een incident, maar over een bestek van jaren, dagelijks. Het komt erop neer dat de oorlogsjeugd een wezenlijk en onbecijferbaar andere op voeding heeft gekregen dan de voorgaande generaties. Dit in aanmerking genomen kan niemand het een wonder vinden dat de kinderen van de oorlog zich daarna als volwassenen anders hebben gedragen: De breuk zit niet in de oorlog zelf, maar in de jeugd van de oorlogsjaren. Dat is het DNA van deze generatie.’

Deze woorden van Henk Hofland zijn typerend voor iemand die de oorlog heeft meegemaakt in een fase van zijn leven dat het hem als het ware ‘overkwam’. Die tijd na de oorlog begint anders als je hem vanuit dit perspectief bekijkt. Het is niet een nieuw tijdperk dat plotseling begint, maar een verwarrende fase van overgang voor wie voor wie jong was en sensitief.

Hofland werd geboren in 1927 en was dus 13 toen de oorlog begon en 18 toen hij eindigde. Precies zijn pubertijd dus. De generatie, die in het midden van de jaren twintig  – pakweg tussen 1923 en 1928 – werd geboren, trof een zelfde lot. Zij hebben een vitaal gedeelte van hun jeugd gemist, de jaren dat zij bij hun volle bewustzijn kwamen. Dat besef diende zich na de oorlog in versterkte mate aan. Zij waren het immers die het moesten gaan maken: de generatie van de toekomst, de wederopbouw.

Maar in plaats van zich klaar te stomen, hadden ze vijf jaar lang in de wachtkamer moeten zitten. Menigeen had zelfs onder moeten duiken om aan de Arbeitseinsatz in Duitsland te ontkomen. Een enkeling was gerekruteerd geweest voor het Oostfront, maar de meesten waren murw door vijf lange oorlogsjaren, die juist voor jongelingen langer hadden geduurd dan voor wie dan ook. Het was een tijd geweest van geestdodende saaiheid, maar ook van geestelijke verwarring en ontreddering.

Het DNA van een generatie is de blauwdruk van de geschiedenis die daaruit voort zal komen. Die figuurlijke DNA wordt vooral gevormd in de overgangsjaren naar de volwassenheid. De kunst en poëzie van Cobra en De Vijftigers is niet te begrijpen zonder de impact die de oorlogsjaren heeft gehad op de ontvankelijke aard van een nog wankelmoedige levensfase. Kort na oorlog had de schoonheid, zoals Lucebert dichtte, ‘zijn gezicht verbrand’. Voor zijn generatie volgden de jaren van existentiële vertwijfeling.

Men wilde niet langer schoonheid najagen, maar proefondervindelijk dichten en schilderen. Kunst en poëzie waren geen uitdrukkingsmiddelen meer, maar een werkzaamheid van de geest. Men wilde de letterheren en letterdames iets heel anders laten zien, door – zoals Lucebert het samenvatte- onder hun sonnetten en balladen ‘de blote kont der kunst te kussen’. De oorlog ging niet voorbij in 1945. Hij ging pas voorbij in de jaren zestig, toen een nieuwe generatie wakker werd, die geen last meer had van het DNA van hun voorgangers.

Maar waarom waren de babyboomers dan zo links? Laat ik bij mezelf beginnen. Een echte meeloper ben ik nooit geweest, maar om nu te beweren dat ik in de jaren zestig en zeventig niet met linkse ideeën belast ben geweest, is teveel gezegd. Al moet gezegd dat ik in die tijd meer over Jung las dan over Marx. Maar het dominante ‘linkse beeld’, dat achteraf van de jaren zestig is ontstaan, is wel erg stereotiep.

Er waren ook grijstinten. Niet iedereen was links of bedreef de vrije liefde. Bovendien waren er ook altijd ook nog de ouderen, zoals er nadien ook weer jongeren kwamen: de Generatie X , de Generatie Nix en de Generatie Einstein. Elke tijd wordt – wat generaties betreft – gekenmerkt door ‘de gelijktijdigheid van het ongelijktijdige’. Niemand is in zijn oorsprong uniek. Alles heeft zijn context in het heden.

Schermafbeelding-2015-08-22-om-22.35.45

Laatst hoorde ik iemand, die duidelijk tot de Generatie X behoort, tegen mij zeggen dat hij steeds meer het gevoel heeft dat de verworvenheden van de jaren zestig – the good and the bad – pas echt manifest zijn geworden in de jaren negentig. Babyboomers waren toen leidend in de samenleving en de jongeren – in een stadium dat de vertegenwoordigers van de Generatie X inmiddels verlaten had – genoten volop van alle vrijheden. Kortom, de Generatie X viel tussen wal en schip. Zij hadden niets meer om voor te strijden en kenden nog niet het schaamteloze hedonisme van de generatie die na hen kwam, om van alle vrijheden te genieten.

Zij groeiden op in een tijd waarin echtscheiding en werkende moeders een alledaags verschijnsel was geworden, terwijl het met de economie opeens niet mee zat. Na de jaren zestig groeiden de bomen niet meer tot in de hemel. ‘Het wordt nooit meer wat zoals het voorheen is geweest,’ zei Den Uyl in 1973 bij het begin van de oliecrisis. Iedereen die volwassen werd in de Generatie X werd een jobhopper met een bindingsangst.

Ze kregen onbestemde verlangens die ook nooit vervuld leken te worden. Als ze ergens arriveerden, waren ze al bezig hun koffers te pakken. Ze wilden het leven in alle intensiteit ervaren, maar hadden het gevoel nooit een echte intensiteit te beleven. Dat gevoel wordt misschien nog het duidelijkst verwoord door Robbie Williams in zijn liedje Feel. Zo heeft iedereen zijn generatietrauma. Maar punt blijft, dat babyboomers in veel opzichten de weg hebben gebaand voor anderen die na hen kwamen.

Reageren is niet mogelijk.